CConstaterende datDe Ronde Venen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Herenweg 54, Vinkeveen

Gemeenteraad 26 september 2024, gemeente De Ronde VenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Herenweg 54, Vinkeveen12.669 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

24

Beleid Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet zorgt namens het waterschap voor schoon oppervlaktewater, veilige dijken en het waterpeil in de sloten en vaarten. Het verzorgingsgebied van Waternet omvat de gemeente Amsterdam en een groot gebied in de provincie Utrecht en Noord-Holland. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerprogramma 20222027 en diverse beleidsnota’s. In de Keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veilig stellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken, bruggen en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder. Het waterschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m² in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging.

Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Ook als de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 1.000 m² geldt er altijd nog een zorgplicht. De uitvoerende partij moet voorkomen dat de waterhuishouding er niet op achteruit gaat door de aangebrachte wijzigingen. Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Verharding In de bestaande situatie is het perceel, op de schuur na, onverhard, In de beoogde situatie wordt de schuur vervangen door een nieuwe woning op dezelfde plek. Hierdoor neemt de verharding enigszins toe. Ook zal er verharding toegevoegd worden voor de oprit en parkeerbehoefte. Daarnaast wordt een watergang doorgetrokken over een deel van de voorliggende percelen. Hierdoor wordt er in de beoogde ontwikkeling meer ruimte gecreëerd voor water dan er wordt verwijderd voor de verharding. Waterafvoer Het perceel is aangesloten met het gemeentelijk rioolstelsel.

Het riool ter plekke van het plangebied is deel van een drukriolering, hierop mag geen hemelwater aangesloten worden. Ook in het 'Water- en Rioleringsplan De Ronde Venen 2023-2027' is aangegeven dat bij nieuwbouw die wordt aangesloten op drukriolering, het alleen is toegestaan om huishoudelijk afvalwater te lozen. Het hemelwater op de onderhavige locatie wordt gescheiden afgevoerd door infiltratie in de bodem en/of via het oppervlaktewater. In dit verband is van belang dat tijdens de bouw- en gebruiksfase geen gebruik gemaakt wordt van uitlogende materialen, zodat de waterkwaliteit als gevolg van het plan niet achteruit gaat en emissies van PAK, lood, zink en koper (via regenwaterafvoer) naar het oppervlaktewater worden voorkomen. Keur en legger Voor de nieuwbouw kunnen verplichtingen ten aanzien van het onttrekken, lozen, afvoeren en aanvoeren van water (meld- en meetplicht) van toepassing zijn. Het beleid waarop AGV een vergunning kan verlenen ten aanzien van werken en werkzaamheden is vastgelegd in de Beleidsregels Keurvergunningen. Voor het plangebied is de waterlegger van het waterschap geraadpleegd. Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een primaire of secundaire waterkering. Aanvullende maatregelen zijn dan ook niet vereist. In de beoogde ontwikkeling wordt het perceel doormiddel van een brug met de Herenweg ontsloten.

Voor het aanleggen van een brug gelden er regels uit het Keur, hiermee zal bij de verdere uitwerkingen rekening worden gehouden.

25

Grondwaternorm In het 'Water- en Rioleringsplan de Ronde Venen 2023-2027' is het gemeentelijk grondwaterbeleid voor nieuwe ontwikkelingen vastgesteld. Wat betreft woningbouw worden onder andere de volgende normen gesteld aan drooglegging:

• •

woning zonder kruipruimte- drooglegging van 50 cm; woning met kruipruimte - drooglegging van 90 cm.

Bij de verdere uitwerkingen wordt hier rekening mee gehouden.

4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De effecten van het initiatief en de hiermee gepaard gaande ingrepen op beschermde flora en fauna dienen inzichtelijk te worden gemaakt. Hiertoe wordt een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Blom ecologie, d.d.13 oktober 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 3. De conclusies van dit onderzoek zijn hieronder weergegeven. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of weidevogelkerngebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Botshol' ligt op een afstand van ca 3 km. Op een afstand van ca 6,3 km ligt het Natura 2000-gebied 'Oostelijke Vechtplassen' en op ca 7 km het Natura 2000-gebied 'Nieuwekoopse Plassen & De Haeck'. Gezien de ruime afstand en gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling kan gesteld worden dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft. Het plangebied ligt tegen het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van ca 1 km is het weidevogelkerngebied gelegen. Op een afstand van ca 3,4 km ligt de Groene contour. Ten aanzien van deze gebieden vormt gebiedsbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie is in de rapportage per soortgroep besproken wat de potentie van het plangebied en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Uit de rapportage blijkt dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. En dat het plangebied een mogelijk geschikt leefgebied is voor soorten welke niet beschermd zijn en/of waarvoor vrijstelling geldt.

26

Stikstofdepositie Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand van ca. 3 km en betreft het Natura 2000-gebied 'Botshol', terwijl op circa 7 km afstand de Natura 2000-gebieden 'Oostelijke Vechtplassen' en 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck' aanwezig zijn. Gezien de ruime afstand en de beperkte omvang van de beoogde ontwikkeling kan worden aangenomen dat gedurende de bouwfase geen negatieve effecten zullen zijn op Natura 2000-gebieden. Bovendien wordt de woning gasloos gebouwd. Uitstoot van stikstof als gevolg van verwarmingsinstallaties vindt daarmee niet plaats tijdens de gebruiksfase. Naar verwachting zal de depositie op Natura 2000-gebieden lager zijn dan 0,00 mol/ha/j. Geconcludeerd wordt dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie zullen zijn op Natura 2000-gebieden. Houtopstanden In de huidige situatie is op het perceel en op het oostelijke deel van de legakker een bosschage aanwezig die circa 8.600 m² betreft. Voor de beoogde ontwikkeling wordt een deel van het perceel uitgegraven. Hiervoor moet er een gedeelte van de aanwezige bosschages gekapt worden. Voor het kappen van zelfstandige eenheden van bomen welke deel uitmaken van een bosschage van meer dan 1.000 m² geldt er een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming en een herplantingsplicht.

Aangezien de bomen op het gedeelte staan waar de doorvaart beoogd is, zal de gemeente te zijner tijd zorgdragen voor de herplant. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor de Wet natuurbescherming de thema's soortenbescherming, gebiedsbescherming en stikstofdepositie geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied. Ook heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op de nabijgelegen natuurgebieden. Voor de te kappen bomen i.v.m. het doortrekken van de watergang geldt in het kader van de Wet natuurbescherming wel een melding- en herplantingsplicht.

4.9 Cultureel erfgoed 4.9.1 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Het cultuurhistorische beleid van de gemeente is vastgelegd in de Kadernota Erfgoed (vastgesteld op 4 juli 2012). Planspecifiek Er zijn geen rijksmonumenten in of nabij het plangebied gelegen en de bebouwing in het plangebied is niet aangemerkt als gemeentelijk monument. De verkavelingsvormen rond de Herenweg volgens het oude cope systeem, de trekgaten en de legakkers zijn kenmerkend voor het plangebied en van cultuurhistorische waarde. Hiervoor is de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering. 4.9.2 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend.

Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli

27

2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Als de Omgevingswet in werking is getreden, gaat een aantal regels uit de Erfgoedwet over naar het Omgevingsplan. Het betreft de bepalingen die betrekking hebben op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Tevens kan een verstoorder van de ondergrond verplicht zijn om aan te tonen dat hij/zij geen archeologische monumenten (in de breedste zin) gaat verstoren.

Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat vooronderzoek uitgevoerd wordt op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit neemt over eventuele verplichte vervolgstappen. Voor het hele grondgebied van de gemeente De Ronde Venen is een archeologische beleidskaart (Herziening van de archeologische beleidskaart van de gemeente De Ronde Venen 2016, Vestigia BV, V1385, 23 februari 2017) gemaakt. Hierop is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden. De gemeente De Ronde Venen heeft via het eigen gemeentelijk beleid invulling gegeven aan waar en wanneer archeologische onderzoek verplicht is. Planspecifiek Het plangebied wordt in het archeologisch beleid van de gemeente De Ronde Venen aangemerkt als een gebied met 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b' en 'Waarde Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 6'. Een uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingskaart is op onderstaande afbeelding weergegeven.

Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart (plangebied rood omcirkeld)

28

De gronden waar de watergangen worden doorgetrokken hebben een lage archeologische verwachting (categorie 6), waar een vrijstellingsgrens gehanteerd wordt van 10.000 m². Met de beoogde ontwikkelingen wordt deze oppervlaktenorm niet overschreden. Dus is hiervoor geen archeologisch onderzoek nodig. Voor het deel met een hoge verwachting (categorie 2b), waar de woning wordt gerealiseerd, is onderzoek nodig als de verstoring groter is dan 100 m² en dieper is dan 30 cm. Gezien de omvang van de ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 16090015, d.d. 13 december 2016, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 4. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat. Hierbij blijven de bevindingen die buiten het kader van het voorliggende bestemmingsplan vallen, buiten beschouwing. Bij het noordelijke perceel is ter plaatse van de nieuwe bestemming wonen een verkennend/karterend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het verkennend/karterend booronderzoek is een toemaakdek uit de 17e eeuw-21e eeuw aangetroffen. Het toemaakdek is 20 tot 70 cm dik en het dikst aan de zuidzijde van het noordelijke perceel. In de laag is aardewerk en puin uit alle periodes vanaf de late 17e eeuw aangetroffen. Er zijn geen cultuurlagen of ophooglagen uit de Middeleeuwen waargenomen. Er is dus geen vindplaats uit de Middeleeuwen aangetroffen.

De verwachting voor het afgeboorde perceel kan dan ook worden bijgesteld naar laag. Het oosten van het perceel is niet afgeboord, uit het bureauonderzoek blijkt het onwaarschijnlijk dat er daar in de middeleeuwen bebouwing heeft gestaan. Ter plaatse van het oostelijke deel van het noordelijke perceel, dat niet afgeboord is, kan de verwachting ook worden bijgesteld naar laag. Op basis van historisch kaartmateriaal is het onwaarschijnlijk dat hier bebouwing uit de Middeleeuwen gestaan heeft. Geconcludeerd wordt dat de archeologische verwachting bijgesteld kan worden naar laag. Er wordt dan ook geen vervolgonderzoek aanbevolen. Concreet betekent dit dat voor het noordelijke perceel de archeologische verwachting (categorie 2b) bijgesteld kan worden naar een lage archeologische verwachting (categorie 6). Een controle in 2023 heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat op basis van nieuwe kennis deze conclusie niet meer van toepassing zou zijn. De wettelijke meldplicht voor archeologische vondsten, zoals bedoeld in artikel 5.10 van de Erfgoedwet, blijft hierbij onverminderd van toepassing. Er kan aan de hand van deze resultaten geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied zal voorzien worden van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 6'.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 van 10 december 2018 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

29

Planspecifiek In het voorgenomen plan wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Hierbij wordt uitgegaan van de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorieën 'buitengebied' en 'matig stedelijk'. De gemiddelde verkeersgeneratie voor een woning (Koop, huis, vrijstaand) is 7,7 mvt/etm. De bestaande infrastructuur wordt in staat geacht om deze verkeersgeneratie te verwerken. Daarbij genereerde de oorspronkelijke bestemming ook verkeersbewegingen, die met de nieuwe invulling komen te vervallen. Er wordt een nieuw toerit vanaf de Herenweg gerealiseerd, zoals zichtbaar op de afbeelding in toelichting paragraaf 2.2. Verkeerskundig levert dit geen problemen op. Voor het aanleggen van een nieuwe toerit is een omgevingsvergunning nodig. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Gemeentelijke beleid Het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030' is de basis voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de gemeente De Ronde Venen. In dit document wordt gebruik gemaakt van de CROWparkeerkencijfers. Planspecifiek In het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030' is aangegeven dat er voldoende parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Hierbij wordt voor wat betreft de parkeernormering aangesloten op de CROWrichtlijnen. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van één nieuwe woning. Hiervoor is de parkeerbehoefte berekend, gebaseerd op het parkeerbeleid van de gemeente De Ronde Venen voor het gebiedstype 'schil centraal'. Daarbij wordt het gemiddelde toegepast en uitgegaan van de parkeernorm van 'koop, huis, vrijstaand', wat neerkomt op 1,9 parkeerplaatsen per woning. Er is voldoende ruimte aanwezig om (minimaal) 2 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren.

30

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het wijzigingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

31

5.2 Wijze van bestemmen In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden uiteengezet. De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn afgestemd op het vastgestelde bestemmingsplan 'Dorpskernen'. Hieronder volgt per toegepaste bestemming een korte toelichting: Water Deze bestemming is gebruikt voor de reeds aanwezige en de nieuw te realiseren watergangen op de onderhavige percelen. Op deze gronden mogen geen gebouwen, overkappingen en botenhuizen worden gebouwd. Bruggen, steigers en openbare aanlegplaatsen zijn in principe alleen in de bestaande omvang toegestaan. Voor de aanleg van nieuwe steigers gelden aanvullende regels (zie Algemene bouwregels: lid 8.2 Steigers). Wonen Voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn bouwregels opgenomen. Het hoofdgebouw (de woning) is uitsluitend binnen het aangeduide bouwvlak toegestaan, waarbij uitgegaan wordt van ten hoogste één vrijstaande woning. De maximum goot- en bouwhoogten zijn eveneens aangeduid (maximaal resp. 4 en 9 meter). Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan buiten het bouwvlak. Waarde - Cultuurhistorie Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarde.

Bouwen op grond van deze onderliggende bestemming is toegestaan mits het niet gaat op of in bestaande watergangen. Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtingsgebied) Als archeologische waarde is categorie 6 van de archeologische beleidskaart overgenomen uit het vastgestelde bestemmingsplan 'Dorpskernen'. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden.

32

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Er is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer en daarmee zijn de kosten anderszins verzekerd.

33

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college van burgemeester en wethouders wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.

De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De omwonenden zijn met een brief uitgenodigd voor een inloopmoment bij het gemeentehuis. Tijdens dit inloopmoment konden de omwonenden en belangstellenden de plannen bekijken en vragen stellen aan ambtenaren en de initiatiefnemer.

7.1 Vooroverleg Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro gestuurd naar de volgende overlegpartners: provincie Utrecht, Veiligheidsregio Utrecht en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Provincie Utrecht, Veiligheidsregio Utrecht en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht hebben aangegeven akkoord te zijn en geen opmerkingen te hebben op het bestemmingsplan. Deze reacties leiden dan ook niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

7.2 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'Herenweg 54, Vinkeveen' heeft van 23 december 2023 tot en met 2 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar maken bij de gemeenteraad van De Ronde Venen. Er is één zienswijze ingediend. In de 'Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen Bestemmingsplan Herenweg 54, Vinkeveen' (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6) is de zienswijze samengevat en van een reactie voorzien. De zienswijze leidt niet tot een planaanpassing.

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14443987/1