230110 Bijlage 1 20221209 0478077.100 Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis
Tekst van het document
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis
projectnummer 0478077.100 definitief 9 december 2022
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis
projectnummer 0478077.100 definitief 9 december 2022
Opdrachtgever Gemeente De Ronde Venen Croonstadtlaan 111 3641 AL MIJDRECHT
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
1
Inleiding
1.1
Aanleiding De firma Tijsseling is voornemens landbouwpercelen noordelijk van de Bovendijk in Wilnis op te hogen. Door bodemdaling is volgens de firma het land te nat geworden voor goed agrarisch gebruik. De verwachting is dat gedurende maximaal 10 jaar in totaal 328.000 m 3 grond wordt toegepast. Voor de werkzaamheden is op 3 september 2021 door de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) namens de gemeente De Ronde Venen een omgevingsvergunning afgegeven. Door de provincie Utrecht is een ontheffing in het kader van de Interim Omgevingsverordening verleend. In een raadsinformatienota is de gemeenteraad van de gemeente De Ronde Venen geïnformeerd over de grondtransporten over de Bovendijk die ten behoeve van het uitvoering kunnen geven aan de verleende omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Hierop volgend zijn door diverse gemeentelijke politieke partijen technische vragen gesteld, welke door het college zijn voorzien van beantwoording. Daarnaast heeft mondelinge behandeling van dit onderwerp plaatsgevonden in de commissievergadering. In de vergadering van 17 februari 2022 is daarbij door de portefeuillehouder toegezegd om een extern onderzoek in te laten stellen om te controleren of het proces rondom de vergunningverlening correct is uitgevoerd.
Een beschouwing van dit proces in relatie tot de aspecten stikstof en weidevogelgebied maakt uitdrukkelijk onderdeel van dit toegezegde onderzoek. De gemeente De Ronde Venen heeft aan Antea Group gevraagd om te onderzoeken of het proces rondom de vergunningverlening correct is uitgevoerd. Deze rapportage betreft de uitwerking van dit onderzoek.
1.2
Onderzoeksvraag Ten behoeve van het formuleren van de onderzoeksvraag is van de volgende bescheiden kennis genomen: ▪ de verleende omgevingsvergunning alsmede de daaraan ten grondslag liggende gewaarmerkte stukken (zoals vermeld in de verleende omgevingsvergunning); ▪ de bijlagen zoals opgenomen onder agendapunt ‘7a Informatienota beantwoording vragen CDA en CU – SGP over de grondtransporten’ van de commissievergadering d.d. 17 februari 2022; ▪ de ‘Nota vergunningverlening aanlegwerken’ van 14 januari 2020. Daarnaast is de opname van de vergadering Politieke commissie RZ en PW ABZF & SI van 17 februari 2022 teruggekeken. Op basis van de bovengenoemde opname en bescheiden zijn voor het onderhavige onderzoek de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 1. In hoeverre is de procedure omtrent de omgevingsvergunningverlening locatie Bovendijk (nabij/achter) 22 te Wilnis op een juiste wijze doorlopen?
Blad 1 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
2.
3.
1.3
In hoeverre is het aspect stikstofemissie (vanwege de grondtransportbewegingen) een af te wegen belang in de onderhavige omgevingsvergunningprocedure en is dit aspect in de omgevingsvergunningprocedure voldoende betrokken en afgewogen? In hoeverre is het aspect flora & fauna een af te wegen belang in de onderhavige omgevingsvergunningprocedure en is dit aspect in de omgevingsvergunningprocedure voldoende betrokken en afgewogen?
Scope en reikwijdte Het onderzoek richt zich op het beantwoorden van de in de vorige paragraaf geformuleerde onderzoeksvragen. Daarbij wordt uitgegaan van de juistheid van de bij de omgevingsvergunningaanvraag ingediende bescheiden. Een inhoudelijke beoordeling van binnengekomen bescheiden maakt geen onderdeel uit van de onderzoeksopgave. In de vergadering van 17 februari 2022 is gesproken over de afhandeling van een ingekomen bezwaar op de verleende omgevingsvergunning, de vraag of de verleende omgevingsvergunning nog ongedaan kan worden gemaakt en in mindere mate de juridische status van de Nota vergunningverlening aanlegwerken. Op deze punten is in de vergadering van 17 februari 2022 geen onderzoek toegezegd, derhalve maken deze aspecten geen deel uit van de thans voorliggende onderzoeksopgave. De onderzoeksopgave beperkt zich tot de omgevingsvergunning waarvoor de gemeente De Ronde Venen het bevoegd gezag is. De vraag of bijvoorbeeld al dan niet terecht door de provincie Utrecht ontheffing is verleend in het kader van de Interim omgevingsverordening of dat door Waterschap Amstel, Gooi en Vecht een watervergunning voor het project kan worden verleend, maakt geen deel uit van de onderzoeksopgave.
1.4
Leeswijzer In het volgende hoofdstuk wordt het beoordelingskader bij het verzoek om omgevingsvergunning bepaald en wordt het wettelijk kader bij de omgevingsvergunningaanvraag uiteengezet. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief vervolgens getoetst aan dit beoordelingskader. In hoofdstuk 4 worden tot slot de onderzoeksvragen beantwoord. Bij de beantwoording wordt de beoordeling zoals uiteengezet in hoofdstuk 3 betrokken. Er wordt afgesloten met een conclusie.
Blad 2 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
2
Wettelijk kader
2.1
Inleiding Om te bepalen in hoeverre de procedure omtrent de omgevingsvergunningverlening op een juiste wijze is doorlopen en in hoeverre de aspecten flora & fauna en stikstof een af te wegen belang in de onderhavige omgevingsvergunningprocedure is, wordt in dit hoofdstuk het relevante wettelijk kader uiteengezet. Daarbij is het van belang om allereerst het beoordelingskader bij het verzoek om omgevingsvergunning te bepalen. Wélke aspecten bij de beoordeling van de omgevingsvergunningaanvraag betrokken (en afgewogen) kunnen of moeten worden, is immers mede bepalend voor de vraag of de procedure op een juiste wijze is doorlopen. Het beoordelingskader voor de omgevingsvergunningaanvraag zorgt voor een afbakening van de beoordelingsvrijheid van het bevoegd gezag en bepaalt welke belangen bij de omgevingsvergunningaanvraag kunnen en moeten worden afgewogen. In de volgende paragraaf wordt daarom eerst het beoordelingskader van de omgevingsvergunningaanvraag afgebakend. In de hierop volgende paragrafen wordt vervolgens het wettelijk kader uiteengezet zoals deze uit de afbakening volgt.
2.2
Afbakening beoordelingskader: het limitatief-imperatief stelsel De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de basis voor een groot deel van de vergunningen in het domein van de fysieke leefomgeving. Artikel 2.1, eerste lid Wabo omvat een verzameling van activiteiten waarvoor de omgevingsvergunningplicht van toepassing is. De activiteiten genoemd in dit artikel betreffen onder andere het bouwen van een bouwwerk (de bouwvergunning, artikel 2.1, lid 1 onder a Wabo), het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting (de milieuvergunning, artikel 2.1, lid 1 onder e Wabo) en het slopen of veranderen van een rijksmonument (de sloopvergunning, artikel 2.1, lid 1 onder f Wabo). Met de thans voorliggende en vergunde activiteiten is sprake van het ophogen en egaliseren van gronden. Deze activiteiten worden eveneens in artikel 2.1, eerste lid Wabo genoemd als vergunningplichtige activiteit, namelijk onder de activiteit ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ (voorheen bekend als de aanlegvergunning). Het betreft meer specifiek artikel 2.1, lid 1 onder b Wabo. Bij het uitvoeren van een werk of werkzaamheden kan het gaan om een breed scala aan veel voorkomende activiteiten. Het betreft bijvoorbeeld het aanleggen van wegen of andere verhardingen, het graven of dempen van sloten, het planten of vellen van bomen en het bewerken of omvormen van land.
Dat het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden valt onder de activiteit van het uitvoeren van werken of werkzaamheden, wil niet zeggen dat deze activiteiten altijd en zonder meer vergunningplichtig zijn. Artikel 2.1, lid 1 onder b Wabo bepaalt namelijk dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald. Een bepaling uit het bestemmingsplan bepaalt aldus of voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden een omgevingsvergunningplicht geldt. Zegt het bestemmingsplan hier niets over, dan zijn deze werkzaamheden in beginsel rechtstreeks (zonder vergunning) toegestaan. Dat het bestemmingsplan het bepalende instrument kan zijn volgt uit
Blad 3 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
artikel 3.3 Wet ruimtelijke ordening (Wro), waarin de grondslag voor het opnemen van een dergelijke vergunningplicht in een bestemmingsplan is opgenomen. Een bestemmingsplan bepaalt aldus of voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden een omgevingsvergunningplicht geldt. Deze omgevingsvergunningplicht volgt impliciet uit het betreffende bestemmingsplan, maar is zoals gezegd feitelijk neergelegd in artikel 2.1, lid 1 onder b Wabo. Voor het vaststellen van de beoordelingsregels van deze omgevingsvergunning (wanneer kan de omgevingsvergunning worden verleend?) dient daarom eveneens de Wabo geraadpleegd te worden. Artikel 2.11 Wabo handelt over de beoordeling van een omgevingsvergunningaanvraag ex artikel 2.1, lid 1 onder b Wabo: voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met de regels die op grond van artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid Wro bij of krachtens een provinciale verordening respectievelijk een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) zijn gesteld.
Artikel 3.3 Wro en artikel 2.11 Wabo vereisen aldus dat bij het bestemmingsplan wordt aangegeven onder welke omstandigheden een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden wordt verleend. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden wordt volgens het eerste lid van artikel 2.11 Wabo geweigerd als de aanvraag niet in overeenstemming is met de regels die in het bestemmingsplan hieromtrent zijn gegeven. Daarmee kent het bestemmingsplan impliciet zowel de omgevingsvergunningplicht als de beoordelingsregels voor de aanvraag van de omgevingsvergunning. Het wettelijk kader wordt echter gevormd door artikel 2.1 en 2.11 Wabo. Dit is van belang, omdat bij het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van de Wabo het limitatief-imperatief stelsel van de Wabo geldt. Dit betekent dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen mag weigeren via één van de weigeringsgronden van artikel 2.11, eerste lid Wabo (limitatief). Doen die weigeringsgronden zich niet voor? Dan moet de omgevingsvergunning worden verleend (imperatief). Uit dit stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om een omgevingsvergunning op andere gronden te weigeren.
2.3
Beoordelingskader: vigerend bestemmingsplan Zoals uit de vorige paragraaf blijkt, vormt het bestemmingsplan impliciet het beoordelingskader voor de vraag of sprake is van een vergunningplicht en zo ja, in welke gevallen deze vergunning verleend kan worden. Het vigerende bestemmingsplan binnen het besluitgebied betreft het bestemmingsplan “Buitengebied-West” zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 21 februari 2019. Op basis van dit bestemmingsplan is aan de gronden binnen het besluitgebied overwegend de bestemming ‘Agrarisch’ toegekend. Daarnaast rust op de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5’ alsmede de gebiedsaanduidingen ‘overige zone - landbouwkerngebied’ en ‘overige zone weidevogelkerngebied’.
Blad 4 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
Uitsnede bestemmingsplan “Buitengebied-West” met het besluitgebied geduid met een rode contour. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2022.
▪
▪
▪
▪
De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn ingevolge het vigerende bestemmingsplan bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, alsmede (onder andere) behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen. De voor 'Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden. Er geldt een archeologische onderzoekplicht bij bodemverstoringen die dieper reiken dan 30 cm onder maaiveld en over een oppervlakte groter dan 2.000 m 2. De gebiedsaanduiding ‘overige zone - landbouwkerngebied’ maakt het voor gronden met deze aanduiding mogelijk dat toepassing wordt gegeven aan de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid welke strekt tot vergroting van een agrarisch bouwvlak. Daar waar de agrarische bestemming samenvalt de aanduiding 'overige zone weidevogelkerngebied' zijn deze gronden tevens bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van het weidevogelkerngebied.
Relevantie vergunde activiteiten Met de vergunde activiteiten is sprake van het ophogen en egaliseren van gronden. Op basis van artikel 3.6.1 (bestemming ‘Agrarisch’) van het vigerende bestemmingsplan is het vergraven, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden omgevingsvergunningplichtig. De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de landschapswaarden zoals bedoeld in lid 3.1 (eerste bolletje bovenstaande opsomming) en het
Blad 5 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
weidevogelkerngebied ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - weidevogelkerngebied' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. 3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.6.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. (...); b. (...); c. (...); d. het vergraven, afgraven, egaliseren of ophogen van gronden; e. (...); f. (...); g. (...); h. (...); i. (...). 3.6.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 3.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het in werking treden van het plan; c. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; d. worden uitgevoerd binnen een bouwvlak. 3.6.3 Voorwaarde voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor de landschapswaarden zoals bedoeld in lid 3.1 en het weidevogelkerngebied ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - weidevogelkerngebied' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
Daarnaast geldt op basis van artikel 28.3.1 (archeologische dubbelbestemming) vanuit archeologisch oogpunt eenzelfde omgevingsvergunningplicht. Op basis van dit artikel is het verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologisch waardevol verwachtingsgebied landbodem categorie 5’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage. Dit verbod is van toepassing indien de eerder genoemde drempelwaarden voor archeologisch onderzoek niet worden overschreden.
Blad 6 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
28.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 28.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Archeologisch waardevol (verwachtings)gebied zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. (...); c. (...); d. (...); e. (...). 28.3.2 Uitzondering op het uitvoeringsverbod Het verbod van lid 28.3.1 is niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 28.2 in acht is genomen; b. ten minste één van de onderstaande diepte-, oppervlakte- en lengtematen van de betreffende zone niet overschrijden: zone dieptemaat oppervlaktemaat categorie 5 30 cm 2.000 m2 c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; e. onderhoudsbaggerwerkzaamheden betreffen die aantoonbaar niet dieper reiken dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes.
28.3.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken en werkzaamheden, zoals in lid 28.3.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. c. de aanvrager naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan kan tonen dat in het verleden reeds werken of werkzaamheden hebben plaatsgevonden tot een bepaalde diepte waardoor de archeologische verwachtingswaarde niet langer reëel is om nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan als (uitputtend) beoordelingskader geldt aldus dat voor het afgraven, egaliseren en/of ophogen van gronden een omgevingsvergunningplicht ex artikel 2.1, lid 1 onder b Wabo geldt. Deze werken en werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar (en de omgevingsvergunning dient conform het limitatief-imperatieve stelsel van de Wabo verleend te worden), indien:
Blad 7 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
▪ ▪ ▪
de landschapswaarden zoals bedoeld in lid 3.1 niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; het weidevogelkerngebied ter plaatse van de aanduiding 'overige zone weidevogelkerngebied' niet onevenredig wordt of kan worden aangetast; archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: o de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; o de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. o de aanvrager naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan kan tonen dat in het verleden reeds werken of werkzaamheden hebben plaatsgevonden tot een bepaalde diepte waardoor de archeologische verwachtingswaarde niet langer reëel is om nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren.
In het volgende hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beoordelingskader zoals neergeschreven in het vigerende bestemmingsplan en uiteengezet in deze paragraaf.
2.4
Beoordelingskader: sectorale aspecten Zoals in de vorige paragraaf uiteengezet geldt een omgevingsvergunningplicht voor het afgraven, egaliseren en/of ophogen van gronden. Deze omgevingsvergunningplicht bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid onder b van de Wabo. Het afgraven, egaliseren en/of ophogen van gronden kan echter ook een activiteit zijn die vanuit andere wetgeving dan de Wabo vergunningplichtig is gesteld dan wel dat op basis van andere wetgeving specifieke verplichtingen of normen gelden. Te denken valt aan regels en verplichtingen vanuit andere overheden zoals de provincie of het waterschap, of vanuit sectorale wetgeving zoals de Wet natuurbescherming. In deze paragraaf wordt het initiatief belicht vanuit deze andere (sectorale) regelgeving. Daarbij wordt ten eerste ingegaan op de verbodsbepalingen uit de Interim omgevingsverordening van de provincie Utrecht. Dit, omdat de Interim omgevingsverordening door kan werken in bepalingen die een gemeente in een bestemmingsplan moet opnemen en om die reden relatie kan hebben met het in een bestemmingsplan opgenomen relevante beoordelingskader. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op vergunningplichten die kunnen gelden vanuit de Wet natuurbescherming, omdat twee van de drie onderzoeksvragen toezien op de belangen die deze wet beoogt te beschermen.
2.4.1
Interim omgevingsverordening provincie Utrecht De Interim omgevingsverordening (Iov) bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid
Blad 8 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan kan inzetten, bijvoorbeeld de herziening van een bestemmingsplan. De instructieregel is gericht aan het bestuursorgaan, en niet aan de aanvrager van een omgevingsvergunning. Naast instructieregels bevat de Interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten. Regels over bijvoorbeeld een vergunningplicht gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers. Relevantie vergunde activiteiten Artikel 3.64 Iov bepaalt dat het verboden is om zonder ontheffing stoffen te storten, een stortplaats in te richten of gronden op te hogen of te egaliseren (tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de artikelen 3.65 tot en met 3.70 Iov). Deze regels zijn conform artikel 3.60 Iov gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Met de voorgenomen activiteiten is sprake van het ophogen en egaliseren van gronden. De Interim omgevingsverordening bevat met artikel 3.64 hieromtrent direct werkende regels.
Deze regels zijn aldus direct gericht aan een initiatiefnemer. Artikel 3.60 Oogmerk De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Artikel 3.64 Ontheffing storten, ophogen en egaliseren Het is verboden zonder ontheffing stoffen te storten, een stortplaats in te richten of gronden op te hogen of te egaliseren, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de artikelen 3.65 tot en met 3.70. Artikel 3.66 Vrijstelling bij agrarische percelen 1. (...); 2. (...); 3. (...); 4. (...); 5. (...); 6. (...); 7. (...); 8. Voor het ophogen en egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen binnen het Gebied landschappelijke waarden buiten natuurnetwerk Nederland en Groene contour geldt dat; a. alleen grond, heideplagsel en bosstrooisel wordt gestort; b. grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei en veen op veen; c. bij verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten; en d. de percelen eens in de 5 jaar opgehoogd worden met maximaal 10 centimeter na uitvlakking.
In het kader van de onderhavige verleende omgevingsvergunning is voorts relevant dat de Interim omgevingsverordening instructieregels bevat over bij een bestemmingsplan toegelaten activiteiten binnen ‘weidevogelkerngebieden’. De regels zijn opgenomen in artikel 6.12 Iov. Deze instructieregels gaan over de bij een nieuw bestemmingsplan toegestane realisatie van windturbines en zonnevelden binnen de aangewezen weidevogelkerngebieden, en hebben
Blad 9 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
daarmee geen betrekking op de vergunde ophoogactiviteiten. De ligging van het weidevogelkerngebied zoals deze door de provincie is aangewezen, is in het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied-West” echter wel overgenomen door middel van de aanduiding 'overige zone - weidevogelkerngebied'. Met deze aanduiding wordt behoud, versterking en ontwikkeling van het weidevogelkerngebied gewaarborgd, indachtig de instructieregel van de provincie. Het besluitgebied waarbinnen de ophoogwerkzaamheden plaatsvinden ligt binnen een dergelijk aangewezen weidevogelkerngebied. In het volgende hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beoordelingskader zoals neergeschreven in de Interim omgevingsverordening.
2.4.2
Wet natuurbescherming - gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Relevantie vergunde activiteiten Natuurgebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Met name bij ontwikkelingen binnen of grenzend aan natuurgebieden kan snel sprake zijn van schade aan het natuurgebied. Daarnaast kan een nieuwe ontwikkeling leiden tot de depositie van stikstof.
Stikstof kan via de lucht op grote afstand van een emissiepunt neerslaan, waardoor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling gelegen op ruime afstand tot omliggende natuurgebieden alsnog tot schade aan het betreffende natuurgebied kan leiden. Met de voorgenomen activiteiten is sprake van het ophogen en egaliseren van gronden. Hierbij zal sprake zijn van een groot aantal grondtransportbewegingen met bijbehorende stikstofemissie en mogelijke stikstofdepositie op omliggende natuurgebieden. In het volgende hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beoordelingskader zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming.
2.4.3
Wet natuurbescherming - soortenbescherming Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen
Blad 10 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het besluitgebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Relevantie vergunde activiteiten Met de voorgenomen activiteiten is sprake van het ophogen en egaliseren van gronden. Mogelijk maken beschermde soorten gebruik van het projectgebied, voor welke soorten de vergunde activiteiten potentieel verstorend kunnen werken. In het volgende hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan het beoordelingskader zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming.
Blad 11 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
3
Retrospectieve toets
3.1
Inleiding In het vorige hoofdstuk is het relevante beoordelingskader uiteengezet. In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan dit beoordelingskader.
3.2
Vigerend bestemmingsplan Binnen de agrarische bestemming geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied-West” een verbod behoudens omgevingsvergunning voor het afgraven, egaliseren en/of ophogen van gronden. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van de werken kan (en moet op basis van het limitatief-imperatieve stelsel van de Wabo) worden verleend indien daardoor de landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen en het weidevogelkerngebied ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - weidevogelkerngebied' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Daarnaast geldt binnen de archeologische dubbelbestemming, in gevallen van bodemverstoring dieper dan 30 cm én over een oppervlakte groter dan 2.000 m2, eveneens een verbod behoudens omgevingsvergunning tot het uitvoeren van grondwerkzaamheden. De werken en werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn.
Voorts zijn de werken en werkzaamheden toelaatbaar, indien: ▪ de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; ▪ de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voorschriften en beperkingen te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige. ▪ de aanvrager naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate aan kan tonen dat in het verleden reeds werken of werkzaamheden hebben plaatsgevonden tot een bepaalde diepte waardoor de archeologische verwachtingswaarde niet langer reëel is om nieuw archeologisch onderzoek uit te voeren. Uit het limitatief-imperatieve stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om een omgevingsvergunning op andere gronden te weigeren. Landschapswaarden De aangevraagde werken en werkzaamheden zijn toelaatbaar, indien daardoor de landschapswaarden zoals bedoeld in lid 3.1 van het bestemmingsplan niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
Blijkens de bestemmingsomschrijving zoals opgenomen in lid 3.1 gaat
Blad 12 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
het daarbij om behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen. Uit de omgevingsvergunningaanvraag blijkt geen specifieke motivatie dat bij uitvoering van de aangevraagde werkzaamheden de onderscheidde landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast. Ook de gewaarmerkte stukken bevat geen specifieke motivatie op dit punt. In de beschikking van de omgevingsvergunning is ten aanzien van het vereiste dat landschapswaarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast het volgende overwogen: “Na realisatie van de werkzaamheden zijn de gronden weer geschikt voor agrarisch gebruik en is er geen sprake van aantasting van het landbouwkerngebied of weidekerngebied. De werkzaamheden dienen plaats te vinden buiten het broedseizoen.” In de bovengenoemde motivatie wordt een koppeling gemaakt met aantasting van het landbouwkerngebied. Uit de toelichting op het bestemmingsplan volgt dat op basis van de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie aan de gronden binnen het besluitgebied de aanduiding als ‘landbouwkerngebied’ is toegekend.
De landbouwkerngebieden zijn conform deze structuurvisie de gebieden waar de landbouw in Utrecht de beste uitgangspositie heeft om duurzaam te produceren voor de wereldmarkt en/of de Randstedelijke markt en de gebieden waar de provincie het vanuit ruimtelijk oogpunt belangrijk vindt dat de landbouw de hoofdgebruiker en -beheerder blijft. In deze gebieden heeft landbouw dan ook het primaat. Ze worden zo veel mogelijk gevrijwaard van andere functies. Om dit te ondersteunen vraagt de provincie gemeenten om in hun ruimtelijk plan regels op te stellen die bijdragen aan het behouden van de bouwpercelen en de landbouwgrond voor de landbouw. In de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied-West” is aan het verzoek van de provincie opvolging gegeven door het voor de gronden met de aanduiding ‘overige zone - landbouwkerngebied’ mogelijk te maken dat toepassing wordt gegeven aan de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid welke strekt tot vergroting van een agrarisch bouwvlak, derhalve het faciliteren van een agrarische bedrijfsvoering binnen de landbouwkerngebieden. De landbouwkerngebieden zien daarmee aldus niet primair op behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen, maar op het kenbaar maken dat in deze gebieden het primaat bij de landbouw ligt alsmede dit primaat faciliteren.
In de motivatie wordt tevens een koppeling gemaakt met het weidekerngebied. In het vigerende bestemmingsplan wordt niet gesproken over het weidekerngebied. Vermoedelijk wordt hier echter gedoeld op het weidevogelkerngebied. Aan het besluitgebied is de aanduiding 'overige zone - weidevogelkerngebied' toegekend. Op basis van de toelichting op het vigerende bestemmingsplan is deze aanduiding overgenomen vanuit provinciaal beleid voor de weidevogelkerngebieden. De weidevogelkerngebieden zijn internationaal van groot belang voor de bescherming van weidevogels. De volgende factoren zijn volgens de Interim omgevingsverordening van de provincie Utrecht belangrijk voor de geschiktheid van een gebied als leefgebied van weidevogels: voldoende omvang van het gebied (met daarbinnen zo mogelijk een reservaat als harde kern), openheid, rust, relatief hoge waterpeilen, agrarisch natuurbeheer gericht op weidevogels, een goede inrichting (zoals plas-dras, natuurvriendelijke oevers en microreliëf) en voorkomen van predatie. Vanuit de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie wordt bij gemeenten aandacht gevraagd voor voorkomen of aanpassen van ontwikkelingen in weidevogelkerngebieden. In de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied-West” is aan het
Blad 13 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
verzoek van de provincie opvolging gegeven door aan de gronden binnen de onderscheidde weidevogelkerngebieden de aanduiding ‘overige zone - weidevogelkerngebied' toe te kennen. Gronden met deze aanduiding zijn blijkens de bestemmingsomschrijving tevens bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van het weidevogelkerngebied. De aangewezen weidevogelkerngebieden zien daarmee aldus niet primair op behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen, maar op behoud en versterking van de weidevogelkerngebieden. Op basis van bovenstaande strekt de motivatie dat geen sprake is van aantasting van het landbouwkerngebied of het weide(vogel)kerngebied niet tevens tot de motivatie dat landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen niet worden aangetast. Ook de constatering dat de gronden na realisatie van de werkzaamheden weer geschikt zijn voor agrarisch gebruikt betekent niet dat daarmee behoud van openheid en verkavelingspatronen gewaarborgd is. In tegenstelling: ophoging van gronden kan juist verkavelingspatronen (binnen het besluitgebied) teniet doen. Tot slot strekt de motivatie dat werkzaamheden dienen plaats te vinden buiten het broedseizoen evenmin tot behoud, versterking en ontwikkeling van landschapswaarden in de vorm van openheid en verkavelingspatronen.
Een motivatie van die laatste strekking wordt aldus niet uitdrukkelijk overwogen in de beschikking, hoewel het voorkomen van aantasting van landschapswaarden een van de voorwaarden is om tot omgevingsvergunningverlening over te kunnen gaan. Weidevogelkerngebied De aangevraagde werken en werkzaamheden zijn toelaatbaar, indien daardoor het weidevogelkerngebied ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - weidevogelkerngebied' niet onevenredig wordt of kan worden aangetast. Blijkens de bestemmingsomschrijving zoals opgenomen in lid 3.1 van het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - weidevogelkerngebied' tevens bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van het weidevogelkerngebied. Uit de omgevingsvergunningaanvraag blijkt geen specifieke motivatie dat bij uitvoering van de aangevraagde werkzaamheden het weidevogelkerngebied niet onevenredig wordt of kan worden aangetast. Ook de gewaarmerkte stukken bevat geen specifieke motivatie op dit punt. In de beschikking van de omgevingsvergunning is ten aanzien van het vereiste dat het weidevogelkerngebied niet onevenredig wordt of kan worden aangetast hetzelfde als ten aanzien van landschapswaarden overwogen: “Na realisatie van de werkzaamheden zijn de gronden weer geschikt voor agrarisch gebruik en is er geen sprake van aantasting van het landbouwkerngebied of weidekerngebied.
De werkzaamheden dienen plaats te vinden buiten het broedseizoen.” Zoals reeds uiteengezet zien de landbouwkerngebieden op het kenbaar maken dat in deze gebieden het primaat bij de landbouw ligt alsmede op het faciliteren van dit primaat door het bij bestemmingsplan mogelijk te maken dat toepassing wordt gegeven aan de opgenomen wijzigingsbevoegdheid welke strekt tot vergroting van een agrarisch bouwvlak. Het landbouwkerngebied heeft daarmee geen relatie met behoud, versterking en ontwikkeling van het weidevogelkerngebied.
Blad 14 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
In de beschikking wordt overwogen dat geen sprake is van aantasting van het weide(vogel)kerngebied. Hoe tot deze constatering wordt gekomen, is niet direct duidelijk. Mogelijk ligt de constatering dat na realisatie van de werkzaamheden de gronden weer geschikt zijn voor agrarisch gebruik aan deze overweging ten grondslag. De gronden kennen thans immers ook een agrarisch gebruik en zijn kennelijk bij gelijktijdig agrarisch gebruik tevens geschikt voor weidevogels. Mogelijk is hierbij tevens de overweging dat door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (van weidevogels) plaats te laten vinden, het weidevogelkerngebied behouden kan blijven, omdat verstoring van broedende weidevogels daarmee voorkomen kan worden. Uit de beschikking volgt echter niet eenduidig de exacte motivering waarom overwogen wordt dat geen sprake is van aantasting van het weidevogelkerngebied. Het is evenmin onduidelijk of deze constatering vanuit ecologisch advies van een deskundige of anderszins vanuit een ecologische expert judgement tot stand is gekomen. Archeologische waarden De aangevraagde werken en werkzaamheden zijn toelaatbaar, indien (kortgezegd) behoud en bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden gewaarborgd is. Binnen het besluitgebied is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd.
Het uitgevoerde vooronderzoek heeft de middelhogehoge archeologische verwachting voor het besluitgebied bevestigd. In het besluitgebied kunnen vanaf 15 cm beneden huidig maaiveld archeologische resten uit het neolithicum aanwezig zijn op de kreekoeverafzettingen en hoge kwelders binnen een zone van 17,1 ha. Indien voorkomen wordt dat bodemverstoring binnen deze zone plaatsvindt, dan worden eventuele archeologische waarden door de voorgenomen activiteiten niet geschaad. Naar verwachting worden de ophoogwerkzaamheden uitgevoerd zonder de grenswaarde voor archeologisch onderzoek te overschrijden. De werken en werkzaamheden zijn daarmee toelaatbaar. Indien wel sprake is van bodemverstoringen, dan dient voor uitvoering van de plannen nog nader archeologisch onderzoek plaats te vinden. Dit vereiste is als voorwaarde aan de omgevingsvergunning gekoppeld. Daarmee wordt beoogd behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden te waarborgen. In het volgende hoofdstuk wordt bovengenoemde beoordeling betrokken in de beantwoording van de onderzoeksvragen.
3.3
Interim omgevingsverordening provincie Utrecht Op basis van artikel 3.64 Iov is het verboden zonder ontheffing stoffen te storten, een stortplaats in te richten of gronden op te hogen of te egaliseren, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de artikelen 3.65 tot en met 3.70 Iov. Een toelatingsgrond op basis van artikel 3.65 tot en met 3.70 Iov is niet aan de orde, waardoor voor de ophoogactiviteiten een ontheffing van artikel 3.64 Iov noodzakelijk is. De regels in de Interim omgevingsverordening die strekken tot een verbod om zonder ontheffing gronden op te hogen of te egaliseren zijn op grond van artikel 3.60 Iov gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. Deze ‘LNCA-waarden’ vormen daarmee het beoordelingskader voor het verzoek tot ontheffing.
Blad 15 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
Invloed van de werkzaamheden op de landschappelijke waarden Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (als zijnde het bevoegd gezag) hebben ten aanzien van landschappelijke waarden als volgt overwogen: “De planlocatie bevindt zich binnen het Groene Hart van de provincie Utrecht. De kernkwaliteiten van het Groene Hart zijn: 1. landschappelijke diversiteit; 2. (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); 3. openheid; 4. rust & stilte. Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van het Groene Hart verschillende accenten. Een uitgebreidere beschrijving en handvatten voor het omgaan met de kernkwaliteiten is opgenomen in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen. De provincie Utrecht heeft het Groene Hart onderverdeeld in acht verschillende deelgebieden. De planlocatie ligt in het deelgebied 'droogmakerij'. Dit is in essentie een open weidelandschap met een orthogonale opzet. Open boerderijlinten langs strakke wegen met bomenrijen doorsnijden de ruimte. Hoge grasdijken bakenen de droogmakerij af van de omliggende landschappen. Landschappelijk gezien zijn de ingrepen zoals aangevraagd passend in het landschap van deelgebied 'droogmakerij'. Eén van de belangrijkste kwaliteiten van de droogmakerij is de strokenverkaveling met vaste maten. Met de werkzaamheden worden geen watergangen gedempt zodat het verkavelingspatroon niet wordt aangetast.
De ophoging bedraagt maximaal 80 cm. Deze ophoging is in te passen in het landschap van deelgebied 'droogmakerij', omdat de polder als een eenheid intact blijft. Daarnaast zullen de percelen qua hoogte na de ophoging nog steeds ver onder de polderdijk blijven liggen, waardoor de beleefbaarheid van de dijk niet zichtbaar wordt aangetast. De openheid en uitstraling van het gebied blijft behouden. Met de geplande werkzaamheden worden de landschappelijke waarden die de IOV dient te beschermen niet onaanvaardbaar geschaad.” Invloed van de werkzaamheden op natuurwetenschappelijke waarden Ten aanzien van natuurwetenschappelijke waarden is als volgt overwogen: “De planlocatie ligt niet in een ganzenrustgebied, Natura 2000-gebied, de groene contour of het Natuurnetwerk Nederland, en betreft geen natuur- of waterparel. De planlocatie ligt in een weidevogelkerngebied. Om verstoring van (weide)vogels door uitvoer van de werkzaamheden te voorkomen zijn voorschriften verbonden aan de manier waarop deze worden uitgevoerd. Met de geplande werkzaamheden worden de natuurwetenschappelijke waarden die de IOV dient te beschermen niet onaanvaardbaar geschaad indien deze worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften in bijlage 1.”
Blad 16 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
Invloed van de werkzaamheden op cultuurhistorische waarden Ten aanzien van cultuurhistorische waarden is als volgt overwogen: “Cultuurhistorisch erfgoed is vastgelegd in de Cultuurhistorische hoofdstructuur van de provincie, die vervat is in onder andere het boek Tastbare Tijd 2.0: cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht en de Omgevingsvisie provincie Utrecht 2021. De planlocatie bevindt zich niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied. De planlocatie is geen onderdeel van het Agrarisch cultuurlandschap. Met de geplande werkzaamheden worden de cultuurhistorische waarden die de IOV dient te beschermen niet onaanvaardbaar geschaad.” Invloed van de werkzaamheden op archeologische waarden Ten aanzien van archeologische waarden is als volgt overwogen: “De planlocatie ligt niet in een gebied dat met het oog op archeologie door de provincie Utrecht is aangewezen als gebied met een provinciaal belang. Als archeologische waarden worden beschermd in het bestemmingsplan van de gemeente, dan gaat de provincie Utrecht ervan uit dat in dat spoor wordt getoetst aan de archeologische waarden. In dit geval worden de archeologische waarden beschermd krachtens het bestemmingsplan Buitengebied West 2019 van de gemeente De Ronde Venen. De archeologische waarden worden daarmee voldoende geborgd.
Met de geplande werkzaamheden worden de archeologische waarden die de IOV dient te beschermen niet onaanvaardbaar geschaad.” Conclusie Gelet op bovenstaande overwegingen is de ontheffing van het verbod zoals opgenomen in artikel 3.64 Iov verleend. Door de aangevraagde werkzaamheden worden de LNCA-waarden, voor zover deze vallen binnen het beoordelingskader van de Iov, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet onaanvaardbaar geschaad indien deze worden uitgevoerd conform de voorschriften zoals verbonden aan de provinciale beschikking. Deze voorschriften betreffen onder meer dat: 10. Watergangen of greppels (al dan niet watervoerend) mogen niet worden opgevuld. 11. De werkzaamheden mogen alleen uitgevoerd worden indien: o Twee weken voor uitvoer van de werkzaamheden uit onderzoek blijkt dat er geen vogels broeden op of in de directe nabijheid van de planlocatie of langs de geplande aanrij- en afvoerroute, o en, indien geen nesten gevonden zijn, direct na voorgenoemd onderzoek wordt voorkomen dat vogels op of nabij de planlocatie of langs de geplande aanrij- en afvoerroute hun nest bouwen of gaan broeden door de vegetatie daar zeer kort te houden totdat de werkzaamheden zijn uitgevoerd.
o In acht dient te worden genomen dat vogels voornamelijk tussen 15 maart en 15 juli broeden en niet verstoord mogen worden en dat zij daarnaast tevens buiten deze periode kunnen broeden en dus ook op andere momenten beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Daarbij is ook van belang dat het broedseizoen al van start gaat met nest indicerend gedrag en het bouwen van
Blad 17 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
nesten. In deze tijdsspan worden vogels, hun nesten en eieren beschermd door de Wnb. Het nest mag niet verwijderd, verstoord of leeggehaald worden. In het volgende hoofdstuk wordt bovengenoemde beoordeling betrokken in de beantwoording van de onderzoeksvragen.
3.4
Wet Natuurbescherming – gebiedsbescherming Artikel 2.7 Wet natuurbescherming bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Met de voorgenomen activiteiten is sprake van het ophogen en egaliseren van gronden. Hierbij zal sprake zijn van een groot aantal grondtransportbewegingen met bijbehorende stikstofemissie en mogelijke stikstofdepositie op omliggende natuurgebieden. Het planvoornemen kan daarmee, vanwege de depositie van stikstof, significante gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000gebieden waar deze stikstof op neerslaat. Hoofdregel is daarom dat Gedeputeerde Staten voor een project op basis van artikel 2.8 Wnb uitsluitend een vergunning verlenen, indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden.
De wet voegt artikel 2.9a toe aan de Wet natuurbescherming waarin staat dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouwsector veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. Op basis van artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming worden als activiteiten van de bouwsector als bedoeld in artikel 2.9a van de wet aangewezen (onder andere) het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Met de voorgenomen activiteiten is sprake van de aanleg van een werk, derhalve geldt voor deze werkzaamheden (incl. bijbehorende vervoersbewegingen) een generieke vrijstelling voor wat betreft stikstofdepositie. Redengevend voor deze generieke vrijstelling is dat in de realisatiefase materieel wordt ingezet dat slechts zeer tijdelijk stikstofemissie veroorzaakt. De fossiele brandstoffen die vrijkomen tijdens de realisatiefase zullen in een korte tijd tot stikstofdepositie leiden. Het materieel dat ingezet wordt in de realisatiefase is sinds de inwerkingtreding van de gebiedsbescherming (de Europese referentiedatum) al in gebruik en steeds op een wisselende plek. Daardoor is in beginsel geen sprake van een structurele toename van de belasting op een specifieke locatie.
Het planvoornemen is op basis van bovenstaande ten aanzien van gebiedsbescherming niet vergunningplichtig op grond van de Wet natuurbescherming. In het volgende hoofdstuk wordt bovengenoemde beoordeling betrokken in de beantwoording van de onderzoeksvragen.
Blad 18 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
3.5
Wet Natuurbescherming – soortenbescherming Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De Wnb kent met artikel 3.1, 3.5 en 3.10 verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te verstoren. Indien verstoring van beschermde soorten vanwege activiteiten of handelingen niet kan worden voorkomen, dan geldt voor deze handelingen uit hoofde van de Wnb een ontheffingsplicht. De vragen of voor het uitvoering kunnen geven aan de ophoogactiviteiten een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Wanneer een natuurtoestemming op grond van de Wnb benodigd is, kan de initiatiefnemer ervoor kiezen om deze separaat van de Wabo-omgevingsvergunning aan te vragen. Een initiatiefnemer kan er echter ook voor kiezen om de natuurtoestemming bij de Waboomgevingsvergunning te laten ‘aanhaken’. Wettelijk gezien is deze aanhaakkeuze als volgt vormgegeven. De natuurtoestemming verloopt via artikel 2.1, eerste lid, sub i, van de Wabo. De activiteiten waarvoor een vergunning zoals in dat artikel aangegeven geldt, zijn uitgewerkt in het Besluit omgevingsrecht (Bor).
In artikel 2.2aa van het Bor is opgenomen dat een toestemming op grond van de Wnb een activiteit is zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub i, van de Wabo. Samengevat weergegeven, bepaalt artikel 2.2aa van het Bor dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo nodig is als sprake is van een handeling waarvoor toestemming ingevolge de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wnb nodig is, maar deze niet al is aangevraagd of is verleend. Als de initiatiefnemer aldus voorafgaand aan de aanvraag van een Wabo-omgevingsvergunning de natuurtoestemming aanvraagt, geldt er geen aanhaakplicht: de toestemmingen ingevolge de Wnb en de Wabo doorlopen een afzonderlijke procedure. Als de initiatiefnemer echter eerst de Wabo-omgevingsvergunning aanvraagt, geldt er wél een aanhaakplicht: de toestemmingen ingevolge de Wnb en de Wabo doorlopen één gezamenlijke procedure. Het ligt primair op de weg van de initiatiefnemer om te bepalen of een natuurtoestemming is benodigd en, zo ja, of de procedures separaat zullen worden doorlopen of niet. De aanhaakplicht vereist daarbij echter wel oplettendheid van het bevoegd gezag.
Wanneer de aanvrager alleen een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden aanvraagt, is het aan het bevoegd gezag om het nodige onderzoek te verrichten om te kunnen aannemen dat geen natuurvergunning nodig is. Indien op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd ook een op grond van de Wnb verboden handeling inhoudt, heeft het bevoegd gezag een onderzoeksverplichting om na te gaan of er een aanhaakplicht geldt. Met de voorgenomen activiteiten is sprake van het ophogen en egaliseren van gronden. Als deze werkzaamheden voor de op het perceel aanwezige beschermde soorten (zoals weidevogels) leiden tot het overtreden van één van de verboden genoemd in de Wnb en de initiatiefnemer heeft nog geen natuurvergunning aangevraagd of verleend gekregen, dan is op grond van artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor tevens een ‘i-vergunning’ (zijnde de vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub i, van de Wabo) vereist, hetgeen impliciet betekent dat een ontheffing op grond van de Wnb aangevraagd moet worden.
Blad 19 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
De vraag is of in de onderhavige Wabo-omgevingsvergunningprocedure is overwogen of wel of geen i-vergunning is vereist. Indien is overwogen dat geen i-vergunning is vereist, dan is de vraag of dit terecht is geweest. Uit de omgevingsvergunningaanvraag blijkt niet dat de initiatiefnemer los van de Wabo-omgevingsvergunningprocedure al een natuurvergunning heeft aangevraagd of dat deze al verleend is. Ook de gewaarmerkte stukken bevat geen duidelijkheid op dit punt. Tot slot blijkt ook uit de beschikking van de omgevingsvergunning niet of reeds een natuurvergunning is aangevraagd of is verleend. Indien een natuurvergunning nog niet is aangevraagd of is verleend, dan was het aan het bevoegd gezag om na te gaan of er een aanhaakplicht geldt. Uit de beschikking van de omgevingsvergunning blijkt niet of voldaan is aan deze onderzoeksverplichting. In zijn algemeenheid geldt dat in redelijkheid valt te stellen dat bij uitvoering van de ophoogwerkzaamheden in een weidevogelkerngebied, op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden niet van wezenlijke invloed zijn op de instandhouding van weidevogels als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, van de Wnb. De werkzaamheden vinden immers plaats op agrarische gronden binnen een aangewezen weidevogelgebied.
In redelijkheid valt aan te nemen dat bij het uitvoeren van de ophoogwerkzaamheden de gronden (tijdelijk) braak komen te liggen. Weidevogels kunnen op dat moment geen gebruik maken van het perceel. In hoeverre dit tot een overtreding van een verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming leidt, dient beantwoord te worden door een ter zake ecologische deskundige. Het ligt in de reden dat het bevoegd gezag hiervoor de initiatiefnemer verzoekt een quickscan flora & fauna uit te laten voeren. Uit de omgevingsvergunningaanvraag of de beschikking blijkt niet dat hieromtrent een afweging heeft plaatsgevonden. In het volgende hoofdstuk wordt bovengenoemde beoordeling betrokken in de beantwoording van de onderzoeksvragen.
Blad 20 van 25
Rapportage Onderzoek vergunningverlening grondtransporten Wilnis projectnummer 0478077.100 9 december 2022 Gemeente De Ronde Venen
4
Beantwoording onderzoeksvragen
4.1
Inleiding In hoofdstuk 2 is het relevante beoordelingskader uiteengezet en in hoofdstuk 3 is het initiatief getoetst aan dit beoordelingskader. In dit hoofdstuk worden de onderzoeksvragen beantwoord. Bij de beantwoording wordt het beoordelingskader zoals uiteengezet in hoofdstuk 2 en de beoordeling zoals uiteengezet in hoofdstuk 3 betrokken.
4.2
In hoeverre is de procedure omtrent de omgevingsvergunningverlening locatie Bovendijk (nabij/achter) 22 te Wilnis op een juiste wijze doorlopen? Besluiten die een bestuursorgaan of overheid neemt moeten te allen tijden deugdelijk gemotiveerd zijn. Zodra een besluit wordt genomen door een bestuursorgaan of overheid, dient daarom ook de motivering van de beslissing te worden vermeld. Deze verplichting is vastgelegd in het zogenoemde motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 3:47 Awb bepaalt dat de motivering bij de bekendmaking van het besluit wordt vermeld. Het niet voldoen aan het motiveringsbeginsel treft het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 Awb. Dit artikel bepaalt dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Het zorgvuldigheidsbeginsel duidt aldus onder andere op een onderzoeksplicht van het bestuursorgaan en houdt in dat een bestuursorgaan zelf de kennis opdoet die nodig is voor het gebruik van zijn bevoegdheid. Artikel 3:2 Awb Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3.46 Awb Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.