CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting BP Herenweg 116-118, Wilnis

Politieke commissie 15 november 2023, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Herenweg 116-11815.058 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Herenweg 116 en 118 Toelichting

1

Datum: Versie: Opsteller: Status: Plantype: IMRO-idn:

3 oktober 2023 13 Vastgesteld Bestemmingsplan NL.IMRO.0736.BPP055herenw116118-va01 2

Inhoudsopgave 1. Inleiding .............................................................................................................................................. 5 1.1

Aanleiding ................................................................................................................................... 5

1.2

Plangebied.................................................................................................................................. 6

1.3

Vigerende beheerverordening ................................................................................................. 7

1.4

Leeswijzer ................................................................................................................................... 7

2. Plangebied ......................................................................................................................................... 8 2.1

Huidige situatie........................................................................................................................... 8

2.2

Toekomstige situatie ................................................................................................................. 9

3. Beleidskaders .................................................................................................................................. 11 3.1

Rijksbeleid................................................................................................................................. 11

3.2

Provinciaal beleid..................................................................................................................... 13

3.3

Gemeentelijke beleid ............................................................................................................... 17

4. Milieu- en omgevingsaspecten ..................................................................................................... 22 4.1

Vormvrije mer ........................................................................................................................... 22

4.2

Milieu ......................................................................................................................................... 22

4.3

Milieuzonering .......................................................................................................................... 23

4.4

Bodem ....................................................................................................................................... 24

4.5

Geluid ........................................................................................................................................ 24

4.6

Geur ........................................................................................................................................... 26

4.7

Luchtkwaliteit ............................................................................................................................ 26

4.8

Externe veiligheid .................................................................................................................... 28

4.9

Kabels en leidingen ................................................................................................................. 29

4.10 Water .......................................................................................................................................... 29 4.11 Natuurbescherming ................................................................................................................. 33 4.12 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................... 36 4.13 Verkeer en parkeren ................................................................................................................ 38 4.14 Duurzaamheid........................................................................................................................... 39 5. Juridische aspecten ..................................................................................................................... 42 5.1

Inleiding...................................................................................................................................... 42

5.2

Opbouw regels en verbeelding .............................................................................................. 43

5.3

Artikelsgewijze toelichting ....................................................................................................... 43 3

6. Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................... 48 6.1

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 48

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................ 48

BIJLAGEN - Bijlage 1 Vormvrije mer beoordeling 03-10-2023 - Bijlage 2 Bodemonderzoeken inclusief saneringsplan, etc. - Bijlage 3 Quick scan Flora en Fauna onderzoek Bureau Bleijerveld 18-03-2019 - Bijlage 4 Stikstofonderzoek Hedgehog company 04-08-2023 - Bijlage 5 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Van der Boom 23-06-2022 - Bijlage 6 verkeersonderzoek Bureau De Groot en Volker 10-06-2022 - Bijlage 7 verslag participatie - Bijlage 8 nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen

4

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

Het perceel Herenweg 116 en 118 maakt onderdeel uit van het bebouwingslint langs de Herenweg in Wilnis. Van 1935 tot eind jaren 90 was het bedrijf Voorbij’s Beton ter plaatse gevestigd. Op een groot deel van de gronden rust een bedrijfsbestemming (bedrijven t/m categorie 3.2). De eigenaren van het perceel hebben het voornemen om het bestaande kantoorgebouw, het bedrijfsgebouw en de onderheide betonplaat te slopen en de vervuilde grond te saneren. Het project voldoet ruimschoots aan de Woonvisie 2025. Ter vervanging van de bedrijfsbebouwing is een project ontwikkeld om: • Ter hoogte van het bestaande kantoorgebouw een appartementengebouw met 15 sociale huurappartementen te realiseren; • Ter hoogte van het bedrijfsgebouw een appartementengebouw met 8 middeldure huurappartementen te realiseren; • Op de twee landtongen 26 vrijstaande woningen te realiseren. Door de sloop van het bedrijfsgebouw en de situering van de twee appartementengebouwen ontstaat er vanaf de Herenweg aan beide zijden naast de gebouwen een zichtlijn naar het water.

Figuur 1: Ligging plangebied in de omgeving

Gezien de ligging van het plangebied aan de Ringvaart, die doorvaart geeft naar de Vinkeveense Plassen, wordt er bij de kavels een insteekhaven of een aanlegsteiger aangelegd. De insteekhavens dienen tevens als compensatie voor de te realiseren extra oppervlakte aan water in verband met de verhardingen.

5

De beheersverordening ‘Kom Wilnis’ verwijst voor de bouw- en gebruiksregels van het plangebied naar het bestemmingsplan ‘Kom Wilnis 2000’. Daarin hebben de gronden de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden‘, ‘Water’, ‘Groenvoorziening’, ‘Tuin’ en ‘Woondoeleinden’ (toegangsweg tussen Herenweg 122 en 134). Het project past daardoor niet binnen de geldende beheersverordening. Om het bouwplan planologisch-juridisch mogelijk te maken is daarom een herziening van de beheersverordening noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan Herenweg 116 en 118 voorziet dan ook in de juridisch - planologische mogelijkheden om de nieuwe woningen te kunnen realiseren.

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Herenweg 116 en 118 met de kadastrale percelen, gemeente Wilnis, sectie A, nummers 1481, 2493, 3924, 2477, 2480, 2476 en 1482. De locatie is gelegen in de lintbebouwing van Wilnis langs de Herenweg tussen Herenweg 112 en 134 en ligt tussen de Herenweg en de Ringvaart. In de onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving indicatief weergegeven.

Figuur 2: Kadastrale percelen

6

1.3

Vigerende beheerverordening

Het plangebied valt momenteel binnen de beheersverordening ‘Kom Wilnis’. Deze verordening is vastgesteld door de gemeenteraad van De Ronde Venen op 27 juni 2013. De beheersverordening ‘Kom Wilnis’ verwijst in de planregels naar het bestemmingsplan ‘Kom Wilnis 2000’. Het terrein valt binnen het bestemmingsplan ‘Kom Wilnis 2000’ binnen de gronden met de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden‘, ‘Water’, ‘Groenvoorziening’, ‘Tuin’ en de toegangsweg tussen Herenweg 122 en 134 in de bestemming ‘Woondoeleinden’. Tevens geldt in het plangebied momenteel de ‘Paraplubeheersverordening Parkeren’. Deze verordening is vastgesteld door de gemeenteraad van De Ronde Venen op 28 juni 2018. In deze verordening is geregeld dat bij de bouw van een nieuw bouwwerk of gebruikswijziging van een bestaand bouwwerk wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplankaart ‘Kom Wilnis 2000’

De realisatie van woningen, het gebruik van de gronden als tuin, de aanleg van wegen, parkeerplaatsen en water en de bouw van een brug is in strijd met de beheersverordening ‘Kom Wilnis’. Bij de realisatie van de woningen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid waardoor het project voldoet aan de ‘Paraplubeheersverordening Parkeren’.

1.4 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige en de toekomstige situatie gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridisch aspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. 7

2. Plangebied 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie is een kantoorgebouw, een bedrijfsgebouw, een onderheide betonplaat, een brede landtong (voormalig bedrijventerrein) en een smalle landtong met grasland met naastgelegen water aanwezig. Omdat er achter het kantoorgebouw een groot bedrijfsgebouw evenwijdig aan de Herenweg is gelegen, ontbreekt er ter plaatse aan weerszijden van het kantoorgebouw een zicht op het water. De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Wilnis. Kenmerkend ter plaatse aan de noordzijde van de Herenweg zijn de diepe landtongen en de slotenstructuur van de Herenweg naar de Ringvaart.

Achterzijde bedrijfsgebouw

Kantoorgebouw

Landtong met bedrijfsbestemming

Landtong met bedrijfsbestemming

Landtong met tuinen bestemming

Onderheide betonvloer

Figuur 4: foto’s plangebied (Bron: Bureau Bleijerveld)

8

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer wil de verontreinigde bedrijfsgrond saneren en het bestaande kantoor, het bedrijfsgebouw en de onderheide betonplaat slopen. Voor de voormalige bedrijfslocatie is in de afgelopen jaren een bouwplan ontwikkeld dat ruimschoots voldoet aan de Woonvisie 2025.

Figuur 5: luchtfoto huidige situatie en plangebied nieuwe situatie

Figuur 6: impressie vrijstaande woningen die passen binnen de kaders van een kavel (max. goothoogte 4 meter)

De brede landtong binnen het plangebied wordt voor de realisatie van het project versmald en de smalle landtong zal worden verbreed. Aan de kopse kanten zal de groenstrook worden gewaarborgd door toekenning van de bestemming ‘Tuin – Onbebouwd’. Op de landtongen worden kavels gerealiseerd voor in totaal 26 vrijstaande woningen. Iedere kavel krijgt twee eigen parkeerplaatsen en een eigen ligplaats. De kavels worden ontsloten via een weg die in het midden van de landtongen wordt aangelegd. Aan de Ringvaartzijde wordt een brug over het water tussen de landtongen gerealiseerd (met doorvaarhoogte voor sloepen) zodat de weg op beide landtongen met elkaar wordt verbonden en waardoor het mogelijk is om deze als eenrichtingsverkeer in te richten. Voor bezoekers worden er parkeerplaatsen aan de zijkant van de weg gerealiseerd. 9

Figuur 7: impressie appartementengebouw sociale huurappartementen en situering

Waar momenteel het kantoor is gelegen wordt een appartementengebouw met 15 sociale huurappartementen gerealiseerd. Het appartementengebouw bestaat uit twee geschakelde volumes die bestaan uit twee bouwlagen met een kap haaks gesitueerd op de Herenweg. Op de derde bouwlaag worden de twee kappen met elkaar verbonden door een dakopbouw. Waar momenteel het bedrijfsgebouw is gelegen wordt een appartementengebouw met 8 middeldure huurappartementen gerealiseerd. Het gebouw is zodanig achter het appartementengebouw met 15 sociale appartementen gesitueerd dat er aan weerszijden doorzichten naar het water van de ijsbaan ontstaan. In de benodigde parkeerplaatsen voor beide appartementengebouwen wordt voorzien door de aanleg van parkeerplaatsen op maaiveld niveau.

10

3. Beleidskaders Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke beleidskaders. Achtereenvolgens komt het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijk beleid aan bod. Het beleid en de wetgeving op milieugebied wordt behandeld in hoofdstuk 4. 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI komt voort uit de Omgevingswet en is een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De NOVI richt zich op vier prioriteiten: 1. Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; 2. De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; 3. Onze steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.

Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Voor het plangebied geldt de prioriteit "Sterke en gezonde steden en regio's". Binnen deze prioriteit zijn een aantal beleidskeuzes gesteld waaronder de beleidskeuze "het hanteren van een integrale verstedelijkingsstrategie". Verstedelijking vraagt zorgvuldig en gebiedsgericht maatwerk vanuit een brede benadering. In lijn met de drie afwegingsprincipes moet integrale leefomgevingskwaliteit voorop staan als basis voor de te maken keuzes. Op basis daarvan kan een afweging plaatsvinden waarbij aan alle relevante ruimtelijk-fysieke opgaven zoveel mogelijk recht wordt gedaan. Er moet daarbij voor worden gezorgd dat er flexibel en snel kan worden ingespeeld op nieuwe wensen en ontwikkelingen in de samenleving. Vanwege de relatie met verschillende nationale belangen (waaronder die op het gebied van klimaat, milieu, duurzaamheid, leefomgevingskwaliteit, bereikbaarheid) doet het Rijk ook actief mee bij de integrale uitwerking van deze verstedelijkingsstrategie.

11

In samenwerking met gemeenten, provincies, metropoolregio’s en andere relevante stakeholders worden, bijvoorbeeld via de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s van de metropoolregio’s Amsterdam (MRA), Rotterdam Den Haag (MRDH) en Utrecht (MRU), nadere keuzes over de mogelijke gebiedsontwikkelingen gemaakt. 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en ladder voor duurzame verstedelijking

Om de ruimte zorgvuldig te benutten en over programmering te voorkomen is in artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Deze houdt in dat indien een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, de behoefte aan die ontwikkeling moet worden beschreven en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, gemotiveerd moet worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Relatie met het plangebied Met het plan wordt de bouw van maximaal 49 woningen mogelijk gemaakt. Dit betreft een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Derhalve dient gemotiveerd te worden dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Daaromtrent wordt het volgende overwogen. Behoefte Stec Groep heeft woningbehoefteonderzoek¹ uitgevoerd in de gemeente De Ronde Venen en een Woonstrategie² opgesteld. Beide documenten zijn op 5 maart 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Uit het woningbehoefteonderzoek blijkt dat de kern Wilnis 2.795 huishoudens heeft en dat dit aantal toeneemt tot 3.305 in 2030 en tot 4.145 in 2040. Dit betreft een stijging van respectievelijk 18% en 30%, oftewel van respectievelijk 510 en 1.350 huishoudens. Dit betekent dus dat er tot 2030 in Wilnis een nieuwbouwbehoefte is van 510 woningen en daarna tot 2040 nog eens 840 woningen.

In de Woonstrategie zijn de harde en zachte woningbouwplannen geïnventariseerd. Hieruit blijkt dat er in Wilnis harde plannen zijn voor 730 woningen. Dit terwijl er tot 2040 behoefte is aan 840 woningen. Er bestaat derhalve een duidelijke behoefte aan de maximaal 49 woningen die in het plangebied gebouwd worden. Daarnaast is er ook sprake van een duidelijke kwalitatieve behoefte aan de woningen die in het plangebied zijn voorzien, zie paragraaf 3.3.3. Stedelijk gebied De 49 woningen die in het plangebied zijn gepland, worden gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied van de lintbebouwing in Wilnis. In het plangebied was immers een bedrijventerrein met een kantoor- en bedrijfsgebouw, een stedelijke voorziening, gevestigd. Het plangebied wordt bovendien geheel omringd door bebouwing van het woongebied ‘Kom Wilnis’ en maakt daardoor integraal deel uit van dit woongebied. Gelet hierop wordt met het plan in bestaand stedelijk gebied voorzien in de woningbehoefte. Planspecifiek Het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 1 Stec Groep, ‘Woningbehoefteonderzoek om de gemeente De Ronde Venen’, 26-09-2019 2 Stec Groep, ‘Woonstrategie gemeente De Ronde Venen’, 26-09-2019

12

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. De Omgevingsvisie vervangt de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie, het Mobiliteitsplan en het Afwegingskader Uitbreidingslocaties voor wonen. De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 1 april 2021 in werking getreden. De provincie wenst blijkens de visie dat zij het groene, gezonde en slimme middelpunt van Nederland blijft, ook in 2050. Daarbij staat de provincie voor een aantal flinke uitdagingen waaronder het aantal inwoners dat fors groeit fors en een tekort aan woningen. Het grondgebied is te klein om al deze ruimtevragers los van elkaar een plek te bieden. De grootste opgave van de provincie is de vraag hoe zij de verschillende functies ruimtelijk met elkaar kunnen combineren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van onze gezonde en veilige leefomgeving om te komen tot een inclusieve en circulaire provincie Utrecht in 2050. Een provincie: 1. Waarin stad en land gezond zijn; 2. Die klimaatbestendig en water robuust is; 3. Waarin duurzame energie een plek heeft; 4. Met vitale steden en dorpen; 5. Die duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; 6. Met een levend landschap, erfgoed en cultuur; 7. Die een toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Voor het voorgenomen plan zijn de volgende thema's uit de Omgevingsvisie direct relevant. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kan de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities worden bereikt. Planspecifiek Aantrekkelijke landschappen Het plangebied bevindt zich in het landschap Groene Hart. Voor dit landschap dienen de volgende kernkwaliteiten behouden te worden: • Openheid; • (Veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); • Landschappelijke diversiteit; • Rust & stilte.

13

Door de sloop van het bedrijfsgebouw en de realisatie van twee achter elkaar gelegen appartementengebouwen ontstaan er twee doorzichten vanaf de Herenweg naar het achter gelegen water. Hierdoor wordt de openheid ter plaatse en dus de landschappelijke kernkwaliteiten van het landschap versterkt. Klimaatbestendig en water robuust Utrechtse kwaliteit en opgave Utrecht is rijk aan water. De grote variëteit van het watersysteem in de provincie Utrecht (bestaande uit rivieren, kanalen, sloten en beken) heeft een belangrijke functie in de wateraanvoer en -afvoer. Klimaatverandering heeft vele gevolgen voor onze leefomgeving. De winters worden zachter en natter en de zomers worden warmer en droger. Ook komen weer extremen vaker voor. De provincie zet zich in voor een klimaatbestendige en waterveilige provincie samen met waterbeheerders, gemeenten en het rijk. Daarbij verzilveren ze meekoppelkansen met andere functies als natuur, recreatie, energie en mobiliteit. In de veenweidegebieden nemen ze een mix aan maatregelen voor het tegengaan van bodemdaling in 2030 met 50%. Nieuwe ontwikkelingen in stedelijk en landelijk gebied richten zich op klimaat adaptief (groen en blauw). Zie verder paragraaf 4.9. Ruimte voor wonen en leven Ambities • 2050: het realiseren van circulaire woningen of woonwijken. • 2040: een sterke provincie met een duurzaam, gezond en divers woon- en leefklimaat.

• 2040: behoud en versterking van de inclusiviteit van de Utrechtse samenleving, zodat alle inwoners kunnen wonen, werken of ontmoeten waar en wanneer zij dat wensen. • 2040: iedereen die in de provincie Utrecht wil wonen kan beschikken over passende woonruimte. Dit betekent onder andere voldoende aanbod aan woningen in het sociale en middeldure segment. • 2040: behoud en versterking kwaliteit van de woonomgeving; gevarieerd en met aandacht voor de openbare ruimte met groen en blauw en ruimte om te bewegen en laagdrempelige en goed bereikbare voorzieningen. • 2040: het realiseren van energie neutrale woningen of woonwijken. • 2030: alle nieuwbouw in de provincie Utrecht gebruikt 50% minder primaire abiotische grondstoffen. Hierna is het beleid weergegeven waarmee de provincie deze ambities wil bereiken. De woningbouwopgave Om volledig te voldoen aan de woningbehoefte in de provincie Utrecht, is het nodig om tot 2040 in totaal nog ongeveer 165.000 woningen te bouwen. Dit is een grote opgave die alleen kan worden gerealiseerd door onderlinge samenhangen van overheden en samenwerking met andere partners in de bouwwereld. Deze woningen kunnen voor een groot deel binnen het bestaande stedelijke gebied (van steden en dorpen) via inbreiding en transformatie worden gerealiseerd.

Desalniettemin verwacht de provincie op de langere termijn dat één of meer nieuwe grootschalige woningbouwlocaties benodigd zijn. 14

Voor de locatiekeuze voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen hanteert de provincie de hiervoor aangegeven basisprincipes. Daarnaast staan de basisprincipes onder druk door de invloed van de effecten van: • Klimaatverandering; • Bereikbaarheid; • De nabijheid van functies; • Het behoud van de leefbaarheid; • Het behoud van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten; • Het behoud van biodiversiteit; • De energie-infrastructuur. Omdat er nu al spanning is op de woningmarkt is het noodzakelijk om de woningbouwproductie te versnellen. In de gebiedsgerichte uitwerkingen is deze opgave in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten bezien. Daarbij maakt de provincie een afweging op (boven) regionaal niveau. Bij bereikbaarheid gaat het bijvoorbeeld ook om de effecten op het regionale of zelfs nationale infrastructurele netwerk en niet alleen om de lokale ontsluiting.

Figuur 11: Woningbouwopgave in cijfers (bron: Primos, 2020 en planmonitor provincie Utrecht december 2020)

Een woning voor iedereen Naast voldoende woningen is de kwaliteit van de te bouwen woningen belangrijk. De provincie vindt dat eenieder een woning moet kunnen vinden die past bij de persoonlijke voorkeur, gezinssituatie en de portemonnee. Daarbij streven zij naar een inclusieve samenleving door bijvoorbeeld een menging van woningtypes en -milieus in stadsdelen, wijken en kernen. Omdat de koop- en huurprijzen van de bestaande woningvoorraad relatief hoog zijn, stuurt de provincie op de toevoeging van tenminste 50% van het totale aantal woningen in de segmenten ‘middelduur’ en ‘sociaal’. Dit percentage wordt op regionaal niveau bezien. Om te voldoen aan de ambitie van een CO2-neutrale provincie in 2050 is het uitgangspunt dat alle woningbouwplannen die worden gerealiseerd energieneutraal zullen zijn of gebruik maken van duurzame vormen van energie. Stedelijke kwaliteit Gezien de grote ruimtevraag die op de provincie afkomt, is het zaak om zorgvuldig om te gaan met de ruimte. Binnen het stedelijk gebied van steden en dorpen is nog veel ruimte aanwezig die kan worden benut voor verdichting, herontwikkeling of intensivering. In de afgelopen jaren zijn er weliswaar al veel binnenstedelijke locaties ontwikkeld, maar er zijn nog steeds binnenstedelijke mogelijkheden en er komen continu nieuwe mogelijkheden bij. De provincie vraagt daarbij aandacht voor de wijze van verdichting.

Om te kunnen voldoen aan de toekomstige behoefte aan wonen en werken zal de provincie zich inspannen om in alle kernen innovatiever en compacter te bouwen dan we tot nu toe gewend zijn. De mate van compactheid is afhankelijk van de locatie. 15

Tevens vraagt de provincie aandacht voor het op peil houden van het niveau, de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van culturele en recreatieve voorzieningen. Op die manier blijft de binnenstedelijke kwaliteit op een goed niveau. Vitaliteit kernen In een aantal kernen in de provincie Utrecht staat de vitaliteit onder druk omdat er sprake is van vergrijzing en gezinsverdunning. Hierdoor dreigt het draagvlak voor voorzieningen en het verenigingsleven weg te vallen. Door middel van woningbouw voor specifieke doelgroepen willen gemeenten de vitaliteit van een aantal kernen behouden en versterken. Voor deze kernen geldt echter evenzeer dat primair wordt ingezet op binnenstedelijke (binnendorpse) ontwikkeling waarbij compacter en innovatiever zal moeten worden gebouwd dan tot nu toe gebruikelijk. Voor een aantal kleinere kernen kan een uitbreiding met maximaal 50 woningen uitkomst bieden. Uit de toetsing aan het relevante provinciale beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie blijkt dat provinciaal beleid geen belemmering vormt voor de realisatie van het project. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Tegelijk met de Omgevingsvisie is op 10 maart 2021 de Interim Omgevingsverordening (hierna de Omgevingsverordening) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht.

De Omgevingsverordening is op 1 april 2021 in werking getreden en vervangt onder meer de Provinciaal Ruimtelijke Verordening. In de Omgevingsverordening zijn regels voor de fysieke leefomgeving opgenomen. In de Omgevingsverordening wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening geeft regels met betrekking tot onder meer de onderwerpen bodem, water, duurzaamheid, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie. Planspecifiek Landschap Groene Hart In de interim omgevingsverordening is bepaald dat een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevat ter bescherming van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, zoals genoemd in de Bijlage Kernkwaliteiten landschap. Tevens bevat de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan. Voor het landschap Groene Hart bestaat de ambitie om de volgende kernkwaliteiten te behouden en versterken: • Openheid; • (Veen)weidekarakter; • Landschappelijke diversiteit; • Rust en stilte. Bij ontwikkelingen in het landschap van het Groene Hart staat het versterken van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal.

Met de realisatie van het project wordt de landtongen structuur, haaks op de Herenweg, behouden. De bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ wordt gewijzigd naar ‘Wonen’, ‘Verkeer’ en ‘Groen’ zodat het gebruik van de gronden als bedrijventerrein komt te vervallen. Er wordt met het project meer water gecompenseerd dan noodzakelijk is wat bijdraagt aan ruimtelijke beleving. 16

Door de sloop van het kantoorgebouw en het bedrijfsgebouw en de realisatie van twee achter elkaar gelegen appartementengebouwen ontstaat er ter plaatse aan beide zijden van de nieuwe gebouwen doorzichten naar het water. Daarmee wordt het dorp aantrekkelijker voor zowel bewoners als recreanten. Het landschap wordt derhalve door het project versterkt. Woningbehoefte Om volledig te voldoen aan de woningbehoefte in de provincie Utrecht is het volgens de provincie nodig om tot 2040 in totaal nog ongeveer 165.000 woningen te bouwen. De provincie constateert dat dit een grote opgave is die alleen kan worden gerealiseerd door samenwerkende overheden en een goede samenwerking met andere partners in de bouwwereld. De provincie constateert bovendien dat veel plancapaciteit in beeld is maar veel daarvan nog de status ‘zacht’ en ‘potentieel’ heeft. Het is zaak om daarin keuzes te maken en te werken aan ‘harde’ uitvoerbare plannen. Omdat er nu al spanning is op de woningmarkt wenst de provincie om de woningbouwproductie te versnellen. Binnen het plan worden 49 nieuwe woningen mogelijk gemaakt in binnenstedelijk (binnendorps) gebied. Als zodanig past het plan binnen de wens van de provincie om te werken aan uitvoerbare plannen.

Uit de toetsing aan het relevante provinciale beleid zoals verwoord in de Omgevingsverordening blijkt dat provinciaal beleid geen belemmering vormt voor de realisatie van het project.

3.3

Gemeentelijke beleid

3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030 Op 17 oktober 2013 heeft de gemeenteraad van De Ronde Venen de Structuurvisie De Ronde Venen 2030 (Structuurvisie) vastgesteld. Op 29 september 2021 heeft de gemeenteraad een aanvulling op de Structuurvisie vastgesteld waarin een aanvulling op hoofdstuk 7 is opgenomen. In de Structuurvisie zijn de hoofdlijnen van voorgenomen ontwikkelingen en de hoofdzaken van het gemeentelijk ruimtelijk beleid op lange termijn beschreven. De kwaliteit van de gemeente wordt bepaald door het landschap met haar vitale, levendige dorpen en kernen waar mensen graag wonen, werken en recreëren. Het samenspel van wonen, werken en voorzieningen zorgt voor leefbaarheid in de gemeente. De gemeente zet breed in op leefbaarheid in het landelijk gebied, maar vooral ook in de kernen. Het bouwen van woningen binnen de grenzen van de kernen is derhalve het uitgangspunt. In paragraaf 4.3.4 van de Structuurvisie staat voor Wilnis o.a. als beleid wordt gehanteerd dat Wilnis gefaseerd blijft groeien door realisatie van geplande nieuwbouw en benutten van inbreidingslocaties. Inwoners, bedrijven en overheid hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een leefbare samenleving. Het is niet vanzelfsprekend dat het woon-, werk- en voorzieningenniveau in de kernen hetzelfde blijft. Vergrijzing en ontgroening kunnen gevolgen hebben voor de leefbaarheid.

Het beleid ten aanzien van wonen is gericht op een toekomstbestendige woningvoorraad, woonwensen, duurzaamheid en woningmarkt. Het beleid heeft oog voor: • De woningen en wijken die er al zijn; • Initiatieven naast de gemeentelijke projecten; • De positie van de gemeente op de regionale woningmarkt. 17

Woningen en woonomgeving sluiten aan op de woonwensen en woningbehoefte van inwoners. Hierbij worden verschillen tussen de kernen erkend. Doorstroming is essentieel om de aansluiting tussen woonwensen, woningbehoefte en het woningaanbod te bereiken. Dit wordt bereikt door: • Focus op kwaliteit bij nieuwbouw; • Bestaande voorraad beter benutten; • Instroom van nieuwe inwoners door onderscheidende kwaliteit van de gemeente.

Figuur 12: uitsnede Structuurvisie waarin het lint van Wilnis valt onder Dorpen

Op de structuurvisiekaart valt het plangebied in het lint van de Herenweg onder "Dorpen". Uiteraard passen woningen met de bijbehorende bebouwing hierbinnen. Op de kaart “landschappelijke elementen” is het plangebied aangegeven als "Randen en linten". Het beleid hiervoor is gericht op: • Het behouden en beschermen van de tracés van randen en linten, bijvoorbeeld door instandhouding van historisch kenmerkende dijkprofielen. Bij dijkverbeteringen vertaalt het waterschap dit in landschapsvisies en/of beeldkwaliteitsplannen per project. Onder andere in de vorm van dwarsprofielen; • Het behoud en waar mogelijk creëren van doorzichten in bebouwingslinten; • Het voorkomen van verdichting van rivierlinten door bebouwing of opgaande beplanting, waarmee zichtlijnen verloren gaan; • Het mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen in randen en linten (met inachtneming van de vorige punten) kan plaatsvinden, wanneer ze aansluiten bij maat, schaal en ritme van de omgeving. Planspecifiek Met de realisatie van het project wordt invulling gegeven aan de Structuurvisie. Door de sloop van het bestaande bedrijfsgebouw en vanwege de situering van de twee appartementengebouwen worden er twee doorzichten op het water gecreëerd in het bebouwingslint. De Herenweg kent een zeer diverse en individuele bebouwing. De bouwmassa van de nieuwbouw sluit aan op de maat, schaal en ritme van de omgeving.

Er worden nieuwe energiezuinige woningen in de bebouwde kom van Wilnis gerealiseerd. In het project, dat ruimschoots voldoet aan de Woonvisie, worden 26 vrijstaande woningen, 8 middeldure huurappartementen en 15 sociale huurappartementen gerealiseerd. Kortom het woningproject levert een meerwaarde op ten aanzien van de huidige woningvoorraad. Uit de toetsing aan het gemeentelijke beleid zoals verwoord in de Structuurvisie blijkt dat dit gemeentelijke beleid geen belemmering vormt voor de realisatie van het project. 18

3.3.2 Landschapsnota De Ronde Venen 2030 De Landschapsnota De Ronde Venen 2030 (Landschapsnota) geeft invulling aan de ambitie van De Ronde Venen om een Groene Hart gemeente te zijn waar op een zorgvuldige manier ruimte wordt geboden voor ontwikkelingen terwijl landschappelijke kwaliteiten in stand worden gehouden en worden versterkt. Het landschappelijke beleid is opgenomen in de Structuurvisie, die in oktober 2013 is vastgesteld. In de Landschapsnota wordt dit beleid geïmplementeerd door het opstellen van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact. Om de verschillende waarden en visies op het grondgebied van De Ronde Venen te duiden, is het gebied van De Ronde Venen opgedeeld in negen deelgebieden. Deze verdeling is op basis van specifieke kenmerken van de gebieden, zoals de verkaveling, begrenzing, de (historische) totstandkoming en het gebruik. De negen gebieden zijn op de deelgebiedenkaart zichtbaar.

Figuur 13: Uitsnede deelgebieden kaart met aanduiding ligging locatie

Figuur 14: Uitsnede Landschapsbeleidskaart met aanduiding ligging locatie

Het plangebied is gelegen in deelgebied 9, Kernen. Op de landschapsbeleidskaart is het gebied aangeduid met Verkaveling Middeleeuws. Middeleeuwse verkaveling In open, onbebouwde delen van de bebouwde kommen van Vinkeveen en Wilnis is de middeleeuwse verkaveling nog goed te zien. Het betreft gedeelten tussen het bebouwingslint en de ringvaart. In paragraaf 4.11 wordt uitgebreid ingegaan op de inpassing van de woningen in het landschap.

19

Planspecifiek Het voorliggende initiatief heeft betrekking op de realisatie van 26 vrijstaande woningen, 15 sociale huurappartementen en 8 middeldure huurappartementen. De verkavelingsrichting is maatgevend voor het initiatief. Op grond van het voorliggende plan is er geen sprake van een aantasting van de verkavelingsrichting. Door het doortrekken van de bestaande sloten naar de Herenweg en het realiseren van twee doorzichten aan beide zijden van het appartementengebouw vanaf de Herenweg naar het water wordt de openheid gewaarborgd en juist versterkt. Uit de toetsing aan het gemeentelijke beleid zoals verwoord in de Landschapsnota blijkt dat dit gemeentelijke beleid geen belemmering vormt voor de realisatie van het project.

3.3.3 Woonvisie 2025 Op 18 maart 2020 is de eerste wijziging van de Woonvisie 2025 van de gemeente De Ronde Venen in werking getreden. In de Woonvisie 2025 komen alle aspecten van het wonen aan bod: kwantiteit, kwaliteit, locaties, woonruimteverdeling, doelgroepen en de rol van woningcorporaties. De Woonvisie 2025 vormt de basis voor prestatieafspraken tussen gemeente, corporatie en huurdersorganisatie. Kern Wilnis in de Woonvisie 2025 De kern Wilnis is een rustige kern met dito detailhandel en horeca. Het dorp heeft een klein winkelcentrum in de nieuwbouwwijk en beperkte detailhandelsvoorzieningen in het oude dorp. De kern is rijk aan (sport)verenigingen, heeft enkele scholen en een groot dorpscentrum met een sporthal. Wilnis is niet alleen ‘het oude dorp’ maar ook een forensendorp met verschillende naoorlogse wijken. Kwalitatieve opgave: Er is veel meer vraag dan aanbod aan appartementen in de huur- en koopsector. In de prognose van het woningmarktonderzoek is de grootste vraag te verwachten naar eengezinskoopwoningen. In de koopsector is de grootste vraag naar goedkope woningen tot € 200.000,- en duurdere woningen vanaf € 300.000,-. Vraag en aanbod naar eengezinshuurwoningen komt overeen en ook in de vrije sector huur is er een match tussen vraag en aanbod. Bij huurwoningen is de vraag het grootst in de huurcategorie tot € 587,-.

Er wordt ingezet op: • Huurwoningen tot € 587,-; • Huur- en koopappartementen; • Goedkope koopwoningen tot € 200.000,-. Behoud Vitaliteit gemeente Om de vitaliteit van de gemeente te behouden is een gevarieerde leeftijdsopbouw nodig van de bevolking. Het behoud van jongeren en jonge gezinnen en het aantrekken van deze doelgroepen vanuit de regio, zorgt ervoor dat De Ronde Venen een economisch sterke gemeente blijft. Dit is van belang voor zowel de bestaande bewoners als voor toekomstige bewoners. De woningvoorraad in De Ronde Venen moet betaalbaar, duurzaam, voldoende divers zijn en goed inzetbaar zijn voor de diverse leeftijds- en doelgroepen. Daarbij dient de focus te liggen op jongeren en jonge gezinnen zodat de gemeente vitaal blijft. Deze diversiteit reikt verder dan alleen de nieuwbouw en beslaat juist ook de bestaande voorraad. 20

Verwachting tot 2025 en prognose tot 2040 De verwachting is dat tot 2025 de bevolking niet groeit en in de 5 jaar daarna slechts beperkt groeit. De inwoners worden echter steeds ouder. Een goede spreiding over alle leeftijdscategorieën zorgt voor: • Voldoende leerlingen op scholen; • Voldoende arbeidskrachten; • Vrijwilligers; • Bezoekers van onze winkelcentra en horeca; • Voldoende cliënten bij gezondheidscentra; • Goed personeel in de zorgsector. Een tegenwicht is nodig voor de vergrijzing en ‘ontgroening’ die plaatsvindt. Het behouden en aantrekken van jongeren en jonge gezinnen kan weer voor het gewenste evenwicht zorgen. Ook moeten er worden voorgesorteerd op de verwachte groei na 2030. De prognose is dat tussen 2030 en 2040 de bevolking met 2.700 inwoners zal toenemen. Dat vraagt nu al om actie. Dit ambitieniveau past niet alleen binnen de koers van de Structuurvisie, maar is tevens passend bij de kenmerken van de gemeente. Een groene gemeente met dorps wonen. Hoe gaat De Ronde Venen dat bereiken? De Ronde Venen heeft een woningvoorraad nodig van voldoende kwaliteit, flexibiliteit en omvang om bestaande en toekomstige inwoners goed te laten wonen.

Woningen voor het brede spectrum van de markt, van lage tot hoge inkomens, van jong tot oud, voor huurder en kopers, voor Nederlanders en medelanders, waarbij het accent ligt op de woonwensen van de leeftijdsgroepen tot ongeveer 40 jaar. Van belang is een goede huurmarkt, voldoende sociale huurwoningen en een gezonde koopmarkt. Om deze visie te bereiken is een aantal speerpunten gekozen: • Betaalbaar wonen; • Beschikbaarheid en diversiteit; • Duurzaam wonen; • Wonen en zorg. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in bestaand bebouwd gebied in de lintbebouwing. Door de realisatie van 49 woningen (26 vrijstaande woningen, 8 middeldure huurwoningen en 15 sociale huur (30% van 49)) wordt er ruimschoots voldaan aan de Woonvisie 2025. Daarnaast wordt voldaan aan de eisen van duurzaamheid en klimaat-adaptatie uit de Woonvisie 2025 omdat: • De nieuwe woningen energie-neutraal worden gebouwd; • Er veel extra water wordt gerealiseerd (deels in verband met watercompensatie); • Er waar mogelijk gebruikt wordt gemaakt van grastegels bij parkeerplaatsen om verhardingen zoveel als mogelijk tegen te gaan. Uit de toetsing aan het gemeentelijke beleid zoals verwoord in de Woonvisie blijkt dat dit gemeentelijke beleid geen belemmering vormt voor de realisatie van het project.

21

4. Milieu- en omgevingsaspecten Ingevolge artikel 3.1.6 van het Bro wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Het gaat daarbij (vooral) om de mogelijke effecten van de activiteit dit het plan heeft op de omgeving. Bij deze effectbeschrijving is uitgegaan van de maximale invulling van de ruimte die het plan biedt.

4.1

Vormvrije mer

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmerplichtig, projectmerplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van de projecten; • de plaats van de projecten; • de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie Voor woningbouwontwikkelingen is sprake van een mer-beoordelingsplicht bij een aaneengesloten gebied van 2.000 of meer woningen (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D11.2). Dit betekent dat in dit geval geen sprake is van een overschrijding van de drempelwaarde en een zogenaamde 'vormvrije mer-beoordeling' noodzakelijk is. In dit hoofdstuk is per milieuthema een overzicht opgenomen van de mogelijke milieugevolgen.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten, zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Het college van B&W heeft op 18 april 2023, op basis van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r., besloten dat er voor deze planontwikkeling geen milieueffectenrapportage hoeft te worden opgesteld.

4.2

Milieu

Het bedrijf Voorbij Beton b.v. is ter plaatse niet meer gevestigd. Op het perceel Herenweg 116 en 118 rust een bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ waar ‘bedrijven tot en met categorie 3.2’, volgens de staat van bedrijven uit het bestemmingsplan zich mogen vestigen. 22

4.3

Milieuzonering

Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' in opdracht van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opgesteld. Hierdoor wordt in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden met de belangen van bedrijven en woningen. Zo wordt zoveel als mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt door de komst van nieuwe woningen. Milieuzonering is een hulpmiddel bij ruimtelijke planvorming. Het is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouwen bedrijvenlocaties. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. Hierbij worden richtafstanden gegeven per milieutechnisch aspect (geur, stof, geluid en gevaar), waarbij de grootste afstand bepalend is voor de indeling in een milieucategorie.

Figuur 15: Richtafstanden bedrijven en milieuzonering

De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In een gemengd gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen dan bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor. Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing van de Herenweg waar overwegend woningen en daarnaast een aantal bedrijven zijn gevestigd. Aan de oostzijde van het plangebied is een kantoor gelegen (categorie 1) op een perceel met een bedrijfsbestemming categorie 3A. Voor milieucategorie 3A wordt een richtafstand van 30 meter gehanteerd bij het omgevingstype 'gemengd gebied'. De te realiseren appartementengebouwen zijn op een afstand van respectievelijk 65 en 60 meter gesitueerd. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 30 meter.

23

Daarnaast vindt er agrarische bedrijvigheid plaats op het perceel Herenweg 94 door een bedrijf die zich bezighoudt met het fokken en houden van paarden en ezels dat is gelegen in ten hoogste milieucategorie 2. Voor milieucategorie 2 wordt een richtafstand van 10 meter gehanteerd bij het omgevingstype 'gemengd gebied'. De te realiseren appartementengebouwen zijn op een afstand van circa 190 meter gesitueerd. Aan de richtafstand van 10 meter (omgevingstype gemengd gebied) wordt voldaan. Aan de oostzijde van het plangebied op het perceel achter Herenweg 89 is een perceel met een bedrijfsbestemming categorie 3A gelegen. Voor milieucategorie 3A wordt een richtafstand van 30 meter gehanteerd bij het omgevingstype 'gemengd gebied'. Het te realiseren appartementengebouw voor 15 sociale huurappartementen is gesitueerd op een afstand van 60 meter. Er wordt dus ruim voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Tot slot zijn er diverse woningen rondom het plangebied gelegen. Woningen leveren geen milieuhinder op ten opzichte van andere woningen. Er kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen beperking geeft voor bestaande (bestemde) bedrijvigheid in de directe omgeving. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Bodem Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Er wordt gestreefd naar een duurzaam bodembeheer. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn, dat er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s). Onderzoek Uit de bodem- en grondwateronderzoeken die zijn uitgevoerd blijkt dat er gesaneerd moet worden. De verontreinigingssituatie van het plangebied is vastgelegd via diverse onderzoeken die bij de toelichting zijn toegevoegd. Planspecifiek Uit de bodemonderzoeksrapporten en het saneringsplan blijkt dat er gesaneerd moet worden. Op 29 augustus 2018 is een BUS melding ingediend waarvan op 4 september 2018 een ontvangstbevestiging is gestuurd. Met het uitvoeren van de saneringswerkzaamheden is inmiddels gestart. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) biedt vooral in het ruimtelijk spoor bescherming tegen (spoor)weglawaai en industrielawaai van inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein. In de Wgh worden daarnaast de zogenoemde geluidsgevoelige objecten beschermd tegen geluidshinder. De wet heeft een sterke link met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij het wijzigen van de bestemming geldt een onderzoekplicht voor het aspect geluid. 24

Dit onderzoek richt zich op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen die binnen een geluidszone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein zijn gelegen en op de geluidsbelasting van de activiteiten die het plan mogelijk maakt. Planspecifiek De nieuwe woningen zijn geluidsgevoelige functies en gelegen binnen de geluidszone van de Burgemeester Padmosweg en de Herenweg. Toetsing Wgh en hogere waarden Door adviesburo Van der Boom is een akoestisch onderzoek opgesteld. Daaruit blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen door wegverkeer op de Burgemeester Padmosweg ten hoogste 35 dB bedraagt na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Er hoeft geen hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Burgemeester Padmosweg. De geluidbelasting op de nieuwe woningen door wegverkeer op de Herenweg (30 km weg) bedraagt ten hoogste 48 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee niet overschreden. Toetsing RO Bij het toetsen of sprake is van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh en het gemeentelijk beleid. Aan deze kaders kan zonder maatregelen worden voldaan.

Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. Eis geluidwering Volgens het Bouwbesluit moet de zgn. karakteristieke geluidwering GA;k van de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied in een woning ten minste gelijk zijn aan de invallende geluidbelasting verminderd met 33 dB; voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de geluidwering GA;k. De voorschriften hebben tot doel de geluidbelasting binnenshuis in de verblijfsgebieden van een woning te beperken tot 33 dB. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De hoogste geluidbelasting op één gevel bedraagt 54 dB zonder aftrek. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 21 dB. Bij nieuwbouwwoningen wordt een geluidwering GA;k van 21 dB ook zonder aanvullende voorzieningen gehaald. De geluidbelasting op de overige gevels bedraagt ten hoogste 53 dB. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt dan 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor de gevels van de woningen zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Uit het akoestisch onderzoek blijkt derhalve dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de realisatie van het project.

25

4.6

Geur

Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) De Wgv vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader bij vergunningverlening voor inrichtingen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Op grond van de Wgv dient tussen een emissiepunt van een dierenverblijf waarin rundvee wordt gehouden en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom een afstand van 100 meter en buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter te worden aangehouden. De wettelijke definitie van een geurgevoelig object is: "gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor een permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt." Volgens de definities uit de Wet geurhinder en veehouderij is een camping geen geurgevoelig object. Een al dan niet (legaal) permanent bewoonde recreatiewoning is wel een geurgevoelig object. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.

Voor de plangebieden en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld. Planspecifiek Nabij het plangebied bevindt zich geen belemmerende agrarische bedrijvigheid. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de realisatie van het project.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Beleid en regelgeving In 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Met deze wet zijn luchtkwaliteitseisen verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm). Er is vastgelegd dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. De belangrijkste zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) omdat deze in Nederland soms worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, in de regel niet overschreden. De grenswaarde van PM10 of NO2 bedraagt 40 µg/m³. De grenswaarde van PM2,5 ligt op 25 µg/m³. In de Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16 van de Wm) is aangegeven in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmeringen vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging.

26

Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) In dit besluit is bepaald in welke gevallen een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet hoeft te worden getoetst aan de grenswaarden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de zogenaamde 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide. Deze grenswaarde is gesteld op 40 µg/m3 . Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden is het project NIBM, en hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In de Regeling NIBM is de bovengenoemde 3%-grens uitgewerkt in concrete getallen. Zo ligt voor woningbouwplannen de grens van 3% bij 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Besluit gevoelige bestemmingen Het besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide, met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, in beide gevallen gemeten vanaf de rand van de weg.

Als in een onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming’ niet toenemen. 4.7.2 Relatie met het plangebied Het bestemmingsplan maakt de realisatie van twee appartementengebouwen met maximaal 23 woningen (15 sociaal en 8 middeldure huurwoningen) en 26 vrijstaande woningen mogelijk. Hiermee draagt het plan ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. Op grond van de Regeling NIBM wordt een project tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg immers gerekend tot een zogenoemd ‘niet in betekenende mate’ project. Dit betekent dat er geen nader onderzoek en toetsing aan de in de Wet luchtkwaliteit gestelde grenswaarden hoeft plaats te vinden. Met andere woorden, de beoogde ontwikkeling voldoet aan het wettelijk kader. Voor wat betreft de bijdrage van het plan aan de concentratie PM2,5 kan het volgende opgemerkt worden. PM2,5 maakt deel uit van de bijdrage PM10. Dit betreft immers alle stofdeeltjes met een diameter van 10 µm of kleiner. Aangezien de bijdrage PM10 lager is dan 1,2 μg/m³, is de bijdrage PM2,5 dat ook. De huidige achtergrondconcentratie PM2,5 bedraagt ter hoogte van het plangebied minder dan 11 μg/m³ (bron: GCN kaarten RIVM, jaar 2019).

Derhalve zal de realisatie van de woningen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 (25 μg/m³). Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar de concentraties luchtverontreinigende stoffen in het plangebied. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten van het RIVM (peiljaar 2019) blijkt dat de achtergrondconcentratie voor NO2 ter hoogte van het plangebied lager is dan 14 μg/m³. Voor PM10 is de achtergrondconcentratie lager dan 18 μg/m³ en voor PM2,5 lager dan 11 μg/m³. Deze concentraties zijn daarmee ruim lager dan de grenswaarden. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening bestaan er daarom geen belemmeringen voor het plan. 27

Het Besluit gevoelige bestemmingen is voor het bestemmingsplan niet van toepassing, omdat woningen in dit Besluit niet zijn aangemerkt als gevoelige bestemming. Planspecifiek Er zijn geen belemmeringen voor het plan vanuit het aspect luchtkwaliteit.

4.8

Externe veiligheid

Wetgeving In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat er rekening wordt gehouden met de invloed van de risicovolle inrichtingen en/of transportroutes op geplande gevoelige objecten. Er wordt voorkomen dat zich (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 10-6 risicocontour van risicovolle inrichtingen/transportroutes bevinden. Risicobronnen voor de externe veiligheid zijn met name bedrijven (inrichtingen) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (via weg, water, spoor, buisleidingen). Inrichtingen In het Bevi zijn grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico (PR). Voor het groepsrisico (GR) is een verantwoordingsplicht opgenomen. Hiermee worden de aan te houden afstanden tussen risicovolle inrichtingen en kwetsbare en beperkte objecten gewaarborgd. In het Bevi is aangegeven welke inrichtingen onder de reikwijdte van het besluit vallen. Het gaat onder andere om LPG-tankstations, bedrijven waar meer dan 10.000 kilo (of liter) verpakte gevaarlijke stoffen met brandbare en giftige verbindingen in één opslagvoorziening aanwezig is, grote ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen waar gerangeerd wordt met gevaarlijke stoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13392853/1