Bijlage 1 Toelichting BP Herenweg 116-118, Wilnis
Tekst van het document
Ook bedrijven waarop het Besluit risico zware ongevallen 1999 (Brzo'99) van toepassing is, vallen ook onder de reikwijdte van het Bevi. Transport via weg, water en spoor Voor de routering van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor is de Wet vervoer gevaarlijke stoffen van belang. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd (en daarbuiten dus niet). Redenen voor routering zijn bijvoorbeeld het omzeilen van kwetsbare situaties als dichte bebouwing, een ziekenhuis of waterwingebied. De meeste provinciale wegen zijn geschikt om in de routering te worden opgenomen. Voorwaarde is wel dat door de gemeente aangewezen routes aansluiten op wegen waar het vervoer van gevaarlijke stoffen ook is toegestaan. Transport via buisleidingen Vanaf 1 januari 2011 regelt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling de externe veiligheid rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Het Bevib sluit zoveel mogelijk aan bij het Bevi.
28
Planspecifiek Gezien onderstaande uitsnede van de risicokaart van de provincie Utrecht zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen aanwezig.
Figuur 16: Uitsnede risicokaart omgeving Herenweg 116 en 118 (gele stip)
In de directe nabijheid van het plangebied vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Tevens liggen er geen buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen in de directe nabijheid van het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.9
Kabels en leidingen
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. Planspecifiek In of nabij het plangebied zijn er geen hoogspanningsmasten of -kabels aanwezig. Tevens zijn er geen warmwaterleidingen of andere kabeltracés gelegen. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het project.
4.10 Water 4.10.1 Waterbeheer en watertoets Het is sinds 2003 verplicht om bij ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving op te nemen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De watertoets is een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium afspraken maken over de toepassing en uitvoering van het waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid. 29
Het waterschap is het eerste aanspreekpunt in het watertoets proces, waarbij het waterschap rekening houdt met het provinciale grondwaterbeleid. In het Bro is de 'watertoets' wettelijk verankerd. Deze heeft tot doel om ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen aan het vigerende waterbeleid en de wateraspecten volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming omtrent een goede ruimtelijke ordening. Dit proces komt in samenwerking tussen de gemeente en waterbeheerder tot stand. De voor het kwantiteits- en het kwaliteitsbeheer verantwoordelijke waterbeheerder in het plangebied is het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. 4.10.2 Beleid waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de relevante nota's. Europa • Kaderrichtlijn water (KRW). Nationaal • Nationaal Waterplan 2016-2021 (NW); • Waterbeleid voor de 21 eeuw (WB21); • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); • Waterwet. Provinciaal • Provinciale Ruimtelijke Verordening Utrecht Regionaal; • Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021; • Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019.
4.10.3 Relatie met het plangebied Huidig watersysteem Bebouwing en verharding In het plangebied is verharding aanwezig in de vorm van een voormalig kantoorgebouw en een bedrijfsgebouw met terreinverharding (parkeerplaatsen, een betonnen plaat, etc.). Vrijwel het gehele voormalige bedrijfsterrein tot aan de brede landtong is verhard. In totaal is er circa 1.130 m² bebouwing en circa 1.650 m² terreinverharding aanwezig. De totale gezamenlijke oppervlakte aan verharding bedraagt daarmee circa 2.780 m². Bodem Uit de bodem- en grondwateronderzoeken (zie paragraaf 4.3) die zijn uitgevoerd blijkt dat er gesaneerd moet worden. De verontreinigingssituatie van het plangebied is vastgelegd via diverse onderzoeken die bij de toelichting van het bestemmingsplan zijn toegevoegd.
30
Grondwater De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt volgens de bodematlas Utrecht globaal gezien tussen 0,2 en 0,8 m –mv. De gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt tussen de 0,8 en 1,2 m –mv. Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, boringsvrije zone of 100jaaraandachtsgebied. Oppervlaktewater Aan weerszijde van de landtongen en aan de kopse kant van de landtongen (Ringvaart) van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van watergangen, die in verbinding staat met het watergangenstelsel in de lintbebouwing van Wilnis. Deze watergangen zijn op de legger van het waterschap aangemerkt als primaire watergang. In het plangebied is verder geen oppervlaktewater aanwezig. Er zijn geen waterkeringen of kunstwerken ten behoeve van de waterhuishouding (zoals gemalen, stuwen of sluizen) in het plangebied gesitueerd. Het deel van het plangebied nabij de Ringvaart valt deels in de beschermingszone van de waterkering langs de Ringvaart aan de noordzijde. Het project gaat niet gepaard met activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de (bescherming van de) waterkering. De nieuwe funderingsbalken van de vier vrijstaande woningen aan de kopse kant van de landtongen worden niet in de beschermingszone van de waterkering gebouwd.
Figuur 17: uitsnede legger achter Herenweg 116 en 118 aan de Ringvaartzijde
Figuur 18: uitsnede doorsnede legger (P1019-001) noordzijde plangebied aan de Ringvaart
Riolering In de directe omgeving van het plangebied is een bestaand rioleringssysteem aanwezig dat onder meer gebruikt wordt voor de afvoer van (huishoudelijk) afvalwater uit het voormalige kantoorgebouw.
31
Toekomstig watersysteem Keuze watersysteem en watercompensatie De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen wateroverlast op andere tijden of plaatsen veroorzaken. Het plan wordt daarom "waterneutraal" ontwikkeld. Met de realisatie van de twee appartementengebouwen en de 26 vrijstaande woningen in het plangebied neemt de oppervlakte aan bebouwing op het perceel toe. In de nieuwe situatie bedraagt de oppervlakte aan bebouwing circa 5.150 m². Het voormalige kantoor en bedrijfsgebouw hebben een oppervlakte van circa 1.130 m². Dit betekent dat de bebouwing per saldo circa 4.020 m² toeneemt. Bij de nieuwe appartementengebouwen en de vrijstaande woningen zal ook terreinverharding worden aangelegd voor ontsluiting en parkeren. De gezamenlijke oppervlakte van de nieuwe terreinverharding bedraagt circa 1.870 m². Bij de voormalige bedrijfsbebouwing is circa 1.680 m² terreinverharding aanwezig. Derhalve neemt de oppervlakte aan terreinverharding toe met circa 190 m². Het voorgaande betekent dat de gezamenlijke oppervlakte verharding per saldo afneemt met circa 4.210 m² (190 m² + 4.020 m²). Omdat het verharde oppervlak toeneemt, moeten er compenserende waterberging worden gerealiseerd. Bij 20 vrijstaande woningen worden er insteekhavens gemaakt. Tussen het appartementengebouw met middeldure huurwoningen en de landtong wordt extra water aangelegd.
Voorts wordt er extra water aangelegd tussen de lintbebouwing en de landtongen. Riolering Het vuile afvalwater vanuit de nieuwe appartementengebouwen en de vrijstaande woningen zal afgevoerd worden via het bestaande gemeentelijke rioleringssysteem dat in de omgeving aanwezig is. De nieuwe appartementengebouwen en de vrijstaande woningen zullen daartoe worden aangesloten op dit systeem. Via dit rioleringssysteem zal het afvalwater worden afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Hemelwaterafvoer Voor het hemelwater wordt de voorkeursvolgorde vasthouden – bergen - afvoeren gehanteerd. Het hemelwater dat op het dak van de nieuwe appartementengebouwen en de 26 vrijstaande woningen en de terreinverharding neerkomt wordt apart ingezameld en zal gescheiden blijven van het vuile huishoudelijke afvalwater. Het hemelwater zal worden afgevoerd naar de watergangen aan weerzijden van de landtongen die in het plangebied aanwezig zijn. Waterkering In het plangebied is een waterkering aanwezig. Wateroverlast en verdroging Omdat de verharding toeneemt maar er meer water wordt gecompenseerd dan minimaal noodzakelijk is, wordt wateroverlast en verdroging voorkomen. De afvoer van het hemelwater naar het ter plaatse aanwezige oppervlaktewater, draagt ook bij aan het voorkomen van wateroverlast en verdroging.
32
Waterkwaliteit Het hemelwater dat neerkomt op de nieuwe appartementengebouwen en de 26 vrijstaande woningen dient zo schoon mogelijk te blijven. Het is daarom belangrijk om de waterkwaliteit te bewaken. Daartoe dient het gebruik van uitloogbare materialen bij het bouwen zoveel mogelijk te worden vermeden. Klimaatadaptatie Bij de bouw van de appartementengebouwen en de 26 vrijstaande woningen wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Beide appartementengebouwen bestaan uit drie bouwlagen en de 26 vrijstaande woningen uit een bouwlaag en een kap. Bij overstromingen kunnen bewoners van de begane grondlaag naar een hogere bouwlaag vluchten. De appartementen zijn bovendien niet gericht op een doelgroep die bij overstroming verminderd zelfredzaam is. Hittestress wordt tegengegaan door een vermindering van de oppervlakte aan verharding en een meer groene inrichting van de buitenruimte dan nu het geval is, onder meer door de parkeervakken bij de appartementengebouwen groen aan te leggen om hittestress te voorkomen. Wateroverlast en droogte worden eveneens tegengegaan door de verhardingsafname en door het gescheiden afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. Verder wordt ingezet op het gebruik van duurzame energie door gasloos te bouwen en het treffen van energiebesparende maatregelen om te komen tot energieneutrale woningen met een EPC.
Planspecifiek Omdat het plan "waterneutraal" wordt ontwikkeld is een watervergunning verleend door Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling van het project.
4.11 Natuurbescherming Wet natuurbescherming (Wnb) Per 1 januari 2017 is de Wnb in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt ook nog het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen.
33
Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is om exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. In de gemeente De Ronde Venen is de provincie Utrecht het bevoegd gezag voor de Wnb. De provincie handhaaft in haar Omgevingsverordening de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden voor de soorten die ook al vielen onder de vrijstelling in de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden.
Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.
Figuur 19: plangebied (rode stip) t.o.v. de ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ en ‘Botshol’ (Bron: Atlas leefomgeving)
34
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het NNN is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
Figuur 20: Het plangebied (rode stip) ligt buiten de NNN (groene arcering) (Bron provincie Utrecht)
Planspecifiek Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Wilnis en maakt geen deel uit van beschermde natuurgebieden. Rond Wilnis liggen onderdelen van het NNN en Natura 2000-gebied. De afstand tot deze gebieden bedraagt respectievelijk 1,2 en 3,4 kilometer. Het project is relatief klein terwijl van de toekomstige woonbestemming nauwelijks grensoverschrijdende effecten zijn te verwachten. Mede op grond van de grote afstand tot beschermde natuurgebieden zijn negatieve effecten natuurgebieden op voorhand uit te sluiten. Quick scan Flora en Fauna Het initiatief dat centraal staat betreft de realisatie van 49 woningen. Als gevolg van het initiatief worden het kantoor, een bedrijfsgebouw en een betonnen verharding gesloopt. Er worden tevens sloten gedempt, sloten en insteekhavens gemaakt en er worden nieuwe woningen gerealiseerd. Dergelijke activiteiten kunnen negatieve effecten hebben op flora en fauna. De wettelijke verplichting geldt om onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Daartoe is door onderzoeksbureau Bureau Bleijerveld (zie bijlage) op 18 maart 2019 een quickscan ecologie uitgevoerd.
Op basis van de bureaustudie en het veldonderzoek (uitgevoerd op 18 maart 2019) wordt per soortgroep besproken wat de potentie van het plangebied en de invloedsfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. De conclusie voor de onderzochte soortgroepen is dat er in het plangebied geen algemene kleine zoogdieren en amfibieën te verwachten. Er moet rekening worden gehouden met broedvogels zonder vaste nestplaatsen. De twee bedrijfspanden zijn potentieel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Van de overige soortgroepen is de aanwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten. Uit onderzoek in het voorjaar van 2020 is geconstateerd dat er vleermuizen bij het kantoorgebouw zijn genesteld. 35
Er zijn direct daarop, na overleg met de ecoloog, mitigerende maatregelen genomen door de plaatsing van een aantal nestkasten. Op 3 februari 2021 is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd die op 1 juli 2021 is verleend door provincie Utrecht. Het aspect Flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van het project.
4.12 Cultuurhistorie en archeologie Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2012 dient met de wijziging van het Bro, ingegaan te worden op de relatie van het ruimtelijk voornemen en de aanwezige cultuurhistorische waarden. Naast de cultuurhistorische waarde dient er rekening gehouden te worden met de archeologische (verwachtings)waarde van een gebied. In 2007 is de Wet archeologische monumentenzorg in werking getreden. De wet zorgt ervoor dat het archeologisch erfgoed in de bodem beschermd wordt in het beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening. Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) Op 6 april 2021 heeft de gemeenteraad van De Ronde Venen, ter voorbereiding op de komst van de Omgevingswet, de VFL vastgesteld. In de VFL zijn negen hoofdstukken opgenomen waarbij het aspect Archeologie staat opgenomen in hoofdstuk 6, in paragraaf 6.7. In artikel 6.7.1 sub 1 van de VFL staat opgenomen dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning activiteit werken en werkzaamheden uit te voeren waaronder grondwerkzaamheden, bouw- en sloopwerkzaamheden, etc. O.a. staat er in artikel 6.7.2 sub b van de VFL opgenomen dat het verbod niet van toepassing is indien er op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart en gelet op de aard van het archeologische (verwachtings) gebied en de omvang van het plangebied er geen vergunning benodigd is.
De archeologische beleidskaart is opgenomen in de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2017 en is tevens in bijlage 1 van de VFL opgenomen. Erfgoedverordening De Ronde Venen 2017 De Erfgoedverordening De Ronde Venen 2017 is tot stand gekomen als opvolger van de Erfgoedverordening De Ronde Venen 2013.
Figuur 21: Uitsnede beleidskaart archeologische verwachtingen met aanduiding locatie
36
Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen blijkt dat de percelen Herenweg 116 en 118 te Wilnis zijn gelegen in een gebied waarvan de landbodems deels wordt getypeerd als archeologisch waardevol gebied (categorie 2b) en deels in gebied met een lage verwachting (categorie 4). Of in een plangebied archeologisch onderzoek moet plaatsvinden is ten eerste afhankelijk van de diepte van de voorgenomen bodemingrepen. Voor het gehele grondgebied van de gemeente geldt dat bodemingrepen, die niet dieper gaan dan 30 cm. -mv een vrijstelling van archeologisch onderzoek kennen. Aangenomen wordt dat boven deze grens de bodem te zeer verstoord is door bijvoorbeeld ploegen zodat er geen archeologische resten meer te verwachten zijn. Maaiveldverlaging is in de gemeente De Ronde Venen in principe uitgesloten. Dit omdat de ondergrens van 30 cm –mv voor de diepte van bodemingrepen daardoor niet meer toegepast kan worden. Gaat de voorgenomen bodemingreep wel dieper dan 30 cm. -mv dan is het afhankelijk van de oppervlakte en de ligging van het plangebied of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een gebied deels aangeduid met “Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b” en deels met “Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4”. Het terrein bij de landtongen is 30 cm.
opgehoogd. Nabij het kantoorgebouw en het bedrijfsgebouw zal het terrein met 30 cm worden opgehoogd. Hierdoor zal er voor de funderingsbalken van de woningen nergens dieper dan 30 cm. worden gegraven. Onderstaand wordt het project getoetst aan de diverse archeologische zones. Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b Het appartementengebouw met 15 sociale huurappartementen is gelegen binnen de categorie “Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b”. Het gebouw is grotendeels gesitueerd op de plaats van het bestaande kantoorgebouw. Daar waar buiten de contouren van het bestaande kantoorgebouw wordt gebouwd zal de fundering nergens dieper worden gegraven dan 30 cm voor de aanleg van de funderingsbalken. Het appartementengebouw met 8 middeldure huurappartementen is tevens gelegen binnen de categorie “Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b”. Het gebouw is grotendeels gesitueerd op de plaats van het bestaande bedrijfsgebouw en deels in het water. Er worden nauwelijks graafwerkzaamheden uitgevoerd en daar waar wordt gegraven zal er nergens dieper dan 30 cm. worden gegraven voor de aanleg van de funderingsbalken. 11 vrijstaande woningen zijn tevens gelegen binnen de categorie “Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b”.
Voor de funderingsbalken van de woningen wordt nergens dieper dan 30 cm. gegraven. Alleen de funderingspalen voor de appartementengebouwen en de woningen worden dieper dan 30 cm. aangebracht maar daarbij blijven de woningen onder de ondergrens van 100 m².
37
Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4 Op de resterende gronden van de landtongen buiten de categorie “Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b” worden er 15 vrijstaande woningen gerealiseerd die zijn gelegen binnen de categorie “Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4”. Voor de funderingsbalken van de woningen wordt nergens dieper dan 30 cm. gegraven. Alleen de funderingspalen voor de woningen worden dieper dan 30 cm. aangebracht maar daarbij blijven de woningen onder de ondergrens tot 2.000 m². Ter handhaving van de groene structuur wordt daaraan en bestemming “Tuin – Onbebouwd” gegeven. Het aspect Archeologie vormt geen belemmering voor de realisatie van het project. 4.13 Verkeer en parkeren Verkeersontsluiting Ontsluiting gemotoriseerd verkeer Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van de Herenweg. Het plangebied zal intern worden ontsloten via een nieuwe weg, middels een nieuwe inrit tussen Herenweg 122 en 134 en de bestaande uitrit tussen Herenweg 112 en 116 die aansluit op de Herenweg. Ontsluiting openbaar vervoer Aan de Burgemeester Padmosweg is nabij de kruising met de Veldzijdeweg een bushalte aanwezig.
Hier stoppen reguliere lijnbussen in de richting van Uithoorn, Woerden en Oudewater (lijn 123), Mijdrecht en Amsterdam Bijlmer Arena (lijn 126) en Uithoorn en Breukelen NS (lijn 130). De meeste lijnen halteren meerdere keren per uur. Daarnaast halteren bij de halte extra schoolbussen en spitsbussen in de ochtenden middagspits. Ook aan de Pieter Joostenlaan nabij de kruising met de Herenweg is een bushalte aanwezig. Gezien de ligging van twee haltes op loopafstand van het plangebied en de frequentie van de diensten naar en van verschillende bestemmingen is de ontsluiting van het gebied per openbaar vervoer goed. Parkeren Uitgangspunt is dat er voor de woningbouw binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. De parkeernormen zijn ontleend aan de gemeentelijke parkeernormen. Uitgangspunt binnen de normen is de ligging van de woningen. Het aantal te ontwikkelen parkeerplaatsen is afhankelijk van de soort en het aantal woningen wat uiteindelijk wordt gerealiseerd. Voor overige woningtypen wordt verwezen naar de gemeentelijke parkeernormen in het “Beleidsplan Verkeer 2017 – 2021” van de gemeente De Ronde Venen. In dit bestemmingsplan wordt een algemene regel opgenomen die borgt dat er moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen conform de gemeentelijke parkeernormen.
Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling Als gevolg van het woningbouwproject zal de vervoerssituatie in de toekomst wijzigen. Aan de hand van de in het gebied aanwezige functies is een theoretische inschatting gemaakt van het verkeer dat door deze functies wordt gegenereerd.
38
Voor de berekening van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van kengetallen en vuistregels die zijn uitgegeven door het CROW (Publicatie 381: Toekomstig bestendig parkeren - kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 12-2018). In het algemeen zullen de kengetallen een goede indicatie geven van de werkelijke verkeersgeneratie. Verkeersgeneratie is de som van de verkeersproductie en de verkeersattractie: • Verkeersproductie: De verkeersproductie is de totale hoeveelheid gemotoriseerd wegverkeer in (motorvoertuig)bewegingen die een voorziening produceert (vertrekkend verkeer). Dit is exclusief openbaar vervoer; • Verkeersattractie: Bij verkeersattractie gaat het om hetzelfde verkeer dat door de aanwezigheid van de voorziening of functie wordt aangetrokken (aankomend verkeer). De eenheid van verkeersgeneratie, verkeersproductie en verkeersattractie wordt weergegeven in het aantal motorvoertuigen per etmaal. Voor de toename van het verkeer op het omliggende wegennet dient de verkeersgeneratie van het plangebied bepaald te worden. Planspecifiek Door Bureau de Groot en Volker (zie bijlage) is onderzoek gedaan naar zowel de extra verkeersgeneratie via de Herenweg als parkeren. Daaruit blijkt dat de Herenweg de extra verkeersgeneratie van het project kan verwerken.
Figuur 22: uitsnede uit onderzoek Bureau de Groot en Volker
In totaal zijn er 92,4, afgerond 93 parkeerplaatsen benodigd. Het aandeel bezoekers hiervan betreft 14,7 (49 woningen * 0,3 pp), afgerond 15 parkeerplaatsen. In het toekomstige bouwplan worden in totaal 102 parkeerplaatsen gecreëerd, waarvan 52 parkeerplaatsen op eigen terrein bij de vrijstaande koopwoningen, 17 parkeerplaatsen langs de ontsluitingsweg over de landtongen en 33 parkeerplaatsen bij de twee appartementsgebouwen. De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de realisatie van het project.
4.14 Duurzaamheid De gemeente De Ronde Venen maakt de keuze om op het gebied van duurzaamheid trendvolgend te zijn. Dat betekent dat de gemeente een veilige een duurzame leefomgeving voor haar inwoners wenst te zijn, maar zonder vooruit te lopen op vernieuwende maatregelen, technieken en/of investeringen op het gebied van duurzaamheid. Onlangs is in overleg met andere gemeenten in de regio een Duurzaamheidsagenda opgesteld. In de gemeente De Ronde Venen wordt de Duurzaamheidsagenda in twee wensbeelden verdeeld: een gezonde en veilige leefomgeving en een duurzame inrichting. 39
Een gezonde en veilige leefomgeving Binnen de gemeente De Ronde Venen willen mensen wonen in een gezonde en veilige leefomgeving. We leven echter in een sterk verstedelijkt gebied met veel infrastructuur en bedrijvigheid. Denk aan weg-, trein- en vliegverkeer, het vervoer van gevaarlijke stoffen en bedrijfsactiviteiten. Deze zijn zo op elkaar afgestemd en geregeld dat ze zo min mogelijk gevaar voor onze gezondheid en veiligheid vormen. De gemeente De Ronde Venen zorgt ervoor dat dit ook zo blijft. Dat betekent dat er aandacht is voor: • Luchtkwaliteit en geur; • Geluid en verkeer; • Gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen; • Bedrijfsactiviteiten; • Goede bodemkwaliteit (geschikt om op te wonen); • Eenvoudige toegang tot informatie over de bodemkwaliteit. De gemeente past dit toe bij het opstellen van nieuw beleid en de handhaving van bestaand beleid. Een duurzame inrichting De gemeente De Ronde Venen zet in op een duurzame, schone, gezonde en groene omgeving waarin het goed en veilig leven is. De gemeente wil de leefomgeving duurzaam inrichten. Dat geldt zowel voor nieuw te ontwikkelen gebieden als voor herstructureringen. Om dat te bereiken moet duurzaamheid vanaf het eerste moment in het planproces op de agenda staan. De gemeente streeft ernaar om nieuw te ontwikkelen gebieden zo duurzaam als mogelijk in te richten.
Waar de gemeente zelf initiatiefnemer zal zijn is dat het uitgangspunt. Waar private partijen initiatiefnemer zijn, probeert de gemeente deze partijen uit te nodigen om ook deze werkwijze te hanteren. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. Wet VET De wet VET (Voortgang Energie Transitie) is sinds 1 juli 2018 van kracht. Daarin is geregeld dat aardgasvrije nieuwbouw de norm is. Op 3 april 2018 heeft ook de Eerste Kamer de Gaswet aangepast via de VET. Belangrijk onderdeel hierin is dat de gasaansluitplicht vervalt voor alle kleinverbruikers (woningen en kleinere bedrijven) en bij de aanleg van een nieuwe wijk of inbreidingslocatie. Dat lijkt een kleine aanpassing, maar dit heeft grote consequenties. De exacte voorwaarden worden nader uitgewerkt in een ministeriële regeling. De enige uitzondering is als het college van B&W het gebied waarin het gebouw ligt aanwijst als gebied waar aardgas nog wordt toegestaan vanwege zwaarwegende redenen van algemeen belang.
40
Planspecifiek De wettelijke eisen voor energiezuinigheid en milieu in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de BENG en de milieuprestatie (MPG). Met het bouwplan wordt gasloos gebouwd waardoor wordt ingespeeld op een aardgas loze maatschappij door tijdens de bouw te kiezen voor elektrische bodemwarmtepompen. Het aspect Duurzaamheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het project.
41
5. Juridische aspecten 5.1
Inleiding
5.1.1 Algemeen Dit hoofdstuk geeft inzicht hoe de nieuwe situatie is vertaald in juridisch bindende regels, met hieraan gekoppeld een verbeelding. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor de gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van deze regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en soms voor de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Het belangrijkste onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Aan alle in het plan begrepen gronden worden ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening bestemmingen toegewezen. Zo nodig worden aan deze bestemmingen regels gekoppeld omtrent het gebruik van de in het plan begrepen gronden en van de zich daarop bevindende opstallen. Naast de bestemmingen kunnen ook dubbelbestemmingen voorkomen. Deze overlappen de 'gewone' bestemmingen en geven eigen regels, waarbij er sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Bij bestemmingen kunnen aanduidingen voorkomen met als doel bepaalde zaken nader of specifieker te regelen. Aanduidingen zijn terug te vinden op de (analoge) verbeelding en hebben een juridische betekenis in het bestemmingsplan.
Alle overige op de (analoge) verbeelding voorkomende zaken worden verklaringen genoemd. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn op de (analoge) verbeelding opgenomen om deze beter leesbaar te maken (bijvoorbeeld topografische ondergrond). Verklaringen worden in de digitale verbeelding niet uitgewisseld, waardoor die informatie de burger via de digitale weg niet zal bereiken. 5.1.2 Digitaliseringsvereisten Met de inwerkingtreding van de Wro zijn ook digitaliseringsverplichtingen aan een bestemmingsplan gesteld. De regels en de verbeelding dienen daarom te zijn opgesteld volgens IMRO en SVBP, onderdeel van de zogenaamde RO Standaarden. IMRO staat voor Informatie Model Ruimtelijke Ordening en heeft betrekking op de inrichting van de ruimtelijke instrumenten van de Wro. Het is het informatiemodel voor het opstellen en het uitwisselen van visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene regels op alle bestuurlijke niveaus. Het model is geschikt voor uitwisseling van informatie tussen de organisaties op het gebied van de ruimtelijke ordening en aanverwante werkterreinen. SVBP staat voor Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen. Doel van deze standaard is het op vergelijkbare wijze inrichten, vormgeven en verbeelden van bestemmingsplannen en de daarbij behorende uitwerkings- en wijzigingsbesluiten.
Vanaf 1 juli 2013 zijn de RO Standaarden 2012, als opvolger van de RO Standaarden 2008, verplicht. Concreet betekent dit dat nieuwe bestemmingsplannen vanaf die datum volgens deze nieuwe standaard opgesteld en gepubliceerd moeten worden. Het voorliggende bestemmingsplan is overeenkomstig deze nieuwe vereisten opgesteld en is hiermee gereed om digitaal beschikbaar te stellen voor eenieder.
42
5.2
Opbouw regels en verbeelding
5.2.1 Regels De planregels zijn opgesteld volgens het SVBP2012 en voldoen tevens aan de eisen van de Wabo die op 1 oktober 2010 in werking is getreden. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met Inleidende regels (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de bestemmingsregels, de algemene regels (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de overgangs- en slotregels. Daarbij staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd: • Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels; • Nadere eisen; • Afwijking van de bouwregels; • Specifieke gebruiksregels; • Afwijking van de gebruiksregels; • Omgevingsvergunning voor de uitvoering van een werk, geen bouwwerk zijnde, of • van werkzaamheden; • Wijzigingsbevoegdheid. Opgemerkt wordt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten, dit verschilt per bestemming. 5.2.2 Analoge verbeelding (plankaart) Uit de SVBP2012 volgen diverse verplichtingen voor wat betreft de verbeelding, zoals de kleur van de ondergrond (grijs) en minimaal weer te geven aspecten op de ondergrond. Ook de diverse kleuren van de bestemmingen, alsmede de verhouding van de op de verbeelding voorkomende lijndiktes zijn verplicht voorgeschreven.
Voor wat betreft de ondergrond van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT), aangevuld met de kadastrale kaart. In de legenda van de verbeelding is de versie van het bestemmingsplan vermeld (voorontwerp/ontwerp/vastgesteld). Verder staat de noordpijl in de legenda aangegeven. 5.3
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1 en 2 Begrippen en wijze van meten Voor de begripsomschrijvingen en wijze van meten is zoveel mogelijk aangesloten bij de SVBP2012 en de begrippen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ en het ontwerp bestemmingsplan ‘Dorpskernen’. Artikel 3 Groen De bestemming ‘Groen’ is toegekend aan de gronden naast de nieuwe appartementengebouwen waar een groene inrichting voorzien is. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn groen, instandhouding openheid en speelvoorzieningen geregeld. Dit maakt het realiseren van nieuw groen en de aanleg van speelvoorzieningen mogelijk. Binnen de bestemming ‘Groen’ zijn gebouwen en overkappingen niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn wel mogelijk. 43
Artikel 4 Tuin - Onbebouwd De bestemming ‘Tuin - Onbebouwd’ is toegekend aan de gronden aan de kopse kanten van de landtongen. In de bestemming ‘Tuin - Onbebouwd’ zijn onder andere tuinen, groen en water en erfafscheiding van maximaal 1 meter hoog toegestaan. In de vigerende beheersverordening hebben de kopse kanten van de landtongen de bestemming “Groen’. Indien de kopse kanten in het bestemmingsplan de bestemming ‘Wonen’ zouden krijgen kunnen er (vergunningsvrij) gebouwen worden gerealiseerd. Om dit tegen te gaan en de openheid en de unieke relatie met het omliggende landschap te waarborgen is de bestemming ‘Tuin – Onbebouwd’ aan de kopse kanten van de landtongen gegeven. Binnen deze bestemming mogen er geen gebouwen worden gerealiseerd. Artikel 5 Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ is gegeven aan de gronden waar de wegen, de parkeervoorzieningen en de toegang en ontsluiting van het plangebied zijn gepland. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ zijn onder meer wegen en parkeervoorzieningen toegestaan evenals daarbij behorende fiets- en voetpaden en groenvoorzieningen. Dit maakt de realisatie van de parkeerplaatsen en de toegang en ontsluiting mogelijk. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. Verder zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogelijk.
Artikel 6 Water De bestemming ‘Water’ is gegeven aan de gronden waar het bestaande en nieuw aan te leggen water in het plangebied zijn gepland. Alleen aan de zuidzijde is aan het water de nadere aanduiding ‘specifieke vorm van water - steigers toegestaan’ opgenomen. Volgens de plansystematiek van “Dorpskernen” zijn hier bouwregels opgenomen voor de realisatie van een steiger waarbij alleen qua situering (haaks in plaats van evenwijdig) is afgeweken van de planregels. Artikel 7 Wonen De bestemming ‘Wonen’ is toegekend aan de gronden waar de 26 vrijstaande woningen zullen worden gebouwd. Voor de gronden waar de vrijstaande woningen worden gebouwd is in de regels vastgelegd dat deze niet meer dan 30% mogen worden bebouwd, de inhoud van een vrijstaande woning en een bijbehorend bouwwerk mag maximaal 700 m3 bedragen, de minimale afstandsmaten tot de erfgrens bedraagt 2,5 meter en een goot- en bouwhoogte bedraagt respectievelijk maximaal 4 meter en 7,5 meter voor de woningen aan de buitenranden en maximaal 4 meter en 8 meter voor de woningen aan de kopse kanten van de landtongen en in het middengebied. Binnen een bouwvlak mag er maximaal 1 woning worden gerealiseerd. Er zijn 26 bouwvlakken opgenomen waardoor er maximaal 26 vrijstaande woningen volgens de verbeelding en de planregels zijn toegestaan.
Op de verbeelding is het maximum bebouwingspercentage aangeduid: 30% van het bouwperceel en is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de vrijstaande woningen dienen te worden gebouwd. Hiermee is de situering van de vrijstaande woningen vastgelegd. Artikel 8 Wonen-Woongebouw
44
De bestemming ‘Wonen-Woongebouw’ is toegekend aan de gronden waar de 2 appartementengebouwen met respectievelijk 15 sociale huurwoningen en 8 middeldure huurwoningen zullen worden gebouwd. Voor de gronden waar de appartementengebouwen mogen worden gebouwd geldt dat de bouwvlakken volledig mag worden bebouwd. In de regels is vastgelegd dat als hoofdgebouw uitsluitend een woongebouw is toegestaan. Met de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 15’ en ‘maximaal aantal wooneenheden: 8’ is het maximum aantal wooneenheden dat binnen het appartementengebouw is toegestaan op de verbeelding aangegeven. Binnen de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 15’ is opgenomen dat uitsluitend sociale huurwoningen zijn toegestaan. Binnen de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 8’ is opgenomen dat uitsluitend middeldure huurwoningen zijn toegestaan. Dit waarborgt dat andere typen woningen zijn uitgesloten. De maximale goot- en bouwhoogte van het gebouw is eveneens op de verbeelding aangegeven, te weten respectievelijk 6 en 9 meter en het appartementengebouw aan het water bouwhoogte max. 9 meter. In de woningen worden beperkte mogelijkheden geboden voor een beroep of bedrijf aan huis. Tegelijkertijd geniet het rustige woon- en leefklimaat echter bescherming. Vandaar dat deze activiteiten aan strenge regels zijn gebonden.
De omvang van deze nevenfunctie is beperkt tot 30% van de oppervlakte van de woning tot een maximum van 50 m². Tevens is in de regels bepaald dat de beroeps- of bedrijfsactiviteit alleen mag worden uitgeoefend door de bewoner van de woning en de activiteiten niet mogen leiden tot een onevenredige verkeers- en parkeerdruk. Artikel 9 Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied De bestemming ‘Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied’ is gegeven aan de gronden die - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) mede bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische verwachtingswaarden. Deze bestemming is opgenomen omdat de gronden in het plangebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart (zie paragraaf 4.11.) in de volgende categorieën vallen: • Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b • Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 4 In de regels van deze bestemming is bepaald dat voor het bouwen van bouwwerken eerst archeologisch onderzoek moet worden verricht, tenzij de hei- en graafwerkzaamheden die voor het betreffende bouwplan plaatsvinden geen grotere oppervlakte hebben dan respectievelijk 100 m² (landbodem categorie 2b) en 2.000 m² (landbodem categorie 4) of niet dieper gaan dan 30 cm.
In de bestemming geldt ook een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden voor de bescherming van de archeologische verwachtingswaarden. Alleen als er archeologisch onderzoek is verricht kan een vergunning worden verkregen. Uitgezonderd van de vergunningplicht zijn werken en werkzaamheden die een oppervlakte hebben van niet meer dan respectievelijk 100 m² (landbodem categorie 2b) en 2.000 m² (landbodem categorie 4) of niet dieper gaan dan 30 cm.
45
Artikel 10 Waarde - Cultuurhistorie Deze dubbelbestemming is opgenomen ter plaatse van de historische middeleeuwse verkavelingsstructuur volgens de indeling in de Landschapsnota van de gemeente. Deze gronden zijn (mede) bestemd voor bescherming van de karakteristieke waarden van deze ontginningsstructuur, waarbij onder meer is bepaald dat er een bouwverbod geldt op watergangen binnen deze dubbelbestemming. Artikel 11 Waterstaat-Waterkering De dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’ is gegeven aan de gronden die zijn aangewezen voor werken ten behoeve van de waterkering. Voor diverse werkzaamheden binnen de zone is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig. Artikel 12 Anti-dubbeltelregel In het Bro is een standaard bepaling opgenomen. Het Bro verplicht om deze bepaling in het bestemmingsplan op te nemen. Artikel 13 Algemene bouwregels In dit artikel zijn regels opgenomen voor ondergeschikte bouwdelen. Deze mogen in beperkte mate de bouwgrenzen overschrijden. Artikel 14 Algemene gebruiksregels Het verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan (zonder omgevingsvergunning) is opgenomen in artikel 2.1, lid 1, sub c van de Wabo. Bij de algemene gebruiksregels is dan ook enkel aangegeven welk gebruik in ieder geval als strijdig met dit bestemmingsplan moet worden aangemerkt.
Artikel 15 Algemene afwijkingsregels Hier zijn algemene afwijkingsregels (onder voorwaarden) opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Het betreft onder meer een afwijkingsmogelijkheid om maximaal 10% van de voorgeschreven maatvoering af kunnen te wijken. Artikel 16 Algemene wijzigingsregels Op grond van de in dit artikel opgenomen regels kunnen Burgemeester en wethouders het plan onder voorwaarden wijzigen. Het betreft een wijzigingsbevoegdheid voor een beperkte wijziging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen. Artikel 17 Overige regels In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot parkeren. Daarbij is gewaarborgd dat het bouwplan aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het “Beleidsplan Verkeer 2017-2021” of indien het “Beleidsplan Verkeer 2017-2021” wordt gewijzigd of herzien, moet voldoen een deze wijziging/ herziening. Tevens zin de noodzakelijke afmetingen van een pareergelegenheid geborgd die afgestemd moeten zijn op de richtlijnen zoals die zijn opgenomen in de ASVV2012 van het CROW.
46
Artikel 18 Overgangsrecht Deze overgangsregels zijn overgenomen uit het Bro. De grootste verandering ten opzichte van de tot voor kort gebruikelijke overgangsregels is dat de peildatum voor bouwen en gebruik, gelijk is getrokken. Ook voor het bouwen is nu de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan beslissend. Dat was voorheen de datum van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De wetgever heeft met die gelijkschakeling beoogd eenduidigheid te scheppen. Indien bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen tenietgaan ten gevolge van een calamiteit, dan bestaat de mogelijkheid om terug te bouwen. Onder een calamiteit wordt hier verstaan: een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten schuld van de indiener van de bouwaanvraag veroorzaakt onheil. Artikel 19 Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
47
6. Uitvoerbaarheid Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt besproken hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkelingen betreffen een initiatief van LL invest die het terrein in eigendom heeft. Tussen de ontwikkelaar en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. Daarmee is het kostenverhaal verzekerd en vervalt de exploitatieverplichting. Vanuit economische uitvoerbaarheid zijn er geen belemmeringen voor het plan.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie en afstemming omwonenden Er heeft vooronderzoek plaatsgevonden en er is gesproken met alle stakeholders. Er hebben gesprekken plaatsgevonden met de ijsbaanvereniging en omwonenden. Er zijn aan de hand van de reacties van omwonenden diverse aanpassingen doorgevoerd om aan reacties van omwonenden tegemoet te komen, waaronder: • Het verlagen van de bouwhoogtes van de woningen op de landtongen; • Het verminderen van het aantal woningen aan de buitenrand op de landtong aan de ijsbaanzijde; • Het verplaatsen van parkeerplaatsen tussen Herenweg 112 en 116 richting de ijsbaanzijde en de realisatie van groen; • Aanleg bomen tussen Herenweg 112 en 116 i.o.m. bewoners; • Het realiseren van meer parkeerplaatsen dan minimaal noodzakelijk is; • Het doortrekken van de sloot tot achter de woningen Herenweg 120 en 122. In de bijlage is het participatieverslag met de wijzigingen van de bouwplannen als bijlage toegevoegd. Overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro is het ontwerp bestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd van 6 mei 2023 t/m 16 juni 2023. Tijdens de ter inzagelegging zijn er 4 zienswijzen ingediend. Voor de beantwoording van de zienswijzen wordt verwezen naar de nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen.
48