CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 Quickscan zonnepark Groespeelweg.pdf

Mill - raadsvergadering 15 april 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: Zonnepark Groespeelweg8.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORT Quick scan zonnepark Groespeelweg Mill Een toets aan de Wet natuurbescherming Klant:

Willy Vloet Beheer B.V., Gemeente Mill en Sint Hubert

Referentie: BG9452WATRP1912091545 Status:

S0/P01.01

Datum:

14 april 2020

Projectgerelateerd

HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.

Laan 1914 no.35 3818 EX AMERSFOORT Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W

Titel document: Quick scan zonnepark Groespeelweg Mill Ondertitel: Referentie: BG9452WATRP1912091545 Status: P01.01/S0 Datum: 14 april 2020 Projectnaam: BG9452_quickscan_Groespeelweg Projectnummer: BG9452 Auteur(s): Anoek van den Bosch

Opgesteld door: Anoek van den Bosch Gecontroleerd door: Geoffrey de Rooij Datum/paraaf: 16-04-2020 Goedgekeurd door: Niek van Enckevort Datum/paraaf: 16-04-2020

Classificatie Projectgerelateerd

Disclaimer No part of these specifications/printed matter may be reproduced and/or published by print, photocopy, microfilm or by any other means, without the prior written permission of HaskoningDHV Nederland B.V.; nor may they be used, without such permission, for any purposes other than that for which they were produced. HaskoningDHV Nederland B.V. accepts no responsibility or liability for these specifications/printed matter to any party other than the persons by whom it was commissioned and as concluded under that Appointment. The integrated QHSE management system of HaskoningDHV Nederland B.V. has been certified in accordance with ISO 9001:2015, ISO 14001:2015 and ISO 45001:2018. 14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

i

Projectgerelateerd

Inhoud 1

Inleiding

1

2

Ligging plangebied en huidige situatie

1

3

Voorkomen beschermde soorten Wet natuurbescherming

4

3.1

Vaatplanten

4

3.2

Grondgebonden zoogdieren

5

3.3

Vleermuizen

8

3.4

Vissen

9

3.5

Reptielen

9

3.6

Amfibieën

9

3.7

Broedvogels

10

3.8

Ongewervelden

11

3.9

Samenvatting

12

4

Effectbeschrijving en beoordeling

13

4.1

Grondgebonden zoogdieren

13

4.2

Vleermuizen

13

4.3

Broedvogels

14

4.4

Samenvatting

14

5

Mitigerende maatregelen

15

5.1

Algemene zorgplicht

15

5.2

Vleermuizen

15

5.3

Broedvogels

16

6

Beschermde gebieden

17

6.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

17

6.2

Natura 2000

18

7

Conclusies en aanbevelingen

20

7.1

Beschermde soorten

20

7.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

20

7.3

Natura 2000

20

7.4

Ecologische inpassing voorgenomen activiteit

20

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

ii

Projectgerelateerd

Bijlage 1: Beknopt kader natuurwet- en regelgeving

22

Bijlage 2: Locatie van potentieel jaarrond beschermd nest aan de rand van het plangebied. 26

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

iii

Projectgerelateerd

1

Inleiding

Willy Vloet Beheer B.V. en Gemeente Mill en Sint Hubert zijn voornemens om in het agrarisch gebied van Mill een zonnepark te ontwikkelen. Het plangebied betreft een aantal percelen weiland met een totaal oppervlak van circa 6,5 hectare en ligt ten westen van de Groespeelweg. Het inrichten van een zonnepark is een ruimtelijke ingreep zoals bedoeld in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). In dat kader is een toets nodig aan het soorten- en gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb, omdat effecten op beschermde soorten niet op voorhand uitgesloten zijn. Dit rapport voorziet in een toets aan het soortenen gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) aan de hand van een bureaustudie en een habitatgeschiktheidsanalyse.

2

Ligging plangebied en huidige situatie

Het plangebied ligt in het buitengebied van Mill, ten westen van de Groespeelweg (zie Figuur 2-1) en is gelegen in de gemeente Mill en Sint Hubert, in de provincie Noord-Brabant.

Figuur 2-1: De locatie van het plangebied in de omgeving.

Het plangebied betreft een vijftal percelen landbouwgrond waarop het noordelijk deel recent nog aardappelen zijn verbouwd. Momenteel ligt de grond braak en langs de randen groeit gras met her en der grote brandnetel (Figuur 2-2 Links). De landbouwgrond wordt aan de noord- en aan de westkant begrensd door een hekwerk van palen met daartussen prikkeldraad.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

1

Projectgerelateerd

Figuur 2-2 Links: een overzichtsfoto van de westgrens van het plangebied. Rechts: een close-up van de ondergroei onder de zomereiken langs de westgrens van het plangebied.

Langs de oostkant worden de percelen begrensd door een greppel, deze stond ten tijde van het veldbezoek droog (Figuur 2-3). In de greppel groeit braam en staat het gras tot op de bodem, waaraan af te leiden is dat deze greppel alleen bij hevige regenval water bevat en voor het overgrote deel van het jaar droog staan.

Figuur 2-3: Links: een overzichtsfoto van het plangebied gezien vanaf de Groespeelweg, parallel aan de oostkant van het plangebied loopt een greppel en staat een rij zomereiken. Rechts: een close-up foto van de greppel parallel aan het plangebied, begroeid met gras en met braam.

De betreffende greppel loopt tevens dwars door het plangebied en vormt een oostwestgrens vormt tussen twee percelen. Daarnaast vormt de greppel de zuidgrens van het plangebied.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

2

Projectgerelateerd

Rondom het plangebied liggen verschillende lijnvormige elementen in de vorm van bomenrijen. Parellel aan de noord-, oost- en aan de westzijde van het plangebied staan zomereiken (Figuur 2-2,Figuur 2-3 en Figuur 2-4). Aan de noord- en aan de westkant is er in de bomenrijen ook ondergroei van, braam, grote brandnetel en gewone hondsroos te vinden onder de bomen (Figuur 2-2). Achter de noordelijke en westelijke bomenrij stroomt ook een waterloop, namelijk het Defensiekanaal.

Figuur 2-4 Links: De noordgrens van het plangebied, gezien vanaf de Groespeelweg. Parallel aan de noordgrens staat een rij zomereiken, met daarachter het Defensiekanaal. Rechts: een overzichtsfoto van het kanaal.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

3

Projectgerelateerd

3

Voorkomen beschermde soorten Wet natuurbescherming

Op basis van raadpleging van verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF; geraadpleegde range: 1 januari 2009 t/m 26 november 2019) is een beeld gevormd van voorkomende beschermde soorten. De habitatgeschiktheid van het plangebied en directe omgeving voor deze soorten is ingeschat aan de hand van een verkennend veldbezoek op 27 november 2019. Dit veldbezoek is uitgevoerd door de auteur in de hoedanigheid van ter zake deskundige ecoloog zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Hieronder volgt per soortgroep een uitwerking van de bevindingen.

3.1

Vaatplanten

Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens komt naar voren dat er rond het plangebied beschermde vaatplanten zijn waargenomen1. Het betreft drijvende waterweegbree, glad biggenkruid en kruipend moerasscherm. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen, daar het groeien bloeiseizoen van voornoemde soorten voorbij is. Drijvende waterweegbree Drijvende waterweegbree is in het verleden waargenomen in watergangen in de omgeving van het plangebied. Drijvende waterweegbree is een plant van helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water. De soort komt voor in laaglandbeken, vennen, kanalen en poelen. Het is een vrij zeldzame soort met een uitgebreide verspreiding in de hoge delen van Nederland. Het bolwerk ligt in Noord-Brabant2. Vanwege het ontbreken van water en oevers binnen de begrenzing van het plangebied, kan de soort daar worden uitgesloten. Glad biggenkruid Glad biggenkruid is waargenomen in een stukje ruigteveld op ongeveer 500 meter ten noordoosten van het plangebied. Glad biggenkruid is een soort van zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond (leemarm en lemig zand) 3. Een dergelijke groeiplaats ontbreekt binnen de omgeving van het plangebied, gezien deze bestaat uit een intensief beheerde en bemeste akker.

De aanwezigheid van de soort binnen het plangebied wordt dan ook uitgesloten. Kruipend moerasscherm Kruipend moerasscherm wordt tevens veel waargenomen in het stukje ruigteveld 500 meter ten noordoosten van het plangebied. De soort verlangt zonnige, open plekken op natte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, stikstofrijke, zwak zure veen- of kleibodems, die ’s winters ondiep overstroomd worden. Een dergelijke groeiplaats ontbreekt binnen het plangebied, gezien deze bestaat uit een intensief beheerde akker en bemeste akker, buiten overstromingsgebied. De aanwezigheid van de soort binnen het plangebied wordt dan ook uitgesloten. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde vaatplanten afwezig.

1

NDFF: https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal, geraadpleegd 26-11-2019 Verspreidingsatlas: https://www.verspreidingsatlas.nl/0765#, geraadpleegd 26-11-2019 3 Verspreidingsatlas:https://www.verspreidingsatlas.nl/0652#, geraadpleegd 26-11-2019 2

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

4

Projectgerelateerd

3.2

Grondgebonden zoogdieren

Uit de geraadpleegde verspreidingsgegevens blijkt dat er rond het plangebied diverse beschermde zoogdiersoorten zijn waargenomen. Het betreft de bever, bunzing, das, eekhoorn en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn overigens geen van deze beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Verder kunnen binnen en in de omgeving van het plangebied algemene soorten voorkomen zoals egel, haas, konijn, ree, kleine marterachtigen, verschillende muizensoorten en vos. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook verse reeënsporen waargenomen aan de rand van het plangebied. Voor een aantal algemene soorten geldt een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen op basis van de ‘Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant4. Voor de soorten die onder deze verordening vallen is slechts de algemene zorgplicht van toepassing bij ruimtelijke ingrepen, (zie Bijlage 1. voor een overzicht van de betreffende soorten). Voor kleine marterachtigen geldt in de provincie Noord-Brabant sinds oktober 2017 geen vrijstelling meer. Vandaar dat deze ook besproken zullen worden. Bever Bevers hebben hun leefgebied in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste 5. Van de bever zijn in de NDFF waarnemingen bekend rond het kanaal langs de noord- en oostzijde van het plangebied.

Er zijn in de directe omgeving geen burchten gerapporteerd danwel waargenomen tijdens het veldbezoek. Tijdens het veldbezoek zijn wel vraatsporen van de bever aangetroffen. Deze waren zichtbaar langs het kanaal ten noorden van het plangebied (zie Figuur 3-1). Doordat er geen zaagsel meer in de omgeving lag, de boom al aardig verkleurd was en er geen wissels en prenten van de bever in de omgeving van zijn aangetroffen, kan worden aangenomen dat het hier oude sporen betreft.

Figuur 3-1 Vraatsporen van de bever langs de beek ten noorden van het plangebied, Rechts: een close-up.

4

Provincie Noord-Brabant: https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2019/04/Verordening-natuurbescherming-Noord-Brabantgeconsolideerde-versie-23-04-2019.pdf, geraadpleegd 4-12-2019 5 Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bever, geraadpleegd 26-11-2019 14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

5

Projectgerelateerd

Door het ontbreken van beverburchten binnen en in de directe omgeving van het plangebied, kunnen vaste rust of verblijfplaatsen van de soort worden uitgesloten in en nabij het plangebied. Kleine marterachtigen: wezel, hermelijn en bunzing De bunzing is waargenomen in de directe omgeving van het plangebied. Tevens behoort het plangebied tot het verspreidingsgebied van de andere kleine marterachtigen, namelijk wezel en hermelijn6,7. Kleine marterachtigen komen in een aantal landschapstypen voor, maar hebben veelal een voorkeur voor een structuurrijk kleinschalig (cultuur-)landschap met voldoende schuilmogelijkheden in de nabijheid. Als jachtgebied maken kleine marters gebruik van landschapselementen zoals overhoekjes, bosjes en hagen. Ook delen van weilanden die direct grenzen aan dekking biedende structuren worden als jachtgebied benut. Buiten de dekking van vegetatie zijn kleine maters kwetsbaar voor andere predatoren 8. Open veld wordt dan ook vermeden. De lijnvormige elementen langs het plangebied, in de vorm van de bomenrijen met ondergroei (langs noord- en de westkant) en de begroeide greppel (door het plangebied en aan de oost- en zuidrand), bieden de dekking die kleine marterachtigen nodig hebben in hun jachtgebied.

Er kan daarom niet worden uitgesloten dat dit deel van het plangebied (de greppel) en de directe omgeving van het plangebied (de bomenrijen) onderdeel uitmaken van het foerageergebied van kleine marterachtigen. De bunzing kan gebruik maken van bomen als verblijfplaats; voor deze soort kunnen holle bomen fungeren als schuilplaats. Omdat er geen bomen binnen de begrenzing van het plangebied staan, kunnen schuilplaatsen van de bunzing worden uitgesloten. Wel zijn er potentieel geschikte boomholtes aanwezig in de bomenrij ten noorden van het plangebied.

Figuur 3-2 Een dode zomereik ten noorden van het plangebied met verschillende holten en spechtengaten, rechts: een close up van één van de holten. 6

Verspreidingsatlas: https://www.verspreidingsatlas.nl/8496151, geraadpleegd 26-11-2019 Verspreidingsatlas: https://www.verspreidingsatlas.nl/8496149, geraadpleegd 26-11-2019 8 Handleiding kleine marterachtigen: https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/imce/nieuwesite/0verigen/downloads/15908%20Handreiking%20kleine%20Marte rs%20DIGITAAL.pdf, geraadpleegd 26-11-2019 7

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

6

Projectgerelateerd

Binnen het plangebied zijn verder geen holen, takkenrillen, steenhopen of andere potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen waargenomen. Vaste rust en of verblijfplaatsen van de soort kunnen daarom worden uitgesloten binnen het plangebied. Das De das is verschillende keren waargenomen in de omgeving van het plangebied. De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte leefgebieden. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld9. Tijdens het veldbezoek zijn geen burchten of vluchtpijpen van de das aangetroffen. Daarnaast zijn ook geen andere sporen als wissels, neusputjes, haren, etc. aangetroffen. Vaste rust en of verblijfplaatsen van de soort kunnen daarom worden uitgesloten binnen het plangebied. De lijnvormige elementen in en langs het plangebied en de voormalige akkers binnen het plangebied kunnen wel fungeren als foerageergebied van de das. Eekhoorn De eekhoorn is waargenomen in het bos ten oosten van het plangebied (Molenheide). De soort heeft zijn verblijfplaats in bomen, in de vorm van ronde nesten.

De voorkeur gaat uit naar wat ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar), omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is. Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit boomzaden zoals eikels, noten en kegels van naaldbomen. Ook eten ze als aanvulling daarop (afhankelijk van het jaargetijde) knoppen, bladeren, bessen, schors, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels 10. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen van eekhoorns binnen het plangebied. Bomen ontbreken namelijk binnen de begrenzing van het plangebied. De bomenrijen langs het plangebied zijn uit te sluiten als nestlocatie omdat deze te geïsoleerd liggen van groter bos in de nabijheid. Het plangebied vormt daarom geen potentieel leefgebied van de eekhoorn. Steenmarter De steenmarter is verschillende keren waargenomen in de omgeving van het plangebied. De soort dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap, maar ook in bosarme gebieden, steengroeven en rotsige hellingen. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’ ). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes.

Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt 11. De steenmarter heeft zijn verblijfplaats vaak in gebouwen, zoals op zolders, in kruipruimtes, spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. Echter, ook boomholtes, takkenhopen en dichte struwelen waar weinig verstoring is, zijn geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter. Aangezien er geen bomen of gebouwen direct in het plangebied staan, kunnen schuilplaatsen van de steenmarter worden uitgesloten. Wel zijn er potentieel geschikte boomholte aanwezig in de bomenrij ten noorden van het plangebied. Binnen het plangebied zijn verder geen holen, takkenrillen, steenhopen of andere potentiële verblijfplaatsen voor de steenmarter waargenomen. Vaste rust en of verblijfplaatsen van de soort kunnen daarom worden uitgesloten binnen het plangebied.

9

Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/das, geraadpleegd 26-11-2019 Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn, geraadpleegd 26-11-2019 11 Zoogdiervereniging: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter, geraadpleegd 26-11-2019 10

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

7

Projectgerelateerd

Evenals voor de kleine marterachtigen geldt dat de lijnvormige elementen langs het plangebied, in de vorm van de bomenrijen met ondergroei (langs noord- en de westkant) en de begroeide greppel (door het plangebied en aan de oost- en zuidrand) , de benodigde dekking bieden in het jachtgebied. Er kan daarom niet worden uitgesloten dat dit deel van het plangebied, de greppel, en de directe omgeving van het plangebied, de bomenrijen, onderdeel uitmaken van het foerageergebied van de soort. Conclusie: Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn mogelijk foerageergebieden aanwezig van kleine marterachtigen, das en steenmarter.

3.3

Vleermuizen

In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten zoals de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis en gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Er zijn ook soorten die zowel gebouwen als bomen bewonen, zoals de gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Er wordt onderscheid gemaakt in typen verblijfplaatsen. Er zijn bijvoorbeeld kraamverblijven, paarverblijven en winterverblijven; deze zijn de belangrijkste voor de levenscyclus en populaties van vleermuizen. Door het ontbreken van gebouwen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten uit te sluiten. Er staan geen bomen binnen de begrenzing van het plangebied zelf, verblijfplaatsen van boombewonende soorten kunnen daar dus tevens worden uitgesloten. Voor de bomenrijen rondom het plangebied geldt, dat de bomen aan de oostkant over het algemeen jong en nog gaaf, dat wil zeggen zonder spechtenholen, rottingsgaten, scheuren of loszittende bast. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van beschermde boombewonende vleermuizen in kunnen daar eveneens worden uitgesloten.

De bomenrij langs de noord- en de westzijde bestaat uit oudere zomereiken. Rottingsgaten of spechtenholen zijn daar ook waargenomen (zie Figuur 3-2). De aanwezigheid van geschikte verblijfplaatsen van beschermde boombewonende vleermuizen kunnen in de betreffende bomen niet worden uitgesloten. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen in het landschap om van hun verblijfplaats naar foerageergebied te bewegen en andersom. De bomenrijen rondom het plangebied voorzien lijnvormige elementen, welke potentie hebben als veermuisvliegroute. Teven vormen ze potentieel vleermuis foerageergebied. Conclusie: Net buiten het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van verschillende soorten boombewonende vleermuizen aanwezig; binnen het plangebied zijn deze uit te sluiten. Verblijfplaatsen van gebouwbewonde vleermuizen zijn uit te sluiten binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. Daarnaast zijn er lijnvormige elementen aanwezig aan de rand van het plangebied welke een potentiële functie hebben als vliegroute voor vleermuizen. Als laatst vormt het plangebied mogelijk foerageergebied voor vleermuizen.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

8

Projectgerelateerd

3.4

Vissen

Binnen de begrenzing van het plangebied is open water afwezig, zodat het voorkomen van beschermde vissoorten uitgesloten is. Direct langs het plangebied ligt een greppel die tijdens het veldbezoek niet watervoerend waren. Greppels die niet jaarrond watervoeren zijn niet geschikt voor vissen. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde vissoorten afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van vissen kan worden uitgesloten.

3.5

Reptielen

Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend zijn van beschermde reptielen. Deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet waargenomen. Voor reptielen geldt ook dat er ter hoogte van het plangebied geen geschikt leefgebied aanwezig is. De akker biedt vrijwel geen structuur of open, zandige plekken of voldoende dekking voor de winter, die van belang zijn voor reptielen. Conclusie: In het plangebied zijn beschermde reptielen afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van reptielen kan daarom worden uitgesloten.

3.6

Amfibieën

Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van de onder de Wnb beschermde alpenwatersalamander. Tijdens het veldbezoek zijn overigens geen beschermde amfibieën waargenomen. Alpenwatersalamander Alpenwatersalamander geldt als weinig kritisch. In allerlei wateren vindt voortplanting plaats. De soort heeft wel een significante voorkeur voor beschaduwde wateren. Veel voortplantingswateren van de soort liggen dan ook in of nabij bos12. De landhabitat van de alpenwatersalamander wordt gevormd door allerlei typen loofbos. Op het land worden als schuilplaatsen allerlei vochtige plekken gebruikt. De dieren worden onder hout, stenen, mos en afval aangetroffen. Binnen het plangebied zelf komt geen open water voor. Door en langs de randen van het plangebied loopt een ondiepe greppel die tot op de bodem begroeid met gras. Dit geeft aan dat de greppel alleen bij hevig regenval water voeren. Dit maakt de greppels ongeschikt als voortplantingswater voor amfibieën.

Net buiten de begrenzing van het plangebied, in het noordwesten is een potentieel geschikte poel aanwezig.Echter het plangebied, eenintensief bemeste en structuurarme akker, is ongeschikt als landbiotoop voor amfibieën, waardoor voorkomen van de Alpenwatersalamander binnen het plangebied kan worden uitgesloten Conclusie: In het plangebied zijn beschermde amfibieën afwezig. Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van amfibieën kan daarom worden uitgesloten.

12

http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=587434, geraadpleegd op 17 oktober 2019

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

9

Projectgerelateerd

3.7

Broedvogels

Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Een broedvogelsoort met jaarrond beschermde nest waarvan in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend zijn, is de havik. Tijdens het veldbezoek zijn geen haviken of andere vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen. Alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten in Nederland vallen onder het beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren. Dit geldt ook voor hun nesten, rustplaatsen, eieren, delen van vogels, of producten verkregen uit vogels. Tijdens het veldbezoek is gelet op de aanwezigheid van nesten en horsten van vogels in en in de directe omgeving van het plangebied. Er is geconstateerd dat het plangebied zelf is weinig geschikt is voor grondbroedende vogels, als gevolg van het intensieve beheer en gebruik en gebrek aan natuurlijke dekking. De akker is hoogstens geschikt voor pionierbroedvogels als de kluut. Omliggende opgaande beplanting is wel geschikt voor een keur aan broedvogels van bos en kleinschalig landschap, zoals grote bonte specht, vink, koolmees, pimpelmees en groene specht.

In de rondom liggende lijnvormige elementen is één enkel nest waargenomen in de bomenrij ten noorden van het plangebied (Figuur 3-3) voor de exacte locatie van het nest, zie de bijlage 2. Dit betrof potentieel een jaarrond beschermd nest van bijvoorbeeld een buizerd.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

10

Projectgerelateerd

Figuur 3-3 Potentieel jaarrond beschermd nest in de bomenrij ten noorden van het plangebied.

Er is op het moment een potentieeljaarrond beschermd nest aanwezig binnen in het plangebied. De aanwezigheid van broedvogels (met en zonder jaarrond beschermde nesten) in de lijnvormige elementen rondom het plangebied ligt voor de hand gedurende het broedseizoen.

3.8

Ongewervelden

Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF komen geen waarneming naar voren van beschermde ongewervelden in en in de directe omgeving het plangebied. Op basis van de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied, bestaande uit intensief beheerde akkers en de afwezigheid van geschikte waardplanten, vennen en poelen, kan het voorkomen van strenger beschermde dagvlinders, libellen en overige ongewervelden verder uitgesloten worden. Conclusie: Het overtreden van een verbodsbepaling uit de Wnb ten aanzien van ongewervelden kan daarom op voorhand worden uitgesloten.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

11

Projectgerelateerd

3.9

Samenvatting

In onderstaande tabel (Tabel 3-1. Mogelijk aanwezige soorten in het plangebied. is weergegeven welke beschermde soorten mogelijk voorkomen in het plangebied. Daarnaast is weergegeven welke functie het plangebied mogelijk heeft voor deze soorten en tot welke beschermingscategorie ze behoren. Tabel 3-1. Mogelijk aanwezige soorten in het plangebied. Soortgroep

Mogelijk voorkomende soorten

Functie van plangebied

Bescherming onder Wnb

Vaatplanten

n.v.t

Grondgebonden zoogdieren

kleine marterachtigen, das en steenmarter

foerageergebied in de greppeldoor en aan de oost- en zuid rand van het plangebied

Artikel 3.10

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, Laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis

potentieel foerageergebied, potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes direct aangrenzend aan het plangebied

Artikel 3.5

Broedvogels

o.a. ekster, zwarte kraai en houtduif, groene specht, grote bonte specht.

Nesten (potentieel jaarrond beschermd)

Artikel 3.1

Amfibieën

n.v.t.

Reptielen

n.v.t.

Vissen

n.v.t.

Ongewervelden

n.v.t.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

12

Projectgerelateerd

4

Effectbeschrijving en beoordeling

In dit hoofdstuk worden de mogelijke effecten van de voorgenomen activiteiten beschreven op beschermde soorten (Wnb-soortenbescherming), voor zover die kunnen voorkomen in de omgeving van het project. Effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de uitvoering van de werkzaamheden en daarnaast ook van gebruik van het gebied na afronding. Bij de uitvoering van het project worden diverse werkzaamheden uitgevoerd waarbij materieel wordt ingezet. Tijdens de werkzaamheden kunnen de volgende storingsfactoren optreden in het plangebied: - Geluidseffecten door materieel; - Lichtuitstraling door materieel en bouwlampen; - Optische effecten door rijdend materieel, beweging van materialen en mensen - Trillingen door rijdend materieel en beweging van materialen

4.1

Grondgebonden zoogdieren

Tijdelijk Kleine marterachtigen, das en steenmarter, kunnen gebruik maken van de droge greppel, door en langs de oost- en zuidgrens van het plangebied om te foerageren. Tijdens de werkzaamheden zullen individuen van de soorten mogelijk uit moeten wijken naar rustigere delen van het leefgebied om te foerageren. Er is daarbij echter geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied van de soorten. In de directe omgeving is namelijk voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Dit geldt voor zowel kleine marterachtigen als de das en de steenmarter. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van de soorten is daarom uitgesloten. Permanent Binnen de begrenzing van het plangebied zijn geen holten/burchten aangetroffen die kunnen dienen als rust- en voortplantingsplaats van de kleine marterachtigen, das of steenmarter. Het vernietigen of beschadigen van rust- of voortplantingsgebied van de soorten is daarom uitgesloten. Conclusie Het plangebied zelf heeft geen functie als leefgebied of essentieel foerageergebied voor kleine marterachtigen, das of steenmarter. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van de soorten is daarom uitgesloten.

4.2

Vleermuizen

Tijdelijk De effecten van de aanlegwerkzaamheden zijn afhankelijk van het moment van uitvoering (periode in het jaar en op de dag). Wanneer de werkzaamheden ‘s nachts worden uitgevoerd in het vleermuisactieve seizoen (grofweg april t/m oktober) en daarbij kunstverlichting wordt toegepast, is verstoring van langsvliegende en foeragerende vleermuizen en de potentiële verblijfplaatsen in de omgeving niet uit te sluiten. Dit is een overtreding van artikel 3.5, lid 2, van de Wnb.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

13

Projectgerelateerd

Er is daarbij echter geen sprake van aantasting van essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes. In de directe omgeving is namelijk voldoende alternatief geschikt foerageergebied aanwezig in de vorm van kleine waterpartijen, bospercelen en agrarisch percelen. Ook zijn er voldoende alternatieve vliegroutes in de omgeving van het plangebied, in de vorm van hout- en struweelsingels en bosranden. Permanent Omdat alle omliggende bomenrijen behouden zullen blijven treden er als gevolg van de wijzigingen in het ontwerp geen negatieve effecten op ten aanzien van vliegroutes, foerageergebied en verblijfplaatsen. Conclusie Wanneer kunstverlichting wordt gebruikt in het vleermuisactieve seizoen kan verstoring van langsvliegende en foeragerende vleermuizen niet worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden en vliegroutes en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uitgesloten.

4.3

Broedvogels

Tijdelijk Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels in de directe omgeving worden verstoord. Wanneer soorten het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren van vogels. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 1, 2 en 4, van de Wnb. Het broedseizoen valt voor de meeste soorten tussen half maart en half augustus. Ook daarbuiten is het mogelijk dat broedende vogels worden aangetroffen. Permanent Omdat alle omliggende landschapselementen behouden zullen blijven is geen sprake van directe vernietiging van (al dan niet jaarrond) beschermde nesten. Conclusie Effecten op broedvogels zijn niet op voorhand uit te sluiten wanneer de werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden.

4.4

Samenvatting

Tabel 4-1 geeft weer voor welke beschermde soort(groep)en het te verwachten is dat negatieve effecten zullen optreden. Tabel 4-1. Mogelijke effecten op beschermde soorten in het plangebied. Soortgroep

Mogelijk voorkomende soorten

Tijdelijke effecten

Permanente effecten

Overtreding Wnb

Vleermuizen

gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, Laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis

Verstoring van individuen

n.v.t.

Artikel 3.5, lid 1, 2 en 4

Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten

o.a. ekster, zwarte kraai en houtduif.

Verstoring van nesten en doden van jonge vogels

n.v.t.

Artikel 3.1, lid 1 en 2

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

14

Projectgerelateerd

5

Mitigerende maatregelen

In deze paragraaf worden schadebeperkende maatregelen voorgesteld voor soorten waar (mogelijk) negatieve effecten op te verwachten zijn. Daarnaast wordt beschreven of aanvullend onderzoek noodzakelijk is en in welke vorm dit dient te gebeuren.

5.1

Algemene zorgplicht

Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht. Onderstaand wordt een aantal maatregelen beschreven om aan de algemene zorgplicht te voldoen: • De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht; • Er wordt één richting opgewerkt, zodat kleine (zoog)dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben; • Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden kan een ecoloog het plangebied nalopen en eventueel aanwezige (niet-beschermde) amfibieën en grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omringend geschikt terrein. • De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden, en ontziet daarbij plaatsen met begroeiing en/of beplanting zoveel mogelijk. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten voorkomen; • Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog.

5.2

Vleermuizen

Om het verstoren van foeragerende of migrerende vleermuizen en mogelijke vleermuisverblijfplaatsen in de bomen in de omgeving van het plangebied (en overtreding van verbodsartikelen van de Wnb) te voorkomen zijn maatregelen nodig: • Geen onnodige bouwverlichting laten branden op werk- en opstelplaatsen tussen zonsondergang en zonsopkomst; • De aanleg- en kapwerkzaamheden bij daglicht uit te voeren van zonsopkomst tot zonsondergang of bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting te gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap (gebouwen); • Of te werken buiten de actieve periode van vleermuizen, namelijk de periode van november t/m maart.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

15

Projectgerelateerd

5.3

Broedvogels

Het verstoren van broedgevallen van vogels zonder jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door: • Buiten het broedseizoen te werken, of; • Te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt, en/of; • De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een, voor zover mogelijk, constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen kan worden. Het grote voordeel van deze methode is, dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is. Let wel: veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken zijn niet “waterdicht”; het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden. Buiten het broedseizoen werken heeft de voorkeur omdat een overtreding van de Wnb ten aanzien van broedvogels wordt voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om het terrein inclusief directe omgeving 1 à 2 dagen voor aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog te laten inspecteren op aanwezigheid van broedende vogels.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

16

Projectgerelateerd

6

Beschermde gebieden

6.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden. In de directe omgeving van het plangebied liggen wel beschermde gebieden. De bomenrij en de watergang aan de noord- en westzijde van het plangebied maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, zie figuur 5-1). In dit geval gaat het om een bosperceel met beheertype droog bos met productie. In dit bosperceel is een poel aanwezig met beheertype: Poel en kleine historische wateren. De aangrenzende watergang heeft als beheertype beek en bron. Omdat het plangebied en het planvoornemen niet raken aan beschermde natuurwaarden zoals aangeduid in de meest recente NNN-kartering van de provincie Noord-Brabant, zijn er geen effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van deze natuurwaarden te verwachten.

Figuur 6-1: Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN.

Conform het NNN-toetsingskader van de Provincie Noord-Brabant dienen ook ingrepen die buiten het NNN (in Noord-Brabant aangeduid als natuurnetwerk Brabant, kortweg: NNB) plaatsvinden getoetst te worden op negatieve effecten op de waarden van het NNN vanwege geluid, licht of betreding. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied, waardoor migratie niet langer mogelijk is, kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden van het NNB (Verordening Ruimte, artikel 5.1, lid 7).

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

17

Projectgerelateerd

De te plaatsen zonnepanelen zorgen niet voor extra omgevingsgeluid, noch voor extra licht of schaduw binnen het plangebied of de nabije omgeving. Dergelijke negatief effect op het omliggende NNN, als gevolg van de geplande ingreep, kunnen daardoor worden uitgesloten. Wel zal tijdens de aanlegfase tijdelijk het geluidsniveau toenemen en optische verstoring optreden als gevolg van gebruik van materieel. Dit is echter een tijdelijke verstoring die niet veel groter is dan de al aanwezige verstoring van het permanente geluid van de N264 en de periodieke verstoring als gevolg van het bewerken van de akkers. Tevens zou de aanleg van een hek rond het zonnepanelen kunnen zorgen voor barrièrewerking. Grote en middelgrote zoogdieren kunnen zich namelijk niet meer direct over de akker verplaatsen. Wel kunnen ze nog altijd zich langs de bomenrijen (Onderdeel van Natuurnetwerk Brabant) aan de randen van het plangebied. De verbindende functie van deze percelen komt niet in het geding en zodoende worden wezenlijke waarden en kenmerken van deze percelen evenmin aangetast. Van een negatief effect op deze beschermde gebieden is daarmee geen sprake.

6.2

Natura 2000

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied (zie Figuur 6-2). Natura 2000 gebieden hebben betrekking op Europees beschermde gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Het gaat hier veelal om de ecologisch en landschappelijk meest waardevolle gebieden op regionaal dan wel nationaal niveau. Omdat externe werking in het kader van Natura 2000 deel uitmaakt van het toetsingskader, is het van belang om te bepalen welke gebieden in de omgeving van het plangebied liggen. Het meest dichtbij zijnde Natura 2000-gebied in Nederland is de Oeffelter meent en ligt op meer dan 13 kilometer hemelsbreed van het plangebied. Deze afstand is te groot om negatieve effecten te verwachten als gevolg van de aanleg van het zonnepark. Tijdens de uitvoeringsfase wordt tijdelijk meer stikstof uitgestoten, waar in de gebruiksfase geen emissies en depositie van stikstof meer worden voorzien. Gezien de lokale aard en beperkte omvang en doorlooptijd van de werkzaamheden is de verwachte emissie en depositie van stikstof zeer klein. Bovendien worden er gronden permanent uit landbouwkundig gebruik onttrokken, waarmee per saldo een daling van de stikstofdepositie optreedt als gevolg van dit project. De minimale hemelsbrede afstand tot een stikstofgevoelig Natura-2000 gebied (Sint Jansberg) bedraagt 14 kilometer.

Uit eerdere AERIUSberekeningen, uitgevoerd voor vergelijkbare projecten 13, is gebleken dat op een dergelijke afstand en afgezet tegen onttrekking van gronden aan regulier landbouwkundig gebruik geen effecten optreden tijdens de aanlegfase. Daarmee zijn significant negatieve effecten op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden als gevolg van een tijdelijke minimale verhoging van stikstofemissies en daarmee gepaard gaande depositie op voorhand uitgesloten.

13

Onder meer Quick scan zonnepark Zevenaar. 29 juli 2019, Royal HaskoningDHV

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

18

Projectgerelateerd

Figuur 6-2: Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

19

Projectgerelateerd

7

Conclusies en aanbevelingen

7.1

Beschermde soorten

In het plangebied komen mogelijk beschermde vleermuizen voor. In het gehele plangebied kunnen nesten aanwezig zijn van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. Door het nemen van de mitigerende maatregelen, zoals genoemd in hoofdstuk 5, wordt overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor broedvogels en voor vleermuizen voorkomen. Voorgenoemde maatregelen dienen altijd door (of ten minste onder begeleiding van) een ecologisch deskundige te worden uitgevoerd. Dit dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkplan, dat tijdens de werkzaamheden op locatie aanwezig en bij iedereen bekend dient te zijn.

7.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het toetsingskader van het NNN kent in Noord-Brabant externe werking. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden echter op voorhand uitgesloten. Er is geen sprake van compensatieplicht.

7.3

Natura 2000

Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt hemelsbreed op minimaal 13 kilometer afstand van het plangebied. Negatieve effecten door verstoring (geluid, licht, optische effecten) kunnen vanwege de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Ook zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten.

7.4

Ecologische inpassing voorgenomen activiteit

In Figuur 6-1 is te zien dat het plangebied aan de noord en de westzijde grenst aan Natuurnetwerk Nederland. Door het ecologisch versterken van de bomenrijen langs de noord en de westgrens van het plangebied worden deze stroken robuuster, wat weer positief uitwerkt op de verbindende functie van deze lijnvormige elementen voor kleine zoogdieren, middelgrote zoogdieren, amfibieën en vleermuizen. De versterking kan bestaan uit het aanplanten van een struweelrand (zoom) van 5 meter breed, met passende inheemse soorten als hazelaar, boswilg, sporkehout, hondsroos, wilde kardinaalsmuts, wilde liguster, sleedoorn en meidoorn. Op de onderhoudspaden en tussenliggende grond kan ingezaaid worden met een bloemenmengsel (zonder grassen) voor ruderale gebieden (bijvoorbeeld ruderaal mengsel type B1 van Cruydt Hoeck14). Dit mengsel is geschikt voor matig tot zeer voedselrijke gronden en bevat veel verschillende soorten bloemen. De bloemen trekken verschillende soorten insecten aan als solitaire bijen en vlinders, maar is ook interessant voor een soort als de patrijs. De bloemstroken dienen extensief beheerd te worden door deze 1 keer per jaar te maaien in oktober-februari. Hoe hoger de panelen worden geplaatst hoe meer licht en regen er onder de panelen kan komen, zodat er ook onder de panelen een ruderale vegetatie zich kan ontwikkelen, zonder dat dit schaduw veroorzaakt op de panelen.

Het plangebied wordt om verzekeringstechnische redenen afgezet met een hekwerk. Er wordt aanbevolen om geen standaard hekwerk te kiezen. Om er voor te zorgen dat kleine zoogdieren en akkervogels als de

14

https://www.cruydthoeck.nl/winkel/ruderaal-mengsel-b1-met-n-en-tweejarige-soorten/p78

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

20

Projectgerelateerd

patrijs, eenvoudig in het plangebied kunnen komen is het aan te bevelen dit hekwerk aan de onderkant open te laten (minimaal 10 centimeter). Aanvullend kan gekozen worden voor een natuurlijke haag met een mix van inheemse doornstruiken en bijgemengd met wilde liguster, te realiseren aan een zijde van het hekwerk.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

21

Projectgerelateerd

Bijlage 1: Beknopt kader natuurwet- en regelgeving De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en voegt de drie voorheen gebruikte natuurwetten (Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet) samen. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. De uitwerking van de wet is vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming (Staatsblad, 2016). De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (art 1.11) een drietal hoofdstukken die relevant zijn voor voorliggend voornemen. Hoofdstuk 2 van de Wnb gaat over de Natura 2000-gebieden en hoofdstuk 3 over soorten en hoofdstuk 4 over houtopstanden.

Wet natuurbescherming - Soortenbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming behandelt de bescherming van soorten, de mogelijkheid om ontheffing te verlenen en dergelijke. Voor soorten van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing worden verleend op basis van de in deze richtlijnen genoemde belangen (bijvoorbeeld openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna). In de wet zijn in de bijlagen 160 soorten opgenomen, ten aanzien waarvan onder deze wet verbodsbepalingen zijn geformuleerd die ten gevolge van een plan of project niet overtreden mogen worden. Is een dergelijke overtreding toch onlosmakelijk verbonden met een voornemen, dient hiervoor een ontheffing te worden verkregen. Er wordt onderscheid gemaakt in internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn art 3.1 en habitatrichtlijn in art 3.5) en nationaal beschermde soorten, ook wel overige soorten genoemd (in art 3.10). Internationaal beschermde soorten vallen onder het strengste beschermingsregime. Nationaal beschermde soorten genieten een minder strenge bescherming. Dit uit zich bijvoorbeeld in het feit dat voorwaardelijke opzettelijke verstoring van nationaal beschermde soorten niet meer verboden is. Voor nationaal beschermde soorten - ook wel: andere soorten - gelden de verbodsbepalingen op grond van art. 3.10 van de Wet natuurbescherming zoals vermeld in tabel 1.

Tabel 1: Soortenbescherming: overzicht verbodsartikelen Wet natuurbescherming voor flora en fauna. HR: Habitatrichtlijn. VR: Vogelrichtlijn. Nvt: Niet van toepassing. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Soorten Vogelrichtlijn artikel 3.1

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Soorten Habitatrichtlijn artikel 3.5

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Andere soorten artikel 3.10

Art. 3.1.1 Het is verboden opzettelijk van Art. 3.5.1 Het is verboden in het wild Art 3.10.1.a Onverminderd artikel 3.5, nature in Nederland in het wild levende vogels levende dieren HR IV soorten (Verdrag eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden in van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Bern en Bonn) in hun natuurlijk het wild levende dieren, genoemd in de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. verspreidingsgebied opzettelijk te doden of bijlage A, bij deze wet, opzettelijk te doden te vangen. of te vangen; Art. 3.1.2 Het is verboden opzettelijk nesten, Art. 3.5.4 Het is verboden de Art 3.10.1.b Onverminderd artikel 3.5, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, dieren als bedoeld in het eerste lid te de vaste voortplantingsplaatsen of of nesten van vogels weg te nemen. beschadigen of te vernielen. rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Art. 3.1.3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

14 april 2020

Art. 3.5 3 Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Nvt.

BG9452WATRP1912091545

22

Projectgerelateerd

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Soorten Vogelrichtlijn artikel 3.1

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Soorten Habitatrichtlijn artikel 3.5

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Andere soorten artikel 3.10

Art. 3.1.4 Het is verboden vogels als bedoeld Art. 3.5 2 Het is verboden dieren als in het eerste lid opzettelijk te storen. bedoeld in het eerste lid opzettelijk te Art. 3.1.5 Het verbod onder 3.1.4 geldt niet als verstoren. de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Nvt.

N.v.t.

Art. 3.5 5 Het is verboden planten HR (en Verdrag van Bern) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Art. 3.10.1.c. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden vaatplanten genoemd in de bijlage B in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art. 3.3 Ontheffing voorwaarden conform belangen VR

Art. 3.8 Ontheffing voorwaarden conform belangen HR

Art. 3.11 vrijstelling/ ontheffing op basis van diverse belangen

Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de vergunningplicht vaststellen door middel van een verordening. Provincie Noord-Brabant heeft de provinciale verordening en vrijstelling vastgesteld. Voor ruimtelijke ingrepen geldt hierdoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht voor een aantal meer algemeen voorkomende soorten zoogdieren. Soorten die hieronder vallen zijn opgenomen in tabel 2: Tabel 2: Algemene soorten met vrijstelling in Noord-Brabant. Zoogdieren Aardmuis

Ondergrondse woelmuis

Bosmuis

Ree

Dwergmuis

Rosse woelmuis

Dwergspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Egel

Veldmuis

Gewone bosspitsmuis

Vos

Haas

Wild zwijn

Huisspitsmuis

Woelrat

Konijn

Wet natuurbescherming - Gebiedsbescherming Met het vervallen van de wettelijke bescherming van Beschermde of Staatsnatuurmonumenten ziet de Wet natuurbescherming voor wat betreft bescherming van gebieden uitsluitend op zogenoemde Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden bestaande uit Vogel- en Habitatrichtlijngebieden (respectievelijk richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EEG). Dit netwerk vormt de hoeksteen van het Europese beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Een Natura 2000-gebied en bijbehorende instandhoudingsdoelen worden vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit, welke in tijd en ruimte worden uitgewerkt in een beheerplan. Samen vormen zij de juridische basis voor de Nederlandse gebiedsbescherming, waarbij de instandhoudingsdoelstellingen het gebied-specifieke toetsingskader vormen. De bescherming van Natura 2000 gebieden is in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming geregeld. Projecten die - gelet op de instandhoudingsdoelstellingen - de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren, 14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

23

Projectgerelateerd

die een verstorend effect kunnen hebben op Natura 2000 gebieden of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen, mogen niet plaatsvinden zonder vergunning. Voor de vergunning van een dergelijk project of het vaststellen van een plan, zoals een Provinciaal Inpassingsplan, dient een Passende Beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000gebied - rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen - te worden gemaakt (conform de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wet natuurbescherming).

Wet natuurbescherming - Houtopstanden De voormalige boswet is grotendeels overgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Bij de kap van ten minste 10 are of meer dan 20 bomen is een kapmelding verplicht. De Wet natuurbescherming hanteert het principe van 1-op-1 compensatie, beter bekend als de herplantplicht. Dunningswerkzaamheden in het kader van natuurbeheer of boskap ten behoeve van realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied zijn in beginsel vrijgesteld van herplantplicht, maar dienen wel gemeld te worden. Verder zijn bijvoorbeeld fruitboomgaarden, lijnvormige beplantingen van wilgen of populieren, kerstbomen en houtopstanden op erven en tuinen vrijgesteld van bescherming.

Natuurnetwerk Nederland Natuurgebieden die onderdeel zijn van Natuurnetwerk Nederland worden planologisch beschermd via de provinciale Verordening Ruimte. In de provincie Noord-Brabant wordt specifiek gesproken over Natuurnetwerk Brabant, kortweg het NNB. Dit betreft een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones waar planten en dieren duurzaam kunnen verblijven en/of zich kunnen verplaatsen. Voor een groot deel heeft het NNB overlap met de Natura 2000-gebieden. Echter de wezenlijke kenmerken en waarden voor het NNB zijn breder dan de specifieke instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. Ze gaan naast soorten en natuurtypen bijvoorbeeld ook over cultuurhistorie en aardkundige waarden. Het Natuurnetwerk Brabant is op provinciaal niveau vastgesteld in de Structuurvisie Ruimtelijke Ontwikkeling met verdere uitwerking in de Verordening Ruimte en Natuurbeheerplannen 15. De wezenlijke kenmerken en waarden zijn vastgelegd in de ambitiekaarten behorend tot het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant 2019 16 . In het Natuurbeheerplan 2019 zijn gebiedsbeschrijvingen toegevoegd die specifiek per gebied de wezenlijke kenmerken en waarden toelichten. Beschermingsregime Natuurnetwerk Brabant Conform het NNB-toetsingskader dienen ingrepen die binnen en buiten het NNB plaatsvinden getoetst te worden op effecten.

Artikel 5 van de Verordening Ruimte (15 juli 2017, provincie Noord-Brabant) stelt een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht, voor zover het verstorende effecten als gevolg van licht, geluid en optische verstoring betreft. Wijzigingen binnen het NNB zijn eveneens toetsingsplichtig. Het NNN heeft, in tegenstelling tot Natura2000-

Voor ingrepen binnen de NNB die schade toebrengen aan of anderszins negatieve effecten hebben op de waarden van een NNB-gebied geldt het zogenaamde “nee, tenzij regime”. Dit betekent dat ingrepen die significant de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN aantasten niet zijn toegestaan, tenzij: - er sprake is van een groot openbaar belang; - er geen reële andere mogelijkheden zijn en; - de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd of;

15

Natuurbeheerplannen worden jaarlijks geactualiseerd door Provinciale Staten. 16 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2019-3202.pdf; vastgesteld door GS op 16 april te ‘s-Hertogenbosch. 14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

24

Projectgerelateerd

-

een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van het NNB of de Ecologische Verbindingszone per saldo te verbeteren.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

25

Projectgerelateerd

Bijlage 2: Locatie van potentieel jaarrond beschermd nest aan de rand van het plangebied.

14 april 2020

BG9452WATRP1912091545

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=71280a6b-c8e1-4d0a-9411-7d13c3733c12