17. Toelichting bijlage 8 Soortgericht veldonderzoek.pdf
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 358263 Referentienummer: SWNL0269029 Datum: 19-11-2020
Veldonderzoek MOB-Complex gemeente Mill en Sint Hubert Resultaten aanvullend soortgericht veldonderzoek naar beschermde soorten
Definitief
Sweco Zernikestraat 17 5612 HZ Eindhoven Postbus 1265 5602 BG Eindhoven Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Niels de Nijs Adviseur Ecologie M +31 6 22 21 24 56 niels.denijs@sweco.nl
Verantwoording Titel
Veldonderzoek MOB-Complex gemeente Mill en Sint Hubert
Subtitel
Resultaten aanvullend soortgericht veldonderzoek naar beschermde soorten
Projectnummer
358263
Referentienummer
SWNL0269029
Revisie
D01
Datum
19-11-2020
Auteur
Niels de Nijs
E-mailadres
niels.denijs@sweco.nl
Gecontroleerd door
Gijs Meijer
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (21)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ......................................................................................................................... 4
2
Onderzoeksgebied ................................................................................................ 4
2.1
Plangebied ............................................................................................................... 4
2.2
Voorgenomen ingreep ............................................................................................. 5
3
Wettelijk kader ....................................................................................................... 7
3.1
Toetsingskader Wet natuurbescherming ................................................................. 7
4
Resultaten voorgaand onderzoek ........................................................................ 9
4.1
Verkennend natuuronderzoek (QuickScan) ............................................................ 9
5
Onderzoeksmethodiek .......................................................................................... 9
5.1
Inleiding ................................................................................................................... 9
5.2
Afbakening ............................................................................................................... 9
5.3
Ecologische inventarisatie/veldonderzoek ............................................................ 10
5.3.1
Vogels .................................................................................................................................10
5.3.2
Vleermuizen ........................................................................................................................ 11
5.3.3
Levendbarende hagedis......................................................................................................12
5.3.4
Eekhoorn.............................................................................................................................12
5.3.5
Kleine marterachtigen .........................................................................................................13
6
Resultaten en effectbepaling.............................................................................. 15
6.1
Vogels .................................................................................................................... 15
6.2
Vleermuizen ........................................................................................................... 16
6.3
Levendbarende hagedis ........................................................................................ 18
6.4
Eekhoorn ............................................................................................................... 18
6.5
Kleine marterachtigen ............................................................................................ 18
7
Conclusie .............................................................................................................. 21
Bijlage 1
Resultaten verkennend natuuronderzoek
Bijlage 2
Stedenbouwkundige verkaveling
3 (21)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (RvR) is voornemens om woonkavels te ontwikkelen op het voormalig MOB-Complexterrein gemeente Mill en Sint Hubert. Ten behoeve van het vaststellen van het bestemmingsplan heeft Sweco Nederland B.V. een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om in beeld te brengen welke potentiele natuurwaarden binnen het Mob complex aanwezig zijn. Uit dit verkennend natuuronderzoek1 blijkt dat het plangebied in potentie geschikt is voor diverse beschermde soorten (vleermuizen, levendbarende hagedis, vogels met een jaarrond beschermde nestplaats, eekhoorn en kleine marterachtigen). Deze soorten kunnen mogelijk negatief beïnvloed worden als gevolg van de ontwikkeling. Daarom is soortgericht aanvullend onderzoek naar het daadwerkelijk voorkomen van beschermde soorten uitgevoerd. Voorliggende rapportage geeft inzicht in de resultaten van het aanvullende (soortgerichte) veldonderzoek, de te verwachte effecten op deze soorten en de noodzaak tot het nemen van vervolgstappen. 1.2 Doel Doel van het soortgericht aanvullende veldonderzoeker is om in beeld te brengen of en waar binnen het plangebied, op grond van de Wet natuurbescherming beschermde (nietvrijgestelde) soorten voorkomen.
Deze gegevens zijn nodig om in het kader van de ruimtelijke procedures te kunnen aangeven of de plannen uitvoerbaar zijn in het licht van de Wet natuurbescherming en voor het verkrijgen van een eventueel noodzakelijke ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor de realisatiefase.
2
Onderzoeksgebied
2.1 Plangebied Het onderzoeksgebied betreft het voormalige MOB-complex dat gelegen is aan de noordzijde van de woonwijk Vilheide in gemeente Mill en Sint Hubert (Figuur 2.2). In de periode 2012/2013 zijn alle militaire voorzieningen, gebouwen en infrastructuur weggehaald. Er zijn nog restanten van deze opruimwerkzaamheden aanwezig. Het hek rond de locatie is bewaard gebleven. Het terrein is circa 15 ha groot en bestaat uit gemengd bos met open plekken.
1 N. De Nijs, 2020. Verkennend natuuronderzoek Mob-Complex gemeente en Sint Hubert.
SWNL0266840. Sweco Nederland B.V. Eindhoven, d.d. 5 oktober 2020.
4 (21)
Figuur 2.1
Ligging en globale begrenzing plangebied MOB-complex te gemeente Mill en Sint Hubert (rood omkaderd)
2.2 Voorgenomen ingreep Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte is voornemens om binnen het voormalige MOB-complex woningbouw te ontwikkelen. Op deze locatie wordt voorzien in de realisatie van 15 (woon)kavels met bijbehorende ontsluitingswegen. Daarnaast wordt de bestemming van de twee woningen aan de Graafseweg aangepast, wat leidt tot een uitbreiding van de woonbestemming. Tot slot worden ook de achtertuinen van de woningen aan de Herdersstaf, Brugse Berg en Riddershove vergroot. Ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouw dient maximaal 3,7 ha bos gekapt te worden en wordt overige vegetatie verwijderd. In Figuur 2.2 is de stedenbouwkundige verkaveling weergegeven.
5 (21)
Figuur 2.2
Stedenbouwkundige verkaveling MOB-complex te Mill en Sint Hubert
6 (21)
3
Wettelijk kader
3.1 Toetsingskader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) bestaat uit de volgende kaders; · Natura 2000-gebieden (gebiedsbescherming); · Soortenbescherming; · Houtopstanden. Onderhavige rapportage heeft uitsluitend betrekking op het onderdeel soortenbescherming van de Wet natuurbescherming. De soortenbescherming beoogt een algemeen niveau van bescherming, met als doel de instandhouding en het herstel van een zo natuurlijk mogelijke verscheidenheid aan in het wild levende planten- en diersoorten als functionele elementen van ecosystemen waarvan ze deel van uitmaken. In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.
Wnb): · lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; · lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; · lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; · lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.
Wnb); · lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; · lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; · lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; · lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb); · lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: o onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; o onderdeel b. de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
7 (21)
o
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor Vogelrichtlijn- (art.3.1 Wnb) en Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5 Wnb) geldt dat rust- en voortplantingsplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten (niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Voor Andere soorten geldt dat rust- en voortplantingsplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Verbodsbepalingen ten aanzien van de verstoring zijn niet van toepassing op deze soorten. Ten aanzien van de Andere soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Voor het beschermingsregime Andere soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming.
In provincie Noord-Brabant geldt voor ruimtelijke ingrepen een vrijstelling voor soorten uit de soortgroepen zoogdieren (aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat) en amfibieën (bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de Wet natuurbescherming, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend indien de gunstige staat van instandhouding van betreffende soort(en) niet in het geding is, een geldend belang van toepassing is en er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Het is ook mogelijk om ten aanzien van Andere soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming, mits de voorgenomen activiteit als zodanig in de gedragscode is beschreven. Er is dan geen ontheffingsplicht van toepassing.
8 (21)
4
Resultaten voorgaand onderzoek
4.1 Verkennend natuuronderzoek (QuickScan) Het verkennende natuuronderzoek betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling. Op basis van een eenmalig oriënterend veldbezoek (10 mei 2019) is de geschiktheid van habitats voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling (combinatie terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens en expert judgement), brengt gezamenlijk met het bronnenonderzoek (NDFF) de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek is uitgevoerd door deskundige ecologen van Sweco Nederland B.V. (zie kader). De resultaten van het verkennende natuuronderzoek zijn te vinden in Bijlage 1. Uit het verkennend natuuronderzoek blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming, er op sommige punten meer informatie benodigd is: Soortgroep
Geschikt habitat
Nader onderzoek
Algemeen
Ja
Ja
Jaarrond beschermd
Ja
Ja
Verblijfplaatsen
Ja
Ja
Foerageergebied
Ja
Ja
Vliegroutes
Ja
Ja
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Ja
Amfibieën
Nee
Nee
Reptielen
Ja
Ja
Vissen
Nee
Nee
Libellen en vlinders
Nee
Nee
Overige ongewervelden
Nee
Nee
Vaatplanten
Nee
Nee
Broedvogels Vleermuizen
Specifieke soort Havik, buizerd, sperwer en ransuil
Eekhoorn, bunzing, wezel, boommarter Levendbarende hagedis
Resumerend kan gesteld worden dat er nader ecologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd naar jaarrond beschermde nesten, vleermuizen, eekhoorn, bunzing, wezel en levendbarende hagedis.
5
Onderzoeksmethodiek
5.1 Inleiding De inventarisaties naar beschermde (niet-vrijgestelde) soorten hebben plaatsgevonden in de periode 10 mei 2019 tot en met 1 oktober 2020. In voorliggende paragrafen worden per soort(groep) de inventarisatiemethode en bezoekdata weergegeven. 5.2 Afbakening Op basis van de uitkomsten van het verkennende natuuronderzoek is soortgericht aanvullend (veld)onderzoek uitgevoerd naar onderstaande beschermde (niet-vrijgestelde) soort(groep)en.
9 (21)
Voorliggende rapportage ziet in op deze soorten omdat dit beschermde soorten zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb), uit onderzoek (verkennend natuuronderzoek) is gebleken dat deze soorten op dit moment in (of nabij) het plangebied aanwezig zijn en door de ontwikkeling het leefgebied van deze soorten mogelijk verandert. Uit het verkennend natuuronderzoek komt naar voren dat de volgende beschermde soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn binnen het plangebied; · vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (havik, buizerd, sperwer en ransuil); · vleermuizen; · levendbarende hagedis; · eekhoorn; · (kleine) marterachtigen (bunzing, wezel, boommarter). Een globaal overzicht van de uitvoeringsperiode waarop het aanvullend soortgericht veldonderzoek is uitgevoerd is weergegeven in Tabel 5.1. Tabel 5.1
Uitvoeringsperiode aanvullend soortgericht veldonderzoek
Soort
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Eekhoorn Jaarrond beschermde nesten Bunzing en wezel Vleermuizen Levendbarende hagedis
5.3 Ecologische inventarisatie/veldonderzoek In voorliggende paragraaf worden per soort(groep) de methodiek en onderzoekmomenten waarop het veldonderzoek is uitgevoerd toegelicht. Gedetailleerde informatie zoals de data van de veldinventarisaties en weersomstandigheden, is weergegeven in bijbehorende tabel. Uitgevoerde veldonderzoeken zijn uitgevoerd conform de vereiste protocollaire onderzoeksinspanning zoals beschreven in de Kennisdocumenten van BIJ12 van betreffende doelsoorten of Soorteninventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). 5.3.1 Vogels Onderzoek naar de soortgroep vogels is gericht op de soorten waarvan de rust- en nestplaats jaarrond beschermd is. Veelal betreft dit soorten die voor hun broedsucces afhankelijk zijn van vaste plekken of antropogeen gecreëerde omstandigheden, waaronder diverse roofvogels, uilen en aan bebouwing gebonden soorten. Voor dit onderzoek is specifiek gelet op soorten waarvoor het plangebied mogelijk leefgebied vormt, zijnde havik, buizerd, sperwer en ransuil. Er heeft geen gerichte broedvogelkartering in het onderzoeksgebied plaatsgevonden. De bomen binnen het onderzoeksgebied zijn bekeken op aanwezigheid van nesten die door vogels met een jaarrond beschermde nestplaats gebruikt kunnen worden.
Er zijn totaal zes veldbezoeken uitgevoerd, naar jaarrond beschermde nesten, gedurende de maanden december 2018 tot en met juli 2020 (Tabel 5.2).
10 (21)
Tabel 5.2
Onderzoekmomenten vogels met een jaarrond beschermde nestplaats
Datum 4 december 2018 1 februari 2019 10 mei 2019 17 april 2020 15 juni 2020 15 juli 2020
Doelsoort Jaarrond nesten Jaarrond nesten Jaarrond nesten Jaarrond nesten Jaarrond nesten Jaarrond nesten
Doel(en) Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen
Weer 5,3 °C, 1 Bft, droog, zwaar bewolkt 1,0 °C, 2 Bft, droog, geheel bewolkt 11,0 °C, 2 Bft, droog, geheel bewolkt 11,9 °C, 3 Bft, droog, vrijwel onbewolkt 19,6 °C, 2 Bft, droog, geheel bewolkt 16,3 °C, 2 Bft, droog, vrijwel geheel bewolkt
5.3.2 Vleermuizen Het aanvullende veldonderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd conform de kennisdocumenten van BIJ12 (BIJ12, 2017) en het Vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (Versie 2017). Voorliggend onderzoek heeft zich gericht op het aantonen danwel uitsluiten van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen binnen het plangebied en aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebied. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen een (essentiële) functie van het plangebied als rust- en voortplantingsplaats (kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen, winterverblijfplaatsen), vliegroutes en foerageergebied voor vleermuizen. De vleermuisinventarisaties zijn uitgevoerd tijdens gunstige weersomstandigheden met een heterodyne batdetector, voorzien van time expension (type: Petterson ultrasound D240x) met opnameapparatuur (Tascam DR-05X recorder). Daarnaast is een warmtebeeldcamera (type Pulsar Helion XP38) ingezet om te kijken of er zich vleermuizen in boomholtes bevinden en om een beter beeld te krijgen van in- en uitvliegende dieren. Daarnaast is een boomcamera (endoscoop) ingezet om boomholtes te inspecteren op geschiktheid voor en/of aanwezigheid van vleermuizen. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd door vleermuisdeskundigen van Sweco Nederland B.V. In Tabel 5.3 zijn de onderzoekmomenten, weersomstandigheden en het doel weergegeven.
Boom bewonende vleermuizen Boom bewonende vleermuizen maken gebruik van holtes, scheuren of andere gaten en van loshangend schors als verblijfplaats. Kraamkolonies en grotere groepen (zomerverblijfplaatsen) bevinden zich veelal in grotere diepere gaten en holtes. Paarverblijfplaatsen kunnen ook in wat meer oppervlakkige gaten of achter loshangend schors worden gevonden. Tijdens het verkennende onderzoek zijn de bomen langs het dijktracé bekeken op geschiktheid als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Er zijn diverse bomen met grotere gaten (bijv. nestholtes van grote bonte specht) aangetroffen, maar ook veel bomen met meer oppervlakkige gaten en kieren en loshangend schors waar zich paarverblijfplaatsen van vleermuizen zouden kunnen bevinden. Op deze locaties heeft nader veldonderzoek plaatsgevonden om vast te stellen of er daadwerkelijk verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen aanwezig zijn.
11 (21)
Tabel 5.3
Onderzoekmomenten veldonderzoek vleermuizen Dagdeel
Tijd
Doel(en)
Weer
22 mei 2020
Aantal pers. 1
Ochtend
03:07 – 05:37
14,2 °C, 2 Bft
15 juni 2020
2
Ochtend
02:51 – 05:21
13 juli 2020
2
Ochtend
03:07 – 05:37
15 juli 2020
2
Avond
21:50 – 00:20
30 juli 2020
1
Avond
21:30 – 00:00
15 september 2020
2
Avond
19:53 – 22:23
Zomer- en kraamverblijfplaats Zomer- en kraamverblijfplaats Zomer- en kraamverblijfplaats Zomer- en kraamverblijfplaats Zomer- en kraamverblijfplaats Balts- en paarverblijven
28 °C, 1 Bft
25 september 2020
2
Avond
19:30 – 22:00
Balts- en paarverblijven
11 °C, 3 Bft
1 oktober
2
Avond
19:16 – 21:46
Balts- en paarverblijven
13,2 °C, 3 Bft
Datum
15,5 °C, 2 Bft 8,9 °C, 1 Bft 20 °C, 2 Bft 25 °C, 2 Bft
5.3.3 Levendbarende hagedis Het aanvullende onderzoek naar levendbarende hagedis is uitgevoerd conform het Kennisdocument van levendbarende hagedis van Bij12. Dit betreft vier inventarisatierondes die verspreid worden uitgevoerd over de periode april – juli, bij zonnige of half bewolkte dagen, met een temperatuur tussen de 12 en 20 ˚C en bij weinig wind. Door middel van zichtwaarnemingen en herpetoplaten (tapijttegels) is de aan- of afwezigheid van levendbarende hagedis onderzocht. Doordat levendbarende hagedis dergelijke platen gebruiken als beschutting en om zich op te warmen, is de trefkans van de soort in het veld groter met behulp van deze methode. Ook is gezocht naar zonnende dieren en zijn objecten als boomstronken, bladeren en stenen omgedraaid om de aanwezigheid van reptielen met voldoende zekerheid vast te stellen dan wel uit te sluiten. Deze inventarisatiemethode is als voorgeschreven door Kennisdocument Levendbarende hagedis (BIJ12, 2017) en Soorteninventarisatieprocotol (NGB, 2017). Tabel 5.4 bevat een overzicht van de onderzoekmomenten, weersomstandigheden en het doel weergegeven. De veldbezoeken werden enkel uitgevoerd tijdens gunstige weersomstandigheden en op de juiste tijdstippen van de dag. Tabel 5.4 Onderzoekmomenten veldonderzoek levendbarende hagedis Datum veldbezoek Aantal pers.
Doel(en) Weer 10 mei 2019 1 Leefgebied 14 °C, 2 Bft, droog, bewolkt 17 april 2020 1 Leefgebied 12 °C, 2 Bft, droog, zonnig 15 juni 2020 2 Leefgebied 19,6 °C, 2 Bft, droog, bewolkt 15 juli 2020 2 Leefgebied 20 °C, 2 Bft, droog, vrijwel onbewolkt
5.3.4 Eekhoorn Om de aanwezigheid van eekhoornnesten te bepalen, zijn alle bomen binnen het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van nesten van eekhoorn en (knaag)sporen. Het veldonderzoek is met name uitgevoerd in de periode dat de bomen nog niet in blad staan (oktober-februari).
12 (21)
Tabel 5.5 bevat een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken, met bijbehorende weersomstandigheden en het doel van het onderzoek. Tabel 5.5
Onderzoekmomenten veldonderzoek eekhoorn
Datum 4 december 2018 1 februari 2019 10 mei 2019 17 april 2020 15 juni 2020 15 juli 2020
Doelsoort Eekhoorn nesten Eekhoorn nesten Eekhoorn nesten Eekhoorn nesten Eekhoorn nesten Eekhoorn nesten
Doel(en) Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen Rust- en nestplaatsen
Weer 5,3 °C, 1 Bft, droog, zwaar bewolkt 1,0 °C, 2 Bft, droog, geheel bewolkt 11,0 °C, 2 Bft, droog, geheel bewolkt 11,9 °C, 3 Bft, droog, vrijwel onbewolkt 19,6 °C, 2 Bft, droog, geheel bewolkt 16,3 °C, 2 Bft, droog, vrijwel geheel bewolkt
5.3.5 Kleine marterachtigen Op basis van het habitatgeschiktheidsonderzoek is het plangebied geschikt bevonden als leefgebied voor de kleine marterachtingen bunzing en wezel. Het plangebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van structuurrijk kleinschalig (cultuur-)landschap. Op basis van een landschapsanalyse zijn de drie belangrijkste ecologische functies (dekking, verbinding en rustplaatsen) van het potentieel leefgebied in beeld gebracht. Foerageergebied met voldoende dekking Als foerageergebied (jachtbiotoop) wordt gebruik gemaakt van landschapselementen hagen, oeverhoekjes, bosranden, bosjes, moestuintjes en (delen van) weilanden die direct grenzen aan deze dekking biedende elementen. Rust- en nestplaatsen Binnen een territorium gebruiken bunzing en wezel meerdere rustplaatsen. (Konijnen)holen, holle bomen, takkenrillen, stallen en stapels stenen en puin kunnen dienstdoen als rust- en voortplantingsplaats. Verbindingen Lijnvormige landschapselementen zijn van groot belang voor kleine marterachtigen. Deze elementen verbinden niet alleen leefgebieden met elkaar, maar vormen zelf eveneens leefgebied. Via de landschapselementen verplaatsen dieren zich tussen hun rustplaatsen en foerageergebied. Dergelijke elementen zijn geschikt wanneer deze van voldoende omvang zijn, de vegetatie voldoende dicht is om dekking te bieden en in verbinding staan met ander potentieel leefgebied.
Het aanvullend veldonderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing en wezel), is uitgevoerd conform de ‘handreiking kleine marters’ van de provincie Noord-Brabant (Bouwens, 2017). Voorliggend onderzoek heeft zich gericht op het aantonen van de aanwezigheid van kleine marterachtigen. Hiervoor zijn drie methode/middelen toegepast: struikrover, mostela en jigler. Het materiaal (struikrover, mostela, jigler), is ingezet in de meest kansrijke landschapselementen, waarbij de eenheden 8 weken onaangetast in het gebied zijn geplaatst. Tabel 5.6 bevat een overzicht van de onderzoekmomenten, weersomstandigheden en het doel van het onderzoek. Het materiaal (struikrover, mostela, jigler), is in het terrein geplaats zoals weergegeven in Figuur 5.1.
13 (21)
Tabel 5.6
Onderzoekmomenten veldonderzoek kleine marterachtigen
Datum 10 mei 2019 17 april 2020 17 april 2020
Figuur 5.1
Doelsoort Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen
Doel en middel Habitatgeschiktheidsbeoordeling Plaatsen materialen (struikrover, mostela, jigler) Landschapsanalyse
Locaties van de apparatuur gebruikt voor onderzoek naar kleine marterachtigen binnen het plangebied Mob-Complex gemeente Mill en Sint Hubert
14 (21)
6
Resultaten en effectbepaling
In voorliggend hoofdstuk worden de resultaten van het aanvullende soortgericht veldonderzoek per soort(groep) weergegeven. Vervolgens wordt op basis van de resultaten bepaalt wat de effecten van de ontwikkeling zijn op betreffende soort(groep). 6.1 Vogels Resultaten Tijdens het veldonderzoek is één jaarrond beschermd roofvogelnest (horst) aangetroffen. Het betreft een nestplaats van de buizerd zoals weergegeven in Figuur 6.1. Het nest was in 2020 actief in gebruik als broedplaats door een paartje buizerd.
Figuur 6.1
Nestplaats/horst van de buizerd (paarse stip)
Effectbepaling Nesten van de buizerd zijn jaarrond beschermd conform de Vogelrichtlijn artikel 3.1 Wnb. Het nest bevindt zich binnen de begrenzing van de bouwkavels, waardoor aantasting van het nest onvermijdelijk is. Hierdoor worden verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het aanvragen van een ontheffing en het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen is derhalve noodzakelijk.
15 (21)
Wettelijke haalbaarheid van het plan Voor de uitvoerbaarheid (en vaststelling) van het bestemmingsplan dient te worden bepaald of een ontheffing Wet natuurbescherming verleend kan worden. Een ontheffing voor een soort van de Vogelrichtlijn (buizerd) wordt uitsluitend verleend indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden (artikel 3.8 Wnb): a) er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); b) er is sprake van een van de in de wet genoemd belangen in artikel 3.3 lid 4, onderdeel b Wnb; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Een dergelijke ontheffing voor Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1 Wnb), kan uitsluitend worden verkregen indien het in de Vogelrichtlijn aangegeven belang van toepassing is: ‘in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid’ (belang 1, artikel 3.3, lid 4, onderdeel b). Wanneer een dergelijk belang kan worden onderbouwd is de verwachting dat met de gebruikelijke maatregelen een ontheffingsbesluit kan worden verkregen welke géén belemmeringen geeft in het kader van de ruimtelijke ordening. Bij een ontheffingsaanvraag moet daarnaast aangetoond worden dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn.
Voor de ontheffingsaanvraag moet onderbouwd worden of er sprake is van een alternatieve locatie, ontwerp, planning en werkwijze die minder negatieve effecten voor soorten veroorzaakt. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling locatie specifiek is lijkt er geen andere bevredigende oplossing. Ook kan, door het tijdig treffen van maatregelen worden voorkomen dat sprake is van een afbreuk/verslechtering aan de staat van instandhouding. De buizerd komt redelijk algemeen en wijdverspreid voor in Nederland. De Staat van Instandhouding (SvI) van de buizerd als broedvogel in Nederland wordt als ‘gunstig’ beoordeeld (SOVON, 2019). Bovendien zijn er ruim voldoende alternatieve nestgelegenheden in de (directe) omgeving. Indien in voldoende mate onderbouwd kan worden dat sprake is van een geldig wettelijk belang en er geen andere bevredigend alternatief is, wordt een ontheffing verleenbaar geacht. In dat geval staat aanwezigheid van een jaarrond beschermd nest van de buizerd de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen of het wettelijk belang en alternatievenafweging voldoende zijn onderbouwd. 6.2
Vleermuizen
Resultaten Voortplantings- en rustplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in de bomen binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen (kraamverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijfplaatsen). Er zijn geen baltsroepende dieren waargenomen. Gelet op het ontbreken van baltsactiviteit is een functie van het plangebied als paarverblijfplaats uitgesloten. In het onderzoeksgebied zijn eveneens geen zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Foerageergebied Tijdens het vleermuisonderzoek zijn de volgende vleermuissoorten foeragerend in het onderzoeksgebied aangetroffen; · gewone dwergvleermuis; · ruige dwergvleermuis;
16 (21)
· laatvlieger. De gewone dwergvleermuis is de meest waargenomen vleermuissoort tijdens het vleermuisonderzoek. De soort komt verspreid over vrijwel het gehele onderzoeksgebied voor. Als foerageergebied worden onder meer de open plekken in het bos gebruikt. De dichtheid aan foeragerende gewone dwergvleermuizen is het hoogst rond de bosranden van het onderzoeksgebied, in de buurt van de woningen. Hier zijn groepen van circa 6 tot 8 gewone dwergvleermuizen tegelijk foeragerend waargenomen. In de meer open delen van het plangebied, verder weg van de bebouwing, zijn de dichtheden lager. Na de gewone dwergvleermuis is de ruige dwergvleermuis de meest waargenomen vleermuissoort in het onderzoeksgebied. De ruige dwergvleermuis is eveneens verspreid over vrijwel het gehele onderzoeksgebied waargenomen, maar wel in lagere dichtheden dan de gewone dwergvleermuis. De soort is eveneens gebonden aan de meer de open plekken in het bos, daar waar struweel en begroeiing aanwezig is. Van de laatvlieger zijn diverse waarnemingen van foeragerende exemplaren gedaan binnen het onderzoeksgebied. De soort is overwegend aangetroffen in de open plekken van het plangebied, met name in de grotere open plekken in het midden van het plangebied. Gelijktijdig zijn in het voorjaar en najaar 2 á 3 exemplaren gelijktijdig foeragerend waargenomen binnen het plangebied.
De soort komt duidelijk aangevlogen vanaf de bebouwing grenzend aan het plangebied om vervolgens binnen het plangebied te foerageren. Vliegroute Binnen het plangebied zijn geen consequent terugkerende vliegbewegingen waargenomen van vleermuizen. Duidelijk is dat zowel de laatvliegers als de gewone- en ruige dwergvleermuis vanaf de bebouwing richting het plangebied komen om hier te foerageren. Duidelijke terugkerende vliegbewegingen en derhalve vliegroutes zijn echter niet vastgesteld. Hieruit kan geconcludeerd worden dat er geen vliegroutes aanwezig zijn binnen het plangebied. Effectbepaling Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling en kap van bomen, worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetast. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn hoogstwaarschijnlijk aanwezig in de bebouwing aansluitend aan het plangebied. Gewone- en ruige dwergvleermuizen hebben een home-range van enkele kilometers. Laatvliegers hebben een grotere home-range van meerdere kilometers. Alle soorten gebruiken veel verschillende foerageergebieden, waarbij elementen zoals bosschages van belang zijn. Deze elementen zijn aansluitend aan het plangebied aanwezig. Ook blijft een groot deel van het plangebied zelf (noordwestelijk deel), in voldoende mate behouden om als foerageergebied te kunnen functioneren.
Foerageergebied (en vliegroutes) van vleermuizen zijn alleen beschermd indien dit van essentieel/wezenlijk belang is voor het behoud van de functionaliteit van verblijfplaatsen van de betreffende soorten in de omgeving. Voor de gewone- en ruige dwergvleermuis en laatvlieger geldt dat er in het plangebied geen sprake is van essentieel foerageergebied, er is immers voldoende gelijkwaardig alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving en tevens blijft een aanzienlijk deel van het plangebied behouden en beschikbaar als foerageergebied. Deze delen worden dan ook als essentieel geacht voor het behoud van de functionaliteit van verblijfplaatsen buiten het plangebied.
17 (21)
De gekapte houtopstand wordt voor een groot deel binnen het plangebied herplant. De Noordwest kant van het plangebied blijft mede hierdoor zijn groene beboste karakter behouden. Op deze manier blijft er ruim voldoende foerageergebied beschikbaar. Ondanks de kap van de bomen, worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. 6.3 Levendbarende hagedis Resultaten Gedurende het veldonderzoek zijn geen exemplaren van levendbarende hagedis aangetroffen binnen het plangebied. Effectbepaling Op basis van het uitgevoerde onderzoek is het voorkomen van de soort binnen het plangebied uitgesloten evenals een functie van het plangebied als leefgebied voor de levendbarende hagedis. Hierdoor worden er geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Er is geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing. 6.4 Eekhoorn Resultaten Gedurende het veldonderzoek zijn geen nesten van eekhoorn aangetroffen binnen het plangebied. Effectbepaling Op basis van het uitgevoerde onderzoek is het voorkomen van de soort binnen het plangebied dan ook uitgesloten evenals een functie van het plangebied als leefgebied voor de eekhoorn. Hierdoor worden er geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Er is geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing.
6.5 Kleine marterachtigen Resultaten Op basis van het veldonderzoek is de aanwezigheid van eenmalig één boommarter vastgesteld binnen het plangebied (Figuur 6.2). Het gaat om een enkele waarneming van de soort binnen het onderzoeksgebied die is vastgesteld middels de struikrover op de locatie zoals weergegeven in Figuur 6.3. Er zijn van de boommarter geen rust- en voortplantingsplaatsen vastgesteld in de bomen binnen het plangebied. Gedurende de veldbezoeken is (jaarrond) gezocht naar sporen van de boommarter binnen het plangebied. Ook is de nadruk gelegd op het vinden van nestbomen, en daarmee op het vaststellen van eventuele voortplanting in het plangebied. Hierbij is gezocht naar geschikte nestholte (opening >5cm) veelal in dikke oude bomen (>100 jaar). Zowel sporen in de vorm van uitwerpselen, prooiresten en/of prenten evenals voor boommarter geschikte nestholte, zijn niet aangetroffen. Er zijn geen waarnemingen gedaan van de kleine marterachtigen bunzing en wezel binnen het plangebied. Het voorkomen van de kleine marterachtigen bunzing en wezel is derhalve uitgesloten.
18 (21)
Figuur 6.2
Resultaten van het veldonderzoek naar kleine marterachtigen met behulp van de Struikrover, waarbij voorkomen van boommarter is vastgesteld.
Figuur 6.3
Locatie waarneming boommarter
19 (21)
Effectbepaling Op basis van het uitgevoerde onderzoek is het voorkomen van de kleine marterachtigen bunzing en wezel binnen het plangebied uitgesloten, evenals een functie van het plangebied als leefgebied voor bunzing en wezel. Er worden ten aanzien van kleine marterachtigen geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Er is geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing. Gedurende het kleine marter onderzoek is het voorkomen van een boommarter vastgesteld. Boommarters zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming (Andere soorten artikel 3.10 Wnb). Er zijn geen verblijfplaatsen van de boommarter aangetroffen in de bomen binnen het plangebied. Aantasting van rust- en voortplantingsplaatsen en overtreding van verbodsbepalingen zoals genoemd in de Wet natuurbescherming (Andere soorten artikel 3.10 lid 1 Wnb), is derhalve niet aan de orde. De voorgenomen woonkavels zijn gesitueerd aan de zuidoostzijde van het plangebied. Hierdoor wordt maximaal 3,7 hectare bos gekapt. Een groot deel daarvan wordt binnen het plangebied herplant. De Noordwest kant van het plangebied blijft zijn groene beboste karakter behouden. Op deze manier blijft er ruim voldoende leefgebied voor de boommarter aanwezig zodat er geen afbreuk wordt gedaan aan het ecologische functioneren van mogelijke verblijfplaatsen in de omgeving. Er is geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing.
20 (21)
7
Conclusie
Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (RvR) is voornemens om woonkavels te ontwikkelen op het voormalig MOB-Complexterrein gemeente Mill en Sint Hubert. Ten behoeve van het vaststellen van het bestemmingsplan heeft Sweco Nederland B.V. een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om in beeld te brengen welke potentiele natuurwaarden binnen het Mob complex aanwezig zijn. Uit dit verkennend natuuronderzoek blijkt dat het plangebied in potentie geschikt is voor diverse beschermde soorten (vleermuizen, levendbarende hagedis, vogels met een jaarrond beschermde nestplaats, eekhoorn en kleine marterachtigen). Deze soorten kunnen mogelijk negatief beïnvloed worden als gevolg van de ontwikkeling. Daarom is soortgericht aanvullend onderzoek naar het daadwerkelijk voorkomen van beschermde soorten uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde veldonderzoek naar conform de Wet natuurbescherming beschermde (niet-vrijgestelde) soorten, zijn er soorten vastgesteld die leefgebied hebben binnen het plangebied en door de voorgenomen ontwikkeling mogelijk negatief beïnvloed worden. Het gaat hier om een nest (horst) van de buizerd. Nesten van de buizerd zijn jaarrond beschermd conform de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn artikel 3.1 Wnb). Als gevolg van de ontwikkeling wordt het nest aangetast.
Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming inclusief het nemen van mitigerende en compenserende maatregelen is noodzakelijk. Een dergelijke ontheffing voor Vogelrichtlijnsoorten (artikel 3.1 Wnb), kan uitsluitend worden verkregen indien het in de Vogelrichtlijn aangegeven belang van toepassing is: ‘in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid’ (belang 1, artikel 3.3, lid 4, onderdeel b). Wanneer een dergelijk belang kan worden onderbouwd is de verwachting dat met de gebruikelijke maatregelen een ontheffingsbesluit kan worden verkregen welke géén belemmeringen geeft in het kader van de ruimtelijke ordening. Voor de andere soorten waarnaar aanvullend soortgericht onderzoek is uitgevoerd (kleine marterachtigen, vleermuizen, levendbarende hagedis en eekhoorn, is op basis van het onderzoek met zekerheid uitgesloten dat deze soorten leefgebied hebben binnen het plangebied en/of dusdanig worden aangetast dat verbodsbepalingen overtreden worden.
21 (21)
Bijlage 1
Resultaten verkennend natuuronderzoek
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming biedt mogelijk belemmeringen voor de ontwikkeling van woningbouw op het voormalige MOB-Complexterrein. Het bestemmingsplan is niet zondermeer uitvoerbaar vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Om de uitvoerbaarheid te bepalen, zijn er aanvullende onderzoeken noodzakelijk. Er zijn mogelijk soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen maatregelen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden. Tevens zijn er enkele aandachtspunten ten aanzien van beschermde soorten en/of functies van het plangebied: · Bunzing en wezel. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen als bunzing en wezel, met beschermingsregime Andere soorten artikel 3.10 Wnb. Aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijke functie van het plangebied voor desbetreffende soorten achten wij noodzakelijk. Onderzoek dient met voorkeur te worden uitgevoerd conform de Handreiking kleine marters van provincie Noord-Brabant in de periode maart tot september. · Vleermuizen. Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor vleermuizen (beschermd conform art. 3.5 Wnb). De aanwezige bomen zijn geschikt als rust- en voortplantingsplaatsen voor vleermuizen en als foerageergebied.
Aanvullend onderzoek naar vleermuizen achten wij dan ook noodzakelijk, indien de kap van houtopstanden is voorzien. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin vleermuisonderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode tussen half mei tot en met september. · Eekhoorn. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de eekhoorn, met beschermingsregime Andere soorten art. 3.10 Wnb. Indien bomen gekapt gaan worden, zijn negatieve effecten op de eekhoorn niet op voorhand uit te sluiten. Een nadere controle naar het voorkomen van nesten van de eekhoorn is noodzakelijk. · Jaarrond beschermde nesten. Het plangebied is geschikt voor enkele jaarrond beschermde vogels om zich te nestelen. Indien bomen gekapt gaan worden, zijn negatieve effecten op mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten niet op voorhand uit te sluiten. Een nadere controle naar het voorkomen van nesten is noodzakelijk. · Levendbarende hagedis. Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor levendbarende hagedis. Nader onderzoek naar het voorkomen van de soort is noodzakelijk.
·
·
Broedvogels. Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels tijdens het broedseizoen. Alle vogelnesten zijn gedurende deze periode beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. Aanbevolen wordt om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (september – februari). Indien dit onmogelijk is, kan uitsluitend binnen het broedseizoen gewerkt worden indien hierbij geen broedvogels worden verstoord of nesten worden aangetast. Dit kan bewerkstelligd worden door te voorkomen dat vogels tot broeden komen binnen het werkgebied door: ° de vegetatie op plekken waar werkzaamheden gaan plaatsvinden voor het broedseizoen (vóór half maart) kort te maaien en kort te houden; ° de werkzaamheden voor het broedseizoen aan te laten vangen en voort te zetten zonder onderbreking. Zorgplicht. Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving.
Via dit artikel wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden.
De opbouw van de planning en een samenvatting van de uitvoeringsperiode van aanvullend soortgericht onderzoek is weergegeven in tabel 2.
Bijlage 2
Stedenbouwkundige verkaveling
37
37a
Gra
afs
ewe g
Kampw
eg
weg
Ber
gse
ijke
del Zui
Kampw
eg
52
Gra afs
ew
eg
Stedenbouwkundig ontwerp Kavelnr. 18 Opp. ca. 1103m²
Ontwikkelgebied Ruimte voor Ruimte 23
21
Kavelnr. 17 Opp. ca. 250m²
Perceelgrens met oppervlakte Kavelnr. 16 Opp. ca. 1326m²
Kavelnr. 15 Opp. ca. 2708m² Kavelnr. 14 Opp. ca. 2678m²
241
Bouwkavel met oppervlakte
528 522
265
521
Kavelnr. 13 Opp. ca. 2.894m²
12
14
Te verkopen achtertuinen met oppervlakte
Kavelnr. 1 Opp. ca. 3.124m²
10
Rijweg (5 meter met 1,5 m berm aan weerszijde)
550
17.89 17.89
Gra
afs
ewe g
16
541
rshov Ridde
589
Kavelnr. 11 Opp. ca. 3.361m²
Kavelnr. 10 Opp. ca. 3.760m²
t
112
aa
26
100
29
2c
18
25
16
2d
23 21
13
12
19
tra ers rak enk Not
17 15
4 8
13
15
11
40
38 35
98
44
42 37 gen Mer
20
27
14
8
eri
uw Lee
6
26
2b
22
t raa kst
10
32
t
10
24
raa
9 33
31
13
rst
34
en cul
lfs
Wo
ke
46
7
kra
50
36
ten
54
5
10
12
Kavelnr. 6 Opp. ca. 2.600m²
No
58
Mergen
4 3
6
8
11
str
28
168 95 509 78 75 Kavelnr. 7 625 77 Opp. ca. Kavelnr. 9 3.094m² 149 Opp. ca. 592 3.414m² 91 129 Kavelnr. 8 104 Opp. ca. 8968 2.830m² 74 120 124 112 100 81
Bru gse
2
rik
30
64
Be rg
32
4a
24
29
88
22
14
27
17
20
16
Mezenhof
25
Kana
ries
traa
t
6
18
6
7
Herd erss
30
5
Bund ers
18
taf
16
28 13
9
5
7
9
3
19
7
1
86
14
3
20
5
11
1
26
4
11
Notenkrakerstraat
9
12
7
24
3
21-21
a
12
Opdrachtgever
8
13
10
61
5
Mer gen
23 15
22
8
Leeuwerikstraat
22
17
15
21
Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte
1 14 16
18
20 22
24
24
20
26
6
Brug
se
Berg
Mezenhof
28 59
84
57 19 2
18
Wolfs
19
Project
4
culen
26
15
Kanariestraat
21
16
16
2
55
8
17
4
13 6
1
28 2 14 2 23
11 25
27
14
29
He
31
rde
11
33 35
taf
rss
23
37 2a
9
12
MOB Mill
39
12 41
15
raat
43
25
45
erst
47
Putt
49 8t 10
82
13
3
of Sc
10
80
Stedenbouwkundig ontwerp d.d. 31-08-2020
5 4 Kampweg
6
8 25p
3 29p 29
Onderdeel
10
he
pe
rsh
7
8 9
27
27p
31p
4 42
1 12 en
78 Merg
2 6
7
40
53
4
14
76 1 6
31
Kam
pwe
g
3
5
16
51
18
5
38
Hoo
gho
2
rst
35
5
16
74
14
25
36
23 21
Projectnummer
Tekeningnummer
358263
358263.ehv110.T07 -SB
19
18
3
1
49 72
Wolfsculen
8
3
20
Leeuwerikstraat
47
g Ber
5
gse Bru
Versie
Datum van uitgave
Ontwerpfase
Contractnummer
17
12
24-08-2020
Groenlingstraat
7
34
5a
7
1
Blad
Groenlingstraat
22
10
17
32
Van
Schaal
Formaat
Kantoor
Get.
Gec.
1 : 2000
A2
Eindhoven
MN
MN
15
24
9
15 45
8
SB
11
10
30
35
13
13
Brug
se
13
43
Berg
70a
6
15
33
11
28 11
9
4
7
70
31
26
9
Ghee
29
2
r
Hoo gho rst
9
41
27 2-2i
7 12
25
5 39
23 2t 21
3 68
19
14
18
16
24
1
17
7
14 12
11 22
37
ond
10
5
Mo
rge
nst
Gheer
16
8 40
20
35 3
4
6
66
36 18
34
6
15-21
4
1a 16
1
www.sweco.nl © Sweco Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden
38
Goedg.
P:\110\358263_RvR_MOB_Complex_Mill\2. Do Work\6_Tekeningen\4_Ruimte\05_NewOntwerp\358263.ehv110.T07
501
48
66
96
52
68
102
56
70
94
Berg
Kavelnr. 5 Opp. ca. 2.516m²
92
60
Brugse
2a
625
91 91 90
86 88
106
7
62
84
Kavelnr. 4 Opp. ca. 2.389m²
503
104
76
78
80
82
583
9
72 100 92 105 90
2
72
74
90
19
we
A 108
505
17
108
155
4
11
7
9 11
13 15
13
Kavelnr. 3 Opp. ca. 2.281m²
e
5
110
3
498
eu
180
6
Kavelnr. 2 Opp. ca. 2.283m²
Le
22
1
13a
Kavelnr. 12 Opp. ca. 2996m²
shove Ridder
at
8
180
18
20