Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan Herenweg 54, Vinkeveen
Tekst van het document
bestemmingsplan
Herenweg 54, Vinkeveen Gemeente De Ronde Venen
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0736.BPP064Herenweg54-va01
Datum:
27 juni 2024
Kenmerk Buro SRO:
SR220354
Opdrachtgever:
Architektenbureau H.W. van der Laan
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 7 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 10 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 10 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 11 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 13
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten................................................................................................... 16 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 16 4.2 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 17 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 18 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 19 4.5 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 22 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................
24 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 26 4.9 Cultureel erfgoed .............................................................................................................................................. 27 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 29
5 Juridische planbeschrijving................................................................................................................... 31 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 31 5.2 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 32
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 33 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid....................................................................................................... 34 7.1 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 34 7.2 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 34
BIJLAGEN: Bijlage 1. Geluidbelasting wegverkeer Herenweg 54 12-10-2023 Bijlage 2. Verkennend bodemonderzoek Herenweg 54 27-11-2023 Bijlage 3. Quickscan Wnb Herenweg 54 Vinkeveen 13-10-2023 Bijlage 4. Archeologisch onderzoek Herenweg 52 13-12-2016 Bijlage 5. Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Herenweg 54 Vinkeveen 05-12-2023 Bijlage 6. Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen Bestemmingsplan Herenweg 54, Vinkeveen
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op de locatie naast Herenweg 54 is momenteel een botenstalling en een schuur aanwezig. De initiatiefnemer heeft het voornemen om deze te verwijderen en om op het perceel een nieuwe woning te bouwen. Dit past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (vastgesteld op 27 november 2023), waarin deze gronden een recreatieve bestemming hebben. Tevens heeft de gemeente De Ronde Venen de wens dat de bestaande watergang doorgetrokken wordt over de onderhavige percelen. Hier is de initiatiefnemer mee akkoord. Het doortrekken van de watergang heeft als doel om de verbinding van en naar de Vinkeveense plassen te verbeteren, zoals ook eerder aangegeven in de 'Dorpsvisie Centrum Vinkeveen'. Hierdoor kunnen vooral kleine bootjes die van en naar de grote plas varen via de brug onder de N201 een veel kortere route volgen. Deze ontwikkeling sluit aan bij een andere ontwikkeling in de omgeving waar ook een nieuwe doorvaart wordt gerealiseerd ter verbetering van de doorvaarroute (project 'De Heul'). Voor het betreffende oostelijke deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen'. De beoogde ontwikkelingen passen niet geheel binnen de mogelijkheden bestemmingsplannen. Om die reden is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.
van
de
geldende
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen naast de Herenweg 54 in Vinkeveen. De planlocatie ligt aan de rand van de kern van het dorp Vinkeveen. De ligging in de dorpskern met veel water maakt het een aantrekkelijke woonlocatie. Het plangebied omvat delen van de kadastrale percelen 5344, 5841 en 5844, welke kadastraal bekend zijn onder de kadastrale gemeente Vinkeveen, secties E en A. De oppervlakte van het plangebied is circa 3.750 m². Op onderstaande afbeeldingen is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied (bron: Google Earth)
4
Globale begrenzing plangebied (bron: Google Maps)
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied is op 27 november 2023 het bestemmingsplan 'Dorpskernen' vastgesteld. Hiertegen is beroep aangetekend, dus dit bestemmingsplan is nog niet onherroepelijk. Voor het meest oostelijke deel geldt het bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen', vastgesteld d.d. 20 december 2012. De navolgende afbeelding geeft een uitsnede van het vastgestelde bestemmingsplan 'Dorpskernen' weer.
Uitsnede bestemmingsplan 'Dorpskernen' (plangebied rood omkaderd) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
Het plangebied heeft in het vastgestelde bestemmingsplan 'Dorpskernen', net als in het voorheen geldende bestemmingsplan Kom Vinkeveen' de enkelbestemming 'Recreatie - Dagrecreatie'. Op basis hiervan zijn dagrecreatieve terreinen, dagrecreatieve voorzieningen, tuinen en groenvoorzieningen toegelaten. alsmede bijbehorende paden en parkeervoorzieningen. Er is een bouwvlak aangeduid voor een hoofdgebouw, waarvan de goot- en bouwhoogte maximaal resp. 4 m en 9m mag bedragen. Het betreffende deel van het plangebied is in het vastgestelde bestemmingsplan 'Dorpskernen' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 2b', voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische (verwachtings-)waarden. Op basis van archeologisch onderzoek is de verwachtingswaarde bijgesteld naar categorie 6 (zie paragraaf toelichting paragraaf 4.9.2). Het plangebied is tevens voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie', gericht op de bescherming en het behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Bouwen op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan, mits het niet gaat om bouwen op of in bestaande watergangen. In bestemmingsplan 'Dorpskernen' is tevens een uniforme parkeerregeling opgenomen.
Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeernormen, zoals neergelegd in het 'Mobiliteits- en Verkeersveiligheidsplan 2023-2030'. Het meest oostelijk deel van het plangebied, waar de watergang wordt doorgetrokken, valt onder het bestemmingsplan 'Kom Vinkeveen'. De betreffende gronden zijn voorzien van de enkelbestemming 'Recreatie - Dagrecreatie'. Er zijn hier uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten. Ook hier is 'Waarde - Cultuurhistorie' van toepassing.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldend ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 5, waarna de economische uitvoerbaarheid komt aan de orde in hoofdstuk 6 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7 wordt belicht.
6
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing van de Herenweg in Vinkeveen, dat wordt gekenmerkt door legakkers met vooral vrijstaande woningen. Het perceel naast Herenweg 54 wordt momenteel recreatief gebruikt en is bereikbaar door middel van een brug vanaf het naastgelegen perceel Herenweg 54. Op het perceel bevindt zich een schuur (een voormalige kantine) van ongeveer 100 m², die in gebruik is voor onderhoud van boten. Aan de zuidkant hiervan is een betegeld terras aanwezig (voormalige fietsenstalling). Verder is op het perceel sprake van botenstalling. In het verleden is het verlengde van de legakker gebruikt als plaats voor meerdere zomerhuisjes. Merendeels van deze zijn sinds 2015 niet meer aanwezig en is de rest van de legakker momenteel onbebouwd en groen. Kenmerkend aan de legakkers van Herenweg 54 en het naastgelegen perceel is dat deze vanaf de Herenweg onafgebroken de Vinkeveense plassen in steken, wat afwijkt van de omliggende verkaveling. Hierbij is het slotenpatroon dwars op de legakkers verstoord. De navolgende afbeeldingen geven een impressie van de bestaande situatie weer.
Bestaande situatie, gezien vanaf de Herenweg (bron: Google Maps, juni 2023)
7
Bestaande situatie op het perceel naast Herenweg 54 (bron: Blom Ecologie, 13 oktober 2023)
8
2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer heeft het voornemen om een nieuwe woning op het perceel naast Herenweg 54 te realiseren. Hiervoor wordt de aanwezige schuur gesloopt en komt ook de functie als botenstalling te vervallen. De gemeente is voornemens om de aanwezige watergang ten oosten van de toekomstige woning door te trekken over het perceel van de beoogde ontwikkeling en het perceel van Herenweg 54. De initiatiefnemer is hiermee akkoord. De nieuwe woning is ter plekke van de bestaande schuur beoogd. Het betreft een woning met een footprint van ongeveer 150 m² in één bouwlaag met een forse kap. In de huidige situatie is er geen directe verbinding met de Herenweg. In de beoogde situatie wordt er een nieuwe (auto-)brug geplaatst met een inrit en een pad richting de woning. Voor het maken van die inrit is een omgevingsvergunning nodig. Onderstaande afbeelding geeft een schematische weergave van de beoogde situatie.
Beoogde situatie (bron: Architekten- en ingenieursbureau H.W. van der Laan, 07-04-2023)
Doortrekken watergang Het doortrekken van de watergang heeft als doel om de verbinding van en naar de Vinkeveense plassen te verbeteren. De betreffende percelen zijn langgerekt en verhinderen hierdoor een goede vaarverbinding. Er moet in de huidige situatie circa 2 kilometer omgevaren worden, om aan de overkant van de percelen te komen. Het realiseren van een doorvaart is vooral belangrijk voor kleine bootjes die van en naar de grote plas varen en onder de brug bij de zeilschool en N201 doorgaan. Na het realiseren van een doorvaart ontstaat een veel kortere vaarverbinding van de Heulbrug naar de grote plas toe. De gemeente streeft daarom al langere tijd naar het realiseren van een vaarroute ter plaatse van de betreffende percelen. In de 'Dorpsvisie Centrum Vinkeveen' (2014) is een aantal verbeterpunten opgenomen om de bereikbaarheid van de Vinkeveense Plassen te vergroten. Het realiseren van een doorvaart ter hoogte van de Herenweg 54 is als één van deze punten opgenomen. Inmiddels is ook één van de andere verbeterpunten uit de dorpsvisie gestart. Vlakbij het plangebied wordt momenteel een ruimtelijke procedure doorlopen om doorvaart ‘De Heul’ te realiseren. Deze doorvaart en de doorvaart in onderhavig plan dragen samen bij aan een verbeterde doorvaarroute van en naar de Vinkeveense plassen. Voor het project ‘De Heul’ wordt een aparte ruimtelijke procedure doorlopen.
9
3 Beleidskader
3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk het landelijk gebied toekomstbestendig te ontwikkelen door een bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek Het Barro is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die per 1 juli 2017 geldt.
10
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt op 12 nieuwe woningen. Onderhavige ontwikkeling betreft de toevoeging van één woning. Dit betreft geen stedelijke ontwikkeling. Gezien het voorgaande wordt er geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt in de Omgevingsvisie provincie Utrecht om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek Het plangebied maakt onderdeel uit van het stedelijk gebied. In de omgevingsvisie beschrijft de provincie toekomstige ontwikkelingen van woon- en werklocaties zoveel mogelijk binnenstedelijk te willen bouwen. Aan deze ambitie kan voorliggend plan voldoen.
11
Verder maakt de planlocatie onderdeel uit van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De omgeving van het plangebied is aangemerkt als agrarisch cultuurlandschap. Voor het agrarisch cultuurlandschap is het beleid gericht op dat cultuurhistorische waarden in samenhang met de kernkwaliteiten van het landschap Groene Hart bij de planontwikkeling een rol spelen. De kernkwaliteiten van het Groene Hart zijn de volgende: 1. 2. 3. 4.
openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte.
Onderhavig plan voegt zich in de bestaande lintbebouwing, waarbij de bestaande legakker wordt gehandhaafd. Het vervangen van de recreatieve bestemming door een woonbestemming doet ook geen afbreuk aan rust & stilte van de omgeving. Gesteld kan worden dat het initiatief aansluit bij de kernkwaliteiten en in lijn is met de ambities van de provincie voor het agrarisch cultuurlandschap en het Groene Hart. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities van de Omgevingsvisie provincie Utrecht.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven.
Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Cultuurhistorische hoofdstructuur Door de ligging in de Cultuurhistorische hoofdstructuur mag de ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. De Cultuurhistorische waarden in het plangebied betreft het 'Agrarisch cultuurlandschap'. In dit landschap ligt de waarde vooral in de aanwezige ontginningsstructuur en de ontginningsrichting. Het uitgangspunt voor dit landschap is behoud door ontwikkeling. Hoewel er door de realisatie van de doorvaart aan aanpassing in de bestaande structuur van de ontginning wordt gemaakt, vormt de doorvaart een
12
verbetering van de functionele structuur, door het realiseren van een betere vaarverbinding van en naar de Vinkeveense plassen vanaf Vinkeveen. Stedelijk gebied Zoals in toelichting paragraaf 3.2.1 al benoemd is ligt het plangebied binnen de grenzen van het stedelijke gebied. In het provinciaal programma wonen en werken worden de volgende hoofdlijnen benoemd: a. b. c.
zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; daarnaast in overig stedelijk gebied; eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors);
Voorliggend plan past binnen deze hoofdlijnen. Het plangebied ligt binnen het stedelijk gebied. De Herenweg is nabij de planlocatie verbonden met de N201. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale beleid.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie De Ronde Venen 2030 De Structuurvisie De Ronde Venen 2030 is op 17 oktober 2013 vastgesteld. De structuurvisie gaat er vanuit dat in het jaar 2030 De Ronde Venen een herkenbare uitstraling heeft met een eigen karakter. Inwoners en bezoekers weten wat de gemeente te bieden heeft met haar landschap, dorpen, recreatiegebieden en natuurschoon. De Ronde Venen wil een gemeente zijn waar het goed recreëren is, waar gezellige kleine aantrekkelijke kernen zijn en waar het goed wonen en werken is. In de gemeente De Ronde Venen zijn de volgende beleidsthema's aangemerkt als belangrijke waarden voor het ruimtelijke beleid:
• • • •
leefbaarheid; landschap; lokale economie; duurzaamheid.
Planspecifiek Het betreft een ontwikkeling binnen de bestaande lintstructuur, die ruimtelijk passend is in de schaal van de bebouwing in de lintstructuur. Het initiatief met een nieuwe woning draagt -zij het in bescheiden mate- bij aan de leefbaarheid van het dorp. Het doortrekken van de watergang vertegenwoordigt een maatschappelijk belang, zoals ook bedoeld in de 'Dorpsvisie centrum Vinkeveen'. Het zorgt immers voor een betere vaarverbinding van en naar de Vinkeveense plassen vanaf Vinkeveen en daarmee voor een verbetering van de functionele structuur. Er dient geconcludeerd te worden dat het plan in overeenstemming is met de gemeentelijke structuurvisie. 3.3.2 Landschapsnota De Ronde Venen 2030 Het landschap van de Groene Hartgemeente De Ronde Venen wordt gekenmerkt door oude verkavelingspatronen, kleinschalige lintbebouwing en door het landschap lopende rivieren en dijken met in het centrum plassen en legakkers. Daarnaast telt de gemeente zes forten van de Stelling van Amsterdam wat is opgenomen als UNESCO-werelderfgoed. Om de landschappelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden te behouden en versterken heeft de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen op 5 juni 2014 de Landschapsnota De Ronde Venen 2030 vastgesteld.
Het hoofddoel van de Landschapsnota is het creëren van een ruimtelijk toetsingskader voor een zorgvuldige afweging van ruimtelijke initiatieven met landschappelijke impact. De Landschapsnota dient primair als uitwerking van het beleid wat is vastgesteld in de Structuurvisie. De Landschapsnota is daarom, net als de
13
Structuurvisie, geldig tot 2030. Elke vijf jaar na de vaststelling van de Landschapsnota vindt een evaluatie plaats. Planspecifiek Het plangebied behoort volgens de deelgebiedenkaart tot 'Plassen: recreatie en natuur'. Hier zijn legakkers en petgaten aanwezig die zorgen voor een deels open gebied en deels meer gesloten gebied. Volgens de landschapbeleidskaart behoort het plangebied grotendeels tot het landschapstype 'Middeleeuwse verkaveling', terwijl het achterste deel behoort tot 'legakkers'. Bij de middeleeuwse verkaveling dient de bestaande verkaveling en het bestaande slotenpatroon behouden te blijven. Het beleid van het landschapstype 'legakkers' is gericht op het behouden van de bestaande legakkerstructuur. Het initiatief gaat gepaard met het behoud van de bestaande legakkerstructuur. Het doortrekken van de watergang, zoals voorzien in het voorliggende bestemmingsplan, draagt echter niet bij aan de landschappelijke kwaliteit. Het doortrekken is hier evenwel verantwoord aangezien dat bijdraagt aan de functionele kwaliteit, met name ten aanzien van de mogelijkheden voor doorvaart. Dit maatschappelijke belang geeft hier de doorslag ten opzichte van de landschappelijke kwaliteit.
3.3.3 Woonvisie De Ronde Venen Op 29 juni 2017 is de 'Woonvisie 2025' vastgesteld door de raad van gemeente De Ronde Venen. Op 5 maart 2020 is de '1e wijziging Woonvisie 2025' vastgesteld door de gemeenteraad. In deze visie geeft de gemeente aan wat ervoor nodig is om een vitale gemeente te blijven. Een vitale gemeente heeft een bevolking die op peil blijft, met een gezonde samenstelling van jong en oud. De jongere leeftijdsgroepen, zoals alleenstaanden, stellen of een jong gezin, zoeken een betaalbare woning. Om deze groep jong werkenden te behouden en aan te trekken vanuit de regio moeten wonen beschikbaar zijn en passen bij de woonwensen. Ouderen willen en moeten langer thuis wonen dus voorzieningen in huis maar ook nabij huis zijn onontbeerlijk. Gemeente De Ronde Venen wil daarnaast voor haar inwoners een duurzame gemeente zijn, ook op het gebied van wonen. Om deze visie te bereiken is een aantal speerpunten gekozen:
• • • •
betaalbaar wonen; beschikbaarheid en diversiteit; duurzaam wonen; wonen en zorg.
De woonvoorraad sluit nu onvoldoende aan bij de woonwensen van de inwoners. Mede hierdoor is er een gebrek aan doorstroming. De visie richt zich op het bouwen van nieuwe woonmilieus om daarmee de doorstroming te bevorderen. Het richt zich dan ook op de kwaliteit van wonen in de gemeente. Uit de woonvisie volgt dat tot 2025 sprake zal zijn van een toename van het aantal huishoudens (6%). Tot 2025 is de grootste behoefte aanwezig naar grondgebonden koopwoningen. Er is behoefte aan koopwoningen in alle prijsklassen, waarbij de vraag het grootst is naar duurdere woningen boven de € 350.000. Tot slot wordt met de wijzigingen die in 2020 in de woonvisie zijn doorgevoerd ('1e wijziging Woonvisie 2025') bij nieuwe projecten meer gestuurd op het toevoegen van sociale en middeldure huurwoningen. Planspecifiek: De voorgenomen ontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van één extra woning. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte. Het per saldo toevoegen van een vrijstaande woning kan een positief effect hebben op de doorstroming in de woningmarkt. Verder heeft de planlocatie betrekking op een aantrekkelijk woonmilieu nabij het open landschap. De vrijstaande woning begeeft zich in de prijsklasse boven € 350.000. Aan woningen in deze prijsklasse is behoefte. De ontwikkeling is een voorbeeld van particulier opdrachtgeverschap.
De gemeente De Ronde Venen heeft een positieve
14
grondhouding ten aanzien hiervan. Met het bouwen van een nieuwe woning die voldoet aan de BENG-eisen wordt tevens bijgedragen aan het speerpunt 'duurzaam wonen'. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de ambities van de gemeentelijke woonvisie.
15
4 Uitvoerbaarheid omgevingsaspecten
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat immers de realisatie van één woning. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
16
1. 2.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
Er is voor dit project een 'Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' opgesteld (Buro SRO, d.d. 5 december 2023). Deze is als bijlagen bij toelichting, bijlage 5 bijgevoegd. Daaruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot significant negatieve milieueffecten. Er wordt daarom geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor deze ontwikkeling. Deze aanmeldnotitie wordt als expliciet beslispunt aan het college voorgelegd.
4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed leefklimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een gevoelige functie, namelijk een nieuwe woning, mogelijk. De VNG-publicatie stelt dat een gebied gezien kan worden als 'gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is gelegen aan de Herenweg. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit woningen, bedrijvigheid en horecafuncties. Derhalve is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Om die reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd.
17
Aan de hand van het vastgestelde bestemmingsplan 'Dorpskernen' is bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving planologisch toegestaan zijn. Activiteit
SBI2008
Adres
Milieucategorie (maximaal toegestaan)
Richtafstand gemengd gebied
Horeca, incl. horeca categorie 3 Bedrijvigheid maximaal categorie 2 Kinderopvang Bedrijvigheid maximaal categorie 3.1
563
Herenweg 53-55 Herenweg 49 en 57-61
2
10
Minimale afstand tot het plangebied 45
2
10
45
Herenweg 65 Herenweg 46A/1
2 3.1
10 30
95 90
8891
Geconcludeerd kan worden dat voor wat betreft de omliggende activiteiten voldaan wordt aan de richtafstanden. Er kan dan ook gesteld worden dat het initiatief geen belemmeringen oplevert voor omliggende activiteiten en dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect bedrijven en milieuzonering en het plan op dit onderdeel uitvoerbaar is.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een geluidgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder mogelijk. De direct aangrenzende Herenweg is echter een 30 km-weg waarop de Wet geluidhinder niet van toepassing is. Op ca 130 meter van de beoogde woning loopt de Herenweg over tot een 50 km-weg ter plekke van de kruising met de Kerklaan, welke ook een 50 km-weg is. Het bevoegd gezag heeft evenwel aangegeven dat gezien de intensiteit van het wegverkeer een akoestisch onderzoek noodzakelijk is, uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat. Ten behoeve van het voorgaande er een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, d.d. 12 oktober 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 1) De resultaten uit dit onderzoek worden hieronder samengevat.
18
De geluidbelasting door wegverkeer op het gezoneerde deel van de Herenweg (50 km) bedraagt na aftrek van 5 dB ex artikel 110g Wgh ten hoogste 38 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Er zijn dan ook geen hogere waarden nodig voor de geluidsbelasting door wegverkeer. De geluidsbelasting door wegverkeer op de gezoneerde Kerklaan bedraagt na aftrek van 5 dB ex artikel 110g Wgh ten hoogste 35 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Er Zijn dan ook geen hogere waarden nodig voor de geluidsbelasting door wegverkeer. De geluidsbelasting door wegverkeer op alle 30 km wegen samen bedraagt naaftrek van 5 dB ex artikel 110g Wgh ten hoogste 45 dB. Hiermee wordt de voorkeursgrensvoorwaarde van 48 dB niet overschreden. De geluidsbelasting op de gevels bedraagt ten hoogste 51 dB zonder aftrek. Voor gevels met een geluidsbelasting tot en met 53 dB zonder aftrek bedraagt de benodigde karakteristieke geluidswering GA;k 20 dB. Dit is de minimale waarde conform het Bouwbesluit. Voor de gevels van de woning zijn geen aanvullende voorzieningen nodig. Concluderend vormt het thema geluid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
19
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft het toevoegen van één woning ten opzichte van de huidige planologische situatie. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De concentraties over 2020 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) bedragen respectievelijk maximaal 12,4 µg/m³ NO2, 15,8 µg/m³ PM10 en 8,8 µg/m³ PM2,5. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er zijn gezien het voorgaande geen belemmeringen voor het aspect luchtkwaliteit.
4.5 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan maakt een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik mogelijk. Om aan te kunnen tonen of de kwaliteit van de grond en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen) is er een Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, d.d. 27 november 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Doel van dit onderzoek was het vastleggen van de bodemkwaliteit en het beoordelen of de bodem geschikt is voor wonen. Daarnaast is de te verwachte kwaliteit van de te ontgraven grond ter plaatse van de doorgangen onderzocht. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder benoemd.
Op basis van een vooronderzoek is een hypothese opgesteld voor een mogelijke verontreinigde situatie. De planlocatie is verdacht voor het voorkomen van verhogingen van zware metalen en PAK. In verband met het afvoeren van grond voor de watergang is een onderzoek naar PFAS uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek geldt er geen verdenking op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging met asbest. Wel is er tijdens het veldonderzoek visueel gelet op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Woonperceel Uit het veldonderzoek blijkt dat ter plaatse van het toekomstige woonperceel sprake is van sterke verhoging aan enkele zware metalen in de bovenste meter grond. Ook zijn er matige en lichte verhogingen aan overige zware metalen en/of PAK en minerale olie aangetroffen. Hiermee is de hypothese voor een mogelijke verontreinigde situatie bevestigd. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen waarneming van verontreiniging met asbest gedaan. De hypothese van een asbestonverdachte locatie kan worden gehandhaafd. Op basis van de resultaten van het huidige en voorgaande onderzoek van Grondslag uit 2016 kan geconcludeerd worden dat de gehele deellocatie heterogeen sterk verontreinigd is. Binnen de onderzoekslocatie is meer dan 25 m³ aan sterk verontreinigde grond aanwezig. Er is daarmee sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
In verband met de gewenste bestemmingswijziging en de sterke verontreiniging met onder andere lood is een risicobeoordeling uitgevoerd met behulp van het programma Sanscrit. Geconcludeerd kan worden dat op de locatie een geval van een ernstige, spoedeisende bodemverontreiniging aanwezig is. Er is bij de beoogde woonbestemming zowel een onaanvaardbaar humaan als een (hypothetisch) ecologisch risico
20
aanwezig. Ook in de huidige functie is er mogelijk sprake van een ecologisch risico. Om vast te stellen of dit daadwerkelijk zo is, is aanvullend onderzoek nodig. Binnen de locatie kan de verontreinigde grond worden herschikt. Eventuele overtollige grond dient te worden afgevoerd naar een vergunde grondreiniger. Gevallen van ernstige bodemverontreiniging dienen gemeld te worden bij het bevoegd gezag (gemeente De Ronde Venen). De verontreiniging zal dan worden aangemerkt als ‘toevalsvondst’. Het betreft echter ook een verontreiniging als gevolg van diffuus bodemlood. Hierbij is het van belang dat de initiatiefnemers er alles aan doen om de gezondheidsrisico's te beperken, zoals ook bedoeld met het project 'Aanpak diffuus bodemlood in gemeente De Ronde Venen' van Provincie Utrecht. Watergang De gestelde hypothese naar verwachting van een verhoging aan zware metalen en/of PAK in verband met de aanwezigheid van toemaakdek, is bevestigd. Er zijn sterke verhogingen aan zware metalen aangetoond in de bovengrond. Daarnaast zijn er matige en lichte verhogingen aan overige zware metalen aangetroffen. De laag direct hieronder is maximaal licht verontreinigd. Vermoedelijk is het gehele oppervlak (van het te verwijderen deel van het zuidelijke perceel) sterk verontreinigd. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De grond is tevens aanvullend onderzocht op PFAS ten behoeve van de afvoer.
Er zijn verder in de bodem geen waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. Wel is er ter plaatse van de noordelijk te graven doorgang een asbestbeschoeiing aangetroffen. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de locatie heterogeen verontreinigd is. Binnen de onderzoekslocatie is meer dan 25 m³ aan sterk verontreinigde grond aanwezig. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, dit betreft hetzelfde geval als op het toekomstig woonperceel en wordt veroorzaakt door toemaakdek. Tijdens het veldonderzoek is er op het zuidelijke perceel, ter plaatse van de zuidelijk te graven doorgang, een slakkenlaag is aangetroffen op het maaiveld. Dit betreft echter geen bodem en is hierom niet onderzocht. Wel dient hier rekening mee gehouden worden met betrekking tot de afvoer. Het materiaal zal gestort dienen te worden. In verband met het graven van de toekomstige watergang en de aangetroffen sterke verhogingen (ernstig geval) dienen de werkzaamheden plaats te vinden onder sanerende condities. Indien een gezamenlijk saneringsplan wordt opgesteld voor zowel het toekomstige woonperceel als de geplande doorgang zijn er mogelijkheden om de te ontgraven grond te herschikken op het woonperceel voordat de afdekking plaatsvindt.
Conclusie Uit het bodemonderzoek blijkt dat sprake is van een (vermoedelijk geval van) ernstige bodemverontreiniging met diverse zware metalen. Deze bodemverontreiniging levert bij de voorgenomen functie mogelijk ontoelaatbare gezondheidsrisico’s op voor de gebruikers van het plangebied. Sanerende maatregelen zijn nodig om deze ontoelaatbare risico’s weg te nemen. Op de locatie is in het verleden een sanering (tijdelijk uitplaatsen) gemeld bij RUD Utrecht (UT073633468). Op basis van het voorgaande is het noodzakelijk om de verontreiniging te saneren. Voor wat betreft het woonperceel wordt geadviseerd dit te doen door middel van afdekking (isolatie van de verontreiniging), waarmee de eventuele contactrisico's worden weggenomen. Het gaat dan om het aanbrengen van een leeflaag van minimaal 0,5 meter en met een oppervlakte van circa 3.000 m². Hierbij is in de kostenraming onder andere rekening gehouden met maatregelen om het uitzakken van beschoeiingen, als gevolg van het gewicht van de aan te brengen leeflaag, te voorkomen. Bij de te graven watergang dienen de graafwerkzaamheden onder sanerende condities plaats te vinden. In de financiële uitvoerbaarheid is afdoende rekening gehouden met de benodigde saneringsmaatregelen.
21
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
22
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Planspecifiek Op basis van de risicokaart van de Atlas Leefomgeving kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig zijn die in het kader van externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart (plangebied is zwart omcirkeld) (bron: Atlas Leefomgeving)
23
Uit de risicokaart is op te maken dat er geen risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Op circa 1,45 km ten westen van het plangebied is een buisleiding en gasontvangstation gelegen. Deze ligt op een dusdanig grote afstand dat een beschouwing van het risico niet vereist is. Er zijn verder geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen aanwezig in de omgeving van het plangebied. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: