Bijlage 6 Ruimtelijke onderbouwing Zonnepark Groespeel_3.pdf
Tekst van het document
Daarna kan het wisselend om de 4 tot 5 jaar worden onderhouden. Zo wordt zorggedragen voor een los, maar wel gesloten beeld. Door tijdens het beheer de haag in de lengterichting voor de helft onder kniehoogte te snoeien (met uitzondering van enkele boomvormers in de noordrand), is er altijd een deel van de haag die op hoogte is en het zicht op het zonnepark filtert. Tevens wordt deze niet te hoog. Beide helften worden wisselend om de 4 tot 5 jaar onderhouden. Het gesnoeide deel krijgt zo de kans om nieuwe takken te laten groeien die zullen bloeien en zaad dragen, wat ten gunste komt als voedsel voor insecten, vogels en kleine zoogdieren waaronder de das. Door op voldoende afstand van het hekwerk aan te planten, is bijsnoeien aan de binnenzijde hooguit incidenteel nodig.
24 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
Kruidenrijk grasland Om en onder de panelenvelden wordt gebruik gemaakt van een kruidenrijk grasland dat door schapenbegrazing beheerd wordt. Dit geldt voor de ontwikkeling van het kruidenrijk grasland van het plangebied, de omliggende onderhoudspaden, de ruimte onder de zonnepanelen en de tussenliggende beheerpaden. Kruidenrijk grasland is geschikt voor dubbel gebruik. Het beweiden met bijvoorbeeld schapen is een goede combinatie, mits de hoogte van de zonnepanelen dat toestaat, hetgeen hier het geval is. De gras-/kruidenmengsels dragen daarbij bij aan de kwaliteit van het dieet. Verschillende van de in de mengsels voorkomende kruiden hebben een gezondheid bevorderende werking. Het Agrifirm-mengsel lijkt daarbij minder geschikt voor dubbel gebruik met schapen, aangezien dit mengsel bastaardklaver bevat, hetgeen mogelijk giftig is voor schapen (zie tabel 1). Het voordeel van dubbel gebruik is dat het onderhoud van de percelen, in de vorm van maaien, niet of in mindere mate nodig is. Dat is goedkoper en bij beweiden wordt vegetatie gelijk afgevoerd. Aandachtspunten hierbij zijn hoe de schapen omgaan met de geplaatste zonnepanelen en op welke hoogte de betreffende panelen worden geplaatst. Gelet op het veelvuldig voorkomen van schapen op zonneparken, lijkt dat geen probleem, mits zij niet op de panelen (kunnen) kruipen.
Het plangebied wordt om verzekeringstechnische redenen afgezet met een hekwerk. Er is gekozen voor een hekwerk van schapengaas met palen. Om ervoor te zorgen dat kleine zoogdieren en akkervogels als de patrijs, eenvoudig in het plangebied kunnen komen wordt dit hekwerk aan de onderkant opengelaten (15 centimeter). Aanvullend wordt er een natuurlijke haag gerealiseerd met een mix van inheemse doornstruiken en bijgemengd met wilde liguster, aan een zijde van het hekwerk. Voor het passeren dan wel toegang verlenen trot het park voor de das zou een hoogte van 40 cm aan de onderkant van het hekwerk open moeten worden gelaten. Vanwege de veiligheid en de eisen van de verzekeringsmaatschappij is dat niet mogelijk. De haag wordt zodanig geplant dat de das om het zonneveld heen wordt geleid en zich dus door de EHS in noord-zuid richting kan verplaatsen.
4.1.2 Stikstof Er dient rekening te worden gehouden met stikstof uitstoot door de realisatie/bouw, waarbij stikstof vrij komt. Als het zonnepark er eenmaal staat zal het geen extra verkeer aantrekken. Stikstof verspreidt zich door de lucht en slaat neer op de bodem. Door dichtbij natuurgebieden te bouwen, komt het stikstof dus ook daar terecht. En die overdaad aan stikstof is een groot probleem voor de natuur. Het verrijkt namelijk de bodem waardoor zeldzame planten, die het goed doen op een voedselarme grond, het niet overleven en overwoekerd raken door planten die wél goed gedijen op een voedselrijke grond. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State het Programma Aanpak Stikstof (PAS) onverbindend verklaard. Het PAS regelde sinds 2015 de ruimte voor de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Wanneer er bedrijfsactiviteiten zijn die stikstof uitstoten (bijvoorbeeld uitstoot van vrachtwagens) en dit leidt tot stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden, dan speelt ook de Wet natuurbescherming een rol. Zolang de toename van de stikstofdepositie binnen een Natura 2000-gebied binnen de grenswaarde bleef, was geen vergunning op grond van deze wet noodzakelijk. Maar doordat het PAS niet meer geldt, vallen alle activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken nu echter wél onder de vergunningplicht.
Dit betekent dat voor deze activiteiten in elk geval een onderzoek naar de stikstofdepositie moet worden uitgevoerd. Hiertoe is een AERIUS berekening uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de beheerfase (zie bijlagen 4a en 4b) Deze berekening betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk 25 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Zowel de berekening van de aanleg als beheerfase heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr. Stikstofuitstoot vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen realisatie van een zonneveld aan de Groespeelweg te Mill.
4.2
Archeologie en Cultuurhistorie
Archeologie Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Het archeologiebeleid van de gemeente Mill en Sint Hubert is geborgd in het bestemmingsplan aan de hand van een dubbelbestemming Waarde- Archeologie. In het bestemmingsplan is opgenomen dat een onderzoeksverplichting is vereist wanneer de oppervlakte van de bodemverstorende ingreep groter is dan een voor de gebieden vastgestelde ondergrens en de verstoring dieper reikt dan 0,4 meter beneden maaiveld. Voor deze ontwikkeling geldt dat er voor het plangebied geen dubbelbestemming Waarde – Archeologie van kracht is.
(zie figuur 8) Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten, naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro. Op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart is een groot deel van de gemeente Mill en Sint Hubert aangeduid als ‘cultuurhistorisch’ of ‘aardkundig waardevol gebied’. Het plangebied is gelegen in een zogenaamd cultuurhistorische vlak in het cultuurhistorische waardevol gebied. Het plangebied ligt in Cultuurhistorisch Landschap Landgoederen De Peel, Cultuurhistorisch vlak Landgoed Princepeel In de Cultuur Historische Waardenkaart is onder andere opgenomen: De defensielinie van de Peel-Raamstelling gekoppeld aan het Peelkanaal heeft een bijzondere cultuurhistorische betekenis. De Peel-Raamstelling maakte deel uit van de verdedigingslinie tegen Duitsland uit de jaren '30 van de twintigste eeuw. Door de vervening en de ontginningen veranderde de waterhuishouding.
Waarden: In de regio ligt een groot deel van de Peel-Raamstelling.
Essentiele aspecten: De Peel-Raamstelling met Defensiekanaal Ontwikkelstrategie: De cultuurhistorische waarden van de Peelkern in hun samenhang verder ontwikkelen, beschermen en toeristischrecreatief ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de Peel-Raamstelling en de cultuurhistorische landschappen.
26 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
Betekenis voor het projectgebied In het kader van de Ontwikkelstrategie in het CHW zal het terugbrengen van een deel van de Groote Beek, de oude waterloop voordat het Defensiekanaal er was, langs de oostzijde van het plangebied deze strategie ondersteunen. De combinatie met het vertellen van het verhaal van het gebied en de Peel-Raamstelling is tevens conform deze ontwikkelstrategie.
4.3
Bodem
Uitgangspunt bij nieuwe initiatieven is dat voor wat betreft de bodem de kwaliteit daarvan zodanig dient te zijn, dat er geen risico’s voor de volksgezondheid ontstaan. Bouwen op verontreinigde grond moet voorkomen worden. Dit betekent bijvoorbeeld dat met een bodemonderzoek moet worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De onderzoekplicht is van toepassing in situaties waarbij voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, bijvoorbeeld om te werken, onderwijs te geven of te genieten. Uit de toelichting op de Woningwet blijkt dat met bovenstaande omschrijving wordt bedoeld met ‘enige tijd’ een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk) dag. Het gaat om een meer structureel verblijven van dezelfde mensen in een gebouw. Op het zonnepark "verblijven" geen personen.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Uit de rapportage bodem (bijlage 10) blijkt dat er een lichte bodemverontreiniging is in het plangebied, maar dat die geen consequenties heeft voor het voorgenomen plan en het huidige gebruik.
4.4
Water
De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding.
27 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
project
Water speelt een belangrijke rol binnen de ruimtelijke ordening. Aspecten die van belang zijn op de waterhuishouding zijn ingrepen in de watergangen, de toename van verhard oppervlak en de afvoer van hemel- en afvalwater. In onderhavig plan wordt de oppervlakte (daadwerkelijk) verhard oppervlak beperkt tot de transformatoren (2 stuks) en het klantstation. Daarmee blijft de toename verhard oppervlak onder de 50 m2. Er is in de planontwikkeling rekening gehouden met de obstakelvrije zone langs de hoofdwatergang. Er wordt geen nieuwe verharding in de vorm van wegen aangelegd. Om de gevolgen van de ruimtelijke ontwikkelingen te toetsen binnen het Waterbeleid is de Watertoets ontwikkeld. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Aa en Maas. Voor dit plan Is de digitale watertoets van het waterschap ingevuld.
Uit het wateradvies blijkt dat het plangebied aan ‘A-watergang’ ligt. Langs deze watergang moet aan beide zijde een obstakelvrijezone van 5 meter worden aangehouden. Deze ruimte blijft, zoals ook in de huidige situatie, gelijk. Door het waterschap is in vooroverleg als reactie aangegeven dat getoetst moet worden aan een 8-tal uitgangspunten: 1. Wateroverlastvrij bestemmen 2. Gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater 3. Doorlopen van afwegingsstappen: “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” 4. Hydrologisch neutraal ontwikkelen 28 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
5. 6. 7. 8.
Water als kans Meervoudig ruimtegebruik Voorkomen van vervuiling Waterschapsbelangen
Gelet op deze uitgangspunten kan gesteld worden dat de uitgangspunten met de voorziene ontwikkeling niet van toepassing zijn of binnen het plan passend zijn: ad 1. Een zonnepark geen NBW-norm ad 2. Er worden geen voorzieningen gerealiseerd ten behoeve van vuil water ad 3. Er worden geen voorzieningen getroffen ten aanzien van opvang of versnelde afvoer van hemelwater. Onderhoudspaden gaan over graspaden, er wordt voor dit doel geen nieuwe verharding aangebracht. Enig verhard oppervlak dat wordt aangebracht zijn de transformatoren en het klantstation. Het verhard oppervlak neemt daarmee toe met maximaal 50 m2. ad 4. Er zijn voor de realisatie van het zonnepark geen hydrologische aanpassingen noodzakelijk ad 5. Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden om water als kans te integreren in de landschappelijke inpassing ad 6. Meervoudig ruimtegebruik in het plangebied wordt gezocht in een ecologische ontwikkeling gericht op ‘droge’ soorten. ad 7. De functie als zonnepark kent geen emissie van afvalstoffen. Voor de constructie worden niet uitlogende materialen gebruikt. ad 8. Het waterschap heeft niet aangegeven welke waterschapsbelangen anders dan de nabijgelegen A-watergang aanwezig zijn. Met de bekende belangen wordt afdoende rekening gehouden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het plan voldoet aan de waterbelangen.
4.5
Geluid
Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende punten worden voldaan: • De normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen. • Bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. • Op en rond het plangebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen zones. In geval van het realiseren van geluidgevoelige bebouwing binnen deze zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Aangezien een zonnepark geen geluidsgevoelig object is wordt een akoestisch onderzoek in dit kader niet noodzakelijk geacht. Ook is er geen sprake van industrielawaai vanuit het nieuw te realiseren zonneveld. In het plangebied worden zonnepanelen geplaatst. Deze zonnepanelen produceren geen geluid. Daarnaast worden er ook geen installaties opgenomen die een wezenlijke geluidsemissie veroorzaken waardoor nader onderzoek noodzakelijk is. De transformatoren worden op ruime afstand van de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige bestemmingen (woonhuizen) geplaatst. Daarnaast is er, vanwege de hellende positie van de panelen, geen wezenlijke reflectie van omgevingsgeluid. Door de hellende positie kaatst geluid omhoog. Een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Bedrijven in de omgeving 29 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
Binnen het plangebied wordt geen nieuwe geluidgevoelige bestemming gerealiseerd. Bestaande (agrarische) bedrijven worden niet extra belemmerd. Woon- en leefklimaat De substations en transformatorstations hebben een bronvermogen van maximaal 2 MVA, de inverters, die ook nog enig geluid kunnen produceren, hebben een bronvermogen van 100 kW per stuk. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' valt dit onder de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter opgenomen. Dit betekent dat wordt geadviseerd om, op basis van een goede ruimtelijke ordening, een afstand van minimaal 30 meter aan te houden met geluidsgevoelige functies. De substations en de transformatorstations worden binnen de projectgrens gesitueerd, zoals ook de omvormers. De projectgrens is minimaal 300 meter vanaf geluidsgevoelige objecten gesitueerd. Met betrekking tot geluid blijft dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig.
4.6
Lichtreflectie
Samen met het inpassen van de ontwikkeling doormiddel van groen rondom zal er van lichtreflectie vanaf maaiveld geen sprake zijn. De toegepaste panelen zijn voorzien van antireflectie coating die ervoor zorgt dat reflectie geen belemmering is voor de huidige activiteiten boven het plangebied.
4.7 Luchtkwaliteit Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft de luchtkwaliteit. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkelingen, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde of; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt of; • een project “niet in betekenende mate” bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op grond van de nibm-tool (versie 2017) is een project pas in betekende mate bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 450 per dag (met 20% aandeel vrachtverkeer). Initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren waarbij er alleen tijdens de aanleg tijdelijk sprake zal zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen.
Daarna zal er alleen incidenteel verkeer plaats vinden die samenhangt met het beheer en onderhoud van het zonnepark. Zowel tijdens de aanleg als in de periode daarna blijft het aantal verkeersbewegingen zeer ruim onder het genoemde aantal van 450 per dag. Het plan leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit met 3% en kan als 'niet in betekenende mate' worden beschouwd. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Het voorgenomen plan zal voor de luchtkwaliteit dan ook geen negatieve gevolgen hebben.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is afstemming nodig tussen gevoelige functies en bedrijven. De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ hanteert hiervoor richtafstanden. Dat zijn normen per bedrijfstype en geven aan wat de algemeen acceptabele afstand is ten 30 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
opzichte van een gevoelige bestemming op het vlak van onder meer geur, stof en geluid. De afstanden betreffen richtafstanden tussen een verstorende activiteit van een bedrijf en een ‘rustige woonwijk’. Voor het plangebied blijft de agrarische functie gehandhaafd. Het plan maakt geen nieuwe milieugevoelige functies mogelijk die een grotere bescherming dan ten opzichte van die functie noodzakelijk maken Zonneparken zijn niet opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Om toch enigszins een richtafstand te hanteren kunnen we die van de functie 'elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorbedrijven' gebruiken die geldt voor bedrijven van 10 tot 100 MVA. Voor deze functie geldt een grootste richtafstand van 50 meter (geluid). De transformator en zonnepanelen worden gerealiseerd op ongeveer 400 meter van de dichtstbijzijnde bebouwing (varkensbedrijf). Aangezien dit veel groter is dan de grootste afstand van 50 meter mag er van uit gegaan worden dat dit aspect geen belemmeringen oplevert voor de realisatie van een zonnepark in het plangebied. Besluit milieueffectrapportage In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport opgesteld dient te worden.
De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden is opgenomen in de bijlage van het Besluit MER. Overigens wordt onderscheid gemaakt tussen een MERbeoordeling (categorie D), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een MER nodig is of een verplicht MER (categorie C). Aangezien het om een kleinschalig project gaat kleiner met een oppervlakte onder de 25 hectare lijkt een milieueffectbeoordeling niet nodig is. Echter, op 7 juli 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. Eén van de meest opmerkelijke wijzigingen is de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit melden, deze hoeft niet te worden gepubliceerd in de Staatscourant; de initiatiefnemer van het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit dit bij de vergunningaanvraag toevoegen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling moet altijd worden toegepast wanneer sprake is van een activiteit die is genoemd in onderdeel C of D van bijlage I van het Besluit m.e.r.. De vermelding dat de betreffende ondergrens niet wordt overschreden is onvoldoende als motivatie om geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
Dit houdt in dat voor elk besluit, plan of activiteit dat na 16 mei 2017 is ingediend, en betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, aandacht moet worden besteed aan m.e.r. De aspecten die aan de orde komen in een m.e.r.-beoordeling worden in dit hoofdstuk uitgewerkt. De gronden in het plangebied zijn in gebruik als agrarische gronden. Bij de realisatie van het zonnepark aan de Groespeelweg nabij Mill gaat het om een functiewijziging om de realisatie van een zonnepark mogelijk te maken. De voorgenomen ontwikkeling is niet opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r.
31 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
Daarnaast geldt dat voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie (D22.1) bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, een drempelwaarde geldt van een vermogen van 200 megawatt (thermisch) of meer (voor een elektriciteitscentrale) en, indien het een wijziging of uitbreiding betreft: • 1°. Het vermogen met 20% of meer toeneemt, of • 2°. De inzet van een andere brandstof tot doel heeft. Het voorliggende project betreft een zonneveld met ruim minder opgewekt vermogen en er wordt geen stoom en warm water geproduceerd. Voor het voorgenomen plan is geen m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. benodigd. Het zonneveld valt niet onder het Besluit milieueffectrapportage. Het zonneveld wordt aangelegd met respect voor de bodem en door de open cultuur is hier geen schade te verwachten. De constructie wordt zodanig aangelegd dat er geen schade ontstaat en het systeem makkelijk demontabel is. De locatie is niet gelegen in een Natura 2000-gebied, Natuur Netwerk Nederland-zonering of andere gebieden. Het realiseren van een zonneveld op de planlocatie is goed onderzocht in het kader van de onderzoeken welke deel uit maken van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Resumerend zullen er zowel tijdens de aanlegfase, als tijdens de gebruiksfase, als tijdens de ontmantelingsfase, geen significante negatieve effecten bestaan voor het milieu.
Gelet op de kenmerken van het project, en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals opgenomen in dit hoofdstuk, blijkt verder dat het plan geen significante effecten op de omgeving heeft.
4.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen, gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).
In het kader van de veiligheid worden op het zonneveld maatregelen genomen in overleg met gemeente en brandweer. Zo wordt het zonneveld in ieder geval goed ontsloten, afgesloten voor onbevoegden en worden de constructies geaard. Een zonneveld is geen gevoelig object of inrichting dat formeel een veiligheidscontour kent. Wel betreft een zonneveld een inrichting dat energie in de vorm van elektriciteit opwekt en op het elektriciteitsnet levert. Om de veiligheid te waarborgen komt er een hek rondom het zonneveld. Dit hekwerk is 2 meter hoog 32 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
en staat op ruime afstand van de zonnepanelen waardoor onbevoegde personen niet bij de zonnepanelen kunnen. Daarnaast wordt het zonneveld niet openbaar toegankelijk. Het park is enkel middels een afgesloten poort te betreden ten behoeve van regulier beheer en onderhoud. Daarnaast wordt het park geaard en worden elektriciteitskabels ondergronds aangelegd. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om in beeld te brengen of er in het plangebied, of in de nabijheid daarvan, risicobronnen (productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen) aanwezig zijn, is de provinciale risicokaart geraadpleegd.
plangebied
Figuur 11: Uitsnede Risicokaart Nederland ter hoogte van het plangebied (www.risicokaart.nl)
Transport gevaarlijke stoffen en buisleidingen Bij de realisatie van een nieuw initiatief wordt gekeken naar vervoer van gevaarlijke stoffen en hoofdgasleidingen. Doel hiervan is om zowel individuele personen als groepen mensen een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart blijkt m.b.t. de wegen en buisleidingen het volgende:
Wegen Uit de risicokaart blijkt dat er één risicovolle transportroutes (via weg, water en spoor) in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Dit is de provinciale weg N264 Uden -Gennep (transportroutedeel Lippstadtsingel-Nieuwedijk) op circa 1500 meter van het plangebied. Gezien de aard van het plan (zonnepark, waarbij over het algemeen geen mensen aanwezig zijn), de afstand tot de weg en het feit dat er geen risicocontour voor dit wegdeel is opgenomen, zal deze weg geen belemmering zijn voor de realisatie van een zonnepark
Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleidingen zijn de aardgasleidingen NEN 3650-leiding " A-587", "A-520" en de"A-578" van de Gasunie op circa 1.100 meter van het plangebied. Vanwege deze grote afstand van de buisleiding tot het plangebied en de aard van het plan (zonnepanelen) zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 33 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
Inrichtingen Binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied liggen geen inrichtingen die gevaar op kunnen leveren voor de bedrijfsactiviteit. Op ca 400 m ligt een propaantank (18000l) op een varkenshouderij. De propaantank heeft echter geen risico-afstanden en het plangebied ligt ver buiten de aangegeven risicocontour. Deze risicobron (propaantank) levert geen gevaar op voor de realisatie van het zonnepark (waar tevens geen mensen zullen verblijven). Ook bij de andere in de omgeving zijnde risicobronnen gaat het om een propaantank op een agrarisch bedrijf. Het dichtstbijzijnde kwetsbare object is een cafe op circa 1.250 meter. Uit bovenstaande blijkt dat het plangebied buiten de invloedsfeer van risicovolle inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen ligt. Door de realisatie van een zonnepark zal het aantal personen in het plangebied niet toenemen. Het zonnepark is bovendien ook geen inrichting die gevaar kan opleveren voor omliggende woningen. Er zijn met betrekking tot de externe veiligheid dan ook geen belemmeringen voor de realisatie van een zonnepark op de voorgenomen locatie aan de Groespeelweg nabij Mill.
4.10
Elektromagnetische straling
Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (ìT). De GGD adviseert om ook bij ander bronnen van ELFEM velden, zoals onderstations en transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren. Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonneveld door de afstand van een zonneveld tot woningen en gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 ìT komt. Gezien de relatief grote afstand van zowel omvormers als de transformatoren tot de dichtstbijzijnde burgerwoningen wordt ruimschoots voldaan aan de advieswaarde van 0,4 ìT.
4.11 Verkeer en parkeren Het plangebied Is gelegen in het buitengebied van Mill en wordt via meerdere in- en uitgangen ontsloten vanaf de Groespeelweg. Binnen het plangebied, buiten het zicht, wordt ruimte gecreëerd voor het parkeren van enkele voertuigen ten behoeve van de beheer- en onderhoudsmedewerkers. Gezien het feit dat de ontwikkeling van het zonneveld niet ligt aan een drukke verbindingsweg en het gebied dunbevolkt is, is de verwachting dat de ontwikkeling op gebied van verkeer en parkeren geen grote gevolgen zal hebben. De enige overlast die denkbaar is, is tijdens de aanlegfase en ontmantelingsfase op en rond de Groespeelweg. Verder zal er tijdens de beheerfase op beperkte schaal verkeersbewegingen zijn. Parkeeroverlast door beheerpartijen is niet te verwachten doordat geparkeerd kan worden op het (afgesloten) terrein.
4.13 Conclusie Nadat alle omgevingsaspecten in dit hoofdstuk benoemd zijn, kan hieruit worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.
34 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
Hoofdstuk 5 5.1 Inleiding
Uitvoerbaarheid
Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan. De ruimtelijke uitvoerbaarheid, de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid wordt beschreven.
5.2
Ruimtelijke uitvoerbaarheid
In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Geconstateerd is dat er geen omgevings- en milieukundige belemmeringen zijn. Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.
5.3
Maatschappelijke participatie
Initiatiefnemers zijn zich ervan bewust dat het belangrijk is om de omgeving te betrekken bij het plan van de realisatie van een zonnepark. Al vroeg in het proces zijn de omwonenden betrokken bij dit proces. De eerste stap is dat er individuele gesprekken zijn gevoerd door dhr. Vloet om te verkennen hoe omwonenden tegenover dit plan zouden staan. Als tweede stap hebben de gemeenten en dhr. Vloet een gezamenlijke bijeenkomst georganiseerd om verdere toelichting te geven op de plannen, wensen op te halen voor landschappelijke inpassing, vragen te beantwoorden en te verkennen of de omgeving mee wil ontwikkelen in dit zonnepark. Er zijn hen naderhand diverse handvatten aangereikt om zich daarin te verdiepen hoe zij kunnen deelnemen. In een tweede bijeenkomst is hier dieper op ingegaan en is ondersteuning voor deze ontwikkeling in de vorm van een postcoderoos aangeboden. Het omgevingsproces is toegelicht in het separaat bijgevoegde document ‘Proces participatie Zonneveld Mill’ in bijlage 5.
5.4
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor de realisatie van het zonnepark op de betreffende percelen (plangebied) aan de Groespeelweg in Mill is een omgevingsvergunning nodig. De ontwerpvergunning zal op grond van de algemene voorbereidingsprocedure (artikel 3.4 Algemene wet bestuursrecht) ter inzage worden gelegd, zodat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld een zienswijze in te dienen. Hieraan voorafgaande is in het kader van het wettelijk vooroverleg overleg gepleegd met het waterschap en met de Veiligheidsregio Brabant-Noord. De overlegreactie van het waterschap is in paragraaf 4.4. opgenomen. De veiligheidsregio adviseert een opstelplaats te realiseren bij het Defensiekanaal. Aan dit advies wordt gehoor gegeven. Aanvullend geeft de veiligheidsregio een aantal extra adviezen: - Geadviseerd wordt om een zekere vorm van compartimentering aan te houden. Hierdoor kan de schade bij een brand worden beperkt. -Geadviseerd wordt om de middenspanningskabels (1000-25000 volt) herkenbaar te maken (zowel bovengronds als ondergronds). De bovengrondse kabels voor de bestrijdbaarheid door de brandweer en de ondergrondse kabels om de kans op graafschade te beperken. - Geadviseerd wordt om zorg te dragen voor instructies bij noodsituaties. 1 van de onderdelen hier is de bereikbaarheidsgegevens van relevante partijen. Deze adviezen worden bij de uitvoering van het project opgevolgd.
35 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
5.5
Economische uitvoerbaarheid
Het gaat in casu om een gecombineerd project waarin zowel de gemeente als de particulier ontwikkelaar een deel ontwikkeld. Kostenverhaal gemeente Met de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten, waarin onder andere het verhalen van eventuele planschade wordt geregeld. Voor de gezamenlijke onderdelen in het project is een separate overeenkomst opgesteld om deze kosten te verdelen. De vaststelling van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Financiering zonnepark Zowel de gemeente als de particulier ontwikkelaar ontwikkelt voor eigen rekening en risico. Hierbij is het wel noodzakelijk dat het zonneveld in de nabijheid wordt aangesloten op het net. Hiertoe heeft afstemming plaatsgevonden met de netwerkbeheerder, waaruit bleek dat dit hier mogelijk is. Ook is er SDE++ subsidie noodzakelijk, die kan worden aangevraagd nadat een omgevingsvergunning voor de realisatie van het zonneveld is verleend. Energietransitiefonds In de Business Case is rekening gehouden met de afdracht aan het Energietransitiefonds. Per MWh zal 0,25 EURO/jaar per zonnepark worden afgedragen gedurende de gehele looptijd van het project.
Berekening optie lokale Postcoderoos Voor de overgebleven capaciteit die de gemeente niet gebruikt voor de riolering, bestaat de mogelijkheid van een lokale postcoderoos. Hierover is de gemeente in gesprek met omwonenden en inwoners in de postcoderoos. Aangezien de SDE++ voor de PCR een stuk hoger ligt dan de reguliere SDE++ is er voor lokaal eigendom een beter rendement haalbaar. Afhankelijk van de animo is er de mogelijkheid om enkele PCR projecten binnen het gehele park te faciliteren. Nadere invulling hiervan vind plaats via het participatietraject, zoals beschreven in het communicatieplan (zie bijlage 5).
5.6
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het initiatief zowel uit maatschappelijk en economisch oogpunt uitvoerbaar is. Daarnaast is niet gebleken van milieubelemmeringen en van beletselen uit ruimtelijk- planologisch oogpunt. Er zijn dan ook op basis van het bestemmingsplan geen belemmeringen om tot het verlenen van de vergunning over te kunnen gaan.
36 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4a Bijlage 4b Bijlage 5
Inrichtingsplan zonneveld QuickScan Ecologie Noord-Brabant Omgevingsrapport Stikstof berekening (Aerius) aanlegfase Stikstof berekening (Aerius) beheerfase Communicatieplan
37 RO Zonnepark Groespeelweg te Mill R3.0