2a. Toelichting Fietspad en brug Stoofweg vastgesteld 28092021.pdf
Tekst van het document
29
Hydrologisch kader Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben in hun keuren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Dit gezamenlijke beleid heeft onder andere geresulteerd in de rapportage ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ van 9 december 2014. Uit (onder andere) deze uitgangspunten blijkt het volgende: 'Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen.
Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel-)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doel- matigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging.' De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote (toename verhard oppervlak groter dan 10.000 m2) en kleine plannen (toename verhard oppervlak tussen de tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 ). Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft ertoe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-eis. Voor plannen met een toename van het verharde oppervlak minder dan 2.000 m2 geldt geen compensatie-eis. Hemelwaterbeleidsplan De gemeente Grave heeft een eigen hemelwater beleidsplan.
Op basis van dit plan hanteert de gemeente het beleid dat bij aanleg van nieuwe verhardingen 60 mm berging aangelegd dient te worden voor hemelwater. Compensatie-eis In de Keur van de Brabantse Waterschappen is als compensatie-eis 60 mm vastgesteld (hoeveelheid in mm die ‘overblijft’ en die geborgen moet worden binnen 24 uur), waarbij is uitgegaan van de vastgestelde afgeronde gemiddelde
Bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’, 28 september 2021
30
maatgevende afvoer van 1,0 l/s/ha en met aftrekposten zoals berging op straat en berging in het riool. In de Algemene Regel is tevens een gevoeligheidsfactor voor de compensatie-eis opgenomen. Afhankelijk van kenmerken van het beïnvloedingsgebied wordt een gevoeligheidsfactor toegepast. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Volgens tabel 2 in de Keur is sprake van een gevoeligheidsfactor van 1; dit houdt in dat de waarde van 60 mm van de compensatie-eis voor onderhavige onderzoekslocatie volgens de keur ongewijzigd blijft. Voor een toename van het verhard oppervlak bij kleine plannen kan volgens de Keur de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met de compensatie-eis (60 mm) en de gevoeligheidsfactor. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Wanneer de vereiste compensatie berekend is, kan een voorziening ontworpen en nader uitgewerkt worden. De rekenregel is als volgt:
Toename verhard oppervlak (m2) * 0,06 (m) * Gevoeligheidsfactor = 3 Benodigde compensatie (m ) De gemeente hanteert ingevolge haar hemelwater beleidsplan dezelfde compensatie-eis als het waterschap. Consequenties Voor dit plan is de toename van het verhard oppervlak maximaal 1000 m². Op basis van de in de keur en de in het gemeentelijke hemelwater beleidsplan gestelde compensatieeis dient een voorziening van 60 m3 (1000 m2 verharding * 0,06 (m) * 1 = 60 m3) beschikbaar te zijn. Gekozen wordt voor afvloeiing van hemelwater richting het aangrenzende groen in openbaar gebied. Het fietspad komt lager te liggen dan de weg, maar hoger dan het groen. Het water dat niet door het fietspad heen infiltreert wordt daardoor afgevoerd richting het groen, dat als vloeiveld functioneert en afloopt richting de Raam. Omdat hiermee (welliswaar indirect via een vloeiveld) wordt geloosd op de Raam zal hiervoor te zijner tijd een watervergunning bij het Waterschap aangevraagd moeten worden. Het openbaar gebied waarop afgevloeid wordt beschikt over meer capaciteit dan 60 m3. Met vorenstaande voorziening wordt aan de compensatie-eis i.v.m. de berging en afvoer van hemelwater voldaan. Conclusie Uit deze waterparagraaf blijkt dat het initiatief geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse.
Wel dient te zijner tijd, voor aanleg van de brug, een watervergunning bij het Waterschap aangevraagd te worden.
Bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’, 28 september 2021
31
4.10
Milieueffectrapportage (M.e.r.) Beleidskader Op grond van het Besluit milieueffectrapportage, mede in relatie tot bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling, moet voor bepaalde projecten een m.e.r. worden gemaakt of een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Met een m.e.r. worden vooraf de milieugevolgen van een besluit in beeld gebracht. Op 7 juli 2017 het Besluit m.e.r. gewijzigd in werking getreden. In het gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet: - door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; - het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; - de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Dit volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU. Consequenties Onderzocht is of een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling nodig is. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r.
is aangegeven in welke gevallen voor een project een mer (beoordeling) nodig is. De langzaam verkeersverbinding is niet mer (beoordelings)plichtig. Voor dit initiatief hoeft op grond van de Wet milieubeheer geen milieueffectrapport te worden gemaakt. Op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEGrichtlijn milieu-effectbeoordeling is niet gebleken dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn die leiden tot een m.e.r.-beoordelingsplicht. Hierbij wijzen wij op wat wij elders in deze toelichting over de afzonderlijke milieuaspecten hebben opgemerkt. Er bestaat dan ook geen aanleiding tot het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling.
Bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’, 28 september 2021
32
5.
Juridische planbeschrijving 5.1 Vormgeving juridisch plan Ten behoeve van de actualisatie van de bestemmingsplannen voor het stedelijk gebied, heeft de gemeente Grave een “stramien” (standaard) opgesteld. Dit stramien vormt de basis voor de actualisatie van alle vigerende bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan “Fietspad en brug Stoofweg” voorziet in de realisatie van een fietspad en een brug. Voor dit bestemmingsplan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het stramien. 5.2 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en digitalisering Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden (Wro). In deze wet is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Dit betekent dat bestemmingsplannen alleen in digitale vorm rechtskracht kunnen krijgen. De papieren versie betreft slechts een verbeelding van de digitale versie. Deze digitaliseringsverplichting is op 1 januari 2010 van kracht geworden. Dit bestemmingsplan is daarom volledig digitaal en IMRO-gecodeerd opgesteld, zodat het digitaal beschikbaar kan worden gesteld. Bij het opstellen van het onderhavige is aangesloten bij de landelijk standaard voor bestemmingsplannen, de RO-Standaarden 2012. 5.3 Doelstellingen en planopzet Het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de verbeelding tezamen.
De basis voor de verbeelding is een recente kadastrale ondergrond, aangevuld met topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren weergegeven. Voorts zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. De planregels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken: •
•
•
•
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen; Hoofdstuk 2 bevat de planregels in verband met de bestemmingsbepalingen. Per bestemming bevat dit hoofdstuk planregels, welke specifiek voor die bestemming gelden; Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Hierbij gaat het om planregels die op nagenoeg alle bestemmingen betrekking hebben en die vooral om praktische redenen zijn ondergebracht in dit hoofdstuk, alsmede een aantal specifieke planregels, waaronder een anti-dubbeltelbepaling; Tenslotte bevat hoofdstuk 4 de overgangs- en slotregels. Deze planregels bevatten onder meer het overgangsrecht en de titel van het bestemmingsplan.
5.4 Toelichting afzonderlijke bestemmingen en regelingen
Bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’, 28 september 2021
33
In deze paragraaf worden de bestemmingen afzonderlijk toegelicht. Voor een goed begrip van de regeling dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd. 5.4.1 Verkeer – Verblijfsgebied Binnen deze bestemming bestaat de mogelijkheid naast verkeersvoorzieningen, verblijfsvoorzieningen en speelvoorzieningen te treffen. De bestemming is globaal geformuleerd. Binnen deze bestemming kan het fietspad met de brug gerealiseerd worden. 5.4.2 Waterstaat – Waterlopen Om de aanwezige A-watergang te beschermen, is voor de zone naast de A-watergang een dubbelbestemming opgenomen, die inhoudt dat alleen kleine bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd. Via een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan dan ten behoeve van de onderliggende bestemming worden gebouwd. Een vergunningstelsel voor werkzaamheden is niet opgenomen, omdat de Keur van het waterschap al voldoende bescherming biedt. 5.4.3 Waarde – Zoekgebied ecologische verbindingszone De Raam met een zone van 25 meter aan weerszijden van de waterloop zijn in de provinciale ruimtelijke verordening aangewezen als ‘Natuurnetwerk Brabant - Ecologische verbindingszone’. Deze dubbelbestemming is opgenomen om de gronden de bescherming te bieden die ze ingevolge de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant moeten hebben.
Bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’, 28 september 2021
34
6. Uitvoeringsaspecten 6.1 Economische haalbaarheid Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente Grave is initiatiefnemer van de ontwikkeling, dat betekent dat de gemeente verantwoordelijk is voor de kosten die gemoeid zijn met het mogelijk maken van de ontwikkeling en geen kosten bij derden verhaald hoeven te worden. Het is daardoor niet noodzakelijk een exploitatieplan op- en vast te stellen of de kosten anderszins te verzekeren. Uit bovenstaande blijkt dat het plan economisch uitvoerbaar is. 6.2 Overleg en maatschappelijke haalbaarheid De ruimtelijke procedures tot en met de vergunningverlening van een omgevingsvergunning zijn door de wet geregeld. De wet regelt bijvoorbeeld dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Dit vooroverleg is ook in het kader van onderhavig plan gevoerd. De gemeente Grave kan ervoor kiezen om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening.
De gemeente heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft voor zes weken, van 24 oktober tot en met 4 december 2020, een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. In die periode is het voor iedereen mogelijk geweest om schriftelijk of mondeling een inspraakreactie bij het college van B&W van de gemeente Grave in te dienen. Er zijn in deze periode bij de gemeente geen inspraakreacties ontvangen. Naar aanleiding van het voortraject is het ontwerpbestemmingsplan ongewijzigd ten opzichte van het voorontwerpbestemmingsplan verder in procedure gebracht. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende een periode van 6 weken voor zienswijzen ter inzage gelegen. Van 20 februari tot en met 2 april 2021 is iedereen in de gelegenheid gesteld om (schriftelijk of mondeling) zijn of haar zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan bij de gemeenteraad kenbaar te maken. Er is door de gemeenteraad één zienswijze ontvangen. De zienswijze is afkomstig van de provincie Noord-Brabant. De zienswijze van de provincie Noord-Brabant houdt samengevat het volgende in.
Bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’, 28 september 2021
35
De provincie merkt op dat de ontwikkeling leidt tot een verbetering van de verkeersveiligheid en geeft aan dat de ontwikkeling met die reden wenselijk is. Wel wijst de provincie erop dat de natuurlijke structuur rondom de ontwikkeling aandacht vraagt. Omdat de ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt een gerealiseerde ecologische verbindingszone (EVZ) wordt doorkruist is het van belang dat de ecologische impact van deze ontwikkeling in de toelichting van het bestemmingsplan wordt behandeld. Deze onderbouwing is in het ontwerpbestemmingsplan zeer summier opgenomen. Uit onderzoek moet blijken dat geen aantasting of verstoring van de EVZ plaatsvindt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met: -
Voor welke doelsoorten de EVZ is ingericht; Of deze soorten door de ontwikkeling nog voldoende kunnen migreren, hierbij is de positionering van de brughoofden van belang; Aangetoond moet worden dat langs de Raam voldoende ruimte overblijft om als migratiezone te kunnen blijven functioneren.
Uit de toelichting van het bestemmingsplan blijkt niet of en in hoeverre sprake is van aantasting of verstoring van het NNB. De ontwikkeling is daardoor vooralsnog strijdig met de artikelen 3.15 en 3.16 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De provincie verzoekt de gemeente om het bestemmingsplan in overeenstemming te brengen met de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Naar aanleiding van de zienswijze van de provincie Noord-Brabant is door Buro Maerlant een ‘Notitie effectbeoordeling EVZ Graafsche Raam’ opgesteld. In de notitie wordt ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het NNB. De notitie is verwerkt in deze toelichting en als bijlage eraan toegevoegd. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling – mits rekening wordt gehouden met de aanbevelingen i.v.m. de verlichting - geen negatief effect heeft op de functie als EVZ van de Raam en het NNB in het algemeen. Door de gemeente Grave (bevoegd gezag en initiatiefnemer) wordt hiermee in de verdere uitwerking van het ontwerp voor de brug rekening gehouden. Het bestemmingsplan is met deze toevoeging in overeenstemming met de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. De ingekomen zienswijze is via een zienswijzenota door de gemeenteraad beantwoord (bijlage 5 van deze toelichting).
De zienswijze heeft geleid tot nader motivering van de ontwikkeling, maar gaf geen aanleiding de regels of de verbeelding van dit bestemmingsplan aan te passen. Ook is daarin geen sprake van ambtshalve wijzigingen. Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Grave dan ook ongewijzigd vastgesteld.
Bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’, 28 september 2021
36
7. Bijlagen Bijlage 1 – ‘Brede maatschappelijke voorzieningen Grave-Oost, veilige routes naar school’ Bijlage 2 – Quickscan flora en fauna Bijlage 3 – Archeologisch verkennend bureau- en booronderzoek Bijlage 4 - Notitie effectbeoordeling EVZ Graafsche Raam Bijlage 5 – Zienswijzenota bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’
Bestemmingsplan ‘Fietspad en brug Stoofweg’, 28 september 2021
37