Bijlage 1 – Toelichting - BP Donkereind 24 en 24a Vinkeveen
Tekst van het document
bestemmingsplan
Donkereind 24 en 24a, Vinkeveen Gemeente De Ronde Venen TOELICHTING
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0736.BPP062Donkereind24-va01
Datum:
15 september 2025
Kenmerk Buro SRO:
SR230010
Opdrachtgever:
Lieberton Estate B.V.
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 15 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 15 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 16 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten................................................................................................... 22 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 22 4.2 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 23 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 26 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................
29 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 31 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 33 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 34
5 Juridische planbeschrijving................................................................................................................... 37 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 37 5.2 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 38
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 40 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid....................................................................................................... 41 7.1 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 41 7.2 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 43
BIJLAGEN Bijlage 1. Aanmeldnotitie Donkereind 24-24a Vinkeveen 12-09-2025 Bijlage 2. Quickscan Wnb Donkereind 24 en 24a Vinkeveen 26-01-2024 Bijlage 3. Rapportage berekening stikstofdepositie Donkereind 24-24a Vinkeveen 31-03-2025 Bijlage 3a. AERIUS_Bijlage_Aanlegfase (26-03-2025) Bijlage 3b. AERIUS_Bijlage_Gebruiksfase (26-03-2025) Bijlage 4. Participatieverslag december 2023 Bijlage 5. Nota van zienswijzen & ambtshalve aanpassingen
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemers hebben het voornemen om op de locatie Donkereind 24 in Vinkeveen een grondgebonden paardenhouderij voor in eerste instantie maximaal 6 jonge paarden (jonger dan 3 jaar) te realiseren. Het is de bedoeling om op termijn in totaal 20 paarden (jonger en/of ouder dan 3 jaar) te houden op deze locatie. De ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan '1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003' (vastgesteld op 15 juni 2009), waarin de gronden deels een glastuinbouwen deels een agrarische bestemming hebben. Voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure is vooroverleg gevoerd over het initiatief. In maart 2021 is een eerste vooroverleg ingediend. Dit plan bleek niet haalbaar. Vervolgens heeft de initiatiefnemer met de gemeente enkele gesprekken gevoerd en zijn de plannen aangepast. Hierop heeft het college op 13 december 2022, onder voorwaarden, besloten om in te stemmen met de voorgestelde kaders voor planologische medewerking aan de vestiging van een grondgebonden paardenhouderij van maximaal 6 jonge paarden (jonger dan drie jaar). Dit is ingegeven door de stikstofwetgeving. In het kader van het ontwerpbestemmingsplan is, gebruik makend van de mogelijkheden van extern salderen, uitgegaan van maximaal 20 paarden.
In verband met de complexiteit rondom vergunningverlening met betrekking tot stikstof, is het aantal paarden teruggebracht van 20 naar 6. Naar de toekomst toe wordt uitgegaan van uitbreiding naar maximaal 20 paarden. In het voorliggende bestemmingsplan is daarvoor een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Om het initiatief mogelijk te maken dient een herziening van het bestemmingsplan te worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Tevens wordt de aangrenzende bestaande woning Donkereind 24a in het voorliggende bestemmingsplan meegenomen. Dat geldt ook voor de bedrijfswoning Donkereind 24, waarvoor separaat een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend voor nieuwbouw, waarbij op 7 april 2022 een omgevingsvergunning is verleend.
4
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan Donkereind 24/24a in Vinkeveen. De planlocatie ligt in de lintbebouwing van het buurtschap Donkereind, ten zuiden van Vinkeveen en ten oosten van Wilnis en Mijdrecht. Het plangebied is onderdeel van perceel 292 en 293, welke kadastraal bekend zijn onder de kadastrale gemeente Vinkeveen, sectie G. De oppervlakte van het plangebied is circa 23.000 m². Op onderstaande afbeeldingen is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt, op basis van de Wet ruimtelijke ordening, het bestemmingsplan '1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003', vastgesteld op 15 juni 2009. De navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer.
Uitsnede geldend bestemmingsplan '1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003' (plangebied rood omkaderd) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het noordelijke perceel van het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemmingen 'Glastuinbouw'. Hierbij is ter plaatse van de bestaande bebouwing aan de zijde van Donkereind een bouwvlak aangegeven, onder andere voor een bedrijfswoning die tevens als 'gemeentelijk monument' is aangeduid. Verder is een bouwvlak met een omvang van circa 800 m² aangeduid voor bebouwing en is de bouw van kassen toegestaan tot maximaal 2 hectare per glastuinbouwbedrijf. Op het betreffende perceel gaat het om ten hoogste zo'n 8.000 m² aan kassen. Daarbij is bepaald dat de goothoogte maximaal 4,5 m mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 9 m. Het zuidelijke perceel in het plangebied heeft de bestemming 'Agrarische doeleinden', bedoeld voor de uitoefening van een bestaand agrarisch bedrijf. Er zijn hier geen bouwmogelijkheden, met uitzondering van teeltondersteunende kassen met een bouwhoogte van maximaal 1,80 m. Aan de zijde van Donkereind heeft de bestaande woning Donkereind 24a de bestemming 'Woondoeleinden'. Hierbij is een maximum goothoogte van 4 m aangeduid. De woonbestemming loopt in het geldende bestemmingsplan slechts tot aan de achtergevel van de betreffende woning. Daarnaast beschikt het oostelijke deel van het plangebied in het bestemmingsplan '1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003' over de aanduiding 'terrein van archeologische waarde'.
Hier zijn geen grondbewerkingen dieper dan 0,30 meter toegelaten. In dat geval is een omgevingsvergunning vereist en dat geldt ook voor bijvoorbeeld het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden, het bodemverlagen of afgraven van gronden, het omzetten van grasland in bouwland en het aanleggen van boomgaarden e.d. Voorts geldt het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren analoog', vastgesteld op 28 juni 2018. Met dit paraplubestemmingsplan zijn uniforme bepalingen voor het parkeren vastgesteld. Daarbij moet worden
6
voldaan worden aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het 'Beleidsplan Verkeer 2017-2021', dan wel de herziening hier van.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldend ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 5, waarna de economische uitvoerbaarheid komt aan de orde in hoofdstuk 6 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7 wordt belicht.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing aan het Donkereind, nabij de kruising met de Uitweg en de Ter Aase Zuwe. Het bebouwingslint Donkereind/Demmerik doorsnijdt de polder Groot Wilnis-Vinkeveen. Het lint is noord-zuid gericht en verbindt de buurtschappen Donkereind en Demmerik met Vinkeveen. Er is hier sprake van verspreid liggende bebouwing, voornamelijk woningen, soms in combinatie met bedrijvigheid en agrarische bedrijven, met een wisselend karakter. Onderhavig initiatief doet zich voor in een compact bebouwingscluster aan de westzijde van Donkereind, terwijl het aan de oostzijde hier juist wat opener is, met ook onbebouwde kavels die voor contact met het open landschap zorgen. Ten noorden van het plangebied is sprake van een besloten, bebost perceel., terwijl het naar het zuiden juist een open weidegebied is achter het bebouwingslint van Donkereind.
Analyse bestaande situatie (bron: Beeldkwaliteitsplan, Buro SRO d.d. 11 juni 2025)
Binnen het plangebied is de bestaande woning (Donkereind 24a) van initiatiefnemers aanwezig. Hiervoor is op 25 mei 2021 een omgevingsvergunning verleend voor een woning met een inhoudsmaat van 1.100 m³. De voormalige bedrijfswoning (Donkereind 24) is gesloopt, waarbij de monumentstatus is komen te vervallen. Voor de nieuwbouw van de bedrijfswoning is op 7 april 2022 een omgevingsvergunning verleend.
8
Bestaande situatie woning Donkereind 24a (bron: initiatiefnemer, februari 2023)
Aanzichten nieuwe bedrijfswoning Donkereind 24 (bron: Architectenbureau H.W. van der Laan, d.d. 15-11-2021)
Verder bestaat het plangebied uit twee stroken land. Van 1969 tot 2010 waren op de noordelijk gelegen strook kassen aanwezig, maar in de huidige situatie is het onbebouwd en braakliggend. Ook overbodige terreinverhardingen zijn hier verwijderd. Direct achter Donkereind 22a is een schuur aanwezig met een oppervlakte van ongeveer 90 m², die aanvankelijk vooral voor opslag werd gebruikt.
9
2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer heeft het voornemen om een kleinschalige paardenhouderij met bijbehorende voorzieningen op het terrein te realiseren. Het betreft een grondgebonden agrarische activiteit, passend in het aanwezige agrarische landschap. Het doel is om ter plaatse in eerste instantie maximaal 6 jonge paarden te houden. De paarden worden veelal in Spanje ingekocht en verblijven gedurende circa 2-3 maanden op de onderhavige locatie. Hier worden de paarden zadelmak gemaakt en wordt een basistraining verzorgt (gewenning aan druk en stemmen, stap/draf/galop in balans en omgaan met omgevingsgeluiden). Beoogd wordt om op deze manier, op een voor de koper veilige en verantwoorde wijze, meerdere paarden per jaar te verkopen aan particuliere ruiters, trainers of (internationale) dealers. Het betreft een grondgebonden bedrijf, waarvan de bedrijfsvoering grotendeels afhankelijk is (weidegang, voedervoorziening, mestafzet e.d.) van het voortbrengend vermogen van de grond die tot het bedrijf behoort. In eerste instantie wordt uitgegaan van maximaal 6 jonge paarden. Voor de beoordeling van grondgebondenheid is een de normering van 2,5 grootvee-eenheid (GVE) of minder per hectare gras of voedergewassen aangehouden. De berekening die voor 6 paarden wordt gehanteerd is 6 * 0,8 = 4,8 GVE.
Voor grondgebondenheid voor 6 paarden is derhalve een omvang van bijna 2 hectare vereist. Hiertoe worden twee aangrenzende percelen aan Donkereind aangekocht, waarmee de totale oppervlakte 2.16 hectare zal bedragen en aan de eisen ten aanzien van grondgebondenheid wordt voldaan. De betreffende oppervlakte is beschikbaar, maar wordt pas definitief verworven als het bestemmingsplan onherroepelijk is. De betreffende (bestaande en te verwerven) gronden zijn op onderstaande afbeelding aangegeven.
Bestaande en te verwerven percelen (bron: Architectenbureau H.W. van der Laan, d.d. 26-05 -2025)
Stedenbouwkundige inpassing Onderhavig initiatief doet zich voor in een compact bebouwingscluster aan de westzijde van Donkereind. De bestaande en vergunde woningen in het plangebied (Donkereind 24 en 24A) passen qua maat en schaal prima in dit cluster. Tussen de beide woningen en tussen de twee langgerekte kavels van het plangebied, is een brede sloot aanwezig, die voor contact vanuit het lint met het achterliggende agrarische gebied zorgt. In de nieuwe situatie blijft deze sloot behouden en daarmee ook het doorzicht. Dat geldt ook voor de sloten aan de noordrand en de zuidzijde van het plangebied. In de nieuwe opzet wordt de noordelijke kavel benut voor de bebouwing en voorzieningen behorende bij de beoogde paardenhouderij. Enerzijds wordt daarmee voortgeborduurd op de oude situatie, waar hier eerst kassen aanwezig waren. Anderzijds sluit het aan bij de beslotenheid van het perceel direct ten noorden van het plangebied; de bestaande bosschage). Hiermee vormt dit een passende overgangszone naar het open weidegebied ten zuiden van het plangebied, waarvan ook de zuidelijke kavel deel uitmaakt.
10
Landschappelijke zonering (bron: Dolmans Landscaping Group, september 2023)
Bebouwing Het plangebied wordt hoogwaardig ingericht met representatieve bebouwing. Er worden twee aan elkaar geschakelde gebouwen als hoofdgebouw voorzien. Het voorste gebouw dat is beoogd herbergt in eerste instantie maximaal 6 paardenboxen en diverse bijbehorende ruimten, zoals hooi- en stroopslag, kantine en zadelkamer. Dit gebouw krijgt een footprint van circa 26 x 19 meter en een forse dakoverstek. Dit dakoverstek is in het voorliggende bestemmingsplan specifiek geregeld middels de 'specifieke bouwaanduiding - overkapping', op grond waarvan hier uitsluitend een overkapping/dakoverstek is toegestaan. In het achterste gebouw is een rijbak voorzien. Dit gebouw krijgt een footprint van circa 66 x 21 meter. Beide gebouwen worden aan elkaar geschakeld met een lagere passage waarin ook 4 poetsplaatsen zijn opgenomen. Uitgegaan wordt van een maximale goothoogte van 4 meter en een maximale bouwhoogte van 7,5 meter. Deze hoogtematen zijn noodzakelijk in verband met de beoogde bedrijfsvoering. In het voorste deel houdt dat verband met de benodigde opslagruimte op de verdieping. Die ruimte is nodig om daarmee te voorkomen dat er buitenopslag moet plaats vinden, aangezien die buitenopslag afbreuk zou kunnen doen aan de beoogde ruimtelijke kwaliteiten.
Ook bij het achterste deel is die hoogte nodig, om daarmee voldoende comfort en voldoende ventilatiemogelijkheden te kunnen bieden bij de paardenbak. Overigens zijn de gehanteerde goot- en bouwhoogten (resp. 4 en 7.5 meter) iets minder dan wat in het bestemmingsplan 'Buitengebied-West' (resp. 5.5 en 8 meter) of het bestemmingsplan 'Abcoude Buitengebied' (resp. 5 en 10 meter) wordt toegestaan voor agrarische bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak.
11
Uitbreiding naar maximaal 20 paarden Het voorliggende bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om het aantal paarden te vergroten van maximaal 6 naar maximaal 20 paarden. Hierbij gelden de volgende drie voorwaarden, namelijk: 1. 2.
3.
dat een natuurvergunning voor 20 paarden aanwezig is of dat door nieuwe wetgeving er geen natuurvergunning meer nodig is; dat de grondgebondenheid gewaarborgd is. De berekening die voor 20 paarden wordt gehanteerd is 20 * 0,8 = 16 GVE. Om te voldoen aan de eis ten aanzien van grondgebondenheid voor 20 paarden is een omvang van 6,4 hectare grond benodigd. uitvoering is gegeven aan de realisatie van de landschapselementen en bijbehorende beplantingselementen, conform de beeldkwaliteitsrichtlijnen van het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen' en dat deze nadien als zodanig in stand worden gehouden.
Als aan die drie voorwaarden is voldaan, is een afwijking van de bestemmingsomschrijving en van de bouwregels toegestaan, waarbij dan bedrijfsbebouwing is toegestaan ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitbreiding'. In dat geval is, net als in het aansluitende deel, in het zuidelijke deel uitsluitend een overkapping/dakoverstek toegestaan. Inrichting Het gebouw komt op de noordelijke kavelslag te staan, op een ruime afstand van de lintpercelen. De ruimte tussen het gebouw en de lintpercelen komt daarbij in gebruik voor de ontsluiting, bevoorrading en het parkeren, voor een longeerbak/ stapmolen en voor groen. De bestaande schuur direct achter Donkereind 22a, in de noordoosthoek van het plangebied, blijft behouden en staat aan de rand van deze ruimte. Deze ruimte wordt weer teruggebracht tot bedrijfsruimte waarbij niet-vergunbare voorzieningen worden verwijderd. Deze schuur krijgt een algemeen gebruik, waar klanten worden ontvangen, als kantine, maar ook voor opslag. De zuidelijke kavel wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke situatie (weiland). Alle inrichtingselementen worden verwijderd. De kavel wordt ingezaaid als grasland en wordt gebruikt als uitloopgebied voor de paarden. De kavelsloot tussen beide percelen blijft behouden.
De paardenhouderij wordt ontsloten vanaf Donkereind, gebruik makend van de bestaande inrit nabij Donkereind 24. Woningen Donkereind 24 en 24a Aan de straatzijde wordt een nieuwe bedrijfswoning (Donkereind 24) gerealiseerd, waarvoor een separaat omgevingsvergunningentraject is doorlopen. De bestaande woning Donkereind 24a maakt eveneens deel uit van het onderhavige bestemmingsplan. Deze woning behoudt de woonbestemming, die aan de achterzijde wordt uitgebreid met een zone voor de bijbehorende tuin, met een diepte van 13 meter gemeten vanaf de achtergevel. Aansluitend wordt een zone met een diepte van 18 meter voorzien van de bestemming 'Tuin - Landschappelijk', die een geleidelijke overgang zal gaan vormen naar het agrarische gebied. Er wordt bijvoorbeeld gedacht aan een schapenweide en een bomengroepje. Dit deel wordt niet aangemerkt als erf in de zin van vergunningsvrij bouwen. Dit wordt ook als zodanig in de regels vastgelegd. Beeldkwaliteitsplan Voor de invulling van het plangebied ten aanzien van de sfeer van de bebouwing en de buitenruimte, is een beeldkwaliteitsplan opgesteld door Buro SRO (d.d. 11 juni 2025, zie bijlagen bij de regels bijlage 2). In dit beeldkwaliteitsplan staan uitwerkingscriteria voor de inrichting van het plangebied en de te realiseren bebouwing.
Samen met het voorliggende bestemmingsplan vormt het beeldkwaliteitsplan het toetsingskader voor door initiatiefnemers in te dienen bouwplannen. Er is hiervoor ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen binnen de agrarische bestemming. De onderstaande afbeeldingen uit het Beeldkwaliteitsplan geven de essentie weer van de beoogde situatie, met resp. 6 en 20 paarden.
12
Landschappelijk inrichtingsschets fase 1, met 6 paarden (bron: Beeldkwaliteitsplan, d.d. 11 juni 2025)
Landschappelijk inrichtingsschets eindbeeld met 20 paarden (bron: Beeldkwaliteitsplan, d.d. 11juni 2025)
Beeldkwaliteit bebouwing In het Beeldkwaliteitsplan zijn richtlijnen geformuleerd ten aanzien van de plaatsing, oriëntatie, richting en de bouwmassa van de bebouwing. Daarnaast wordt ingegaan op landschappelijke inpassing en op de vormgeving, waarbij uitgegaan wordt van een hoogwaardige, luxe uitstraling, in een materiaaleigen of neutrale rustige kleurstelling.
13
Referentiebeelden bebouwing (bron: Beeldkwaliteitsplan d.d. 11juni 2025)
Beeldkwaliteit buitenruimte Voor wat betreft de inrichting van de buitenruimten is er op het perceel, van noord naar zuid, sprake van een geleidelijke overgang van het aangrenzende bosperceel naar het open landschap. Hierbij worden aan de noordzijde bosschages en oeverbeplanting toegepast. Ten zuiden van de paardenhouderij wordt voorzien in een knotwilgenrij en oeverbeplanting, ook als overgang naar het open weidelandschap. Van oost naar west is sprake van een overgang van de bestaande schuur naar de paardenhouderij met bosschages en hagen die de longeerbak en het parkeren afschermen en een hoogstamboomgaard. Op het meest westelijk deel van het perceel zijn bosschages en een poel voorzien.
Landschappelijk inpassingsplan met 6 paarden (bron: Beeldkwaliteitsplan, d.d. 11juni 2025)
14
3 Beleidskader
3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk het landelijk gebied toekomstbestendig te ontwikkelen door een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe
15
stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die per 1 juli 2017 geldt. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Onderhavige ontwikkeling betreft de oprichting van een grondgebonden paardenhouderij op een locatie waar nu reeds glastuinbouw is toegelaten. Voorts is sprake van de vervanging van een bestaande bedrijfswoning in een bestaand bebouwingslint. Gesteld kan worden dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Gezien het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht In de Omgevingsvisie provincie Utrecht is aangegeven dat de ruimte in de provincie beperkt is, terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
16
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek Het plangebied maakt onderdeel uit van het landelijk gebied. In het landelijk gebied wil de provincie ruimte bieden om de problematiek van de vele vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen aan te pakken. Het voorgenomen initiatief betreft een herontwikkeling met een aan het agrarisch gebied gelieerde functie, op een locatie waar nu glastuinbouw is toegelaten. Het betreft een grondgebonden agrarische activiteit (paardenhouderij), passend in het aanwezige agrarische landschap. De vernieuwing van de bedrijfswoning doet zich voor binnen het bestaande bebouwingslint van Donkereind. Het geheel vormt een kwaliteitsverbetering voor dit deel van de gemeente De Ronde Venen. Dat is ook als zodanig beschreven in het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen'. Er is een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voorwaardelijke verplichting' opgenomen, waarmee veiliggesteld is dat de beeldkwaliteitsrichtlijnen uit het beeldkwaliteitsplan in acht worden genomen. Verder maakt de planlocatie onderdeel uit van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De omgeving van het plangebied is aangemerkt als agrarisch cultuurlandschap. Voor het agrarisch cultuurlandschap is het beleid gericht op dat cultuurhistorische waarden in samenhang met de kernkwaliteiten van het landschap Groene Hart bij de planontwikkeling een rol spelen.
De kernkwaliteiten van het Groene Hart zijn de volgende: 1. 2. 3. 4.
openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte.
Onderhavig plan doet geen afbreuk aan de openheid van het landschap doordat ter plaatse van de beoogde stal reeds glastuinbouw is toegelaten. Verder voegt het initiatief zich in de karakteristieke strokenverkaveling en blijven het doorzicht en weidekarakter behouden. Middels een voorwaardelijke verplichting is geregeld dat ten hoogste 1 jaar na de ingebruikname van de paardenhouderij uitvoering is gegeven aan de landschapsmaatregelen uit het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen' en dat deze nadien als zodanig in stand worden gehouden. Het plan is daarmee in lijn met de ambities van de provincie voor het agrarisch cultuurlandschap en het Groene Hart. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities van de Omgevingsvisie provincie Utrecht.
17
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’.
Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Landelijk gebied Het plangebied is onderdeel van 'Landelijk gebied'. Het gaat hierbij om het behoud van de kwaliteit en vitaliteit van het Landelijk gebied. Op basis van het geldende bestemmingsplan is op het noordelijke perceel een glastuinbouwbedrijf toegelaten. Van 1969 tot 2010 was hier circa 2.500 m² aan kassen aanwezig. De glastuinbouwfunctie maakt plaats voor een grondgebonden paardenhouderij. Daarmee neemt het bebouwd oppervlak aanzienlijk af ten opzichte van de geldende planologische mogelijkheden. Dit draagt bij aan de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied.
Het gaat hier overigens niet om een concentratiegebied glastuinbouw, waardoor het opheffen van de glastuinbouwbestemming een wenselijke ontwikkeling betreft. Daarbij wordt glastuinbouw in de Interim Omgevingsverordening aangemerkt als niet-grondgebonden landbouw. Het initiatief richt zich op de omschakeling van de glastuinbouw naar een grondgebonden paardenhouderij. Deze omschakeling voldoet aan de instructieregels als beschreven in artikel 8.1 van de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht. Gezien het voorgaande wordt er voldaan aan het gestelde in de Interim Omgevingsverordening met betrekking tot het landelijk gebied. Cultuurhistorische hoofdstructuur Door de ligging in de Cultuurhistorische hoofdstructuur mag de ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. Daarnaast is de ligging in het agrarisch cultuurlandschap reden om de ontwikkeling toe te staan, omdat het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit bijdraagt aan het zichtbaarder maken van de cultuurhistorische waarde van het plangebied. Met het onderhavige initiatief wordt daaraan bijgedragen, doordat het initiatief heeft geleid tot het verwijderen van vervallen kassen en nu ook met het planologisch opheffen van mogelijkheden voor een nieuw glastuinbouwbedrijf.
Daarvoor in de plaats komt een zorgvuldig vormgegeven paardenhouderij, waarvoor het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen' is opgesteld. In de opgenomen voorwaardelijke verplichting is geregeld dat de beeldkwaliteitsrichtlijnen uit het beeldkwaliteitsplan in acht moeten worden genomen. De bebouwing en de bijbehorende voorzieningen worden geconcentreerd op de noordelijke kavel van het plangebied, op de kavel waar voorheen ook kassen aanwezig waren en aansluitend aan de beslotenheid van de bestaande bosschage direct ten noorden van het plangebied. De zuidelijke kavel blijft hierbij onbebouwd en wordt opnieuw ingericht als weidegebied. De bestaande sloten worden hierbij gehandhaafd en daarmee ook de zichtlijnen over die sloten. Tevens worden maatregelen voorzien die een bijdrage
18
leveren aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap, zoals diversiteit van oeverzones, de aanleg van een poel en het realiseren van streekeigen beplanting, zoals knotwilgen. In het voorliggende bestemmingsplan is door middel van een voorwaardelijke verplichting geregeld dat uitvoering wordt gegeven aan de landschapsmaatregelen uit het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen' en dat deze maatregelen in stand worden gehouden. Weidevogelkerngebied Het plangebied is gelegen in het weidevogelkerngebied. In artikel 6.12 Windturbines en zonnevelden binnen weidevogelkerngebieden worden voorwaarden aan ontwikkelingen gesteld. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen windturbines of zonnevelden gerealiseerd. Verder zijn weidevogels gebaat bij rust en ruimte en een relatief hoge waterstand op het perceel. Het onderhavige initiatief houdt hiermee rekening, door de bebouwing en voorzieningen van de paardenhouderij te concentreren op de noordelijke kavel, in aansluiting op de beslotenheid van de bestaande bosschage direct ten noorden hiervan. Daarentegen blijft de zuidelijke kavel geheel vrij van bebouwing; hier worden bestaande verhardingen verwijderd en wordt weer in gebruik genomen als weidegebied. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030 De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 is op 17 oktober 2013 vastgesteld en 29 september 2021 is een aanvulling op deze structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie gaat er vanuit dat in het jaar 2030 De Ronde Venen een herkenbare uitstraling heeft met een eigen karakter. Inwoners en bezoekers weten wat de gemeente te bieden heeft met haar landschap, dorpen, recreatiegebieden en natuurschoon. Initiatieven worden ondersteund. In de gemeente De Ronde Venen zijn de volgende beleidsthema's aangemerkt als belangrijke waarden voor het ruimtelijke beleid:
• • • •
leefbaarheid; landschap; lokale economie; duurzaamheid.
Planspecifiek Op de visiekaart is aangegeven dat het landschapstype waar het plangebied toe behoort het veenweidegebied is. Dit gebied wordt gekenmerkt door de openheid van het landschap, zichtlijnen, verkavelingspatroon, andere cultuurhistorische elementen en aanwezige natuurwaarden. Deze worden tevens beschermd. Er zijn zowel natuur- en landbouwgebieden aanwezig. Het onderhavige initiatief voegt zich in het bestaande patroon, waarbij de zichtlijnen over de bestaande en te handhaven sloten in tact blijven. Daarnaast worden allerlei maatregelen beoogd om de natuurwaarden te versterken, zoals diversiteit in de oeverzones, de aanleg van een poel, het toevoegen van knotwilgen e.d. Dit is ook als zodanig vastgelegd in het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen'. Door middel van een voorwaardelijke verplichting is geregeld dat ten hoogste 1 jaar na de ingebruikname van de paardenhouderij uitvoering is gegeven aan de landschapsmaatregelen uit het beeldkwaliteitsplan en dat deze nadien in stand worden gehouden. Hierbij blijft de zuidelijke kavel in het plangebied onbebouwd. Deze krijgt een herinrichting als open weiland, waarbij bestaande verhardingen worden verwijderd. Op de visiekaart is tevens aangegeven dat het plangebied ligt op een verdedigingslinie van de Oude Hollandse Waterlinie.
Er werd gebruik gemaakt van bestaande dijkstructuren, die nu nog zichtbaar zijn in het landschap. Het initiatief voegt zich in het bestaande landschappelijke patroon waarbij de dijkstructuur met voorgenomen ontwikkeling niet negatief wordt beïnvloed. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie.
19
3.3.2 Landschapsnota De Ronde Venen 2030 Het landschap van de Groene Hartgemeente De Ronde Venen wordt gekenmerkt door oude verkavelingspatronen, kleinschalige lintbebouwing en door het landschap lopende rivieren en dijken met in het centrum plassen en legakkers. Daarnaast telt de gemeente zes forten van de Stelling van Amsterdam wat is opgenomen als UNESCO-werelderfgoed. Om de landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden te behouden en versterken heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen op 5 juni 2014 de Landschapsnota De Ronde Venen 2030 vastgesteld. In de nota is het beleid omtrent de omgang met landschappelijke waarden beschreven, in de Structuurvisie De Ronde Venen 2030, Economische visie en Recreatievisie zijn de gewenste ontwikkelingen weergegeven. Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact. Bij deze toetsing dienen initiatiefnemers een stappenplan te doorlopen, de zogenaamde landschapstoets. De Landschapsnota dient primair als uitwerking van het beleid wat is vastgesteld in de Structuurvisie. De Landschapsnota is daarom, net als de Structuurvisie, geldig tot 2030. Elke vijf jaar na de vaststelling van de Landschapsnota vindt een evaluatie plaats.
Landschapsbeleidskaart Op de landschapsbeleidskaart is opgenomen met welk landschappelijk beleid als onderdeel van het ruimtelijke toetsingskader rekening moet worden gehouden en wat het gevoerde beleid is ter plaatse. Het plangebied van voorliggende ruimtelijke onderbouwing valt onder de beleidsobjecten 'openheid' en 'rationele verkaveling'. Openheid is het belangrijkste kenmerk van het landschap in De Ronde Venen, vooral dankzij de veeteelt. De landbouw vormt de drager van de kernkwaliteit openheid, die onlosmakelijk verbonden is met het veenweidelandschap en de droogmakerijen. Tussen lijnelementen, zoals water, wegen en dijken, moet de bestaande openheid bewaard blijven. De verkaveling is van grote invloed op de structuur van het landschap. In de droogmakerijen is sprake van een 'rationele verkaveling', die dateert uit de late 19e en vroege 20e eeuw. De structuur van het landschap wordt bepaald door weg- en erfbeplantingen. De droogmakerijen hebben hun eigen karakter en verschillen in openheid. Dijken begrenzen de ruimte en zijn de plaatsen waarvan de structuur beleefd kan worden. De bestaande rationele verkaveling heeft cultuurhistorische en landschappelijke waarde en dient zoveel mogelijk behouden blijven.
Deelgebiedenkaart en deelgebiedenbeschrijving Op de deelgebiedenkaart en bijbehorende beschrijvingen is weergegeven welke landschappelijke waarden en kenmerken aanwezig zijn en welk (landschappelijk) beleid uit de Structuurvisie van De Ronde Venen van toepassing is op dit deelgebied. Om de verschillende waarden en visies op het grondgebied van De Ronde Venen te duiden, is het gebied van De Ronde Venen opgedeeld in negen deelgebieden. Planspecifiek Het plangebied heeft volgens de landschapbeleidskaart een middeleeuwse verkaveling en is aangemerkt als een gebied waar openheid van belang is. Bij de middeleeuwse verkaveling dient de bestaande verkaveling en het bestaande slotenpatroon behouden te blijven. Bij het voorgenomen plan is dat het geval, waarbij het onderhavige initiatief gepaard is gegaan met het verwijderen van vervallen bebouwing, het opheffen van de planologische mogelijkheden voor de vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf en met het behoud van zichtlijnen over de bestaande sloten. Bovendien is in het bestemmingsplan geregeld dat de bebouwing en de bijbehorende voorzieningen van de grondgebonden paardenhouderij geconcentreerd worden op de noordelijke kavel in het plangebied. De zuidelijke kavel blijft onbebouwd: een open weiland, waar bestaande verhardingen worden verwijderd.
Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarbij is geregeld dat uitvoering wordt gegeven aan de landschapsmaatregelen uit het 'Beeldkwaliteitsplan Donkereind 24 - 24a Vinkeveen' en dat deze nadien in stand worden gehouden. Op de deelgebiedenkaart behoort het plangebied tot het landschapstype en gebruik 'Veen: landbouw, natuur (EHS). In de vorige paragraaf is het initiatief gespiegeld aan het gemeentelijk beleid voor dit landschapstype.
20
Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de Landschapsnota van de gemeente De Ronde Venen.
3.3.3 Woonvisie De Ronde Venen Op 29 juni 2017 is de 'Woonvisie 2025' vastgesteld door de raad van gemeente De Ronde Venen. Op 5 maart 2020 is de '1e wijziging Woonvisie 2025' vastgesteld door de gemeenteraad. In deze visie geeft de gemeente aan wat ervoor nodig is om een vitale gemeente te blijven. Een vitale gemeente heeft een bevolking die op peil blijft, met een gezonde samenstelling van jong en oud. Daarbij wil de gemeente De Ronde Venen voor haar inwoners een duurzame gemeente zijn, ook op het gebied van wonen. Planspecifiek: Er worden geen extra nieuwe (bedrijfs-)woningen mogelijk gemaakt met het onderhavige initiatief. Daarmee is er geen relatie met de gemeentelijke Woonvisie.
21
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het voorliggende plan bevat namelijk wel activiteiten uit kolom 1 van het Besluit m.e.r. Een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals het realiseren van (bedrijfs-)woningen, staat vermeld als activiteit op de zogenaamde D-lijst (D11.2) van het Besluit milieueffectrapportage. Bij een ontwikkeling van 2.000 of meer woningen is het verplicht een m.e.r. op te stellen. Het voorgenomen plan is niet aan te merken als
22
stedelijke ontwikkeling, omdat het gaat om het toekennen van een bestemming aan twee reeds vergunde (bedrijfs-)woningen gaat. Het voorliggende plan ziet hoofdzakelijk toe op het oprichten van een paardenhouderij. De oprichting van een paardenhouderij is opgenomen in categorie 14 onder 12 onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage; 100 stuks paarden of pony's (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld (Rav cat. K.2 en K.4). Er wordt in het onderhavige initiatief uitgegaan van in eerste instantie maximaal 6 paarden en op termijn mogelijk maximaal 20 paarden, waarmee het voorliggende plan ruim onder de genoemde grenswaarde blijft. Dit betekent dat er volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct gekozen worden voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in een verzoek aan het bevoegd gezag (college van burgemeester en wethouders) d.d. 12 september 2025 (Buro SRO, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. Aanmeldnotitie Donkereind 24-24a Vinkeveen). Het bevoegd gezag neemt op basis hiervan een m.e.r.-beoordelingsbesluit, of er al dan niet een m.e.r. nodig is. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.
4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed leefklimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
23
Planspecifiek Werking van de ontwikkeling op de omgeving Het voorliggende bestemmingsplan maakt een milieubelastende bestemming, namelijk een nieuwe grondgebonden paardenhouderij mogelijk. Daarom is aan de hand van de bestemmingsplannen '1e herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003' en 'Buitengebied-West' bepaald of deze milieubelastende activiteit in de omgeving passend is. De VNG-publicatie stelt dat een gebied gezien kan worden als 'gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is gelegen aan het Donkereind. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit woningen en (agrarische en niet-agrarische) bedrijvigheid. Derhalve is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Om die reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. De eisen voor geurhinder als gevolg van het houden van paarden in dierenverblijven zijn gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij. Het houden van paarden kan namelijk worden aangemerkt als het 'in werking hebben van een veehouderij'. Een paardenhouderij veroorzaakt een zekere geurbelasting. Voor paardenhouderijen gelden vaste afstanden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijven gelegen binnen de bebouwde kom en bedrijven daarbuiten. De voorliggende situatie is buiten de bebouwde kom gelegen.
De afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object dient minimaal 50 meter te zijn buiten de bebouwde kom, gemeten vanuit het emissiepunt van het dierenverblijf. Aanvullend op de afstandseis voor het emissiepunt bepaalt de Wet geurhinder en veehouderij verder dat de afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde van het geurgevoelige object ten minste 25 meter bedraagt buiten de bebouwde kom. Een buitenbak, paddock, stapmolen of longeerbak, maar ook de weide, zijn niet aan te merken als een dierenverblijf, aangezien de dieren hier niet langdurig verblijven. Zo wordt de paddock alleen voorzien van zand, zonder andere voorzieningen waarmee de paddock niet geschikt is als dierenverblijf waar dieren langdurig verblijven. Gelet op de situering van de stal op het perceel waarin de paarden worden gehouden, het dierenverblijf, namelijk in het midden van het perceel (zoals ook aangegeven in het Beeldkwaliteitsplan en op de verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan), is de afstand ten opzichte van geurgevoelige objecten in de directe omgeving minimaal 100 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Werking van omgeving op de ontwikkeling De paardenhouderij zelf is geen gevoelige functie. Desondanks zijn vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening de omliggende bedrijven aan het Donkereind beschouwd.
Het betreft de volgende bedrijven: Activiteit
Adres
Bedrijf
Donkereind Vinkeveen Donkereind Vinkeveen Donkereind 22a,Vinkeveen
Bedrijf Bedrijf
Milieucategorie (maximaal toegestaan)
Richtafstand gemengd gebied
2,
3.1 (3A)
30 m
Minimale afstand tot het plangebied 250 m
6,
3.1 (3A)
30 m
150 m
2
10 m
10 m
In het geldende bestemmingsplan is aan de percelen Donkereind 2 en 6 een maximum categorie van 3A aangegeven. De huidige equivalent hiervan is milieucategorie 3.1., wat neerkomt op een richtafstand van 30 m (in gemengd gebied). Daar wordt ruimschoots aan voldaan. Het direct aangrenzende bedrijf Donkereind 22a heeft niet een dergelijke aanduiding, waardoor hiervoor uitgegaan kan worden van maximaal categorie 2. Het betreft een opslagloods van aan aannemer, maar de loods wordt niet bedrijfsmatig gebruikt. Er heeft opslag plaats en er worden hobbymatig klusjes en
24
werkzaamheden verricht. Er zijn geen werknemers in dienst en er zijn nauwelijks verkeersbewegingen mee gemoeid. Derhalve vormt deze functie geen belemmering. In de omgeving zijn verder veelal woonpercelen aanwezig, die geen belemmeringen opleveren voor het onderhavige initiatief. Voorts zijn de omliggende gronden bestemd voor 'Agrarische doeleinden', 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' of 'Agrarisch'. Er worden met het onderhavige bestemmingsplan geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt (het voorliggende bestemmingsplan omvat bestaande (bedrijfs)woningen. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit agrarische activiteiten voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Er dient geconcludeerd te worden er geen belemmeringen zijn voor het aspect bedrijven en milieuzonering en het plan op dit onderdeel uitvoerbaar is.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuw geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder mogelijk. Het betreft bestaande (bedrijfs-)woningen. De beoogde paardenhouderij is in het kader van de Wet geluidhinder geen gevoelige functie. Derhalve is daarvoor geen akoestisch onderzoek nodig en zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect geluid.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.