CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting BP Oudhuijzerweg 41

Gemeenteraad 20 april 2023, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Oudhuijzerweg 41 te Wilnis - AKKOORDSTUK17.731 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Watervergunning

De begrenzing van het perceel aan de noordzijde is aan de Ringvaart en maakt daardoor deel uit vande waterkering van de Ringvaart. Het perceel is gedeeltelijk gelegen binnen de beschermingszone van de dijk. Bij de uitvoering van het initiatief zijn vier activiteiten van toepassing die de aanvraag van een keurontheffing noodzakelijk maken: • • • •

Sloop en van de betonnen bak van het woonschip, waarbij de vrijkomende ruimte zal worden opgevuld met een afdeklaag van schone grond Verwijdering van de bestaande (asbest)beschoeiing en vervanging door een nieuwe beschoeiing van hardhout Verbreding van de bestaande insteekhaven met ongeveer 2 x 6 meter en aanleg van een beschoeiing en een steigervlonder in de tuin langs deze insteekhaven Ophogen van het gehele perceel ter compensatie van de verzakking van de venige grond, die in de afgelopen 50 jaar heeft plaatsgevonden. De inschatting is dat gemiddeld 50 tot 60 centimeter verhoging nodig zal zijn.

De uitvoering van deze werkzaamheden is in het kader van de keur AGV 2019 in februari 2020 voorgelegd aan de afdeling vergunningen van Waternet. Op 12 maart 2020 is door het Waterschap Amstel, Gooi enVecht reeds een watervergunning verleend voor het vervangen van de bestaande beschoeiing, het ophogen van het perceel en het verbreden van een bestaande insteekhaven ter hoogte van Oudhuijzerweg 41 te Wilnis. Deze vergunning is als bijlage toegevoegd aan deze toelichting. In juli 2022 is de sloop van de opstallen uitgevoerd en zijn de eerste twee punten uitgevoerd. Deze werkzaamheden zijn vanuit de sloopmelding met toestemming van Waternet uitgevoerd. De vergunning voor deze werkzaamheden is door Waternet verstrekt op 27 juli 2022. Bij de beoordeling van de verleende vergunningen is op basis van de aangeleverde tekeningen tevens al in de beoordeling betrokken of de locatie en de fundering van de nieuw te bouwen woning bezwaren zou kunnen opleveren, omdat het perceel deels in de beschermingszone ligt van de Ringvaartdijk. Uit deze beoordeling zijn geen negatieve indicaties voortgekomen. De beschermingszone ligt op basis van een voorlopige aanduiding van de woonvlek op tenminste -600 cm onder het huidige maaiveld. De gebruikelijke formele ‘watertoets’ heeft echter nog niet plaatsgevonden.

Voorafgaand aan de bouw van de nieuwe woning, zal in een vergunningsaanvraag aangetoond moeten worden dat de fundering van de nieuwe woning niet tot in de

29

beschermingszone reikt, uitgezonderd de gebruikte heipalen. In de plankaart bij het bestemmingsplan is de ruimte tussen de voorziene woning en de Ringvaart vastgelegd als Tuin- Landschappelijk en met de aanduiding WS-WK (Waterstaat-Waterkering). Tevens is met een streep aangegeven tot welk punt de beschermingszone doorloopt. Daarmee is het belang van de beschermingszone in het nieuwe bestemmingsplan vastgelegd. 4.1.4

Riolering en hemelwaterafvoer

In het opgehoogde terrein zullen bij de bouw van de nieuwe woning ook nieuwe rioolaansluitingen worden aangelegd. Vanaf de woning zal een rioolafvoer worden aangesloten op het gemeentelijk riool langs de Oudhuijzerweg voor de afvoer van vuilwater (toiletten, keuken, douche etc.). Regenwater afkomstig van dak en terrein zal via een afzonderlijk buizenstelsel worden afgevoerd naar de Ringvaart. Over het terrein loopt ook de gedeeltelijke regenwaterafvoer van het perceel en de bebouwing van Oudhuijzerweg 39, met een afvoerleiding van zijn perceel naar de Ringvaart. In goed overleg met de bewoner van dit pand zal ook zijn regenafvoer tijdens het aanbrengen van de grondophoging worden vernieuwd, waarmee ook een goede afwatering van hemelwater vanaf zijn perceel kan worden gewaarborgd. 4.1.5

Conclusie

Het initiatief is in lijn met het bepaalde in het waterplan en landelijke en gemeentelijke regelingen inzake goed waterbeheer. Het voorziet in maatregelen voor oeverbescherming door vervanging van bestaande slechte beschoeiingen en beperkte uitbreiding van het wateroppervlak via vergroting van de bestaande insteekhaven. Omdat het perceel grenst aan de Ringvaart, zal bij de aanleg van de fundering van de nieuw te bouwen woning rekening worden gehouden met de referentiekaders van de beschermingszone van het theoretische dijklichaam, volgens de maatvoering van de legger van de waterbeheerder Waternet. De verhoging van de verzakte bodem past binnen de kaders van het Nationale Waterplan en zorgt ervoor dat de grondwaterstand op het gehele perceel voldoet aan de grondwaternormen- en richtlijnen van de gemeente. Het toekomstige maaiveld komt daarmee nog verder af te liggen van de bovengrens van het theoretische dijklichaam, dan thans met de huidige bebouwing al het geval is. De uitvoering van het initiatief leidt, in het kader van waterbeheer, tot een aantal verbeteringen van de huidige situatie.

4.2

Bodem

4.2.1 Wet- en regelgeving Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen aan te worden getoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. In het algemeen geldt dat verontreiniging van de bodem (grond en grondwater) moet worden voorkomen. Uitgangspunt is dat de bodem schoon is en ook zo moet blijven (zorgplicht). Voor vervuilde bodems geldt dat deze functiegericht en kostenefficiënt gesaneerd moeten worden. Voorwaarde is dat hierbij geen verspreiding van of ontoelaatbare blootstelling aan verontreiniging optreedt. 30

De Wet Bodembescherming geeft regels voor bodemverontreiniging, waarvan sprake is als het gehalte van een stof in de grond of in het grondwater de voor de stof geldende streefwaarde overschrijdt. Onderzoek naar bodemkwaliteit dient gedaan te worden wanneer initiatieven uitgaan van bodemroerende activiteit, dan wel functies mogelijk maken, waarbij dezelfde mensen gedurende een langere periode minstens 2 uur per dag op de betreffende gronden verblijven. 4.2.2

Beschouwing

In het kader van de voorbereiding van dit initiatief en de voorbereiding van de sloop van de huidige opstallen is aan het bedrijf TerraCarta Milieu uit Hoogeveen een opdracht verstrekt voor een verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek. Dit onderzoek is in twee fases uitgevoerd, een verkennend en een aanvullend bodemonderzoek. Hun definitieve rapportage d.d. 23 april 2020 is (exclusief de bijlagen) toegevoegd aan deze toelichting. Uit de rapportage van TerraCarta Milieu is gebleken dat er op het perceel twee locaties zijn waar een hoeveelheid lood is gemeten, die de interventiewaarde overschrijdt. Er is geen sprake van asbest in de grond en ook in het grondwater is geen vervuiling geconstateerd. Vermoedelijk vallen de sterke verhogingen toe te schrijven aan het toemaakdek dat aanwezig is op vele plaatsen in de Gemeente De Ronde Venen. Een toemaakdek bestaat uit veen met bijmenging aan zand en meestal sporen van baksteen en puin, veelal afkomstig van storting van stadsvuilnis dat via schepen vanuit de regio Amsterdam werd aangevoerd. Verwezen wordt naar de conclusies over de mate van vervuiling in hoofdstuk 6 van de bijgevoegde rapportage en de verklarende beelden hieronder.

Figuur 14 Oude brug over de Ringvaart waar thans de woning Oudhuijzerweg 35 staat Deze oude prentkaart met de Hervormde kerk op de achtergrond, laat op de voorgrond een ‘praam’ zien die gebruikt werd voor het vervoer van turf als brandstof naar Amsterdam. De praam is geladen met stadsvuil, dat op de terugweg werd meegenomen als retourvracht door de schippers. (zie ook de toelichting hiervoor)

31

Figuur 15 De woning rechts op de foto staat op de locatie van de vroegere scheepswerf Voor het oplossen van de problematiek van de lood- en zinkvervuiling is aan het bedrijf Grondslag een opdracht tot begeleiding van de bodemsanering verstrekt. Op 9 juli 2020 is een BUS melding gedaan en is Grondslag gemachtigd als saneerder op te treden en het voorgestelde saneringsplan uit te voeren. De start van de saneringswerkzaamheden is voorzien direct na het sloopproces, naar schatting in juli of augustus 2022. De sanering zal worden uitgevoerd conform de BUS-procedure immobiel (Besluit Uniforme Saneringen). Bij de sanering is gekozen voor de meest voor de hand liggende optie, een isolatievariant. Daarbij zal, geheel in lijn met de toch al bestaande plannen tot ophoging van het perceel vanwege de forse verzakking in de achterliggende jaren, het gehele terrein met uitzondering van de oprit worden verhoogd met een nieuwe leeflaag van gemiddeld 50 tot 60 centimeter schone grond (klasse wonen grond) en met beton ter plaatse van de bebouwing en tegels bij aangelegde terrassen. De oprit zal in beperkte mate met nieuwe verharding worden verhoogd, zodanig dat het aansluit op de uitrit naar de Oudhuijzerweg en aan de woonzijde bij het verhoogde maaiveld.

Grondslag zal daarbij de milieukundige begeleiding verzorgen, met toepassing van protocol 6001 (landbodemsanering met conventionele methoden) en na afloop de evaluatie opstellen. Omdat de BUS melding uit 2020 inmiddels verlopen is zal een nieuwe melding worden gedaan. 4.2.3

Conclusie

Het initiatief is in relatie tot het aspect bodem uitvoerbaar, uitgaande van de maatregelen die in hetkader van de BUS melding na de sloop en de bestaande opstallen zullen worden genomen. De uitvoering van het saneringsplan zal in nauw overleg met de milieudeskundige en het bevoegdegezag worden gedaan, inclusief de evaluatie van de uitvoering. Na sanering kan een woning worden gerealiseerd op een met nieuwe leeflaag van een met gemiddeld 50 tot 60 centimeter verhoogde bodem. De thans aanwezige toemaakproblematiek is met deze isolatiemethode opgelost. Na de bouw van de nieuwe woning kan de omliggende grond als tuin worden ingericht. 32

4.3 Flora en fauna 4.3.1 Wet- en regelgeving Op basis van wetgeving is bepaald dat ruimtelijke initiatieven geen (onevenredige) nadelige effectenmogen hebben op eventueel voorkomende beschermende flora en fauna. De bescherming van ecologische waarden en van planten- en diersoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. In een rapportage van 5 mei 2021 is door het bedrijf EONW een ecologische QuickScan uitgevoerd opde locatie. Deze rapportage is bijgevoegd als Bijlage bij deze toelichting.

De conclusies in het rapport luiden als volgt: Omdat ingrepen, werkzaamheden en activiteiten die voortvloeien uit de bestemmingswijziging niet leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming of tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, zijn vervolgstappen niet aan de orde. Wel moet er gewerkt worden in de afwezigheid van broedende vogels en verlangt bevoegd gezag ten aanzien van stikstof mogelijk nog een verdere onderbouwing met behulp van een Aerius berekening. Geadviseerd wordt om in de geplande nieuwbouw voorzieningen voor huismussen en vleermuizen op te nemen.” 4.3.2

Conclusie

Het initiatief heeft geen negatieve effecten op eventueel aanwezige (beschermde) flora en fauna. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming. Het voorliggende initiatief is in relatie tot de aspecten flora en fauna uitvoerbaar. In het kader van de beoordeling van een eventuele m.e.r. beoordeling is een benadering gemaakt van de activiteiten en vervoersbewegingen die tijdens het sloop- en bouwproces mogelijk tot stikstofuitstoot zullen leiden.De omvang hiervan is gering.

4.4

Cultuurhistorie en archeologie

4.4.1

Erfgoedwet

Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988, samen met enkele andere wetten op het gebied van bescherming van cultureel erfgoed, samengevoegd tot de Erfgoedwet. Ten aanzien van het ruimtelijk domein regelt deze wet de omgang met rijks beschermde gebouwen en archeologische monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten. De erfgoedwet werkt door in de Wet administratieve bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening (WRO). 4.4.2

Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg 2009 (MoMo)

Het doel van de MoMo is het doorvoeren van veranderingen in de monumentenzorg. Bij de uitwerking heeft de Minister zich op drie pijlers gericht. Eén van die pijlers uit de Modernisering Monumentenzorg van het Rijk is het opnemen van cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening. Deze wijziging is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). 4.4.3

WRO/Bro

In het Bro wordt het bestemmingsplan genoemd als instrument waarin cultuurhistorische waarden kunnen worden verankerd. Het Bro is een uitwerkingsbesluit van de WRO. 33

Dit besluit verplicht gemeenten om in de toelichting bij een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden (Artikel 3.1.6, lid 5). Belangrijk daarbij is dat het cultuurhistorische belang uitdrukkelijk als afwegingsgrond in het ruimtelijk plan moet worden genoemd, omdat anders een juridisch grond voor toetsing op basis van dit beleidsterrein ontbreekt. 4.4.4

Archeologische beleidskaart De Ronde Venen 2016

De locatie Oudhuijzerweg 41 maakt onderdeel uit van de lintbebouwing van de Oudhuijzerweg en als is zodanig te beschouwen als ‘dorpslint’, met de vrijstellingsbepalingen van categorie 2b. De normentabel voor landbodems binnen de gemeente De Ronde Venen geeft voor deze categorie aan een maximum verstoringsoppervlak van 100 m2 en een maximale graafdiepte van 30 centimeter. In het bestemmingsplan is met een dubbelbestemming aangegeven dat deze archeologische normen van toepassing zijn. Van concrete archeologische vondsten is nooit sprake geweest op het terrein en de te slopen opstallen hebben evenmin cultuurhistorische waarde. 4.4.5

Beschouwing

Het initiatief is erop gericht om de bestaande opstallen, bestaande uit: een werkplaats (in gebruik geweest als meubelmakerij), een woning (gebouwd als woonschip) en te verwijderen en op het perceel een nieuwe woning op te richten. De bestaande opstallen zijn in slechte staat en vertegenwoordigen geen cultuurhistorische of archeologische waarden. De bodem zal voorafgaande aan nieuwe bebouwing met 50 tot 60 centimeter worden verhoogd. In de bodem zal niet worden gegraven, behoudens voor aanleg van de fundering van de woning. 4.4.5 Conclusie Voorliggend initiatief is in relatie tot de aspecten cultuurhistorie en archeologie uitvoerbaar.

4.5

Geluid

4.5.1

Wet- en regelgeving

In de Wet Geluidshinder zijn normen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Wanneer er een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt gerealiseerd op een locatie waar momenteel geen geluidsgevoelige functie aanwezig of toegestaan is en deze locatie binnen de geluidszones van industrie, rail- of wegverkeer valt, dient door middel van een akoestisch onderzoekonderzocht te worden of de geluidsniveaus, in relatie tot de geluidsgevoelige functie, aanvaardbaar zijn. In 2019 is de Aanvullingswet Geluid goedgekeurd, welke nadere regels geeft over het geluid vanindustrieterreinen, wegen en spoorwegen. 4.5.2

Grenswaarden

Voor de beoordeling van geluidsgevoelige bestemmingen gelden grenswaarden. Deze grenswaarden gelden in het geval van een gezoneerd industrieterrein ook op 50 meter van de grens van de inrichting. In voorkomende situaties dient getoetst te worden of het geluidniveau van gevoelige gebouwen beneden de toegestane normen blijven. Een woning geldt daarbij als een geluidsgevoelig gebouw. 34

Het toetsingskader voor geluidgevoelige gebouwen buiten een bedrijventerrein zijn gelijkgesteld aan het standaard toetsingskader van Artikel 2.17 lid 1. Deze normen zijn: Geluidsnormen volgens Tabel 2.17c Activiteitenbesluit Norm (dB(A))

periode (uur van de dag) 7 tot 19 19 tot 23 23 tot 7

L Ar,LT op de gevel van gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein L Ar,LT in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten van in- en aanpandige gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein L Amax op de gevel van gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein L Amax in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten van in- en aanpandige gevoelige gebouwen op het bedrijventerrein

50

45

40

35

30

25

70

65

60

55

50

45

L Ar,LT = het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau L Amax = Het maximale geluidsniveau Als definitie van een bedrijventerrein geldt: “een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein”. 4.5.3

Beschouwing

Het initiatief is erop gericht een nieuwe woning op te richten. Deze woning zal geen hinder moeten kunnen ondervinden van de omliggende bedrijfsvestigingen gelegen binnen een straal van 50 meter van de woning. De nieuwe woning zal niet op een bedrijventerrein liggen, maar wel aan de oostzijde grenzen aan een perceel met een bedrijfsbestemming. De percelen Oudhuijzerweg 41, 45 en 55 hebben in de bestaande situatie alle drie nog een bedrijfsbestemming. In de oude situatie op Oudhuijzerweg 41 wat dit gecombineerd met een woonbestemming via de deelbestemming ligplaats voor woonschip. Het voorliggende initiatief voorziet in het verwerven van een woonbestemming voor het gehele perceel, met oprichting van een vrijstaande woning. Daarmee vervalt de huidige bedrijfsbestemming op dit perceel. In de nieuwe situatie zal er geen inrichting op Oudhuijzerweg 41 meer zijn waarop de Wet geluidshinder van toepassing zal zijn. Wel is er nog steeds sprake van een bedrijfsbestemming op de beide naastgelegen percelen Oudhuijzerweg 45 en 55. Getoetst is of de nieuw op te richten woning, die zal liggen binnen de richtafstand in het kader van geluidshinder, toch zal kunnen voldoen aan een goed leefklimaat. Dit geldt met name ten aanzien van het huidig en toekomstig gebruik van het bedrijfspand op nummer 45.

35

Nr 45

Nr 55

Figuur 16 Oude situatie met naastgelegen bedrijfsgebouwen Oudhuijzerweg 45 en 55 Onderzocht is of de bouw van een woning na bestemmingswijziging beperkingen zal kunnen opleveren voor de gebruiksmogelijkheden van deze bedrijfsbestemmingen, met name voor het pand Oudhuijzerweg 45. 4.5.4

Huidige situatie

Het bedrijfspand Oudhuijzerweg 45 wordt vanaf de verwerving door de huidige eigenaar in 2014 gebruikt voor de opslag van materialen. Er vinden geen productieprocessen of andere bedrijfsactiviteiten plaats. Er wordt daardoor nauwelijks geluid gemaakt, anders dan dat van zeer beperkt voorkomend verkeer van auto’s die materiaal afleveren of ophalen en de elektrische garagedeur die daarbij open en dicht gaat. Dit is slechts zeer incidenteel en op de meeste dagen van de week in het geheel niet. Er is nu dus feitelijk geen sprake van geluidshinder. 4.5.5

Toekomstige situatie

Over de toekomst van het bestaande bedrijfsgebouw Oudhuijzerweg 45 is nu nog geen duidelijkheid te geven. De eigenaar heeft aangegeven nu nog geen concrete plannen voor een andere bestemming of voor verkoop aan een andere ondernemer te hebben. Uit zijn schriftelijke reactie kan alleen worden opgemaakt dat de situatie in de eerstkomende jaren onveranderd zal blijven. In dit initiatief is er daarom van uitgegaan, dat de bestaande bedrijfsbestemming (opslag) ook in de komende jaren er nog zal worden voortgezet, echter wel met behoud van alle daarop rustende mogelijkheden voor een andere bedrijfsvoering in de toekomst en de daarbij behorende maximale geluidsnormen. De nieuwe woning zal worden opgericht met de oostelijke gevel op ongeveer 3 meter afstand van de volledig blinde muur van dit bedrijfspand. Hoewel de huidige eigenaar van Oudhuijzerweg 45 bij navraag door de initiatiefnemer geen concrete plannen daartoe kenbaar heeft gemaakt, zou deze in de toekomst zijn eigendom ook kunnen 36

overdragen aan een partij die er wel een nieuw bedrijf zou willen uitoefenen, eventueel met een geluid veroorzakend productieproces. Om er voldoende zekerheid over te verkrijgen dat het toekomstig gebruik van de bedrijfsloods ook in deze (nu nog hypothetische situatie) niet wordt beperkt door de nieuw op te richten woning, heeft de initiatiefnemer ter plaatse geluidsmetingen laten verrichten. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. De geluidsmetingen zijn verricht op drie verschillende punten, te weten: 1. Op de gevel van de bestaande woning Oudhuijzerweg 43 (ca. 20 meter afstand) 2. Op een punt binnen de woonvlek, gelegen op 5 meter van de garagedeur 3. Op een punt binnen de woonvlek, gelegen op 10 meter van de garagedeur Uit de metingen is gebleken dat het geluidniveau op alle drie de meetpunten onder het toegestane geluidsniveau blijft. Daarnaast blijkt uit de meting dat het geluidsniveau op het 3e meetpunt, een reeds lang bestaand geluidsgevoelig object, wat hoger is dan de twee metingen op de andere meetpunten gelegen binnen de voorziene woonvlek. De reden hiervan is dat geluidsgolven vanuit de bron vooral rechtuit gaan en in volume sterk afzwakken als ze een 180 graden bocht moeten maken.

In deze concrete situatie is er dus veel minder geluid waarneembaar aan de westzijde van het bedrijfspand waar de nieuwe woning wordt gesitueerd, dan aan de zuidzijde van het bedrijfspand, hoewel de daarbij gebruikte meetpunten dichter bij het bedrijfspand liggen. De initiatiefnemer heeft het bestemmingsplan beperkt aangepast, door de zuidelijke lijn van de woonvlek terug te brengen tot 1 meter achter de gevellijn van de bedrijfspand. Daarmee sluit de hoek van het woonvlak exact aan op het meetpunt 2 in het rapport geluidsmetingen. Met een gemeten waarde van 54.9 dB/A blijft het geluid op dit uiterste punt ruim onder de toegestane waarden. Daarnaast kunnen bij de bouw van de nieuwe woning nog enkele maatregelen genomen worden om een goed leefklimaat in de nieuwe woning te bevorderen en enige vorm van geluidshinder nog meer tegen te gaan. Dit zijn: • •

4.5.6

Het oprichten van een groene haag direct op de erfafscheiding, langs de gevel van het bedrijfspand, om het zicht op het bedrijfspand te beperken Zo veel mogelijk dichte en geïsoleerde gevels aan de oostzijde van de woning; de leefzijde zal juist op het westen worden gericht. Dus een beperkt raamoppervlak aan de oostgevel, alleen voor zover dit noodzakelijk is voor goed daglicht en ventilatie. Conclusie

Zowel in de huidige situatie als in toekomstige situatie is geen sprake van een zodanige geluidshinder voor de nieuw te bouwen woning, dat dit zou kunnen leiden tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende bewoners en meer de eigenaar van het bedrijfspand Oudhuijzerweg 45. Ook in de nieuwe situatie blijft het geluid, wat overigens gelet op het gebruik zeer incidenteel is, beneden te toegestane waarden. Bij de bouw van de nieuwe woning zal rekening gehouden worden met de blinde muur van de bestaande bebouwing, door een hoge erfafscheiding die de muur van het naastgelegen bedrijfsgebouw grotendeels aan het zicht zal onttrekken. Dit resulteert alleen in zichtverbetering. Van geluidshinder via deze blinde muur zal geen sprake zijn, zeker niet als ook de nieuwe woning met een geïsoleerde gevel wordt uitgevoerd. Gelet op de beschreven situatie zijn alle mogelijkheden ter zake van mogelijk huidige- en toekomstige geluidsoverschrijding onderzocht. Er is daarbij voor de meest nadelige situatie 37

gekozen, om zekerheid te hebben dat ook de (nu nog hypothetische) gebruiksmogelijkheden in de toekomst niet worden beperkt. De conclusie is dat het initiatief in relatie tot het milieuaspect geluid, uitvoerbaar is.

4.6

Lucht 4.6.1

Wet milieubeheer/Wet luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over de luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de “Wet luchtkwaliteit”. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in AMvB’s en ministeriële regelingen. De nieuwe wetgeving kent een dubbele doelstelling: a. De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen, zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; b. De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig omdat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd, vanwege het niet halen van de normen. De Wet luchtkwaliteit vereist een genuanceerde toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit. Een ruimtelijk plan is in overeenstemming met de Wet luchtkwaliteit als de planvorming niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. Projecten die ‘niet in betekende mate bijdragen` aan de concentraties, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Voor projecten die wel in betekende mate bijdragen aan de concentratie is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. 4.6.2

AMvB ‘Niet in Betekenende mate’ en Regeling ‘Niet in Betekende Mate’ (NIBM)

De AMvB NIBM en de Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bij voorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan de toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Er is een onderscheiding gemaakt tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (of wel ‘niet in betekende mate’ leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit). De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoor vloeroppervlak. Grotere projecten kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL.

38

In het jaar 2019 is veel onduidelijkheid ontstaan over de vergunningverlening voor ruimtelijke plannen waarbij mogelijk stikstof vrijkomt, dat mogelijk neerslaat in een Natura 2000 gebied. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit werkt aan nieuwe beleidskaders, waarmee de vergunningverlening weer kan worden hervat. In de regio Noordwest Utrecht zijn twee Natura 2000 gebieden die mogelijk beperkingen kunnen opleveren voor omliggende projecten: Botshol en de Nieuwkoopse plassen. De locatie van het onderhavige initiatief ligt echter op meer dan 3 kilometer afstand van deze gebieden.

Figuur 18 Afstand locatie tot Natura 2000 gebieden Botshol en Nieuwkoopse Plassen 4.6.3

Beschouwing

Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van het slopen van bestaande opstallen en het vervangen door de bouw van een vrijstaande woning. Na sloop zal de onderliggende ondergrond worden opgehoogd, omdat deze in de loop der jaren door inklink van de venige grond met ca 40 tot 60 centimeter is verlaagd. Deze activiteiten leiden bij toetsing aan de wet- en regelgeving volgens het stappenplan luchtkwaliteit niet tot een overschrijding van de heersende grenzen voor luchtkwaliteit. Het initiatief is kleinschalig en blijft ver onder de grenzen van de regeling ‘niet in bekende mate‘ en heeft daarmee geen of slechts in zeer geringe mate invloed op de luchtkwaliteit. Het kwalificeert als een bestemmingsplan vallend onder Artikel 5.16, lid 1 van de Wet milieubeheer en hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk, ook niet na herziening van de calculatiemethode in het najaar van 2019. 4.6.4

Conclusie

Voorliggend initiatief is gelet op de aard en de kleinschaligheid in relatie tot het aspect

39

luchtkwaliteit uitvoerbaar. 4.7

Externe veiligheid 4.7.1

Algemeen

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die zich continue en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bij voorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van10⁻⁶/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bij voorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgevingvan de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van de GR. 4.7.2

Risicovolle inrichtingen

Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle inrichtingen zijn LPG-tankstations, ammoniak koelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico’s, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als op ruimtelijke ordening. Als een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of de vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. 4.7.3

Externe veiligheid transport

In het Besluit externe veiligheid transportroutes, dat per 1 april 2015 in werking is getreden, heeft het Rijk het beleid vastgelegd met betrekking tot de afweging van veiligheidsbelangen, die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het besluit zijn regels opgenomen voor het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de zogeheten basisafstanden van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Deze basisafstanden zijn vastgelegd in de Regeling Basisnet. Het besluit is onder meer van toepassing op omgevingsbesluiten, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan. 4.7.4

Buisleidingen

Voor buisleidingen, waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheidbuisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van de Bevb geldt voor de aanleg, bouw of de vestiging van een kwetsbaar object dichtbij een dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10⁻⁶ perjaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien een plan de ruimtelijke aanleg, bouw

40

of de vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object binnen het invloedgebied van een buisleiding toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. 4.7.5

Beschouwing

Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de sloop van bestaande oude opstallen en de bouw van een nieuwe vrijstaande woning. Een woning wordt gekwalificeerd als een kwetsbaar object. Met dit initiatief verdwijnt de bestaande bedrijfsbestemming en wordt een woonbestemming gerealiseerd, die via de bestemming ligplaats voor woonschip ook al op een gedeelte van het perceel bestond. Met het initiatief verandert het feitelijk gebruik van het perceel als woonperceel eigenlijk niet. Sinds het overlijden van de ondernemer/bewoner in 2002, heeft het perceel al gedurende 16 jaar uitsluitend een woonbestemming gehad. Sinds 2018 staat het leeg en onbewoond. Met dit initiatief wordt geen nieuwe risicobron geïntroduceerd. De Veiligheidsregio Utrecht heeft in een advies van 11 juli 2022 aangegeven dat het plangebied ligt binnen het invloed gebied van de provinciale weg N212 ligt, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Daarbij wordt aangetekend dat gezien de beperkte ontwikkeling, de omgeving van het plangebied en het aantal transporten gevaarlijke stoffen over de N212 is de verwachting dat het groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde is. Hiervan uitgaande volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

In het advies wordt aandacht besteed aan drie aspecten die het groepsrisico kunnen verkleinen: de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid voor hulpdiensten en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid in het geval van een explosie. Bluswater is voldoende voorhanden door de ligging direct aan de Ringvaart. Het terrein is goed bereikbaar voor hulpdiensten, ook met groot materieel. In het geval van een ramp op de N212 hebben de bewoners de mogelijkheid om via de Oudhuijzerweg te vluchten, van het gevaar af. Ook de Ringvaart biedt een uitwijkmogelijkheid. 4.7.6

Conclusie

Het initiatief is in relatie tot het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.

41

Geur

4.8

4.8.1

Wet- en regelgeving

Op 1 januari 2007 is de nieuwe “Wet geurhinder en veehouderij” (Wgv) in werking getreden. De Wgv ziet toe op geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv bevat daartoe onder meer wettelijke geurnormen, waaraan in principe moet worden voldaan, maar de wet biedt aan gemeenten ook de mogelijkheid om binnen bepaalde grenzen (artikel 6 Wgv) eigen gemeentelijke geurnormen toe te passen. De Wgv beschermt geurgevoelige objecten tegen de geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. 4.8.2

Beschouwing

Op 29 juni 2012 is als nadere uitwerking van de Wgv de “Verordening lokaal geurbeleid veehouderijen” voor het grondgebied van de gemeente De Ronde Venen vastgesteld. In deze verordening wordt rekening gehouden met een minimale afstand van 100 meter tussen een geurgevoelig object en een veehouderij waar vaste afstandsdieren worden gehouden. De nog actieve veehouderijen in de directe omgeving zijn niet meer gelegen langs de Oudhuijzerweg, maar al jaren geleden in het kader van ruilverkaveling verplaatst naar de Gagelweg. Aan het einde van Ringdijk, in de polder aan de overzijde van de Ringvaart is op ruim 1 kilometer afstand nog een veehouderij aanwezig. De locatie van dit initiatief is gelegen binnen de bebouwde kom (Bestemmingsplan Kom Wilnis), het gedeelte rechts van de N212. Binnen een grens van 100 meter van het initiatief als gevoelig object is geen veehouderij gelegen, vallend onder de bepalingen van de Wgv. De bestaande verordening heeft geen werking op het voorliggende initiatief. 4.8.3

Conclusie

De voorgestelde bestemmingswijziging tot een woonbestemming is in relatie tot het aspect geur uitvoerbaar.

4.9

Milieuzoneringen

4.9.1 Wet- en regelgeving Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen, die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient er bij ruimtelijke plannen, waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt, in principe uit te worden gegaan van een scheiding van functies. Hiertoe zijn in de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering (2009: hierna te noemen B&M) richtafstanden opgesteld.

4.8.4

Toetsingskader VNG

In deze handreiking worden afstanden, zogenaamde milieuzoneringen, tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies aangegeven waarmee wederzijdse hinder voorkomen wordt. Zo zorgt de milieuzonering ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. De invloed van een bedrijf op de omgeving hangt op de (milieubelastende) karakteristieken van het bedrijf. In de handreiking worden milieucategorieën met de daarbij behorende richtafstanden onderscheiden (zie tabel hieronder). Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van de hinderaspecten geluid, stof, gevaar en geur. 42

Voorts wordt onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. De gedachte daarbij is dat gebieden met gemengde functies hogere achtergrondwaarden voor wat betreft de hinderaspecten kennen, waardoor milieubelasting van een specifiek bedrijf meer op zal gaan in de omgeving en snel als hinder zal worden ervaren. Richtafstanden tot een rustige woonwijk Milieucategorie 1 10 meter 2 30 meter 3 50 tot 100 meter 4 200 tot 300 meter 5 500 tot 1000 meter 6 tenminste 1500 meter Figuur 19: Richtlijnafstanden per milieucategorie

Richtafstanden tot een gemengd gebied 0 meter 10 meter 30 tot 50 meter 100 tot 200 meter 300 tot 700 meter tenminste 1000 meter

De VNG-publicatie voorziet in de richtafstanden. Deze richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Door middel van een gedegen, op een specifieke situatie toegespitste onderbouwing, kan gemotiveerd van deze afstanden worden afgeweken. Naast het VNG-stelsel moeten bedrijven op basis van een vergunning volgens de Wet milieubeheer/Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning milieu) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften dienen onder andere ter regulering van de hinder voor de omgeving en kunnen daarmee relevant zijn voor de beschouwing van de hindersituaties. 4.8.5

Beschouwing

Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat is gelegen in de kom Wilnis en vormt onderdeel van de lintbebouwing langs de Oudhuijzerweg, waarlangs van oudsher sprake is van een gemengde bebouwing van woningen, bedrijven en veehouderijen. De veehouderijen zijn in de afgelopen decennia grotendeels verdwenen langs de Oudhuijzerweg. Het perceel Oudhuijzerweg 41 heeft thans een gedeeltelijke woonbestemming via het gedeelte dat als ligplaats voor woonschip in het huidige bestemmingsplan is opgenomen. Daarnaast is er een bedrijfsbestemming op het perceel. De ruimtelijke onderbouwing heeft tot doel om het gehele perceel aan te passen tot een woonbestemming, met het doel op het perceel een nieuwe vrijstaandewoning te realiseren. Daarmee wordt de feitelijk al vele jaren bestaande situatie op het perceel van een gebruik als uitsluitend woonfunctie voortgezet. In de directe omgeving zijn er nu nog enkele bedrijfsvestigingen, waarin (in een zeer beperkte mate) een handelsfunctie wordt uitgeoefend. Deze bedrijven vallen in milieucategorie 2. Het nog actieve bedrijf op Oudhuijzerweg 55 (verhuurd door de eigenaar en nu in gebruik als detailhandel in design meubelen en vintage artikelen) ligt op meer dan 10 meter afstand. Het pand op Oudhuijzerweg 45 staat dicht op de perceelsgrens en daarmee binnen de richtafstand van 10 meter.

In dit pand vindt wordt momenteel geen actieve bedrijfsvoering meer plaats. Zie ook de beschrijving over de actuele situatie bij het thema ‘geluid’. Er is al jaren geen sprake van een hindersituatie aangaande het milieu, ook niet in de oude situatie toen er ook al een woonsituatie bestond. De huidige eigenaar heeft een vastgoedonderneming en gebruikt het pand uitsluitend voor opslag van bouwmaterialen.

43

Mocht er in de toekomst, na verkoop aan een andere partij, zich toch weer een bedrijf willen vestigen, dan kunnen dit volgens de huidige richtlijnen alleen bedrijfstypen zijn, vallend in de bedrijfscategorieën 1 en 2. Op basis van de actuele situatie en de voornemens van de eigenaren is dit echter niet te verwachten. Feitelijke betekent dit ten aanzien van het aspect milieu dat geen verandering te voorzien is ten opzichte van de al vele jaren bestaande situatie. De enige feitelijke verandering is dat de bestaande bedrijfsbestemming op het perceel Oudhuijzerweg 41 wordt opgeheven. Dit past binnen het beleid van de Gemeente Ronde Venen ten aanzien van de inrichting van Kom Wilnis en de specifieke bebouwing langs de Oudhuijzerweg. 4.8.6

Conclusie

Het initiatief is in relatie tot het aspect milieuzonering uitvoerbaar.

4.10 MER-beoordeling 4.10.1

Aanmeldnotitie

Volgens de geldende procedure binnen de Gemeente De Ronde Venen is vooruitlopend op de bestemmingsplanprocedure een m.e.r. aanmeldnotitie ingediend. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 4.10.2

Uitgangspunten voor een MER beoordelingsplicht

De basis van de milieu effectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd. De vorm van een vormvrije m.e.r. is niet bepaald, maar de inhoud waar een m.e.r.- beoordeling aan dient te voldoen is wel bepaald (Bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU). In de vormvrije m.e.r. dient de volgende inhoud zijn vermeld: a) Kenmerken van de projecten. b) Plaats van de projecten. c) Kenmerken van het potentiële effect.

Deze drie aspecten zijn nader beoordeeld en toegelicht. De belangrijkste bevindingen hieruit zijn: a. Kenmerken van het project De omvang van de voorgenomen ontwikkeling is klein. Het betreft de realisatie van slechts 44

één vrijstaande woning in het bestaande lint aan de Oudhuijzerweg 41, met een maximale inhoud van 700 m3. De ontwikkeling sluit goed aan op de bestaande woningen, welke aan de Oudhuijzerweg zijn gevestigd. De toekomstige woning wordt via het bestaande rijpad op de Oudhuijzerweg ontsloten. De kenmerken van dit kleinschalige project rechtvaardigen geen MER. b. Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Oudhuijzerweg 41 te Wilnis. Het plangebied heeft in de huidige situatie nog een drietal opstallen die voorafgaande aan de bouw van een nieuwe woning zullen worden gesloopt. Wegens verzakking van de veenbodem en de aanwezigheid van loodvervuiling door toemaakdek in gedeelten van het perceel, zal de sloop en sanering door gecertificeerde bedrijven worden uitgevoerd. Daarbij is een saneringsproces afgesproken waarbij de vervuilde gedeelten zullen worden afgedekt met een laag schone grond die van buiten wordt aangevoerd. Er wordt geen vervuilde grond afgevoerd. Het projecten ligt ruim buiten een straal van 3 kilometer de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden. c. Kenmerken van het potentiële effect De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving. Te verwachten effecten hangen samen met de verkeer aantrekkende werking van het plan. Overige te verwachten effecten zijn in dit kader niet relevant.

Derhalve kan geconcludeerd worden dat geen effecten aan de orde zijn die een MER rechtvaardigen. 4.10.3 Conclusie Het initiatief is in het kader van het Besluit milieueffectrapportage uitvoerbaar. Volgens de gebruikelijke werkwijze is vooraf een Aanmeldnotitie MER ingediend.

4.11

Verkeer en parkeren

4.11.1 Wet- en regelgeving In het bestemmingsplan Kom Wilnis waarbinnen de Oudhuijzerweg is gelegen is de beheers verordening “Paraplu beheers verordening parkeren” met identificatienummer NL.IMRO.0736.BVO10Parkerenbv-va01 van toepassing. Het gemeentelijk parkeerbeleid heeft als uitgangspunt dat het parkeren op eigen terrein plaatsvindt. 4.11.2

Beschouwing

Het initiatief dat in deze ruimtelijke onderbouwing centraal staat gaat uit van de sloop van bestaande opstallen en vervanging door een vrijstaande woning. Het feitelijk gebruik van de kavel als woonperceel verandert niet, ook niet de mogelijkheid om te parkeren. De toegang tot het perceel via de oprit vanaf de Oudhuijzerweg zal hetzelfde blijven als in de huidige situatie. Op eigen terrein zal voor de ingang van de woning, naast een carport voor één auto, nog ruimte voldoende zijn voor het parkeren van tenminste twee andere auto’s.

45

Locatie voor parkeren voor en onder carport

Figuur 17: Parkeerruimte in de toekomstige perceelindeling Er zullen door de bestemmingswijziging geen wijzigingen optreden met betrekking tot de verkeersintensiteit op de Oudhuijzerweg en er zullen ook geen veranderingen ontstaan in de parkeervraag. Er zijn geen problemen bekend met de verkeersafwikkeling in de directe omgeving van het projectperceel. 4.11.3

Conclusie

Het initiatief is in relatie tot de aspecten verkeer en parkeren uitvoerbaar.

46

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten en planverantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken in ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- enomgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het juridische deel van het bestemmingplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekentdat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is. 5.2

Juridische planbeschrijving Algemeen

Bij de opstelling van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij bestaande referentiekaders in de gemeente De Ronde Venen. Het vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied West” heeft als belangrijkste voorbeeld gediend voor de regels in dit bestemmingsplan. Definities en regels die in het kader van dit beperkte bestemmingsplan geen rol spelen zijn daarbij weggelaten. Gelet op de ligging van het perceel en de situering van de nieuw te realiseren woning op de best denkbare locatie zijn enkele bepalingen daarop aangepast en enkele specifieke bepalingen toegevoegd. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van het perceel, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plan gebied juridisch is vertaald. 5.2.1

Verbeelding

De verbeelding geeft de bestemmingen van het perceel aan, met een gebiedsindeling. Daarop is aangegeven wat de maximale goothoogte en nokhoogte zijn. Naast het bouwvlak voor de woning is tevens aangegeven wat het bouwvlak is voor de afzonderlijke carport met berging. In de planregels staat per bestemming en aanduiding vastgelegd wat de beperkingen en mogelijkheden zijn van de gronden met de bestemming, zoals aangegeven op de verbeelding. 5.2.2

Planregels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van het perceel, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs kort worden toegelicht. 47

5.3

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Dit zijn de inleidende bepalingen van de regels en hier komen de onderstaande artikelen in voor. • Artikel 1: Begrippen Dit artikel geeft de betekenis aan van de in de regels voorkomende begrippen. De definities per begrip sluiten aan bij de gebruikelijke bewoordingen in andere bestemmingplannen. Het betreft uitsluitend de begrippen die op de lokale situatie van het bestemmingsplan van toepassing kunnen zijn. • Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend, in termen van hoogte, breedte, lengte, inhoud en oppervlakte.

5.4

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: • Artikel 3: Tuin- Landschappelijk In dit artikel zijn nadere regels opgenomen voor het gebruik van het perceel gedeelte tussen de woning en de Ringvaart. Deze regels beogen het uitzicht vrij te houden en de landschappelijke kwaliteit van de woning aan de oever van de Ringvaart te versterken, door openheid te waarborgen van het perceel gedeelte. • Artikel 4: Water Voor het reeds aanwezige water aan de noordwestzijde van het plangebied is de bestemming ‘Water’ opgenomen. Op deze gronden mag niet worden gebouwd. Tevens zijn bepalingen opgenomen omtrent de aanleg van een steiger. Voor de aanleg van een nieuwe beschoeiing en een insteekhaven met bordes is door Waternet reeds een omgevingsvergunning verleend. In de verbeelding is tevens aangegeven dat voor een gedeelte van het perceel de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering bestaat, omdat dit in de beschermingszone van de Ringvaartdijk is gelegen. Dit betekent dat de fundering van de nieuwe woning niet beneden de lijn van de theoretische dijkzone mag komen, zoals die in de legger van de Ringvaart is vastgelegd. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning voor de beschoeiing in 2020 is reeds vastgesteld dat dit niet het geval is.

• Artikel 5: Wonen In dit artikel staan de bepalingen omtrent de ligging en de omvang van de woning als hoofdgebouwen de mogelijkheden voor het realiseren van bijgebouwen en overkappingen.

Voor het bouwen en indelen van de nieuw op te richten woning wordt rekening gehouden met een maximale grootte van 700 m3 inhoud, zodanig op het bouwvlak gesitueerd dat optimaal rekening kan worden gehouden met de omliggende bebouwing en de privacy van de bewoners. Omdat deze woning gelet op de ligging van het perceel achter de voorliggende bebouwing van Oudhuijzerweg 43 als zogenaamde ‘tweede lijns bebouwing’ zal worden uitgevoerd, is voor het parkeren en de stalling van auto’s en andere voertuigen rekening gehouden met de mogelijkheid van een carport/berging direct aan het einde van de oprit, vóór de voorgevel van de woning. Dit is kenbaar gemaakt met een apart ingetekend vlak in de verbeelding, als onderdeel van het beschikbare 48

oppervlak voor bijgebouwen. • Artikel 6: Waarde- Archeologie 2 Op de voor Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b bestemde gronden zijn algemene regels van toepassing, die gelden voor elk bestemmingsplan in een gebied met deze archeologische kwalificatie. • Artikel 7: Waterstaat-Waterkering In de verbeelding is aangegeven dat voor een gedeelte van het perceel de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering bestaat, omdat dit in de beschermingszone van de Ringvaartdijk is gelegen. Dit betekent dat de fundering van de nieuwe woning niet beneden de lijn van de theoretische dijkzone mag komen, zoals die in de legger van de Ringvaart is vastgelegd. De grens van de beschermingszone is aangegeven met een streep dwars over het perceel. Berekeningen vanuit de legger geven aan dat het maaiveld van het (verhoogde) woonvlak op de verbeelding circa 500 tot 900 cm ligt boven de beschermingszone van het dijklichaam. Voor de fundering van de woning levert dit geen beperkingen, maar bij de realisatie van een kelder onder de woning zal dit aspect wel getoetst moeten worden bij het Waterschap. 5.5

Hoofdstuk 3 Algemene regels

In het bestemmingsplan zijn de relevante algemene regels overgenomen die ook gelden voor andere bestemmingsplannen uit het bestemmingsplannen in de gemeente De Ronde Venen. Met name het bestemmingsplan “Buitengebied West” is hier het referentiekader geweest. Het betreft de volgende regels: • Artikel 8 : Anti-dubbeltelregel • Artikel 9 : Algemene bouwregels • Artikel 10 : Algemene gebruiksregels • Artikel 11 : Algemene afwijkingsregels • Artikel 12: Algemene wijzigingsregels • Artikel 13: Algemene procedureregels • Artikel 14 : Overige regels Deze bepalingen regelen hoe moet worden omgegaan de interpretatie van de regels, verzoeken van belanghebbenden om afwijkingen hierop en de mogelijkheden van het bevoegde gezag om hierover ter besluiten. 5.5

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht. • Artikel 15: Overgangsregels Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. • Artikel 16: Slotregel Dit artikel geeft de naam van het nieuwe bestemmingsplan aan.

49

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1

Financiële uitvoerbaarheid

In het kader van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de financieeleconomische uitvoerbaarheid van een afwijkingsbesluit of een bestemmingswijziging te worden aangetoond. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12, eerste lid van de Wrt ruimtelijke ordening, stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden, waarop een bouwplan is voorzien. Het beoogde initiatief is een particulier initiatief tot herontwikkeling, opgestart in het kader van de afwikkeling van de erfenis van de tot hun overlijden op het perceel woonachtige personen. De kosten van het initiatief zijn volledig voor rekening van de initiatiefnemer, één van de erfgenamen in deze situatie. Voor de gemeente zijn aan het onderhavige plan geen financiële consequenties verbonden. Door de initiatiefnemer Is een uitvoerige planschadeanalyse opgesteld en voorgelegd aan de gemeente. De kosten voor de uitvoering van het project, bestaande uit sloopkosten van de huidige opstallen, egalisatie/herinrichting van het terrein door ophoging, inclusief nieuwe beschoeiing en insteekhaven, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Na realisatie van deze ontwikkeling zal een bouwklare kavel beschikbaar zijn, waarop de toekomstige nieuwe bewoner van het perceel een omgevingsvergunning voor een woning kan aanvragen.

Ook de procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legesheffing op de initiatiefnemer verhaald. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar. Het opstellen van een exploitatieplan is niet nodig. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerp bestemmingsplan is in het kader van artikel 1.3.1. van het Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan de betrokken diensten van het rijk, waterschap en gemeente. Volgens het bepaalde bij wet wordt het ontwerpbesluit voor de periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder heeft hierbij de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Inmiddels zijn reacties ontvangen van de provincie, het waterschap en de Veiligheidsregio Utrecht. De reactie van de VRU is in de toelichting bij 4.7.5 verwerkt. Bij de bouw van een nieuwe woning zal nog een watergunning moeten worden aangevraagd, ter beoordeling van de ligging van de fundering in relatie tot de beschermingszone van de Ringvaartdijk. Met de aangrenzende buren is in de afgelopen jaren al geregeld overleg gevoerd over het voorliggende initiatief. Waar nodig en wenselijk zullen zij bij de uitvoering worden betrokken, zoals bij de aanleg van de gemeenschappelijke insteekhaven, de ophoging van het perceel, vernieuwing van de HW afvoer e.d.

De omwonenden hebben zich op basis van de overlegde plannen al mondeling akkoord verklaard met de voorgenomen bestemmingswijziging tot een woonbestemming, met de kanttekening dat de eigenaar van Oudhuijzerweg 45 aan zijn toestemming verbindt dat de nieuwe woning geen beperkingen mag opleggen aan zijn mogelijkheden tot bedrijfsvoering of de verkoopbaarheid van zijn perceel als bedrijfslocatie. Met zijn wensen is rekening gehouden door het verrichten van geluidsmetingen en aanpassing van het woonvlak in het bestemmingsplan op de uitkomsten van deze metingen, zodanig dat van overschrijding van geluidsnormen nu en in de toekomst geen sprake kan zijn. 50

Het plan betekent voor de omliggende bewoners een duidelijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie en brengt het perceel meer in overeenstemming met de bestaande bebouwing op de aangrenzende percelen aan de west- en zuidzijde, voornamelijk woonbestemmingen. Het plan wordt tevens gedurende de ontwerpfase in het kader van artikel 3.8 WRO en volgensafdeling 3.4 van de Awb ter inzage gelegd voor een ieder. Gedurende deze periode wordt de gelegenheid geboden een zienswijze op het plan in te dienen. Er is één zienswijze ingediend, die heeft geleid tot een beperkte aanpassing van het bestemmingsplan, zie de 3e alinea in deze paragraaf.

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12521601/1