Bijlage 1 – Toelichting - BP Donkereind 24 en 24a Vinkeveen
Tekst van het document
25
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden.
Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van een handelsstal ten opzichte van de huidige planologische situatie. Door de extra verkeersbewegingen, op basis van paragraaf 4.10.1 in te voeren in de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling 'niet in betekenende mate' bijdraagt. Verdere toetsing van het aspect luchtkwaliteit is op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Daarbij zijn er voor paarden geen fijnstof-emissiecijfers en hoeft fijnstof dus niet berekend te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De concentraties over 2024 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) bedragen ter plaatse van receptor wegverkeer 30282562_16830 respectievelijk maximaal 10,6 µg/m³ NO2, 14,6 µg/m³ PM10 en 7,6 µg/m³ PM2,5. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er zijn gezien het voorgaande geen belemmeringen voor het aspect luchtkwaliteit.
4.5 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorliggende plan maakt niet een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik mogelijk. Derhalve hoeft in het kader van het bestemmingsplan geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Een dergelijk onderzoek kan wel aan de orde zijn als er ten behoeve van de paardenhouderij in de grond wordt gewerkt of als grond moet worden afgevoerd. Dat komt dan in het kader van de Omgevingsvergunningen nader aan de orde. Overigens is in februari 2021 een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locaties Donkereind 24 en 24a (APS - Milieu B.V., rapport R21-B045). Naar aanleiding daarvan is voor de locatie Donkereind 24 een
26
Verkennend onderzoek asbest NEN5707 uitgevoerd (APS - Milieu B.V., april 2022). In dat verband is geen asbestverdacht materiaal op of in de grond aangetroffen. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het initiatief.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi)
27
worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Planspecifiek Op de risicokaart van de Atlas Leefomgeving kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn die in het kader van externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied is zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)
Uit de risicokaart is op te maken dat er slechts één risicovolle inrichting in de omgeving van het plangebied aanwezig is. Deze ligt echter op een dusdanig grote afstand (minstens 800 m) dat een beschouwing van het risico niet vereist is, mede gelet op de aard en de omvang van de risicovolle inrichting. Op circa 750 m ten westen van het plangebied is een buisleiding van Gasunie gelegen. Het initiatief bevindt zich buiten het brandaandachtsgebied van die buisleiding, zodat een beschouwing van het risico niet vereist is.
28
Er zijn verder geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig in de omgeving van het plangebied. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren en schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen.
Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord-Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht zijn regels opgenomen voor de bescherming van water, dijken en gemalen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.
29
Het waterschap hanteert het beleid dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning het verhard oppervlak met meer dan 1.000 m² uit te breiden in en aansluitend op stedelijk en glastuinbouwgebied, of meer dan 5.000 m² in de overige delen van het beheergebied. Er geldt hierbij een compensatienorm, waarbij de toename van de afvoer van hemelwater vanaf het verhard oppervlak op het watersysteem wordt gecompenseerd door open water met een omvang van 10% van de uitbreiding van het verhard oppervlak. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Als de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan de genoemde oppervlaktematen geldt er altijd nog een specifieke zorgplicht. De uitvoerende partij moet voorkomen dat de waterhuishouding er op achteruit gaat door de aangebrachte wijzigingen. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
Planspecifiek Verharding In de bestaande situatie is het perceelsgedeelte waar de handelsstal is beoogd onverhard. In de beoogde situatie wordt nieuwe bebouwing toegevoegd en wordt verharding in het gebied aangelegd, waarbij het verhard oppervlak met circa 4.000 m² toeneemt. Het onderhavige perceel is onderdeel van de 'overige delen van het beheergebied', waar een vrijstelling geldt tot een oppervlakte van 5.000 m². Die oppervlaktemaat wordt niet overschreden en dus is geen compensatie vereist. Wel dient voldaan te worden aan de specifieke zorgplicht. In het voorliggende plan wordt hier rekening mee gehouden door het aanbrengen van een poel op het westelijk deel van de noordelijke kavelslag. De poel wordt niet aangesloten op het watersysteem, maar kan wel worden aangewend voor de vertraagde afvoer (infiltratie in de bodem) van het hemelwater. Het is tevens voorstelbaar dat een deel van de verharding in het plangebied als halfverharding wordt uitgevoerd, zoals de parkeerplaatsen. Daarnaast zullen de oevers van de noordelijke kavelslag worden aangepast: er wordt lage beschoeiing toegepast met oeverbeplanting. Voor deze werkzaamheden wordt afstemming gezocht met het Waterschap en zal een watervergunning aangevraagd worden. In dit kader zal ook nader bekeken worden wat er nog aanvullend aan watercompensatie gedaan moet worden.
Waterafvoer Het afvalwater van de bestaande (en te vernieuwen) woningen in het plangebied wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Voor wat betreft de hemelwaterafvoer wordt uitgegaan van een (vertraagde) afvoer naar het oppervlaktewater. Er wordt geen gebruik gemaakt uitlogende materialen, zodat de waterkwaliteit als gevolg van het plan niet achteruit gaat en emissies van PAK, lood, zink en koper (via regenwaterafvoer) naar het oppervlaktewater worden voorkomen. Dit past binnen de ambities zoals weergegeven in het 'Wateren RioleringsPlan De Ronde Venen 2023-2027' (vastgesteld op 26 januari 2023), waarin is aangegeven hoe de gemeente omgaat met de zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Voor de nieuwbouw kunnen verplichtingen ten aanzien van het onttrekken, lozen, afvoeren en aanvoeren van oppervlaktewater van toepassing zijn. Het beleid waarop AGV een vergunning kan verlenen ten aanzien van werken en werkzaamheden is vastgelegd in de Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht. Legger Voor het plangebied is de legger van het waterschap geraadpleegd. Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een primaire of secundaire waterkering. Aanvullende maatregelen zijn dan ook niet vereist. Conclusie Gesteld kan worden dat het aspect water geen belemmering zal vormen voor het onderhavige initiatief.
30
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze algemene zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Voorliggende ontwikkeling heeft plaats in een plangebied waar sprake is van een braakliggend terrein: alle opstallen zijn al gesloopt. Er worden ook geen bomen of andere opgaande beplanting verwijderd en de sloten worden in tact gelaten. Bovendien is het terreingedeelte waar gebouwd gaat worden opgehoogd, zodat gesteld kan worden dat er geen ecologische waarden in het geding zullen zijn. Om hierover meer zekerheid te verkrijgen is door Blom Ecologie een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (rapport d.d. 26 januari 2024). Deze 'Quickscan Wet natuurbescherming Donkereind 24 en 24a te Vinkeveen' is als bijlagen bij toelichting, bijlage 2 bijgevoegd. Soortenbescherming Uit de quickscan blijkt dat de planlocatie geen essentiële betekenis voor beschermde soorten heeft. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden (Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied). De afstand tot de Natura 2000-gebieden ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’, 'Botshol' en ‘Oostelijke Vechtplassen’ bedraagt respectievelijk circa 4,9, 5,2 en 7,5 km.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden in een stikstofonderzoek. Hieronder wordt daar nader op ingegaan. Houtopstanden Met de beoogde ingreep worden geen bomen gekapt, er geldt geen meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Stikstofberekening Er is een AERIUS-berekening opgesteld om de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in kaart te brengen (Buro SRO, berekeningen d.d. 26 maart 2025, rapportage d.d. 31 maart 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3 en de bijbehorende uitvoerbijlagen). De nieuwe bebouwing van de paardenhouderij wordt gasloos uitgevoerd, waardoor voor de gebruiksfase enkel de te houden paarden en de verkeersgeneratie van de voertuigen die gebruikt worden voor de bedrijfsvoering, relevant zijn voor de stikstofdepositie. In de toekomstige situatie is in de eerste fase sprake van het houden van maximaal 6 paarden jonger dan drie jaar. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn.
31
Daarnaast is ook de bouwfase relevant voor de stikstofdepositie, waarbij uitgegaan is van het rekenjaar 2026. In de rapportage is de inzet van mobiele werktuigen weergegeven die nodig zal zijn in de bouwfase. Er is tevens rekening gehouden met 'koude starts'. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden is. Het voorliggende bestemmingsplan maakt via een vrijstelling maximaal 20 paarden mogelijk. Bij die omvang is het nodig om een mitigerende maatregel, in de vorm van extern salderen, toe te passen. Hiervoor zijn reeds de stikstofrechten van het agrarische bedrijf (rundvee) Burgemeester Padmosweg 147 in Wilnis aangekocht, waarvan ten hoogste 70% van de stikstofuitstoot gebruikt kan worden voor een ander bedrijf. De wet- en regelgeving hieromtrent is nog in beweging, maar naar verwachting zal hiervoor een natuurvergunning (Natura 2000-activiteit) vereist zijn. Om die reden wordt hiervoor in de afwijkingsbevoegdheid nog een voorbehoud gemaakt. Conclusie De beoogde ontwikkelingen zijn uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Het leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming.
Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten zijn AERIUSberekeningen uitgevoerd, waarbij het niet nodig blijkt om voor maximaal 6 paarden jonger dan drie jaar een natuurvergunning aan te vragen. Dat kan wel aan de orde zijn als de geboden mogelijkheid voor maximaal 20 paarden benut wordt. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, algemene broedvogels en mogelijke kolonisatie van rugstreeppadden. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen:
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
•
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
•
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
•
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
•
De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
•
Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
32
4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. In 2013 is de visie op cultuurhistorie en monumenten ‘Blijvend Vernieuwen’ vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen. Aangezien er sindsdien veel is veranderd, is op 27 november 2023 het Beleidskader Cultuurhistorie & Monumenten 2023-2028 'Erfgoed Leeft!' vastgesteld. Dit nieuwe beleidskader speelt in op de betekenis van huidige maatschappelijke uitdagingen zoals het woningtekort, klimaatverandering en bodemdaling op erfgoed. Hierbij ligt de focus op 6 centrale thema's die inwoners belangrijk vinden: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Bijwerken erfgoedregister Herziening van het subsidiebeleid voor gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden Toezicht en Handhaving Beleefbaarheid en cultuureducatie Erfgoed in transitie Veranderend landschap en gebruik.
Planspecifiek De voormalige bedrijfswoning Donkereind 24 was voorheen aangemerkt als gemeentelijk monument. Deze status is met de inmiddels uitgevoerde sloop van het pand verwijderd. Voorts zijn geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of anderszins cultuurhistorisch waardevolle monumenten in of nabij het plangebied gelegen. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering. 4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
Voor het hele grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is een archeologische beleidskaart (Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016, Vestigia BV, V1385, 23 februari 2017) gemaakt. Hierop is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden. Planspecifiek Het plangebied wordt in het archeologisch beleid van de gemeente De Ronde Venen aangemerkt als een gebied met 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b' en 'Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 6'. Een uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingskaart is op onderstaande afbeelding weergegeven.
33
Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart (plangebied zwart omcirkeld)
Voor de geldende verwachtingswaarde is opgenomen dat in de zone nabij Donkereind geen onderzoek nodig is als de verstoring kleiner is dan 100 m² en niet dieper dan 30 cm. Het onderhavige plan voorziet in deze zone in de vernieuwing van de bedrijfswoning, waarvoor reeds een omgevingsvergunning is verleend. De gronden waar de aanpassingen gepland zijn, zoals de oprichting van de paardenstal, hebben een lage archeologische verwachting, waar een vrijstellingsgrens gehanteerd wordt van 10.000 m². Met de beoogde ontwikkelingen wordt deze oppervlaktenorm niet overschreden. Dus is geen archeologisch onderzoek nodig. Het aspect archeologie zal geen belemmering vormen voor het initiatief. Wel worden de archeologische dubbelbestemmingen opgenomen, ontleend aan het bestemmingsplan 'Buitengebied-West'.
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.
4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
34
Planspecifiek In het voorgenomen plan zijn twee bestaande woningen (een reguliere woning en een bedrijfswoning) opgenomen. Hierbij wordt uitgegaan van de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorieën 'buitengebied' en 'matig stedelijk'. Type woning
Koop, huis, vrijstaand Totaal
Aantal woningen
Gemiddelde verkeersgeneratie woning 8,2 -
2 2
Verkeersgeneratie per 16,4 16,4
Uit de tabel volgt dat de verkeersgeneratie ten gevolge van de woningen gemiddeld 16,4 voertuigbewegingen per etmaal bedraagt, maar het betreft (planologisch) bestaande woningen, dus deze gaan niet gepaard met extra verkeersbewegingen. In het voorgenomen plan wordt daarnaast een nieuwe grondgebonden paardenhouderij gerealiseerd. Aangezien niet goed kan worden aangesloten bij een van de categorieën uit de CROW publicatie, is door de initiatiefnemer een reële inschatting gemaakt van de verkeersgeneratie van de nieuwe onderneming:
• • • •
1 x per maand zal er een vrachtwagen komen; 1 x per dag zal er een auto met paardentrailer komen; 2 x per week zal er een bezoeker/koper voor de paarden komen; Op het bedrijf zullen er 3 personeelsleden werkzaam zijn;
Uit bovenstaande informatie volgt een geschatte verkeersgeneratie in de toekomstige situatie die maximaal zal bestaan uit 16 verkeersbewegingen per etmaal. De geschatte verkeersgeneratie is voor middelzwaar verkeer circa 32 verkeersbewegingen per jaar en voor zwaar verkeer circa 22 verkeersbewegingen per jaar. De bestaande infrastructuur is in staat om deze verkeersgeneratie te verwerken. Daarbij dient opgemerkt te worden dat in de voormalige situatie met een glastuinbouwbedrijf eveneens sprake was van een verkeersgeneratie, met een groter aandeel vrachtverkeer, dus daarmee vergeleken wijzigt het verkeersbeeld niet wezenlijk. Het aspect verkeer zal derhalve geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030 Het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030', zoals vastgesteld op 27 november 2023, is de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de gemeente De Ronde Venen. In dit document zijn parkeernormen opgenomen, waarbij gebruik is gemaakt van CROW-parkeerkencijfers. Planspecifiek In het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren analoog', vastgesteld op 28 juni 2018, is juridischplanologisch geborgd dat er voldoende parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Op basis hiervan moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030'. Voor wat betreft de woningen moet uitgegaan worden van 2,3 parkeerplaatsen per woning (incl. bezoekersparkeren). Daarbij wordt het gebiedstype 'buitengebied' toegepast en wordt uitgegaan van de parkeernorm van 'koop, vrijstaand'.
35
Het voorgenomen plan voorziet daarnaast in de realisatie van een kleinschalige, grondgebonden paardenhouderij. Hiervoor is echter geen categorie opgenomen in het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030', dus is er een inschatting gemaakt van het aantal bezoekers per etmaal en per week om de parkeerbehoefte in te schatten, zoals weergegeven in de vorige paragraaf. Dat resulteert in de volgende parkeerbehoefte:
• • •
3 parkeerplaatsen ten behoeve van het personeel; 2 parkeerplaatsen ten behoeve van bezoekers en overig; 3 parkeerplaatsen ten behoeve van de bedrijfswoning.
De parkeerbehoefte voor de voorgenomen ontwikkeling betreft 8 parkeerplaatsen. In de beoogde situatie is ruimte opgenomen om deze parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Ook bij de bestaande woning Donkereind 24a is voorzien in voldoende parkeergelegenheid: er zijn hier 4 parkeerplaatsen aanwezig, waarmee aan de norm wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
36
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
37
5.2 Wijze van bestemmen In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden uiteengezet. Het voorliggende bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen. Agrarisch Het merendeel van de gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch'. De gronden zijn aangeduid met 'paardenhouderij', waarbij hier uitsluitend een grondgebonden paardenhouderij is toegestaan voor ten hoogste 6 jonge paarden (jonger dan drie jaar). Daarnaast zijn de bijbehorende voorzieningen, zoals een kantine, kantoorruimte en opslagruimten, alsmede paardenbakken, paddocks, longeerbakken, stapmolens en mestopslag toegestaan binnen het bouwvlak, alsmede één bedrijfswoning. Bij de bedrijfswoning is de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis toegestaan. De bouwregels zijn uitgesplitst naar 'binnen bouwvlak' en 'buiten bouwvlak'. Voor wat betreft de maatvoeringen, zoals de goot- en bouwhoogte van de bedrijfsbebouwing en de inhoudsmaat en goothoogte van de bedrijfswoning binnen het bouwvlak, is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. Verder is sprake van maatwerk voor de bouwmogelijkheden van de grondgebonden paardenhouderij, een en ander conform het Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen d.d. 11 juni 2025.
Hierbij is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding overkapping' uitsluitend een overkapping/dakoverstek toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebouwen uitgesloten' en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitbreiding' zijn geen gebouwen en overkappingen toegestaan. Verder is geregeld dat de maximale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing en -overkappingen 2.200 m² mag bedragen. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken om het aantal paarden te vergroten tot maximaal 20 paarden (jonger en/of ouder dan drie jaar). Hierbij gelden de volgende drie voorwaarden, namelijk: 1. 2. 3.
dat een natuurvergunning voor 20 paarden aanwezig is, of dat door nieuwe wetgeving aan de dan geldende kaders voldaan wordt; dat de grondgebondenheid gewaarborgd is: dat uitvoering is gegeven aan de realisatie van de landschapselementen en bijbehorende beplantingselementen, conform de beeldkwaliteitsrichtlijnen van de als bijlagen bij de regels bijlage 2 bijgevoegde 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen' en deze nadien als zodanig in stand worden gehouden.
Als aan die drie voorwaarden is voldaan, is een afwijking van de bouwregels toegestaan, waarbij dan bedrijfsbebouwing is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitbreiding'. In dat geval is, net als in het aansluitende deel, in het zuidelijke deel uitsluitend een overkapping/dakoverstek toegestaan. De totale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing en -overkappingen mag hierbij niet meer bedragen dan 2.600 m². Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend veekerende afrasteringen en bruggen toegestaan. Er worden verder een afwijkingsmogelijkheid geboden voor schuilstallen en agrarische hulpgebouwen buiten het bouwvlak. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarbij bepaald is dat het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming 'Agrarisch' uitsluitend is toegestaan indien de beeldkwaliteitsrichtlijnen uit het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen' in acht zijn genomen en in stand worden gehouden. Bovendien is bepaald dat ten hoogste 1 jaar na de ingebruikname van de paardenhouderij uitvoering is gegeven aan de landschapsmaatregelen uit het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen' en deze nadien als zodanig in stand worden gehouden. Hierbij is zowel de situatie met 6 paarden, als de situatie met 20 paarden weergegeven.
Tuin - Landschappelijk Deze gronden met de bestemming 'Tuin - Landschappelijk' zijn bestemd voor tuinen, groen en water en voor het behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en
38
verkavelingspatronen. De regeling is ontleend aan het bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. Er zijn uitsluitend erfafscheidingen van ten hoogste 1 meter toegestaan. In de Specifieke gebruiksregels is geregeld dat deze gronden niet worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht. Dit betekent dat vergunningsvrij bouwen binnen deze bestemming is uitgesloten. Wonen Ook voor wat betreft de woonbestemming is aangesloten op de systematiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied-West'. Hierbij wordt binnen het bouwvlak één woning toegestaan, met een maximale inhoudsmaat van het hoofdgebouw van 1.100 m³, conform de verleende omgevingsvergunning. De goothoogte mag, overeenkomstig het geldende bestemmingsplan '1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003', maximaal 4 meter mag bedragen. Voor de bouwhoogte wordt maximaal 9 meter gehanteerd. De betreffende goot- en bouwhoogten van hoofdgebouwen zijn aangeduid op de verbeelding. Verder gelden de in de gemeente gebruikelijke bouw- en gebruiksmogelijkheden. Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied Als archeologische waarde zijn de categorieën 2b en 6 van de archeologische beleidskaart overgenomen. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden.
Voor de systematiek van de dubbelbestemming is opnieuw aangesloten bij het bestemmingplan ‘Buitengebied-West’. Algemene regels Voorwaardelijke verplichting parkeren en laden en lossen Bij de Overige regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor parkeren en voor laden en lossen. Daarmee is veiliggesteld dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Bovendien is geregeld dat op eigen terrein in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het laden of lossen van goederen.
39
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is daarmee anderszins verzekerd, waardoor het opstellen van een exploitatieplan niet benodigd is. De kosten en daarmee het financiële risico van de ontwikkeling worden gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele betaling van tegemoetkoming in planschade wordt middels de anterieure overeenkomst afgewenteld op de initiatiefnemer. Ook de ambtelijke kosten worden verhaald middels de anterieure overeenkomst. Het ruimtelijk plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.
40
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de gemeenteraad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De initiatiefnemers hebben voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan proactief contact gehouden met de directe buren. In week 48 van 2023 zijn de buren opnieuw geïnformeerd aan de hand van een informatiedocument waarin het initiatief nader wordt toegelicht. Er zijn vier persoonlijke gesprekken gevoerd, waarbij tevens het beeldkwaliteitsplan is getoond. De algemene teneur is dat omwonenden blij zijn geïnformeerd te worden en positief staan ten opzichte van het initiatief. Een verslag van deze participatieronde is bijgevoegd als bijlagen bij toelichting, bijlage 4.
7.1 Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het conceptbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan de Provincie Utrecht en het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Binnen de gestelde termijn zijn er reacties binnen gekomen van de Provincie Utrecht en het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Onderstaand zijn de vooroverlegreacties samengevat en van een reactie (in cursief) voorzien . Provincie Utrecht 1. Extern salderen In de toelichting op het plan wordt aangegeven de toename van stikstof via ‘extern salderen’ te compenseren. Uit de toelichting blijkt niet hoe dat wordt geregeld. Het verzoek is om aan te tonen hoe extern salderen is geregeld, en dat voldaan wordt aan het hiertoe geldende eisen. In het ontwerpbestemmingsplan was in de rapportage van de Aeriusberekeningen aangegeven hoe werd voldaan aan de eisen voor het extern salderen. Ook was dit in de toelichting als zodanig aangegeven. Door de problematiek rondom extern salderen is het vast te stellen bestemmingsplan zodanig aangepast dat er geen noodzaak meer is om extern te salderen. 2. Grondgebondenheid Aangegeven wordt dat er sprake is van een grondgebonden bedrijf. Met totaal 20 paarden kan binnen het perceel geen sprake zijn van een grondgebonden bedrijf. Onduidelijk is hoe aan de voorwaarde voor grondgebondenheid voldaan kan worden en dat dit ook geborgd is.
41
Er zal worden voldaan aan de eisen t.a.v. grondgebondenheid, waarbij uitgegaan wordt van een veebezetting van maximaal 2,5 grootvee-eenheden (GVE) per hectare. Er zijn door de initiatiefnemer reeds afspraken gemaakt om elders gronden aan te kopen, waarmee voldaan wordt aan de eisen ten aanzien van grondgebondenheid. De toelichting is op dit punt aangepast, ook is in de regels opgenomen dat het om een grondgebonden paardenhouderij gaat. 3. Paardenbakken Paardenbakken zijn binnen de (interim)omgevingsverordening enkel binnen het bouwvlak toegestaan. Artikel 3.3.1 ‘paardenbakken buiten bouwvlak’ is hiermee in strijd en dient derhalve ook verwijderd te worden uit de planregels. Het bestemmingsplan is aangepast: de betreffende bepaling is verwijderd. 4. Aantal paarden Artikel 3.3.5 ‘vergroting van het aantal paarden’ maakt het mogelijk om onder voorwaarden het aantal paarden te vergroten. Hier ontbreekt minimaal de voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarde voor grondgebondenheid. Binnen de provincie is overigens de opvatting dat een vergroting van het aantal dieren op voorhand ongewenst is, in het licht van de stikstofproblematiek. Een ophoging van het aantal dieren zal altijd aan de hieraan gestelde voorwaarden voor stikstofemissie moeten voldoen. Het ontwerpbestemmingsplan is aangepast: de betreffende bepaling is in het ontwerpbestemmingsplan verwijderd.
Inmiddels is de regeling opnieuw aangepast in verband met de stikstofproblematiek, waarbij ook de voorwaarde van de grondgebondenheid is opgenomen. 5. Provinciaal beleid De beleidsmatige verantwoording aan het provinciaal beleid klopt niet. Uitgegaan wordt van toepassing van de Ruimte-voor-ruimte regeling (art. 9.11). Aangezien hier geen sprake is van het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering, maar hier in gewijzigde vorm een vervolg aan wordt gegeven, klopt deze verantwoording niet. Er zal gezocht moeten worden naar een andere verantwoording om strijdigheid met het provinciaal ruimtelijk beleid weg te nemen. De toelichting is op dit punt aangepast en aangevuld. In het verlengde hiervan zijn ook de passages over de cultuurhistorische hoofdstructuur en het weidevogelkerngebied aangepast. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 1. Verhardingstoename Het waterschap is niet akkoord met de verantwoording van de verhardingstoename binnen het plan. Het ontbreekt aan een overzicht van de verhardingstoename en de daaruit volgende compenserende maatregelen. De beschrijving wanneer er een zorgplicht geldt met betrekking tot watercompensatie klopt niet helemaal. Er staat nu enkel beschreven dat als de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 1.000 m² er een zorgplicht geldt. Deze zorgplicht geldt ook bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² aan verharding in landelijk gebied.
Dit moet toegevoegd worden. Vervolgens staat beschreven dat omdat de toename van verharding kleiner is dan 5.000 m², er geen watercompensatie is vereist. Dat is een onjuiste conclusie. Het plangebied ligt in het NAP -2,15m waterpeil van polder Groot Wilnis Vinkeveen. In deze polder ligt ook stedelijk gebied (met wél de vergunningplicht van compensatie bij meer dan 1.000 m² verhardingstoename). Initiatiefnemer heeft de zorgplicht om te zorgen dat het watersysteem geen achteruitvang ondervindt door dit plan. Er blijkt niet uit de waterparagraaf hoe initiatiefnemer hiervoor zorgt. De beste methode zou 10% oppervlaktewater graven zijn t.o.v. de verhardingstoename. Gezien de ligging van het plangebied aan het Donkereind een agrarisch lint in een gebied wat de gemeente als buitengebied ziet, wordt voor de watercompensatie hier bij aangesloten. Dit houdt in dat er voor het voorliggende plan wordt aangesloten bij de grens van 5.000 m² voor het beoordelen of watercompensatie nodig is. In het plangebied wordt naar verwachting maximaal circa 4.000 m² aan verharding/bebouwing gerealiseerd en geldt er geen compensatieplicht, wel is de zorgplicht van toepassing. Hier is de toelichting op aangepast. In paragraaf 4.7 Waterhuishouding is hier een nadere onderbouwing voor opgenomen.
42
2. Nieuwe dam Het waterschap merkt op dat er een nieuwe dam ligt in de sloot tussen de noordelijke en zuidelijke kavelslag van het plangebied. De aangelegde dam wordt beschouwd als een demping en moet één op één worden gecompenseerd. Tevens moet er een duiker in liggen om niet een geïsoleerde waterpartij te laten ontstaan. Deze dam wordt weer verwijderd, dit was een tijdelijke voorziening die niet meer nodig is. Wel wordt er op een andere plek een brug gerealiseerd. Hiervoor zal een watervergunning worden aangevraagd, waarbij de eventueel benodigde watercompensatie wordt meegenomen. 3. Klimaatadaptatie Het waterschap merkt op dat er geen aandacht is besteed aan klimaatadaptatie en vraagt hoe hier in het plan mee wordt omgegaan. De toelichting is op dit punt aangepast en aangevuld. In paragraaf 4.7 Waterhuishouding is nu ook een onderdeel klimaatadaptatie opgenomen waarin wordt beschreven hoe het plangebied klimaatbestendig wordt ingericht.
7.2 Zienswijzen Vanaf 30 december 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan Donkereind 24 en 24a, Vinkeveen en de daarop betrekking hebbende stukken, waaronder een beeldkwaliteitsplan, gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode stond voor een ieder de mogelijkheid open om hun zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad kenbaar te maken. Hierop is één zienswijze binnengekomen. In de 'Nota van zienswijzen & ambtshalve aanpassingen' is de zienswijze samengevat en van een inhoudelijke reactie voorzien. Tevens wordt aangegeven welke wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn aangebracht. De 'Nota van zienswijzen & ambtshalve aanpassingen' is als bijlagen bij toelichting, bijlage 5 bijgevoegd.
43