15. Toelichting bijlage 6 Verkennend natuuronderzoek.pdf
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 358263 Referentienummer: SWNL0266840 Datum: 05-10-2020
Actualisatie verkennend natuuronderzoek MOB-Complex gemeente Mill en Sint Hubert Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Definitief
Sweco Zernikestraat 17 5612 HZ Eindhoven Postbus 1265 5602 BG Eindhoven Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Niels de Nijs
M +31 6 22 21 24 56 niels.denijs@sweco.nl
Verantwoording Titel
Actualisatie verkennend natuuronderzoek MOB-Complex gemeente Mill en Sint Hubert
Subtitel
Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur
Projectnummer
358263
Referentienummer
SWNL0266840
Revisie
D1.0
Datum
05-10-2020
Auteur
Niels de Nijs
E-mailadres
niels.denijs@sweco.nl
Gecontroleerd door
Gijs Meijer
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Maarten Mouissie
Paraaf goedgekeurd
2 (24)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 4
1.1
Aanleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Kader van het onderzoek ........................................................................................ 4
1.3
Ligging en bestaande inrichting plangebied ............................................................ 4
1.4
Voorgenomen ingreep ............................................................................................. 6
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ................................................ 8
2.1
Toetsingskader ........................................................................................................ 8
2.2
Inventarisatie ........................................................................................................... 8
2.3
Analyse van de mogelijke effecten op Natura 2000 .............................................. 10
2.4
Conclusie ............................................................................................................... 10
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 11
3.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 11
3.2
Methode ................................................................................................................. 12
3.3
Planten ................................................................................................................... 13
3.4
Vogels .................................................................................................................... 14
3.5
Vleermuizen ........................................................................................................... 16
3.6
Overige zoogdieren ............................................................................................... 16
3.7
Amfibieën en reptielen ........................................................................................... 17
3.8
Vissen .................................................................................................................... 18
3.9
Ongewervelden...................................................................................................... 18
4
Natuurbeleidskader: Natuurnetwerk Nederland ............................................... 20
4.1
Toetsingskader ...................................................................................................... 20
4.1.1
Vervolgstappen ...................................................................................................................21
5
Conclusie en aanbevelingen .............................................................................. 23
5.1
Natura 2000-gebieden ........................................................................................... 23
5.2
Soortenbescherming ............................................................................................. 23
5.3
Provinciaal beleid................................................................................................... 24
Bijlage 1
Stedenbouwkundige verkaveling
3 (24)
1
Inleiding
1.1 Aanleiding Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte (RvR) is voornemens tot de ontwikkeling van woonkavels op het voormalig MOB-Complexterrein gemeente Mill en Sint Hubert. Ten behoeve van het vaststellen van het bestemmingsplan is Sweco Nederland B.V. gevraagd een verkennend natuuronderzoek uit te voeren. Om mogelijke schadelijke effecten van deze werkzaamheden op beschermde flora en fauna en beschermde (natuur)gebieden vast te stellen, toetsen we de ontwikkeling aan de actuele wet- en regelgeving voor natuur. 1.2 Kader van het onderzoek We toetsen de haalbaarheid van het bestemmingsplan aan de volgende wet- en regelgeving voor natuur: • Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden; Soortenbescherming. • Provinciaal beleid: Natuurnetwerk Nederland (NNN); Gebieden buiten het NNN. We richten ons met het verkennend onderzoek op het verkrijgen van een eerste inzicht in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Vervolgens beschrijven we de noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, zoals soortgerichte inventarisaties, nader effectonderzoek of andere nadere procedures. 1.3 Ligging en bestaande inrichting plangebied Het plangebied betreft het voormalige MOB-complex dat gelegen is aan de noordzijde van de woonwijk Vilheide in gemeente Mill en Sint Hubert (zie figuur 1.1).
In de periode 2012/2013 zijn alle militaire voorzieningen, gebouwen en infrastructuur weggehaald. Er zijn nog restanten van deze opruimwerkzaamheden aanwezig. Het hek rond de locatie is bewaard gebleven. Het terrein is circa 15 ha groot en bestaat uit gemengd bos met open plekken. In figuur 1.2 is een foto impressie van het plangebied weergegeven.
4 (24)
Figuur 1.1
Ligging en globale begrenzing plangebied MOB-complex te Mill en Sint Hubert (rood omkaderd)
5 (24)
Figuur 1.2
Foto impressie van het plangebied MOB-complex te Mill en Sint Hubert
1.4 Voorgenomen ingreep Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte is voornemens om binnen het voormalige MOB-complex woningbouw te ontwikkelen. Op deze locatie wordt voorzien in de realisatie van 15 (woon)kavels met bijbehorende ontsluitingswegen. Daarnaast wordt de bestemming van de twee woningen aan de Graafseweg aangepast aan de huidige situatie, wat leidt tot een uitbreiding van de woonbestemming. Tot slot worden ook de achtertuinen van de woningen aan de Herdersstaf, Brugse Berg en Riddershove vergroot. Ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouw dient maximaal 3,7 ha bos gekapt te worden, wordt overige vegetatie verwijderd en wordt grond ontgraven. In figuur 1.3 is de stedenbouwkundige verkaveling weergegeven (zie ook bijlage 1).
6 (24)
Figuur 1.3
Stedenbouwkundige verkaveling MOB-complex te Mill en Sint Hubert
7 (24)
2
Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden
2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden vindt plaats op grond van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie worden gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of respectievelijk uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb) en een vergunningsplicht voor projecten en andere handelingen die (significant) negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000-gebied niet in het geding zijn.
Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. In de navolgende paragrafen is beoordeeld of er significante effecten kunnen optreden op Natura 2000-gebieden en zo ja, wat de benodigde vervolgstappen zijn. 2.2 Inventarisatie Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000gebiedenkaart van PDOK, beschikbaar via het Nationaal Georegister. Hieruit blijkt dat het plangebied niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied ligt. Wel bevinden zich gebieden met deze status in de omgeving van het plangebied (figuur 2.1). Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Oeffelter Meent’ is gelegen ten noordoosten van het plangebied op een afstand van circa 10,8 kilometer (figuur 2.1). Overige Natura 2000gebieden bevinden zich op een grotere afstand tot het plangebied (tabel 1).
8 (24)
Figuur 2.1
Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000gebieden (geel gearceerd).
9 (24)
Tabel 1
Afstanden van omliggende Natura 2000-gebieden tot het plangebied
Natura-2000-gebieden Oeffelter Meent Sint Jansberg De Bruuk Zeldersche Driessen Maasduinen
Minimale afstand tot plangebied (km) 10,8 11 14 >16 >15
2.3 Analyse van de mogelijke effecten op Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van Natura 2000-gebieden en maakt geen deel uit van het leefgebied voor kwalificerende habitat- en/of vogelrichtlijnsoorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten waarvoor de nabijgelegen gebieden zijn aangewezen, hebben tevens geen ecologische relatie met het plangebied. Van een (indirect) oppervlakteverlies van leefgebied van kwalificerende soorten in of buiten Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Effecten, zoals verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring dan wel overige directe effectindicatoren, zijn op voorhand uitgesloten vanwege de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (minimaal 10,8 kilometer). Effecten door verzuring en vermesting als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn niet met zekerheid op voorhand uitgesloten. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking zowel in de uitvoeringsfase (werkverkeer en inzet mobiele werktuigen) als in de gebruiksfase (bestemmingsverkeer en gebruik woningen). Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van nog nader te bepalen inzet van mobiele werktuigen (onder andere graafmachines) en vrachtverkeer, hetgeen gepaard gaat met stikstofemissie.
De ontwikkeling van 15 (woon)kavels kan derhalve mogelijk leiden tot (significant) negatieve effecten in de vorm van verzuring en vermesting. Het uitvoeren van een Aerius-berekening is dan ook noodzakelijk. 2.4 Conclusie Gelet op de grote afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. Er is geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Negatieve effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn, gelet op de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in deze Natura 2000-gebieden, niet op voorhand uitgesloten. Om de effecten hiervan in beeld te brengen, dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd.
10 (24)
3
Wet natuurbescherming: soortenbescherming
3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. Hierbij worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.
Wnb): • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Beschermingsregime Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb): • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; onderdeel b.
de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- (art.3.1 Wnb) en Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5 Wnb) geldt dat rust- en voortplantingsplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten (niet opzettelijk) mogen worden gedood of verwond.
11 (24)
Voor Andere soorten geldt dat rust- en voortplantingsplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Ten aanzien van de Andere soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Voor het beschermingsregime Andere soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid heeft om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. In provincie Limburg geldt voor ruimtelijke ingrepen een vrijstelling voor soorten uit de soortgroepen zoogdieren (aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, molmuis, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat) en amfibieën (bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker). Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de Wet natuurbescherming, geldt ontheffingsplicht.
Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is en een geldend belang van toepassing is. Het is ook mogelijk om ten aanzien van Andere soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming, mits de voorgenomen activiteit als zodanig in de gedragscode is beschreven. Er is dan geen ontheffingsplicht van toepassing. Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna: Zorgplicht (artikel 1.11) • lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. • lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of onderdeel c.
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3.2 Methode Het verkennende natuuronderzoek betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten binnen de invloedsfeer van het plangebied.
12 (24)
Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: • landelijke (digitale) verspreidingsatlassen (waaronder de NDFF); • regionale verspreidingsatlassen. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek (op 1 februari 2018 en 10 mei 2019) is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling (combinatie terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens en expert judgement) brengt, gezamenlijk met het bronnenonderzoek (NDFF), de beschermde soorten(groepen) in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 9 mei 2020 en is uitgevoerd door deskundige ecologen van Sweco Nederland B.V. (zie kader). Ter zake kundige ecoloog Sweco verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie, habitats en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en ((soort)specifieke) ecologische kennis heeft.
De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de deskundige: • op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of • als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of • Met betrekking tot soorten of specifieke soorten kan als deskundige ook iemand worden aangemerkt die: • op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of • zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied) en/of • zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er is vervolgens bepaald in hoeverre mogelijk negatieve effecten op voorkomende beschermde soorten kunnen optreden door de voorgenomen activiteiten. Op basis van deze analyse concluderen we voor welke soorten(groepen) nader onderzoek nodig is. 3.3
Planten
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten We hebben tijdens het oriënterende veldbezoek de aanwezige biotopen beoordeeld op geschiktheid als groeiplaats voor beschermde flora. Beschermde planten betreffen zeer zeldzame soorten die doorgaans specifieke habitateisen aan hun groeiplaats stellen, veelal gekenmerkt door een gering verspreidingsgebied. Het plangebied is, gezien de huidige inrichting als droog bos met productie, niet geschikt voor beschermde planten. Uit bestaande gegevens zijn binnen en in de omgeving van het plangebied tevens geen waarnemingen bekend van planten, die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming.
13 (24)
Analyse en toetsing van mogelijke effecten We sluiten aanwezigheid van beschermde flora op voorhand uit. Dit op basis van bekende verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt specifiek habitat. Vervolgonderzoek naar beschermde planten is niet noodzakelijk. 3.4
Vogels
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit bestaande gegevens komen verschillende waarnemingen naar voren van vogels met jaarrond beschermde rust- en nestplaatsen. We treffen waarnemingen aan van de steenuil, kerkuil, sperwer, havik, boomvalk, buizerd, ransuil, huismus en gierzwaluw (Vogelrichtlijnsoorten art. 3.1 Wnb), in de omgeving van het plangebied. Het plangebied en directe omgeving biedt geschikte nestlocaties voor roofvogels als buizerd, sperwer, havik, boomvalk en ransuil. Deze soorten broeden mogelijk in de aanwezige bomen. We hebben tijdens het oriënterende veldbezoek geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Echter, omdat er veel blad aan de bomen zaten, waren de bomen niet in voldoende mate te inspecteren. Daarnaast kan het plangebied een functie hebben als foerageergebied voor deze soorten. In geval dat er een nest aanwezig is, kan het foerageergebied betreffen dat essentieel is voor het behoud van de nestlocatie. Voor andere vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4) zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig. Zo broeden huismus en gierzwaluw in gebouwen en steenuil of kerkuil aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. Mogelijk foerageren deze uilen incidenteel in het plangebied. Een essentiële functie van het plangebied als leef- en/of foerageergebied is echter op voorhand uitgesloten.
Dit, gelet op de huidige inrichting als bos zonder kleinschalige inrichting. De steenuil en kerkuil zijn sterk gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap. In de directe omgeving bevindt zich geschikt leefgebied voor beide soorten. Deze bestaande inrichting is aantrekkelijk voor potentiële prooien, zoals muizen, insecten en regenwormen, en derhalve is het aannemelijk dat steenuil en kerkuil foerageren in de omgeving van het plangebied. Een essentiële functie van het plangebied als leef- en/of foerageergebied is echter op voorhand uitgesloten. Dit, gelet op de huidige inrichting als bos zonder kleinschalige inrichting. De sperwer is gebonden aan half open landschappen, zoals parken, tuinen en bossen met jonge (naald)bomen. Gelet op de inrichting van het plangebied als bos met open plekken en naaldbomen, is het plangebied geschikt als broedplek voor de sperwer. Tevens grenst het plangebied aan tuinen die aantrekkelijk zijn voor prooidieren, zoals kleine zangvogels. Een essentiële functie als jacht-/foerageergebied is derhalve niet op voorhand uitgesloten. Optimaal leefgebied van de havik bestaat uit de combinatie van bos met geschikte nestbomen en open landschap om te jagen. Het plangebied is hierdoor in potentie geschikt als nestplaats voor de havik. Mogelijk foerageert de soort incidenteel binnen het plangebied.
Een essentiële functie van het plangebied als foerageergebied is echter op voorhand uitgesloten. Dit, gelet op het geringe areaal aan open plekken en de aanwezigheid van ruim voldoende en kwalitatief beter jachtbiotoop in de directe omgeving van het plangebied.
14 (24)
De buizerd staat bekend als opportunist en is hierdoor niet sterk gebonden aan een specifiek (jacht)biotoop. Mogelijk foerageren buizerds incidenteel binnen het plangebied. De directe omgeving van het plangebied is echter geschikter als leef- en foerageergebied voor de buizerd door de aanwezigheid van open landschap wat als kwalitatief beter jachtbiotoop fungeert. Het plangebied is door de aanwezigheid van (broed)bomen in potentie wel geschikt als nestplaats. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen met een goede dekking. Een functie van het plangebied als rust- en nestplaats voor ransuilen is, gelet op de aanwezigheid van deze elementen, dan ook op voorhand niet uitgesloten. Het plangebied dient niet als (essentieel) foerageergebied voor de ransuil die als jachtbiotoop meer open terrein prefereert. De open velden en bermen in de omgeving zijn derhalve geschikter als foerageergebied voor ransui,l doordat de rijkere structuur aantrekkelijker is voor potentiele prooidieren, zoals (woel)muizen en kleine zangvogels. Huismussen en gierzwaluwen verblijven en broeden vermoedelijk in de bebouwing (woonhuizen en boerderijen) in de omgeving van het plangebied. Rust- en nestplaatsen van de huismus en gierzwaluw zijn niet aanwezig binnen het plangebied zelf door het ontbreken van geschikt nestgelegenheid (bebouwing).
Het plangebied is tevens niet geschikt als foerageergebied voor de huismus, gezien de inrichting als bos. Gierzwaluwen kunnen (hoog) boven het plangebied op insecten foerageren, echter is de wijde omgeving hiertoe geschikter, zeker daar waar het foerageergebied dichter bij verblijfplaatsen zijn gelegen. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Er zijn geen jaarrond beschermde rust- en nestplaatsen van vogels aangetroffen binnen het plangebied. Echter, de bomen waren niet in voldoende mate te inspecteren omdat er veel bladeren aan de bomen zaten. Voor de buizerd, havik, sperwer en ransuil is geschikte nestgelegenheid aanwezig. Wij kunnen op basis van het oriënterende veldbezoek en de aanwezigheid van geschikt habitat met nestgelegenheden niet uitsluiten dat jaarrond beschermde nesten van bovengenoemde soorten aanwezig zijn in het plangebied en directe omgeving. Het plangebied kan in geval van aanwezigheid van nesten ook een functie hebben als essentieel foerageergebied. Aanvullend onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten is derhalve noodzakelijk. Daarnaast kunnen overige vogels gaan broeden tijdens het broedseizoen. Tijdens de uitvoeringsfase dient men dan ook rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels tijdens het broedseizoen. Alle broedende vogels zijn beschermd.
Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat in gebruik zijnde nesten niet aangetast worden en dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt.
15 (24)
3.5
Vleermuizen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit bestaande gegevens komen enkele waarnemingen van gewone dwergvleermuis en laatvlieger naar voren uit de omgeving van het plangebied. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle vleermuissoorten strikt beschermd conform de Habitatrichtlijn artikel 3.5 Wnb. Tijdens het oriënterend veldbezoek is het plangebied gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen maken soortafhankelijk veelal gebruik van gebouwen of oude bomen met gaten en spleten als verblijfplaats. Gebouwen ontbreken binnen het plangebied. Met de voorgenomen ontwikkeling is de kap van houtopstanden voorzien. Binnen het plangebied bevinden zich diverse bomen met invliegopeningen naar achterliggende holten, waardoor een functie als verblijfplaats op voorhand niet is uitgesloten. Het is aannemelijk dat vleermuizen foerageren in en rondom de groenstructuren binnen het plangebied. Vleermuizen maken als vliegroutes gebruik van lijnvormige structuren en elementen in het landschap, zoals bosranden, houtwallen en watergangen. Dergelijke elementen zijn aanwezig binnen het plangebied, waardoor een functie van het plangebied als essentiële vliegroute niet op voorhand is uitgesloten.
Analyse en toetsing van mogelijke effecten Gelet op de aanwezigheid van bomen met gaten, kieren en spleten is het voorkomen van rust- en voortplantingsplaatsen van vleermuizen niet op voorhand uitgesloten. Afhankelijk van de planvoornemens voor de uitvoering van kapwerkzaamheden, de exacte locatie en het aantal te kappen bomen, kan de functionaliteit van het plangebied als (essentieel) foerageergebied en rust- en voortplantingsplaatsen worden aangetast. Zodra deze voornemens bekend zijn, dient men in samenspraak met een ter zake kundige op het gebied van vleermuizen, de noodzaak tot het uitvoeren van aanvullend vleermuisonderzoek te bepalen. 3.6
Overige zoogdieren
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit bestaande gegevens komen waarnemingen naar voren van zoogdieren, die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming. Het betreft hier waarneming van das, bunzing en eekhoorn (Andere soorten art. 3.10). De bunzing komt met name voor in rand-/overgangszones tussen verschillende kleinschalige habitattypen, zoals bossen, graslanden en moerassen, waarbij de voorkeur ligt voor de wat vochtigere terreinen met water. Het plangebied is, gelet op de inrichting als bos grenzend aan de dorpskern en open gebied, mogelijk geschikt als (essentieel) leefgebied voor de bunzing. De steenmarter komt met name voor in de nabijheid van dorpen en boerderijen met oude gebouwen, schuren en heggen. Deze elementen zijn aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Mogelijk passeert de steenmarter incidenteel het plangebied. Een essentiële functie van het plangebied als leef- en/of foerageergebied is echter op voorhand uitgesloten. Dit, gelet op het ontbreken van bovengenoemde elementen binnen het plangebied zelf dat met name uit bos bestaat.
16 (24)
Het voorkomen van de wezel hangt sterk samen met drogere gebieden, zoals bossen en duinen, met voldoende dekking in de vorm van heggen en houtstapels. Hierbij is de aanwezigheid van woelmuizen essentieel voor het voorkomen van de wezel. Het huidige gebruik van het plangebied als bos met open plekken en takkenrillen is aantrekkelijk voor potentiele prooidieren als woelmuizen. Dit, samen met de aanwezigheid van permanente dekking en structuur, maakt dat het plangebied mogelijk geschikt is als (essentieel) leefen/of foerageergebied voor de wezel. In de omgeving zijn tuinen en bosschages aanwezig, die een functie hebben als leef- en/of foerageergebied van de eekhoorn. Het merendeel van de bekende waarnemingen van de eekhoorn zijn dan ook afkomstig uit de omgeving. Binnen het plangebied zelf zijn elementen als voedselrijk bos en dekking aanwezig, hetgeen kan wijzen op een (essentiële) functie als leefgebied voor de eekhoorn. Tevens zijn bomen aanwezig binnen het plangebied die geschikt zijn voor de eekhoorn om zich te nestelen. Een functie van het plangebied als essentieel leef- en/of foerageergebied van de eekhoorn is derhalve niet op voorhand uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn geen burchten of sporen (prenten, wissels, latrines) van de das aangetroffen binnen het plangebied.
Ook zijn er geen aanvullende waarnemingen bekend van dassenburchten binnen de begrenzing van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn wel waarnemingen van de das bekend. In de huidige situatie ontbreekt de aanwezigheid van optimaal foerageergebied, zoals graslanden, hoogstamboomgaarden of maisakkers, waardoor een functie van het plangebied als essentieel foerageergebied voor de das op voorhand is uitgesloten. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Een functie van het plangebied als (essentieel) leefgebied voor de eekhoorn, wezel en bunzing is op voorhand niet uitgesloten. De voorgenomen kap van houtopstanden zorgt derhalve mogelijk voor een aantasting van rust- en voortplantingsplaatsen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is dan ook noodzakelijk. We verwachten dat algemene voorkomende zoogdieren, zoals konijn, egel, vos, ree en muizensoorten, voorkomen in het plangebied. Voor deze soorten geldt echter een vrijstelling van ontheffingsplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk. 3.7
Amfibieën en reptielen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit bestaande gegevens ontbreken waarnemingen van amfibieën, die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming uit de omgeving van het plangebied. Er zijn enkele waarnemingen uit de omgeving bekend van levendbarende hagedis, beschermd conform de Wet natuurbescherming (Andere soorten art. 3.10 Wnb). Een functie van het plangebied als voortplantingsbiotoop voor beschermde amfibieën is op voorhand uitgesloten. Dit, gezien de huidige inrichting als bos en de afwezigheid van voortplantingswater in de vorm van permanent waterhoudende poelen of sloten. Door de afwezigheid van poelen vormt het plangebied tevens geen overwinteringsplaats.
17 (24)
Uit bestaande gegevens is bekend dat de levendbarende hagedis voorkomt in de omgeving van het plangebied. Waarnemingen van deze soorten ontbreken binnen het plangebied zelf en concentreren zich in open plekken in het bosgebied Langenboom, ten noordwesten van het plangebied. De levendbarende hagedis komt voor in (vochtige) heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden. Ook komt hij voor in wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen. De soort heeft een duidelijke voorkeur voor vochtige terreinen, vooral structuurrijke overgangen van vochtige naar droge terreindelen. Het plangebied betreft bos met open plekken en een structuurrijke ondergroei, waardoor het voldoet aan de habitatseisen van de levendbarende hagedis. Samen met de ligging van het plangebied ten opzichte van bekende verspreidingsgegevens, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat het plangebied onderdeel is van functioneel leefgebied van de soort. Aanvullend onderzoek is derhalve noodzakelijk. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het voorkomen van beschermde amfibieën kan op voorhand worden uitgesloten door het ontbreken van geschikt overwinterings- en voortplantingsbiotoop. Nader onderzoek naar amfibieën is niet noodzakelijk. Het voorkomen van levendbarende hagedis is niet op voorhand uitgesloten. De ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op deze soort.
Aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijke functie van het plangebied voor desbetreffende soort is dan ook noodzakelijk. 3.8
Vissen
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit bestaande gegevens ontbreken waarnemingen binnen en in de omgeving van het plangebied van vissen, die beschermd zijn conform de Wet natuurbescherming (Andere soorten art. 3.10 Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn drie vissoorten beschermd. Het betreft hier de kwabaal, beekdonderpad en grote modderkruiper. Gelet op de huidige inrichting van het plangebied als bos en het ontbreken van permanente waterhoudende waterlichamen, heeft het plangebied geen ecologische relatie met de soortgroep vissen. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Gelet op het ontbreken van water binnen het plangebied, is er geen ecologische relatie tussen het plangebied en de soortgroep vissen. Nader onderzoek naar beschermde vissen is niet noodzakelijk. 3.9
Ongewervelden
Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Uit bestaande gegevens blijkt het voorkomen van de gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel (Habitatrichtlijn soorten art. 3.5) en bosbeekjuffer, grote vos, beekrombout en kleine ijsvogelvlinder (Andere soorten art. 3.10). De gevlekte witsnuitlibel heeft een voorkeur voor laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen. Ook komt de soort voor in bosplassen en heidevennen. Binnen het plangebied zelf ontbreekt dit biotoop, waardoor het voorkomen van de gevlekte witsnuitlibel op voorhand is uitgesloten. In de omgeving van het plangebied is dit habitat wel aanwezig. Dit ligt echter ver buiten de invloedssfeer van de voorgenomen ingreep.
18 (24)
De belangrijkste elementen, bepalend voor het voorkomen van de bosbeekjuffer, is de aanwezigheid van beschaduwde, koele en zuurstofrijke beken met een natuurlijke morfologie. Het plangebied alszijnde een bos is hierdoor niet geschikt. Het voorkomen van de bosbeekjuffer is dan ook op voorhand uitgesloten. Overige beschermde soorten ongewervelden (libellen en vlinders) zijn doorgaans zeldzame soorten met zeer specifieke habitatseisen en een gering verspreidingsgebied. Gelet op de aard en inrichting van het plangebied als bosgebied zonder water, is het ongeschikt als essentieel leefgebied voor overige beschermde ongewervelden. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het voorkomen van beschermde ongewervelden binnen het plangebied is op voorhand uitgesloten op basis van bestaande verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt biotoop. Nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is niet noodzakelijk.
19 (24)
4
Natuurbeleidskader: Natuurnetwerk Nederland
4.1 Toetsingskader Het beleidskader van provincie Noord-Brabant bestaat uit: • Provinciaal beleid: Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het Natuurnetwerk Nederland is op provinciaal niveau uitgewerkt tot het provinciale natuurnetwerk met kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden, beheergebieden en robuuste ecologische verbindingszones. De wettelijke bescherming (Wro) van het NNN is geregeld via het bestemmingsplan. Het NNB (Natuurnetwerk Brabant) is provinciaal vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerd 01-03-2020). De afweging voor ingrepen in het NNN gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. In figuur 4.1 is dit stapsgewijs weergegeven. Ingrepen met een negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een NNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dient te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het NNN uitkomst bieden om projecten in het NNN te realiseren. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’.
In provincie Noord-Brabant is de externe werking van het NNB van toepassing. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een ROprocedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het plangebied.
Figuur 4.1
Het ‘nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel
Inventarisatie Het plangebied maakt onderdeel uit van het NNB (zie figuur 4.2). Daarnaast grens het plangebied aan NNB en bevindt zich de Groenblauwe mantel aan de noord- en westkant.
20 (24)
Figuur 4.2
Globale ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van NNB, EVZ en de ‘groenblauwe mantel’ in de omgeving. Bron: ruimtelijkeplannen.nl
Analyse en toetsing effecten Het plangebied maakt deel uit van het NNB, waardoor sprake is van ruimtebeslag. Tevens zijn effectindicatoren, zoals verstoring en versnippering op het NNB binnen de plangrenzen, niet op voorhand uitgesloten. Provincie Noord-Brabant kent eveneens een externe werking van effecten. Gelet op de geringe afstand tot naastgelegen NNB, zijn effecten op NNB, gelegen buiten de plangrenzen, tevens niet uitgesloten. Daarnaast grenst het plangebied aan de Groenblauwe mantel. Voor deze natuurzone geldt het ‘ja, mits-principe’. Met de voorgenomen ontwikkeling is op voorhand niet uitgesloten dat er sprake is van aantasting of verlies van de kernkwaliteiten. Vanuit het provinciaal natuurbeleid zijn er dus mogelijk belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingplan. Om het bestemmingsplan vast te kunnen stellen, is het vanuit het provinciaal natuurbeleid noodzakelijk het verlies aan NNB te compenseren en te herbegrenzen. 4.1.1 Vervolgstappen Aangezien het plangebied onderdeel is van het NNB en de gewenste ontwikkeling voorziet in een wijziging van het bestemmingsplan, is herbegrenzing van het NNB noodzakelijk om de wijziging van het vigerende bestemmingsplan doorgang te laten vinden. Het plangebied heeft namelijk in de huidige situatie een natuurbestemming.
21 (24)
Conform de vigerende Verordening Ruimte van provincie Noord-Brabant (geconsolideerde versie) is er een aantal situaties waarin de begrenzing van het NNB gewijzigd kan worden: • wijziging van de begrenzing om ecologische redenen; • wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van de saldobenadering; • wijziging van de begrenzing op verzoek bij kleinschalige ingrepen; • wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van nee-tenzij principe. Met de provincie en gemeente is overeengekomen dat wordt aangesloten bij het principe van de saldobenadering (artikel 5.4 van verordening Ruimte). In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet deze saldobenadering worden uitgewerkt. De effecten op het NNB en de Groenblauwe mantel moeten worden bepaald, het verlies moet worden gecompenseerd en de NNB moet worden herbegrensd.
22 (24)
5
Conclusie en aanbevelingen
5.1 Natura 2000-gebieden Gelet op de grote afstand tot nabijgelegen Natura 2000-gebieden, zijn directe effecten, zoals verdroging, vernatting, optische verstoring, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. Er is geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Effecten door verzuring en vermesting als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn niet op voorhand uitgesloten. Dit, gelet op de relatief geringe afstand tot Natura 2000gebieden in de omgeving, in relatie tot het gebruik van mobiele werktuigen en de verkeersaantrekkende werking. De voorgenomen ontwikkeling leidt hierdoor mogelijk tot (significant) negatieve effecten in de vorm van verzuring en vermesting. Het nemen van vervolgstappen is derhalve noodzakelijk. De eerste stap is het berekenen van de stikstofdepositie middels AERIUS. 5.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming biedt mogelijk belemmeringen voor de ontwikkeling van woningbouw op het voormalige MOB-Complexterrein. Het bestemmingsplan is niet zondermeer uitvoerbaar vanwege de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Om de uitvoerbaarheid te bepalen, zijn er aanvullende onderzoeken noodzakelijk. Er zijn mogelijk soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen maatregelen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed worden.
Tevens zijn er enkele aandachtspunten ten aanzien van beschermde soorten en/of functies van het plangebied: • Bunzing en wezel. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen als bunzing en wezel, met beschermingsregime Andere soorten artikel 3.10 Wnb. Aanvullend onderzoek naar de daadwerkelijke functie van het plangebied voor desbetreffende soorten achten wij noodzakelijk. Onderzoek dient met voorkeur te worden uitgevoerd conform de Handreiking kleine marters van provincie Noord-Brabant in de periode maart tot september. • Vleermuizen. Het plangebied heeft mogelijk een functie als leefgebied voor vleermuizen (beschermd conform art. 3.5 Wnb). De aanwezige bomen zijn geschikt als rust- en voortplantingsplaatsen voor vleermuizen en als foerageergebied. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen achten wij dan ook noodzakelijk, indien de kap van houtopstanden is voorzien. Men dient hierbij rekening te houden met de periode waarin vleermuisonderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit betreft doorgaans de onderzoeksperiode tussen half mei tot en met september. • Eekhoorn. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de eekhoorn, met beschermingsregime Andere soorten art. 3.10 Wnb. Indien bomen gekapt gaan worden, zijn negatieve effecten op de eekhoorn niet op voorhand uit te sluiten. Een nadere controle naar het voorkomen van nesten van de eekhoorn is noodzakelijk.
• Jaarrond beschermde nesten. Het plangebied is geschikt voor enkele jaarrond beschermde vogels om zich te nestelen. Indien bomen gekapt gaan worden, zijn negatieve effecten op mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten niet op voorhand uit te sluiten. Een nadere controle naar het voorkomen van nesten is noodzakelijk. • Levendbarende hagedis. Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor levendbarende hagedis. Nader onderzoek naar het voorkomen van de soort is noodzakelijk.
23 (24)
•
•
Broedvogels. Tijdens de uitvoeringsfase dient men rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels tijdens het broedseizoen. Alle vogelnesten zijn gedurende deze periode beschermd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt. Aanbevolen wordt om werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (september – februari). Indien dit onmogelijk is, kan uitsluitend binnen het broedseizoen gewerkt worden indien hierbij geen broedvogels worden verstoord of nesten worden aangetast. Dit kan bewerkstelligd worden door te voorkomen dat vogels tot broeden komen binnen het werkgebied door: de vegetatie op plekken waar werkzaamheden gaan plaatsvinden voor het broedseizoen (vóór half maart) kort te maaien en kort te houden; de werkzaamheden voor het broedseizoen aan te laten vangen en voort te zetten zonder onderbreking. Zorgplicht. Naast bepalingen voor specifiek aangewezen soorten geldt krachtens artikel 1.11 (lid 1 & 2) van de Wet natuurbescherming, de algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten alsmede voor hun directe leefomgeving.
Via dit artikel wordt eenieder medeverantwoordelijk gesteld voor de zorg en bescherming van flora en fauna en dient men geen handelingen uit te voeren die opzettelijk soorten kunnen verwonden of doden.
De opbouw van de planning en een samenvatting van de uitvoeringsperiode van aanvullend soortgericht onderzoen is weergegeven in tabel 2. Tabel 2
Planning uitvoering werkzaamheden soortgericht onderzoek
Soort
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Eekhoorn Jaarrond beschermde nesten Bunzing en wezel Vleermuizen Levendbarende hagedis
5.3 Provinciaal beleid Het plangebied maakt deel uit van het NNB, waardoor sprake is van ruimtebeslag. Tevens zijn effectindicatoren, zoals verstoring en versnippering op het NNB binnen de plangrenzen, niet op voorhand uitgesloten. Provincie Noord-Brabant kent eveneens een externe werking van effecten. Gelet op de geringe afstand tot naastgelegen NNB, zijn effecten op NNB, gelegen buiten de plangrenzen, tevens niet uitgesloten. Daarnaast grenst het plangebied aan de Groenblauwe mantel. Voor deze natuurzone geldt het ‘ja, mits-principe’. Met de voorgenomen ontwikkeling is op voorhand niet uitgesloten dat er sprake is van aantasting of verlies van de kernkwaliteiten. Vanuit het provinciaal natuurbeleid zijn er dus mogelijk belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingplan. Om het bestemmingsplan vast te kunnen stellen, is het vanuit het provinciaal natuurbeleid noodzakelijk het verlies aan NNB te compenseren en te herbegrenzen.
24 (24)
Bijlage 1
Stedenbouwkundige verkaveling
37
37a
Gra
afs
ewe g
Kampw
eg
weg
Ber
gse
ijke
del Zui
Kampw
eg
52
Gra afs
ew
eg
Stedenbouwkundig ontwerp Kavelnr. 18 Opp. ca. 1103m²
Ontwikkelgebied Ruimte voor Ruimte 23
21
Kavelnr. 17 Opp. ca. 250m²
Perceelgrens met oppervlakte Kavelnr. 16 Opp. ca. 1326m²
Kavelnr. 15 Opp. ca. 2708m² Kavelnr. 14 Opp. ca. 2678m²
241
Bouwkavel met oppervlakte
528 522
265
521
Kavelnr. 13 Opp. ca. 2.894m²
12
14
Te verkopen achtertuinen met oppervlakte
Kavelnr. 1 Opp. ca. 3.124m²
10
Rijweg (5 meter met 1,5 m berm aan weerszijde)
550
17.89 17.89
Gra
afs
ewe g
16
541
rshov Ridde
589
Kavelnr. 11 Opp. ca. 3.361m²
Kavelnr. 10 Opp. ca. 3.760m²
t
112
aa
26
100
29
2c
18
25
16
2d
23 21
13
12
19
tra ers rak enk Not
17 15
4 8
13
15
11
40
38 35
98
44
42 37 gen Mer
20
27
14
8
eri
uw Lee
6
26
2b
22
t raa kst
10
32
t
10
24
raa
9 33
31
13
rst
34
en cul
lfs
Wo
ke
46
7
kra
50
36
ten
54
5
10
12
Kavelnr. 6 Opp. ca. 2.600m²
No
58
Mergen
4 3
6
8
11
str
28
168 95 509 78 75 Kavelnr. 7 625 77 Opp. ca. Kavelnr. 9 3.094m² 149 Opp. ca. 592 3.414m² 91 129 Kavelnr. 8 104 Opp. ca. 8968 2.830m² 74 120 124 112 100 81
Bru gse
2
rik
30
64
Be rg
32
4a
24
29
88
22
14
27
17
20
16
Mezenhof
25
Kana
ries
traa
t
6
18
6
7
Herd erss
30
5
Bund ers
18
taf
16
28 13
9
5
7
9
3
19
7
1
86
14
3
20
5
11
1
26
4
11
Notenkrakerstraat
9
12
7
24
3
21-21
a
12
Opdrachtgever
8
13
10
61
5
Mer gen
23 15
22
8
Leeuwerikstraat
22
17
15
21
Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte
1 14 16
18
20 22
24
24
20
26
6
Brug
se
Berg
Mezenhof
28 59
84
57 19 2
18
Wolfs
19
Project
4
culen
26
15
Kanariestraat
21
16
16
2
55
8
17
4
13 6
1
28 2 14 2 23
11 25
27
14
29
He
31
rde
11
33 35
taf
rss
23
37 2a
9
12
MOB Mill
39
12 41
15
raat
43
25
45
erst
47
Putt
49 8t 10
82
13
3
of Sc
10
80
Stedenbouwkundig ontwerp d.d. 31-08-2020
5 4 Kampweg
6
8 25p
3 29p 29
Onderdeel
10
he
pe
rsh
7
8 9
27
27p
31p
4 42
1 12 en
78 Merg
2 6
7
40
53
4
14
76 1 6
31
Kam
pwe
g
3
5
16
51
18
5
38
Hoo
gho
2
rst
35
5
16
74
14
25
36
23 21
Projectnummer
Tekeningnummer
358263
358263.ehv110.T07 -SB
19
18
3
1
49 72
Wolfsculen
8
3
20
Leeuwerikstraat
47
g Ber
5
gse Bru
Versie
Datum van uitgave
Ontwerpfase
Contractnummer
17
12
24-08-2020
Groenlingstraat
7
34
5a
7
1
Blad
Groenlingstraat
22
10
17
32
Van
Schaal
Formaat
Kantoor
Get.
Gec.
1 : 2000
A2
Eindhoven
MN
MN
15
24
9
15 45
8
SB
11
10
30
35
13
13
Brug
se
13
43
Berg
70a
6
15
33
11
28 11
9
4
7
70
31
26
9
Ghee
29
2
r
Hoo gho rst
9
41
27 2-2i
7 12
25
5 39
23 2t 21
3 68
19
14
18
16
24
1
17
7
14 12
11 22
37
ond
10
5
Mo
rge
nst
Gheer
16
8 40
20
35 3
4
6
66
36 18
34
6
15-21
4
1a 16
1
www.sweco.nl © Sweco Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden
38
Goedg.
P:\110\358263_RvR_MOB_Complex_Mill\2. Do Work\6_Tekeningen\4_Ruimte\05_NewOntwerp\358263.ehv110.T07
501
48
66
96
52
68
102
56
70
94
Berg
Kavelnr. 5 Opp. ca. 2.516m²
92
60
Brugse
2a
625
91 91 90
86 88
106
7
62
84
Kavelnr. 4 Opp. ca. 2.389m²
503
104
76
78
80
82
583
9
72 100 92 105 90
2
72
74
90
19
we
A 108
505
17
108
155
4
11
7
9 11
13 15
13
Kavelnr. 3 Opp. ca. 2.281m²
e
5
110
3
498
eu
180
6
Kavelnr. 2 Opp. ca. 2.283m²
Le
22
1
13a
Kavelnr. 12 Opp. ca. 2996m²
shove Ridder
at
8
180
18
20