CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

19. Toelichting bijlage 10 Watertoets.pdf

Mill - raadsvergadering 21 oktober 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: Bestemmingsplan Mill-Noord, voormalig MOB-complex4.642 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rapport Projectnummer: 358263 Referentienummer: SWNL0252254 Datum: 10-06-2021

Watertoets Ruimte voor Ruimte locatie MOB complex, Mill Watertoets en waterparagraaf

Definitief

Sweco Zernikestraat 17 5612 HZ Eindhoven Postbus 1265 5602 BG Eindhoven Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Eindhoven Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Ab Dees ing. T +31 88 811 57 84 M +31 6 54 27 25 32

Verantwoording Titel

Watertoets Ruimte voor Ruimte locatie, MOB complex Mill

Subtitel

Watertoets en waterparagraaf

Projectnummer

358263

Referentienummer

SWNL0252254

Revisie

D4

Datum

10-6-2021

Auteur(s)

Henk van den Berg

E-mailadres

Henk.vandenberg@sweco.nl

Gecontroleerd door

Ab Dees

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Ron Buitelaar

Paraaf goedgekeurd

nl_rapport.docx 20161201

2 (17)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 4 Algemeen................................................................................................................. 4 Projectgebied ........................................................................................................... 4 Doorlopen proces .................................................................................................... 5 Opbouw rapport ....................................................................................................... 5

2

Gebiedskenmerken ............................................................................................... 6 Algemeen................................................................................................................. 6 Hoogteligging ........................................................................................................... 6 Bodemopbouw, ondiepe bodem .............................................................................. 7 Grondwater .............................................................................................................. 7

2.4.1

Grondwatertrap .....................................................................................................................7

2.4.2

Peilbuizen .............................................................................................................................8

Infiltratiekansen ....................................................................................................... 8 Oppervlaktewater .................................................................................................... 8 Riolering................................................................................................................... 8 3

Waterhuishoudkundige doelen en maatstaven .................................................. 9 Beschermde gebieden ............................................................................................. 9 Beleid waterschap Aa en Maas ............................................................................... 9

3.2.1

Waterbeheerplan ..................................................................................................................9

3.2.2

Keurbeleid ...........................................................................................................................10

Beleid gemeente Mill en Sint Hubert ..................................................................... 12 3.3.1

Ontwaterings- en afwateringsnormen .................................................................................12

4

Ruimtelijke consequenties ................................................................................. 14 Inleiding ................................................................................................................. 14 Stedenbouwkundig ontwerp .................................................................................. 14 Vuilwaterafvoer en hemelwaterbehandeling ......................................................... 16 Aanleghoogtes ....................................................................................................... 16

5

Conclusie.............................................................................................................. 17

nl_rapport.docx 20161201

3 (17)

1

Inleiding

Algemeen Ontwikkelmaatschappij Ruimte voor Ruimte is voornemens een woningbouwlocatie te ontwikkelen op de locatie MOB complex te Mill. Het plan wordt hierna aangeduid als ‘MOBcomplex’. Voor de ontwikkeling van het gebied moet een bestemmingsplan worden opgesteld. De Watertoets1 vormt onderdeel van het bestemmingsplan. Sweco heeft opdracht gekregen om voor plan MOB-complex de watertoets uit te voeren en de waterparagraaf op te stellen. Projectgebied Het plangebied ligt ten noordwesten van de kern Mill en bestaat uit bos en open plekken. Rondom het plangebied liggen akkers en bos en staan woningen. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Kampweg en aan de oostzijde aan de Graafseweg. Aan de zuidzijde sluit het plangebied aan op de bestaande bebouwing van Mill. Het oppervlak van het ontwikkelgebied bedraagt circa 16 ha. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

Figuur 1-1

Ligging plangebied MOB-complex

1

De watertoets omvat het proces van informeren, afstemmen en adviseren om te komen tot een inhoudelijke beoordeling van de waterhuishoudkundige gevolgen van het bestemmingsplan. Dit proces resulteert in de waterparagraaf ten behoeve van (een wijziging van) het bestemmingsplan.

nl_rapport.docx 20161201

4 (17)

Doorlopen proces De watertoets is een proces waarbinnen afstemming plaatsvindt tussen het stedenbouwkundig plan en de ruimte voor water. Als onderdeel van het watertoetsproces is de voorgenomen ontwikkeling voorgelegd aan waterschap Aa en Maas, de reactie hierop is opgenomen bij de beleidsuitgangspunten. De voor u liggende watertoets is in concept voorgelegd aan de gemeente Mill Sint Hubertus, Waterschap Aa en Maas en Ontwikkelmaatschappij Ruimte voor Ruimte. De reacties op het conceptdocument zijn verwerkt in deze rapportage. Opbouw rapport In hoofdstuk 2 is de huidige situatie van de locatie beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de waterhuishoudkundige doelen en maatstaven. De ruimtelijke consequenties, knelpunten en oplossingsrichtingen worden in hoofdstuk 4 beschreven.

nl_rapport.docx 20161201

5 (17)

2

Gebiedskenmerken

Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bodemopbouw en geohydrologische situatie, zoals deze is vastgesteld aan de hand van literatuur. Voor elk onderwerp worden eerst de resultaten besproken en, daar waar nodig, een conclusie gegeven. De geïnventariseerde gegevens van de bodemopbouw, grondwaterstanden en oppervlaktewater zijn afkomstig van de volgende bronnen. • Algemene Hoogtekaart Nederland (www.ahn.nl); • Bodemkaart van Nederland (Alterra, 2000); • Bodematlas van provincie Noord Brabant; • grondwatergegevens uit DINO-loket (Data en Informatie Nederlandse Ondergrond) en REGIS II v2.2 (Regionaal Geohydrologisch Informatiesysteem (NITG-TNO); • BUS-melding inclusief bodemonderzoek. Geofox, februari 2013. Hoogteligging Op de uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3, zie figuur 2) is te zien dat het hoogteverschil in het gebied relatief groot is. De hoogste delen bevinden zich aan de oost- en westzijde op circa NAP +17,75 m. Het maaiveldverloop is overwegend naar het centrum van het plangebied gericht waar de maaiveldhoogte circa NAP +17,00 m bedraagt. Het maaiveld loopt af naar de laagste delen zuidelijk in het plangebied tot circa NAP +15,50 m. De aansluiting met de omgeving heeft weinig hoogteverschil.

Figuur 2-1

Uitsnede AHN3

nl_rapport.docx 20161201

6 (17)

Bodemopbouw, ondiepe bodem Volgens de bodemkaart van Nederland bestaat de bodem uit haarpodzolgronden met grof zand als textuur (bodemcode gHd30) met voorkomen van grind ondieper dan 40 cm beginnend. Het woord podzol is ontleend aan het Russisch en betekent ‘lijkt op as’. Haarpodzolgronden bestaan uit onder een dunne humusrijke toplaag, met daaronder een mineraalarme uitspoelingslaag op een mineraalrijke inspoelingslaag. In volledig ontwikkelde podzolgronden zijn duidelijk gescheiden een grijze, bruine en gele band te herkennen waarvan de eerste ‘lijkt op as’. Podzolbodems zijn van nature arme bodems en komen voornamelijk voor op zandgronden, die afgezet zijn in het Pleistoceen. In 2013 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Daarbij zijn 14 boringen tot maximaal 6,0 m-mv uitgevoerd. In de uitgevoerde boringen zijn de podzolkenmerken te herkennen tot een diepte van circa 2,0 à 2,5 m-mv. Daaronder is vrijwel in hele gebied een grindlaag aangetroffen met een dikte van circa 0,5 m. In de boringen zijn matig- tot uiterst roesthoudende lagen aangetroffen op een diepte variërend van 2 m-mv tot 3,5 m-mv. Roestverschijnselen kunnen erop duiden dat grondwater, in het verleden, op een bepaald niveau heeft gestaan. Na het zakken van de grondwaterstand kan corrosie van ijzerhoudende deeltjes optreden, wat aanleiding geeft tot roestvorming.

2.5 Bodemopbouw, diepere bodem De deklaag bestaat tot een diepte van circa NAP +8,0 m uit het zandpakket van de formatie van Beegden. Hieronder ligt vervolgens weer een zand- en kleipakket van de Formatie van Breda. Dit pakket loopt door tot een diepte van NAP -110,0 m. Grondwater 2.4.1 Grondwatertrap Als gevolg van seizoensfluctuaties verandert de freatische grondwaterstand en de stijghoogte van het diepere grondwater. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) geeft de bandbreedte weer waartussen de grondwaterstand zich gedurende het grootste deel van het jaar beweegt. Dit kan vertaald worden naar een klasse-indeling: grondwatertrappen (Gt). In tabel 2 zijn de grondwatertrappen weergegeven, zoals deze in de Bodemkaart van Nederland gehanteerd worden. Tabel 1

Grondwatertrappen

Grondwaterstand (cm –mv)

Grondwatertrap (Gt) I II1

III

IV1

V

VI1

VII2

GHG GLG

<20 <50

<40 80 -120

>40 80 - 120

<40 >120

40 – 80 >120

>80 (>160)

<40 50 -80

1 een * achter deze Gt-codes betekent ‘droger deel’, dat wil zeggen een GHG tussen 25 en 40 cm –mv. 2 een * achter deze Gt-codes betekent ‘ zeer droger deel’, dat wil zeggen een GHG dieper dan 140 cm –mv.

De bodemkaart van Nederland geeft aan dat in het plangebied grondwatertrap Vll* voorkomt (Vll met toevoeging asterisk). Dit betekent een GHG > 80 cm -mv en de GLG dieper dan 140 cm -mv.

nl_rapport.docx 20161201

7 (17)

Aan de hand van de roestverschijnselen zoals die zijn aangetroffen in de boringen lijkt de GHG niet ondieper dan 2 m-mv voor te komen. Dit komt overeen met het beeld in de grondwatertrap waarmee met de aanduiding * een ‘zeer droger deel’ wordt aangeduid, met een GHG dieper dan 1,4 m-mv. Uitgaand van de grondwatertrap is bij een maaiveld van gemiddeld NAP +17,0 m centraal in plangebied de GHG dieper dan NAP +16,2 m en de GHG dieper dan NAP +15,6 m. Op de hogere delen aan de oost- en westzijde en de lager gelegen delen zuidelijk in het gebied kunnen de GHG en GLG afwijken van het gemiddelde. De grondwatertrappenkaart geeft hiervoor een te globaal beeld, de boringen duiden echter ook hier op een GHG dieper dan 2,0 m-mv. 2.4.2 Peilbuizen Het DINOloket (www.dinoloket.nl) is geraadpleegd op de aanwezigheid van peilbuizen in of nabij de projectlocatie met een grondwaterstandmeetreeks lang genoeg om de GHG en GLG te bepalen. Binnen het project gebeid is enkel een peilbuis met een meetreeks van 21-07-1941 tot 02-10-1941 aanwezig en daarmee niet bruikbaar. Infiltratiekansen Volgens de kwel- en infiltratiekaart van provincie Brabant ligt het plangebied in een infiltratiegebied2.

Gezien het voorkomen van diepe grondwaterstanden, de in het veld aangetroffen zandige bodem én aangetroffen grindlaag maakt het plangebied uiterst geschikt voor infiltratie Oppervlaktewater Binnen het plangebied zijn geen wateren gelegen, zoals opgenomen in de legger van Waterschap Aa en Maas. Riolering In het plangebied is geen vuilriolering aanwezig. De bestaande woningen aan de Graafseweg zijn wel aangesloten op het DWA-riool.

2

https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank

nl_rapport.docx 20161201

8 (17)

3

Waterhuishoudkundige doelen en maatstaven

De relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn de Europese Kaderrichtlijn Water, Nationaal Waterplan 2016-2021, Nationaal Bestuursakkoord Water Actueel, Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 ”Sámen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant”, het Waterbeheerplan 2016-2021 Aa en Maas - “Werken met water. Voor nu en later” en de gezamenlijke keur van de Brabantse Waterschappen (2015/2019). De belangrijkste gezamenlijke punten uit deze beleidstukken zijn dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening en dat de verdroging en wateroverlast bestreden dienen te worden. In de volgende paragrafen zijn de voor het plangebied relevante beleidsuitgangspunten nader toegelicht. Beschermde gebieden De locatie is gelegen in een beschermd gebied waterhuishouding 3. De beschermde gebieden uit de Keur omvatten Natuur Netwerk Nederland (NNN), beekherstelgebieden en Ecologische Verbindingszones ’s (EVZ’s). Binnen deze gebieden mogen geen lozingen plaatsvinden en ingrepen met een negatieve invloed op de natuur. Door waterschap Aa en Maas is aangegeven dat het voorgestelde plangebied geen functie heeft ten opzichte van natuurvriendelijke oevers of beekherstel omdat het op geruime afstand ligt van het meest nabije KRW-waterlichaam. Daarmee worden geen negatieve effecten op de (natte) natuur verwacht.

Beleid waterschap Aa en Maas 3.2.1 Waterbeheerplan Het huidige Waterbeheerplan beschrijft de hoofdlijnen voor het te voeren beleid van waterschap Aa en Maas voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Het Waterbeheerplan is uitgewerkt in de beleidsnota “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater en de “Tweede partiële herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater”, Brabantse waterschappen. Onderstaand zijn de uitgangspunten, afkomstig uit de nota “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater en de “Tweede partiële herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater”, Brabantse waterschappen toegelicht: • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater: het streefbeeld is het schone hemelwater af te koppelen/ niet aan te koppelen. Hierbij wordt het vuile water via de riolering afgevoerd en blijft het schone hemelwater in het ideale geval binnen het plangebied; • voor de afweging van de wijze waarop met het afgekoppelde/ niet aangekoppelde schone hemelwater dient te worden omgegaan, geldt de volgende voorkeursvolgorde: 1. Hergebruik 2. Vasthouden/infiltreren 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5.

Afvoeren naar de riolering; • hydrologisch neutraal bouwen: bij nieuwe ontwikkelingen dient de hydrologische situatie minimaal gelijk te blijven aan de uitgangssituatie. De gemiddeld hoogste 3

http://ruimtelijkeplannen.brabant.nl/?phID=0FA7EEDA-7607-45D3-87AF-BDFC3D5B5B00

nl_rapport.docx 20161201

9 (17)

• • • •

•

grondwaterstand mag niet verlaagd worden en het waterpeil sluit aan bij de optimale grondwaterstanden; water als kans: de belevingswaarde van bijvoorbeeld oppervlaktewater kan een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit binnen het plangebied; meervoudig ruimtegebruik: omdat de vierkante meters duur zijn, wordt aangeraden naar meervoudig grondgebruik te kijken. Op deze manier kan het ‘verlies’ van vierkante meters als gevolg van de ruimtevraag van water beperkt worden; voorkomen van vervuiling: nieuwe bronnen van verontreiniging dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden; wateroverlastvrij bestemmen: de voorkeur gaat uit naar het ontwikkelen op locaties die als gevolg van hun ligging ‘hoog en droog genoeg’ zijn en daarmee voldoen aan de NBW-norm voor de toekomstige functie. Indien dit niet mogelijk of wenselijk is, dient gezocht te worden naar compenserende of mitigerende maatregelen die het gewenste beschermingsniveau tegen wateroverlast helpen realiseren; waterschapsbelangen: er zijn ‘waterschapsbelangen’ met een ruimtelijke component. Indien deze belangen een rol spelen in het ruimtelijke plan dient hieraan in de toelichting, de regels en de verbeelding aandacht besteed te worden.

Het betreft de volgende onderwerpen:  ruimteclaims voor waterberging;  ruimteclaims voor de aanleg van natte EVZ’s en beekherstel;  aanwezigheid en ligging watersysteem;  aanwezigheid en ligging waterkeringen;  aanwezigheid en ligging van infrastructuur en ruimteclaims ten behoeve van de afvalwaterketen in beheer van het Waterschap.

Voor de totale toelichting van de uitgangspunten wordt verwezen naar de beleidsnota “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater” uit 2015 en de “Tweede partiële herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater” uit 2019, van de gemeenschappelijke Brabantse Waterschappen. 3.2.2 Keurbeleid Binnen de keur wordt onderscheid gemaakt tussen vergunningsplichtige- en de meldingsplichtige handelingen die binnen de algemene regels van het waterschap vallen. Bij de voorgenomen ontwikkeling vallen naar verwachting de volgende handelingen onder de vergunningplicht. Bij de verdere detaillering van de plannen wordt dit nader in beeld gebracht: • toename aan verhard oppervlak: binnen het gebied neemt het verhard oppervlak als gevolg van de woonkavels en ontsluitingswegen toe; • onttrekkingen van grondwater die nodig zijn voor het drooghouden van een bouwput ten behoeve van bouwkundige of civieltechnische werken, die groter zijn dan 50.000 m3/maand, die groter zijn dan 200.000 m3 in totaal en die langer duren dan 6 maanden. Dit geldt niet voor saneringen: gezien de diepe grondwaterstanden zijn onttrekkingen waarschijnlijk niet nodig. Bij werkzaamheden aan dieper gelegen ondergrondse infrastructuur kan echter toch

nl_rapport.docx 20161201

10 (17)

onttrekking noodzakelijk zijn, daarom wordt geadviseerd deze in de zomermaanden uit te voeren. Of dit van toepassing is dient later in een bemalingsadvies te worden bepaald. Keur; Artikel 3.6 Verbod afvoer door verhard oppervlak Het is verboden zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Algemene regels; Art. 15 Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: a. de waterparagraaf van het bestemmingsplan na 1 januari 2019 de schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd, of; b. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; c. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m2 is, of; d. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; e.

de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m). Welke gevoeligheidsfactor van toepassing is, kan worden afgelezen van de Kaart Algemene Regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015. De gevoeligheidsfactoren worden alleen bij de Algemene Regel toegepast. Bij de toepassing van de Beleidsregel (vergunningen) wordt niet gewerkt met een gevoeligheidsfactor maar wordt maatwerk geleverd om de retentie-eis te bepalen). Wanneer het waterschap niet heeft ingestemd met de waterparagraaf van een bestemmingsplan en er sprake is van een toename van verhard oppervlak vanaf 2.000 m2 tot en met 10.000 m2 wordt de rekenregel toegepast en bij toename van meer dan 10.000 m2, of bij het niet voldoen aan de rekenregel, wordt de beleidsregel toegepast Beleidsregels; Art. 13.4.2. Bepalen omvang compensatie De compensatieplicht is 600 m3 per hectare toename verhard oppervlak, tenzij uit het waterhuishoudkundig onderzoek blijkt dat minder compensatie nodig is. De benodigde capaciteit ligt tussen de kruinhoogte van de noodoverloopconstructie en de bodem van de voorziening.

Indien de bodem van de voorziening lager ligt dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), dan geldt de GHG als ondergrens. Beleidsregels; Art. 13.4.3. Voorzieningen De afvoer uit een voorziening mag maximaal 2 l/s/ha zijn. Indien gebruik wordt gemaakt van een kleinere opvangcapaciteit omdat infiltratie in de voorziening plaatsvindt, moet de voorziening binnen 5 dagen waarbinnen maximaal 2 mm hemelwater per etmaal is gevallen, leeggelopen zijn.

nl_rapport.docx 20161201

11 (17)

Voor de totale uiteenzetting van de bergingsnorm en de bijhorende richtlijnen wordt verwezen naar de Keur, Algemene regels en beleidsregels 2015, de “Tweede partiële herziening Algemene regels Waterschap De Dommel” 2019, de notitie “Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen” van 9 december 2014 en de “Tweede partiële herziening Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater” 1 januari 2019. Beleid gemeente Mill en Sint Hubert In het verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2019-2023 zijn de ambities en doelstellingen van de gemeente Mill en Sint Hubert opgenomen voor de rioleringszorg en grond- en hemelwaterzorg. Een van de speerpunten uit dit beleidsdocument is de omgang van afstromend hemelwater van verharde oppervlakken. Daarbij is het streven om hemelwater zoveel mogelijk lokaal te verwerken zodat minder hemelwater tot afstroming komt en de openbare ruimte het overtollige hemelwater kan verwerken. De ambitie is dat na 2030 alle particuliere verharding is afgekoppeld, of niet aangesloten op de riolering. Voor de toename van verhard oppervlak sluit het gemeentelijk beleid aan op het Waterschapsbeleid en bedraagt de vereiste compensatie 60 mm per vierkante meter nieuw verhard oppervlak.

Om particulieren te stimuleren hemelwater op eigen perceel te verwerken wordt door de gemeente gedacht aan het geven van financiële prikkels. Bijvoorbeeld korting op de rioolheffing bij verwerking van hemelwater op eigen perceel. (is hier al beleid op?) Voor de vuilwaterverwerking dient te worden aangesloten op (druk)riolering of een voorziening met een vergelijkbaar rendement, bijvoorbeeld een IBA. Het lozen van ongezuiverd afvalwater is niet toegestaan. Nieuwe lozingen dienen te voldoen aan de regels betreffende het lozingenbesluit, aanlegkosten van aansluiting op een voorziening zijn voor rekening van de aanvrager of initiatiefnemer. 3.3.1 Ontwaterings- en afwateringsnormen De ontwikkeling vindt plaats in een relatief droog gebied. Om problemen met draagkracht, opvriezen en natte kruipruimtes te voorkomen, dient de ontwateringsdiepte voldoende te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de GHG en het hoogtepeil van de functies. De door gemeente Mill en Sint Hubert voorgeschreven ontwateringdieptes/-normen zijn: • wegen primair: 1,0 m; • wegen secundair en woonstraten: 0,7 m; • bebouwing (onderkant vloer) en aanliggend maaiveld: 0,7 m bij bouwen met kruipruimtes. Wanneer wordt uitgegaan van een vloerdikte van 0,2 m komt de ontwateringsdiepte voor het vloerpeil uit op 0,9 m. Bij kruipruimteloos bouwen kan de ontwateringsdiepte met 0,3 m verminderd worden.

Vooralsnog wordt uitgegaan van bouwen met kruipruimtes; • Groen/tuin: 0,5 m. Voor het vloerpeil van de woningen geldt dat deze minimaal 0,15 m boven het dichtstbijzijnde wegpeil dient te liggen. Dit is nodig in verband met de volgende aspecten: • benodigd afschot van verhardingen voor afvoer hemelwater;

nl_rapport.docx 20161201

12 (17)

• benodigde diepteligging en afschot in de rioolleidingen voor de afval- en hemelwaterafvoer;

• voorkomen van wateroverlast in situaties bij water op straat.

nl_rapport.docx 20161201

13 (17)

4

Ruimtelijke consequenties

Inleiding Het stedenbouwkundig voorstel vormt de basis voor de watertoets en het opstellen van de waterparagraaf. Op basis van het stedenbouwkundig schetsontwerp zijn de ruimtelijke consequenties in beeld gebracht. In figuur 4-1 (bijlage 1) is het stedenbouwkundig ontwerp weergegeven.

Figuur 4-1 Stedenbouwkundig ontwerp

In de onderstaande paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke uitwerking van het water binnen het stedenbouwkundig plan. Stedenbouwkundig ontwerp Voor het bepalen van de benodigde hemelwaterberging is op basis van het stedenbouwkundig voorstel en de randvoorwaarden van Waterschap Aa en Maas het ruimtebeslag voor de watercompensatie bepaald. De verkaveling in het gebied bestaat uit 15 relatief grote kavels met vrijstaande woningen. Binnen de kavels is het maximaal bouwvlak weergegeven. Tevens worden bestaande tuinen aan de westzijde van het plangebied uitgebreid, de uitbreiding is ook op de verkavelingstekening opgenomen, zie figuur 4-1. Voor de verwerking van hemelwater is uitgegaan van berging op eigen terrein. Berging op eigen terrein draagt bij aan het tegengaan van verdroging doordat water langer op de

nl_rapport.docx 20161201

14 (17)

locatie vastgehouden wordt en lokaal in de bodem kan infiltreren. Tevens wordt hierdoor minder regenwater afgevoerd naar het openbaar gebied, waardoor er minder én minder vaak water op straat. Hiervoor moet wel voldoende ruimte beschikbaar zijn en dient de bodem voldoende doorlatendheid te bieden. Op basis van de bodeminventarisatie is de doorlatendheid genoeg om al het hemelwater te infiltreren. Geadviseerd wordt de voorzieningen op de kavels te voorzien van een overstortmogelijkheid naar het openbaar gebied. De watercompensatie eis bedraagt 60 mm per vierkante meter toename aan verharding. In het gebied wordt een centrale toegangsweg aangelegd. De kavels worden van daaruit individueel ontsloten. Voor het bepalen van het verhard oppervlak van de toegangsweg is uitgegaan van een breedte van 5 m. In tabel 6 is de benodigde watercompensatie van het plangebied opgenomen op basis van het bovengenoemd stedenbouwkundig schetsontwerp. Het bestemmingsplan geeft de mogelijkheid om verharding aan het brengen op het bouwvlak (100%) en om daarnaast nog een toegangsweg en schuurtje (max 40m2) te bouwen. De totaalhoeveelheid verhard oppervlak blijft dus beperkt. In de berekening voor de benodigde watercompensatie is daarom uitgegaan van verharding van het bouwvlak en 10% van de tuin. Tabel 2

Benodigde watercompensatie op basis van stedenbouwkundig ontwerp

Omschrijving

[ha]

Verhard oppervlak [m2]

Ontwikkelgebied totaal circa

16

-

-

Bouwvlak* Perceelverharding** Ontsluitingsweg (370*5 m) Uitbreiding achtertuinen bestaand***

0,82 3,47 0,18 0,35

0,82 0,35 0,18 0,17

492 208 111 105

Totaal

Oppervlak

Benodigde watercompensatie [m3]

916

* Conform bouwvlak à 100 % verhard ** Perceel – bouwvlak x 10 % *** Achtertuin uitbreiding á 50% verhard

Afhankelijk van de grootte van het kavel varieert de maximale compensatie per kavel van 41 m3 tot 56 m3, op basis van 100 % verharding op het bouwvlak en 10 % perceelverharding. Dit betreft een statische berging van 60 mm per m2 verharding, hierbij is nog geen rekening gehouden met infiltratie. Voor verzameling en verwerking van hemelwater zijn diverse oplossingen mogelijk. Gezien de bodemopbouw en voorkomende grondwaterstanden behoort infiltratie in de bodem tot de meest voor de hand liggende optie in het plangebied. Zie ook par 2.5. De inhoud van de voorziening dient boven de GHG te zijn gelegen. Naast de aanleg van minder verharding om de hoeveelheid afstromend hemelwater te beperken zijn verschillende voorzieningen mogelijk, bijvoorbeeld: • groen dak (berging); • gegraven laagte op het perceel (berging en deels infiltratie);

nl_rapport.docx 20161201

15 (17)

•

infiltratievoorziening op het perceel (berging en infiltratie).

De omvang van de voorziening dient bepaald te worden conform het uiteindelijk te realiseren verhard oppervlak en de bergingseis. Voor de kavels geldt dat de waterberging op de kavel gerealiseerd moet worden. In geval van extreem neerslag boven de ontwerpnorm kunnen de bestaande kavels overstorten naar de groenstrook grenzend aan de tuinen. Binnen de nieuwe kavels is voldoende ruimte om extreme neerslagsituaties op te vangen. De waterberging voor de openbare verharding wordt gerealiseerd in de bermen aan weerszijden van de weg. Hier is aan beide zijden 1,5 m beschikbaar. Deze stroken zijn ruim genoeg om greppels aan te leggen voor de infiltratie van het hemelwater dat op de weg valt. In een nader op te stellen waterhuishoudkundig plan zal de exacte dimensionering van de hemelwatervoorzieningen worden bepaald. Vuilwaterafvoer en hemelwaterbehandeling Uitgangspunt is het niet aankoppelen van hemelwater. Dit betekent dat het hemelwater afzonderlijk van het vuilwater moet worden ingezameld (geen hemelwaterafvoer naar RWZI). Het vuilwater kan hierbij via een DWA-riolering worden aangesloten op het bestaande vuilwaterriool. Vanwege de ligging van de percelen zal dit niet (overal) onder vrijverval mogelijk zijn en is een gemaal noodzakelijk. Vanwege de aard van de ontwikkeling, namelijk woningbouw, is het te verwachten afvalwateraanbod beperkt.

Op basis van 15 woningen is de verwachte gemiddelde afvoer van vuilwater van de gehele ontwikkeling ingeschat op (2,5 inwoners*12 l/h) 0,5 - 1 m3/uur. In een nadere uitwerking (Waterhuishoudkundig plan) wordt het inprikpunt, etc. bepaald. Aanleghoogtes Om problemen met draagkracht, opvriezen en natte kruipruimtes te voorkomen, dient voldoende ontwateringsdiepte aanwezig te zijn. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de GHG en het hoogtepeil van de functies. Zoals in paragraaf 3.3 beschreven is de minimaal voorgeschreven ontwateringdiepte afhankelijk van de functies. Binnen de ontwikkeling MOB-complex worden secundaire wegen, bebouwing en tuinen gerealiseerd. De minimale ontwatering diepte bedraagt daarmee 0,7 m. An de hand van de ingeschatte GHG voldoet het gehele gebied aan deze ontwateringsdiepte. Ophoging is daarom niet noodzakelijk. Om problemen met wateroverlast richting de bebouwing tegen te gaan en voor voldoende afschot van vuilwateren hemelwater riolering (huisaansluitingen) wordt geadviseerd een vloerpeil van minimaal 0,15 m boven aangrenzend wegpeil te hanteren.

nl_rapport.docx 20161201

16 (17)

5

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling MOB-complex bestaat uit 15 ruime kavels met woningen en ontsluiting middels een centrale toegangsweg. Vuilwater en (schoon) hemelwater afkomstig van de nieuwe woningen worden afzonderlijk ingezameld. Van 30 bestaande woningen grenzend aan de westzijde van het plangebied worden de achtertuinen vergoot. Als gevolg van de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak toe. Door de verhardingstoename gaat meer hemelwater versneld afstromen. In het plangebied is voldoende ruimte om afstromend hemelwater te verwerken. Hemelwater wat valt op de kavels dient binnen de perceelsgrenzen worden verwerkt. Afstromend hemelwater van openbare verharding kan in de openbare ruimte worden verwerkt. Hiermee wordt voldaan aan de beleidsregels voor compensatie van hemelwater. Vuilwater afkomstig van de woningen kan worden aangesloten op het bestaand vuilwaterriool. In het gebied is voldoende ontwateringsdiepte beschikbaar voor de beoogde functies. De grondwaterstand wordt niet permanent verlaagd. Mogelijk is voor de aanleg een tijdelijke bemaling nodig. Afhankelijk van de omvang en duur is de onttrekking mogelijk vergunningsplichtig. Of bemaling noodzakelijk is dient in een bemalingsadvies worden vastgesteld.

Met inachtneming van de beschreven maatregelen wordt de ontwikkeling hydrologisch neutraal gebouwd en worden daarmee geen negatieve effecten op de waterhuishouding verwacht.

nl_rapport.docx 20161201

17 (17)

Bijlage 1: Sectorale beoordeling - water Deze beoordeling is opgesteld door Mark Peters Onderstaand mijn boordeling, de opmerkingen gelden zowel voor paragraaf 4.3 als voor de watertoets. -

Overstort van regenwater naar openbare ruimte mag niet, het water dient op eigen perceel gehouden te worden. Onderstaand aanpassen. Minder waterberging als 60 mm per m2 bebouwd en verhard oppervlakte is niet toegestaan. Onderstaande laatste zin klopt dan ook niet. Voor de tuin oppervlaktes dient 50% als verhard geteld te worden of ze moeten aan kunnen tonen dat er minder verhard wordt. Ook hiervoor moet de 60 mm waterberging aangelegd te worden.

-

Aansluiting op bestaande oppervlaktewatersystemen is niet gewenst, verwijderen bij onderstaand stuk

-

De bergingseis is 60 mm en wordt niet kleiner, onderstaand stuk klopt dan ook niet.

-

Niet duidelijk wordt op welke wijze de benodigde compensatie wordt vormgegeven aan de toename van de verharding. Er lijkt op aan te worden gestuurd dat dit op perceelsniveau gecompenseerd moet worden (groen dak, gegraven laagte of infiltratievoorziening). Onderstaand is allemaal te vrijblijvend, er dient aan te worden getoond hoe ze de waterberging van de woningen en rijbaan gaan realiseren en waar. Vooral gezien de grootte van de totale waterberging van 916 m³. Wordt de rijbaan gemeentelijk eigendom? Hoe gaan ze het regenwater hier opvangen? Hoe zorgen ze dat er geen afstroming plaatsvind naar de bestaande omliggende bebouwing. Verdiend nog de benodigde uitwerking.

-

Wat betreft de vuilwaterafvoer is een IBA niet gewenst, weghalen uit het plan dus. Verder dient het ontwerp voor de vuilwaterafvoer verder uitgewerkt te worden. Voor bij het bestemmingsplan aangeven dat dit ontwerp verder wordt uitgewerkt en ter goedkeuring aan de gemeente Mill wordt voorgelegd. De rekensom van 2,5 inwoner per woning klopt ook niet.

-

Tot slot moet ook de waterberging van 60 mm per m2 verhard en bebouwd oppervlakte opgenomen worden in de regels.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=cbb62e74-476a-43c2-9172-e8d9110ce44d