14. Toelichting bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek.pdf
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 51000378 Referentienummer: NL21-648800269-2614 Datum: 04-08-2021
Verkennend bodemonderzoek Voormalig MOB-complex te Mill
Definitief
Opdrachtgever: Ruimte voor Ruimte cv Postbus 79 5201 AB ‘s-Hertogenbosch
Sweco Zernikestraat 17 5612 HZ Eindhoven Postbus 1265 5602 BG Eindhoven Nederland
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Maarten Lathouwers Projectleider bodem M +31 6 515 60 863
Verantwoording Titel
Verkennend bodemonderzoek
Subtitel
Voormalig MOB-complex te Mill
Projectnummer
51000378
Referentienummer
NL21-648800269-2614
Revisie
D1
Datum
04-08-2021
Auteur(s)
Maarten Lathouwers
E-mailadres
maarten.lathouwers@sweco.nl
Gecontroleerd door
Rolph Esselink
Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door
Jeroen van Rooij
Paraaf goedgekeurd
Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid Het managementsysteem van Sweco Nederland B.V. voldoet aan verschillende eisen en normen. Een algemeen overzicht hiervan is opgenomen in de laatste bijlage. Sweco Nederland B.V. verklaart hierbij dat zij en haar onderaannemers geen belang hebben bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Het onderzoek is derhalve volgens de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit onafhankelijk uitgevoerd. Volgens het Besluit bodemkwaliteit dient onderzoek uitgevoerd te worden volgens, door de SIKB, vastgestelde beoordelingsrichtlijnen. In de rapportage wordt, indien van toepassing, expliciet vermeld bij welke werkzaamheden is afgeweken van de beoordelingsrichtlijnen en onderliggende protocollen. De consequenties hiervan zijn dan toegelicht.
2 (33)
Inhoudsopgave 1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.1
Algemeen.................................................................................................... 5
1.2
Aanleiding en doelstelling ........................................................................... 5
1.3
Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid ...................................................... 5
1.4
Opbouw van het rapport ............................................................................. 6
2
Vooronderzoek ......................................................................................... 7
2.1
Algemeen.................................................................................................... 7
2.2
Locatiegegevens ........................................................................................ 7
2.3
Geraadpleegde bronnen............................................................................. 7
2.4
Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................... 8
2.5
Terreinsituatie ............................................................................................. 8
2.6
Resultaten voorgaande bodemonderzoeken ............................................. 9
2.7
Bodemkwaliteitskaart ................................................................................ 12
2.8
Niet gesprongen explosieven ................................................................... 12
2.9
Resultaten terreininspectie ....................................................................... 12
2.10
Beantwoording onderzoeksvragen ........................................................... 12
3
Veld- en laboratoriumwerkzaamheden ................................................. 15
3.1
Veldonderzoek .......................................................................................... 15
3.2
Laboratoriumonderzoek............................................................................ 16
4
Resultaten veldonderzoek ..................................................................... 18
4.1
Bodemopbouw en grondwatergegevens .................................................. 18
4.2
Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................ 19
4.3
Monsterselectie ........................................................................................ 20
4.4
Opsporen tanks met metaaldetectie ......................................................... 23
5
Resultaten laboratoriumonderzoek ...................................................... 24
5.1.1
Toetsingskader .....................................................................................................24
5.1.2
Mate van bodemverontreiniging en hergebruik .....................................................24
5.3
Voorlopige veiligheidsklasse .................................................................... 26
6
Evaluatie .................................................................................................. 27
6.1
Inleiding .................................................................................................... 27
6.2
Milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ............................................... 27
6.3
Noodzaak tot vervolgonderzoek (toetsing hypothese) ............................. 31
6.4
Conclusies en aanbevelingen................................................................... 33
Bijlage 1: Topografische ligging onderzoekslocatie .......................................... 34 Bijlage 2: Situatie met boringen, sleuven, asbestgaten en peilbuizen ............. 35 Bijlage 3: Kwaliteitsborging .................................................................................. 36 Bijlage 4: Boorprofielen en legenda ..................................................................... 38
3 (33)
Bijlage 5: Analysecertificaten ............................................................................... 39 Bijlage 6: Getoetste analyseresultaten ................................................................ 40 Bijlage 7: Toetsingskader bodemkwaliteit ........................................................... 41 Bijlage 8: Uitdraai CROW400 ................................................................................. 47 Bijlage 9: Rapportage historisch bodemonderzoek ........................................... 48 Bijlage 10: Berekening asbestgehalte .................................................................. 49 Bijlage 11: Toetsing funderingsmateriaal ............................................................ 50 Bijlage 12: Situering meetpunten ten behoeve van metaaldetectie .................. 51
4 (33)
1
Inleiding
1.1 Algemeen In opdracht van Ruimte voor Ruimte cv heeft Sweco Nederland B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het voormalige MOBcomplex te Mill. Het onderzoek is gebaseerd op de volgende onderzoeksnormen: · NEN 5707:2017 nl - Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond; · NEN 5725: 2017 nl – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek; · NEN 5740: 2016 nl – Bodem - Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; · NEN 5897: 2017 nl - Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is aangegeven in bijlage 1. Een overzicht van de locatie inclusief situering van de boringen, sleuven, asbestgaten en peilbuizen is weergegeven in bijlage 4. 1.2 Aanleiding en doelstelling De aanleiding van het onderzoek vormt de voorgenomen herinrichting van de locatie voor nieuwbouw door Ruimte voor Ruimte cv. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten moet worden vastgesteld of voorgenomen herinrichting, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, mogelijk is en zo niet, welke vervolgacties noodzakelijk zijn.
Daarnaast dient de milieuhygiënische bodemkwaliteit vastgesteld te worden voor het bepalen van de te hanteren CROW 400 veiligheidsklasse (Arbo-maatregelen) bij de uitvoer van graafwerkzaamheden. Het verkennend bodemonderzoek is een steekproef en is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. 1.3 Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid Sweco Nederland B.V. wil met haar producten en diensten zo goed mogelijk aan de behoeften, doelstellingen en eisen van haar opdrachtgevers voldoen. Het managementsysteem van Sweco Nederland B.V. voldoet aan verschillende eisen en normen. Een algemeen overzicht hiervan is opgenomen in bijlage 3. Het veldwerk voor het bodemonderzoek is verricht door Milieupartner B.V. onder het procescertificaat met nummer EC-SIK-20304 en door Daemen milieutechniek B.V. onder het procescertificaat (van Tritium) met nummer EC-SIK-20270. Sweco Nederland B.V. verklaart hierbij dat zij en haar onderaannemers geen belang hebben bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Het onderzoek is derhalve volgens de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit onafhankelijk uitgevoerd. Volgens het Besluit bodemkwaliteit dient onderzoek uitgevoerd te worden volgens, door de SIKB, vastgestelde beoordelingsrichtlijnen.
In de rapportage wordt expliciet vermeld welke werkzaamheden zijn uitgevoerd onder de beoordelingsrichtlijnen en onderliggende protocollen. Tevens is opgenomen op welke punten eventueel is
5 (33)
afgeweken van de protocollen en wat de mogelijke consequenties zijn van de afwijkingen. Bodemonderzoek wordt in beginsel steekproefsgewijs uitgevoerd. Ondanks het feit dat Sweco Nederland B.V. bij de uitvoering van deze werkzaamheden aansluit bij landelijke kwaliteitsrichtlijnen en regelgeving, maakt het steekproefsgewijze karakter van het onderzoek het niet mogelijk om garanties af te geven ten aanzien van een eventueel beschreven verontreinigingssituatie. Sweco Nederland B.V. accepteert dan ook geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever of derden naar aanleiding van het door Sweco Nederland B.V. uitgevoerde bodemonderzoek nemen. 1.4 Opbouw van het rapport In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde: · de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2); · de uitgevoerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden (hoofdstuk 3); · de resultaten van het veldonderzoek (hoofdstuk 4); · de resultaten van het laboratoriumonderzoek en de interpretatie (hoofdstuk 5); · een evaluatie van de onderzoeksresultaten, toetsing van de gekozen onderzoekshypothese en conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6). De bijbehorende tekeningen, boorprofielen en analysecertificaten zijn als bijlagen opgenomen.
6 (33)
2
Vooronderzoek
2.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de resultaten van het vooronderzoek besproken. Het doel van het vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Dit resulteert in een hypothese over de mate van verdachtheid ten aanzien van bodemverontreiniging op de locatie. Voor het gehele MOB-complex is door Sweco een separaat historisch bodemonderzoek verricht; het betreft de rapportage “Historisch bodemonderzoek MOB complex te Mill, Sweco Nederland B.V., 18-11-2020, kenmerk SWNL0268986”. Deze rapportage is als bijlage 9 opgenomen. Na afronding van deze rapportage is recentelijk aanvullend info verstrekt door werkorganisatie CGM (van de gemeenten Cuijk, Grave en Mill & Sint Hubert, door de heer Luuk Peeters). In onderhavig hoofdstuk 2 zijn alle bekende historische gegevens integraal beschreven. 2.2 Locatiegegevens De onderzoekslocatie betreft het voormalig MOB-complex te Mill. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergeven in bijlage 1. In onderstaande tabel zijn de locatiegegevens samengevat. Tabel 2-1
Overzicht locatiegegevens
Locatie-omschrijving Kadastrale gegevens locatie Coördinaten Oppervlakte locatie (in m²) waarvan bebouwd (in m²) Huidig gebruik
Verhardingen
Voormalig MOB-complex te Mill Gemeente Mill, sectie F, nummer 3908 (gedeeltelijk) en nummer 4583 (gedeeltelijk) X-coördinaat: 181619, Y-coördinaat: 41860 54.450 0 Momenteel heeft de locatie geen functie. Na sloop van gebouwen en verhardingen is de locatie grotendeels braakliggend en bestaat uit bos en struiken. Over het algemeen zijn geen verhardingen aanwezig. Een vermoedelijk voormalig in gebruik zijnde wasplaats voor voertuigen bestaat uit beton met een oppervlak van circa 200 m2.
2.3 Geraadpleegde bronnen Bij het verzamelen van de historische gegevens zijn verschillende bronnen geraadpleegd. In onderstaande tabel is vermeld welke bronnen hiervoor gebruikt zijn.
7 (33)
Tabel 2-2
Overzicht geraadpleegde bronnen tijdens vooronderzoek
Bron Internet www.bodemloket.nl
Korte toelichting
www.ahn.nl
AHN: Actueel Hoogtebestand Nederland. Hoogteligging locatie t.o.v. NAP
www.dinoloket.nl
Bodemopbouw en geohydrologie
www.topotijdreis.nl
Historische kaarten
www.google.nl/maps
Google Maps/Street View geeft een beeld van de ligging en een indruk van de terreinsituatie. https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/bodematlas
Bodematlas provincie Noord-Brabant Gemeente
Geen informatie beschikbaar voor deze locatie.
Bodemrapporten en milieugegevens aangeleverd (door Omgevingsdienst en werkorganisatie CGM)
Er zijn verschillende rapporten ontvangen van Omgevingsdienst Brabant Noord (zie rapportage separaat historisch bodemonderzoek) en na afronding van deze rapportage is aanvullend info verstrekt door werkorganisatie CGM (van de gemeenten Cuijk, Grave en Mill & Sint Hubert, de heer Luuk Peeters).
Bodemkwaliteitskaart gemeente
Bodemkwaliteitskaart regio Noordoost Brabant, Lievense Milieu B.V., documentcode 16M1041.RAP001, 28 februari 2019. Deze bodemkwaliteitskaart wordt gebruikt voor het gehanteerde beleid van Omgevingsdienst Brabant Noord zoals verwoord in de “Nota bodembeheer” (van Gemeente Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, ‘sHertogenbosch, Landerd, Meijerijstad, Mill & Sint Hubert, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Vught en Uden), projectnummer: 73700179, Maart 2019. Rapportage Historisch Vooronderzoek CE-Bodembelastingskaart Gemeente Mill en Sint Hubert, Bombsaway, kenmerk 17P037, 23-02-2018. De historische gegevens zijn verkregen door aanvraag van het Omgevingsrapport van Omgevingsdienst Brabant Noord en werkorganisatie CGM.
Vooronderzoek NGE Historische informatie
2.4 Bodemopbouw en geohydrologie De regionale bodemopbouw is weergegeven in onderstaande tabel. De gegevens uit deze tabel zijn ontleend aan het DINOloket.nl (www.dinoloket.nl). Tabel 2-3 Globale diepte (m-mv) 0,0 – 9,5
9,5 – 40,0
Regionale bodemopbouw Samenstelling Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand en kleiig zand, weinig grof zand en glauconietzand en een spoor klei, bruinkool, grind en schelpen
Geohydrologische eenheid Eerste watervoerend pakket
Formatie
Eerste watervoerend pakket
Breda
Beegden
Het freatische grondwater stroomt in noordoostelijke richting. De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied en is niet gelegen in een boringsvrije zone (bron: provincie Noord-Brabant). 2.5 Terreinsituatie Voormalig De onderzoekslocatie is gelegen aan de noordzijde van de woonwijk Vilheide te Mill en betreft het voormalige mobilisatiecomplex (MOB-complex) voor defensie. In het verleden heeft hier opslag plaatsgevonden van voertuigen, munitie en dergelijke. Alle gebouwen en de meeste funderingen zijn reeds verwijderd. Een vermoedelijk voormalig in gebruik zijnde wasplaats bestaat uit beton met een oppervlak van circa 200 m2. Huidig Momenteel is de locatie (met uitzondering van een voormalig in gebruik zijnde wasplaats) braakliggend en bestaat uit bos en struiken. 8 (33)
2.6 Resultaten voorgaande bodemonderzoeken Uit de omgevingsrapportage module van de Omgevingsdienst Brabant Noord blijkt dat op de locatie bodemonderzoek is uitgevoerd. In de omgevingsrapportage zijn bodemonderzoeksrapporten benoemd die zijn opgevraagd bij het bevoegd gezag en die dateren van de jaren 2011 tot en met 2014. De (hieronder genoemde) beide bodemonderzoeken van 1995 zijn recentelijk aangeleverd door werkorganisatie CGM, waarbij wordt opgemerkt dat de conclusies van deze rapporten zijn beschreven in het rapport van 16-04-2013 (en bijgevolg de conclusies al bekend waren ten tijde van het historisch bodemonderzoek van 18-11-2020). De volgende onderzoeken zijn op de locatie uitgevoerd die zijn beschreven in het historisch bodemonderzoek: · Verkennend bodemonderzoek locatie MC Mill – Graafseweg 15 te Mill, Haskoning B.V., referentie 6337.D0740.A0/R002/LR/SEP, 05-09-1995; · Aanvullend verkennend bodemonderzoek locatie MC Mill – Graafseweg 15 te Mill, Haskoning B.V., referentie 95059620, 24-11-1995; · Partijkeuring fundering MOB-complex Mill door Geofox-Lexmond, d.d. 23-082011, referentienummer: 2012142; · Verkennend asbestonderzoek Voormalig MOB-complex Graafseweg te Mill door Geofox-Lexmond, d.d.
9 augustus 2012, referentienummer: 20121423_a1BRF.doc; · Bodemonderzoek ondergrondse huisbrandolietank Graafseweg Mill, CSO Adviesbureau, november 2012, kenmerk 12A016.R002.JDW; · Verkennend bodemonderzoek Voormalig MOB-complex Graafseweg te Mill door Geofox-Lexmond, d.d. 16-04-2013, referentienummer: 20122259/WWIJ; · Nader bodemonderzoek asbest Voormalig MOB-complex Graafseweg te Mill door Geofox-Lexmond, d.d. 23-05-2013, referentienummer: 20122259/WWIJ; · BUS-melding locatie Graafseweg 15 te Mill door Geofox-Lexmond, d.d. 23-072014, referentienummer:20141030/MKLI; · BUS-evaluatieverslag uitgevoerde saneringswerkzaamheden Graafseweg 15 te Mill door Geofox-Lexmond, d.d. 07-11-2014, referentienummer:20141030/MKLI. Na afronding van het historisch bodemonderzoek is aanvullende informatie verstrekt door werkorganisatie CGM (samenwerkingsverband van de gemeenten Cuijk, Grave en Mill & Sint Hubert, de heer Luuk Peeters). De volgende bodemonderzoeken en dossiergegevens zijn hierbij vrijgekomen: · Nader onderzoek MOB-complex, Grontmij, december 1986. Het kenmerk van de rapportage ontbreekt. In de rapportage is opgenomen dat de sanering van de met olie verontreinigde grond ter plaatse van de oliegebouwtjes als geslaagd kan worden beschouwd omdat er geen verontreinigingen zijn aangetroffen in de grond en het grondwater.
De sanering van de grond op die plaatsen waar slakken als funderingsmateriaal zijn gebruikt kan als geslaagd worden beschouwd omdat maximaal gehalten rond de Awaarde zijn aangetroffen aan lood, barium, nikkel en cyanide. Het gehalte aan cyanide in het grondwater ter plaatse van de gebruikte slakken is maximaal verhoogd boven de A-waarde. Tevens zijn in het grondwater gehalten boven de Bwaarde aan zink, cadmium en barium aangetroffen. · Bodemonderzoek MOB-complex, Grontmij, mei 1989. Het kenmerk van de rapportage ontbreekt. In de rapportage is opgenomen dat de grondlaag onder de slakken (plaatselijk) een licht verhoogd gehalte aan cyanide en zware metalen aanwezig is. Geadviseerd wordt de slakkenverharding van het terrein te verwijderen. · Bodem- en grondwateronderzoek MOB-complex (fase 2B), Grontmij, oktober 1993. Het kenmerk van de rapportage ontbreekt.
9 (33)
In de rapportage is opgenomen dat ter plaatse van de onverharde terreindelen een licht verhoogd gehalte aan zink in de bovengrond aanwezig is. In het grondwater ter plaatse van de onverharde terreindelen zijn plaatselijk licht tot sterk verhoogde gehalten aan cadmium en zink aanwezig. De grondlaag onder de slakken bevat plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan zink en een matig verhoogd gehalte aan lood. Aanbevolen wordt om na verwijdering van de slakkenlaag aanvullend onderzoek te verrichten naar de eventueel nog aanwezige verontreiniging in de ondergrond. · Brief van Ministerie van Defensie aan gemeente Mill, kenmerk 94036430, 2405-1994. Het betreft een verslag van het overleg inzake afstoting MOB-complex Mill d.d. 04-05-1994. In de brief is aangegeven dat zes ondergrondse HBO-tanks ter plaatse van het MOB-complex zijn verwijderd nabij de gebouwen P2 (ook gebouw J genoemd), P4, P6, L19 en L21. De situering van de tanks zijn nauwkeuring ingetekend op een situeringstekening ten opzichte van de genoemde bebouwing. Opgemerkt wordt dat de twee tanks bij gebouw P2 zich ter plaatse van (of in de directe nabijheid van) onderhavige onderzoekslocatie bevinden. Bij de verwijdering van de ondergrondse brandstoftanks is een bodemonderzoek verricht. In de grond en het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aan minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetroffen.
Hierbij wordt opgemerkt dat ter plaatse van de twee tanks nabij gebouw P2 (van onderhavige onderzoekslocatie) de grond is onderzocht tot maximaal 2,0 m-mv en dat het grondwater niet is onderzocht, aangezien de boringen op een diepte van 2,0 m-mv zijn gestuit op een ondoordringbare laag. Ten slotte is uit de brief op te maken dat er nog een ondergronds HBO-tank aanwezig is nabij gebouw WB en nabij gebouw L1. Uit de hierboven genoemde onderzoeksrapporten blijkt: · In de bodem (grond en grondwater) zijn wat betreft chemische parameters maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Uitzondering hierop zijn een zeer incidenteel aangetroffen matig verhoogd gehalte aan lood in de grond onder de slakkenlaag, de matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater (die echter van nature aanwezig zijn) en een sterk verhoogd gehalte aan benzeen en xylenen die bij het onderzoek van 1995 (ter plaatse van boring 202 op het traject 0,5-1,5 m-mv) is aangetroffen. · De sterke verontreiniging met asbest ter plaatse van RE A (circa 40 m3) is gesaneerd tot de maximale waarden van de bodemfunctie Wonen, hetgeen betekent tot onder de interventiewaarde van 100 mg/kg voor asbest in grond. De locatie is echter buiten onderhavige onderzoekslocatie gelegen. · Bij voorgaand uitgevoerd asbestonderzoek is onderzoek verricht naar de grond onder de voor asbest verdachte betonvloer.
Het overige deel van het MOBcomplex kan worden gezien als onverdacht voor asbest. Bij het onderzoek is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Na uitvoer van de sanering op asbest is de locatie te beschouwen als niet verdacht ten aanzien van de aanwezigheid van asbest. · De funderingen ter plaatse van de voormalige wegen op het terrein waren (destijds) puin of slakhoudend. Van de getoetste partijen grond kan één partij, op basis van een verhoogd gehalte aan PAK, niet worden hergebruikt. De overige twee partijen kunnen wel worden hergebruikt als niet-vormgegeven bouwstof. · Historische gegevens en onderzoeksresultaten ondergrondse HBO-tanks. Op basis van de historische gegevens en bodemonderzoeken is gebleken dat er ter plaatse van het MOB-terrein in totaal acht HBO-tanks aanwezig zijn geweest. Vier van deze tanks liggen ter plaatse van de onderhavige onderzoekslocatie; namelijk twee HBO-tanks bij gebouw P2 (waarvan de ligging bekend is), één tank bij gebouw
10 (33)
L1 (waarvan de ligging niet bekend is) en één tank bij gebouw WB (waarvan de ligging bekend is). Mogelijk is ter plaatse van het MOB-terrein nog een negende ondergrondse HBOtank aanwezig geweest die bij het onderzoek van CSO in 2012 is onderzocht. Deze ondergrondse tank is gelegen ter plaatse van de onderhavige onderzoekslocatie. Het is niet duidelijk of dit dezelfde ondergrondse tank is die nabij gebouw WB is gelegen. Ten tijde van het onderzoek van CSO is deze tank geheel vrijgegraven en is zowel de uitkomende grond (waarvoor een depotkeuring is verricht) als de grond direct onder de tank onderzocht, waarbij is gebleken dat de grond zintuiglijk en analytisch voor minerale olie schoon bleek te zijn. Bijgevolg is het grondwater niet onderzocht. Op basis van deze onderzoeksgegevens heeft voldoende onderzoek naar deze tank plaatsgevonden. Er is niet aangegeven of de tank uiteindelijk verwijderd is, maar dit lijkt wel aannemelijk aangezien de tank geheel is vrijgegraven. De twee ondergrondse tanks nabij gebouw P2 zijn verwijderd. Voor de ondergrondse tank bij gebouw L1 (waarvan de ligging niet bekend is), de ondergrondse tank nabij gebouw WB en de HBO-tank onderzocht door CSO in 2012 is momenteel niet voldoende duidelijk of deze tanks nog aanwezig zijn.
Daarom zal bij onderhavig onderzoek met een metaaldetector (best beschikbare techniek gezien de terreinsituatie met dichte begroeiing) de mogelijke aanwezigheid van deze tanks worden nagegaan. Uit de bestaande bodemonderzoekrapporten is gebleken dat: · Ter plaatse van de twee tanks nabij gebouw P2 (van onderhavige onderzoekslocatie) is de grond onderzocht tot maximaal 2,0 m-mv en is het grondwater niet onderzocht. Bij het onderzoek naar de grond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. Er zijn bij het onderzoek zintuiglijk geen verontreinigingskenmerken waargenomen; · Ter plaatse van de tank die aanwezig zou zijn nabij gebouw L1, is voor zover bekend nog geen bodemonderzoek verricht; · Ter plaatse van de tank nabij gebouw WB zijn bij het onderzoek in 1995 zintuiglijk geen verontreinigingskenmerken waargenomen. Bijgevolg is alleen de grond nabij het vulpunt analytisch onderzocht; er zijn hierbij geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. Tevens zal bij onderhavig onderzoek, ter verificatie van mogelijke verontreiniging, onderzoek (naar grond en grondwater) bij de vier ondergrondse tanks (één tank bij gebouw L1, één tank bij gebouw WB en twee tanks bij gebouw P2) plaatsvinden. De tank waarbij in 2012 onderzoek door CSO is verricht, is voldoende onderzocht. · Bodemonderzoek ter plaatse van de BOS-hokken 1, 9, 11 en 13.
Bij het historisch onderzoek van het onderzoek van 1995 is beschreven dat ter plaatse van de BOS-hokken 1, 9, 11 en 13 een matige tot sterke verontreiniging met minerale olie in de bovengrond is aangetroffen. Bij het onderzoek van 1995 is het grondwater (en niet de grond) ter plaatse van de BOS-hokken 9, 11 en 13 onderzocht en is gebleken dat licht verhoogde gehalten aan cadmium en zink zijn aangetroffen en dat geen verhoogde gehalten aan vluchtige aromaten zijn aangetroffen. De BOS-hokken 9, 11 en 13 bevinden zich buiten de huidige onderzoekslocatie (ter plaatse van het voormalige MOB-complex). Het is niet bekend waar BOS-hok 1 zich bevonden heeft; daarmee is ook niet bekend of deze locatie zich ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie bevindt en dus het destijds aangetroffen sterk verhoogde gehalte aan minerale olie in de bovengrond zich ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie bevindt. Opgemerkt wordt dat alleen de
11 (33)
BOS-hokken 9, 11 en 13 bij het onderzoek van 1995 als een verdachte locatie werden bezien. Wel is bekend dat de vier BOS-hokken ten tijde van het bodemonderzoek van 1995 al waren gesloopt. · Bij het onderzoek van mei 1989 is aangegeven dat de grond onder de slakken licht verhoogde gehalten aan cyanide bevat; bij onderhavig onderzoek zal bijgevolg verificatie op cyanide plaatsvinden. 2.7 Bodemkwaliteitskaart Voor de onderzoekslocatie is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar. De voor de onderzoekslocatie relevante gegevens zijn weergeven in tabel 2-4. Tabel 2-4
Gegevens bodemkwaliteitskaart
Onderdeel BKK
Resultaat
Bodemkwaliteitszonekaart
Landbouw/natuur
Bodemfunctieklassekaart
Landbouw/natuur
Ontgravingskaart
Bovengrond (0,0-0,5 m-mv): Landbouw/natuur Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Landbouw/natuur
Toepassingskaart
Bovengrond (0,0-0,5 m-mv): Landbouw/natuur Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Landbouw/natuur
2.8 Niet gesprongen explosieven Voor gemeente Mill en Sint Hubert is de rapportage “Historisch Vooronderzoek CEBodembelastingskaart” door Bombsaway opgesteld. Uit deze rapportage blijkt dat onderhavige onderzoekslocatie onverdacht is voor niet-gesprongen explosieven. 2.9 Resultaten terreininspectie De terreininspectie is uitgevoerd door Milieupartner B.V. op 28 juni 2021 en tevens door Sweco op 2 juli 2021. Op voorhand was op basis van de beschikbare gegevens (bodemonderzoek april 2013) verwacht dat geen bebouwing en verhardingen meer aanwezig waren. Een bijzonderheid bij de locatie-inspectie was daarom het aantreffen van een betonverharding (met een olie/water-afscheider) die in het verleden vermoedelijk in gebruik is geweest als wasplaats voor voertuigen. Tevens is uit de inspectie gebleken dat ter plaatse van een terreindeel in het verleden vermoedelijk bebouwing aanwezig is geweest, aangezien ter plaatse een verlaging aan het maaiveld waarneembaar is. Op basis van de historische gegevens werd hier geen bebouwing verwacht. 2.10 Beantwoording onderzoeksvragen Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? De afbakening van de locatie is vermeld in paragraaf 2.2. De afbakening is voldoende voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek.
Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Uit het vooronderzoek zijn vanuit het verleden enkele bronnen van mogelijke bodemverontreiniging bekend. De volgende gegevens zijn naar voren gekomen: · Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn vier ondergrondse HBO-tanks aanwezig (geweest). Mogelijk is nog een vijfde HBO-tank aanwezig geweest (namelijk de HBO-tank die door CSO in 2012 is onderzocht). Bij onderhavig onderzoek zal, ter verificatie van mogelijke verontreiniging, bodemonderzoek naar grond en grondwater worden verricht ter plaatse van vier HBO-tanks (één tank bij gebouw L1, één tank bij gebouw WB en twee tanks bij gebouw P2). Tevens zal de mogelijke aanwezigheid van de ondergrondse tank bij gebouw L1, de ondergrondse tank nabij gebouw WB en de HBO-tank
12 (33)
· ·
·
·
·
·
·
·
onderzocht door CSO in 2012 worden nagegaan door middel van opsporing met een metaaldetector. De grond onder de destijds aanwezige slakken bevat mogelijk verhoogde gehalten aan cyanide; bij onderhavig onderzoek zal verificatie op cyanide van de grond ter plaatse van de destijds aanwezige slakken plaatsvinden. Bij het onderzoek van 1995 is ter plaatse van boring 202 (traject 0,5-1,5 m-mv) een sterk verhoogd gehalte aan benzeen en xylenen aangetroffen; bij onderhavig onderzoek zal verificatie op vluchtige aromaten nabij deze boring plaatsvinden. Ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich momenteel een betonverharding (met een olie/water-afscheider) die in het verleden vermoedelijk in gebruik is geweest als wasplaats voor voertuigen. Er zal onderzoek naar deze verdachte locatie plaatsvinden. In het verleden is aan de oostzijde van de onderzoekslocatie (Leeuwerikstraat 96 te Mill) een autoreparatiebedrijf aanwezig geweest. Er zal stroomafwaarts van deze locatie worden nagegaan of vanuit deze locatie mogelijke verontreiniging via het grondwater naar de onderzoekslocatie is verspreid. Direct ten noorden van de onderzoekslocatie is een voormalige stortplaats aanwezig. Gezien de stroming van het freatische grondwater in noordoostelijke richting, wordt deze stortplaats niet beschouwd als een relevante verdachte locatie die van invloed is op de onderzoeksstrategie.
Om deze aanname te verifiëren zal ter plaatse van de onderzoekslocatie in de nabijheid van de stortlocatie een peilbuis worden gesitueerd. Om na te gaan of een rioleringsput van een niet meer in gebruik zijnde rioleringsbuis slib bevat, zal een monster van dit materiaal worden genomen. Tevens zal voor een bestaande rioleringsleiding worden nagegaan of de rioolkit die is aangebracht voor het koppelen van rioleringsbuizen asbest bevat; er zal een monster worden genomen van de kit en op asbest worden onderzocht In verband met voorgenomen ontgravingswerkzaamheden bij het bouwrijp maken van de locatie zal bij het momenteel aanwezige rioleringsstelsel en bij het nieuw aan te leggen rioleringsstelsel. Hiertoe zullen enkele boringen worden geplaats bij het tracé waar een nieuwe rioleringsbuis zal worden aangelegd. Ook zullen enkele boringen, die worden geplaatst in het kader van het onderzoek naar de onverdachte terreindelen, worden gesitueerd bij de momenteel aanwezige rioleringsbuizen. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in het verleden bebouwing en slakken-verharding aanwezig geweest. Ter verificatie van de aanwezigheid van funderingsrestanten zal onderzoek worden verricht door het graven van sleuven.
Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Op de bodemkwaliteitskaart (zie paragraaf 2.7) is voor de onderzoekslocatie de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde toegekend. Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? De bodemopbouw en geohydrologie is besproken in paragraaf 2.4 en de actuele en historische terreinsituatie is besproken in paragraaf 2.5.
13 (33)
Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Voor zover bekend is er naar verwachting geen sprake van beïnvloeding van de bodem- of grondwaterkwaliteit. De mogelijke verspreiding van verontreiniging vanuit de stortplaats en het autoreparatiebedrijf (Leeuwerikstraat 96 te Mill) zal worden geverifieerd. Ten aanzien van het grondwater zijn van nature verhoogde gehalten aan zware metalen aanwezig. Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Nee, ter plaatse van de onderzoekslocatie wordt geen (ernstige) bodemverontreiniging verwacht. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemen asbestonderzoek noodzakelijk? De milieuhygiënische kwaliteit is onvoldoende bekend. De voormalige onderzoeksrapporten zijn verjaard. Tevens dient onderzoek plaats te vinden bij enkele mogelijke verontreinigingsbronnen (zie tweede vraag). De locatie is niet verdacht voor asbest. Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodem- en asbestonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigende stoffen)? Het onverdachte terreindeel zal worden onderzocht met onderzoekshypothese “onverdacht, niet-lijnvormig” van NEN 5740.
De verdachte deellocaties zullen worden onderzocht met een onderzoeksstrategie “op maat”. In onderstaande tabel is de onderzoekshypothese en de onderzoeksstrategie weergegeven. Tabel 2-5
Onderzoeksstrategie van de onderzoekslocatie
(Deel)locatie met oppervlak
Verdacht/ Onverdacht
Aard verwachte stoffen
Plaats van voorkomen
Onderzoeksstrategie
Onverdachte terreindelen (met gecombineerd onderzoek ter plaatse van het oude en nieuw aan te leggen rioleringsstelsel) Verdachte terreindelen verificatie op cyanide t.p.v. slakkenlaag;
Onverdacht
n.v.t.
n.v.t.
Onverdacht, niet-lijnvormig
Verdacht
cyanide
grond
Maatwerk
onderzoek naar 2 o.g. HBO-tanks nabij gebouw P2 Verdacht
minerale olie
grond en grondwater
Maatwerk
onderzoek naar o.g. HBO-tank nabij gebouw WB
Verdacht
minerale olie
grond en grondwater
Maatwerk
onderzoek naar o.g. HBO-tank nabij gebouw L1
Verdacht
minerale olie
grond en grondwater
Maatwerk
benzeen en xylenen
grond
Maatwerk
slib: zware metalen, PAK, minerale olie kit: asbest zware metalen (waaronder chroom 6+), minerale olie zware metalen, PAK
slib in put en asbest in kit
Maatwerk
grond en grondwater
Maatwerk
grond
Maatwerk
onderzoek naar boring 202 (onderzoek van 1995), Verdacht met destijds aangetroffen sterk verhoogd gehalte aan benzeen en xylenen (traject 0,5-1,5 m-mv) onderzoek naar slib in rioleringsput en onderzoek Verdacht naar asbest in rioleringskit vermoedelijke wasplaats met olie/water-afscheider Verdacht vermoedelijke voormalig aanwezige bebouwing (met mogelijk funderingsresten)
Verdacht
In hoofdstuk 3 is de onderzoeksstrategie (boringen, sleuven, peilbuizen en analyses) uitgewerkt in de vorm van een onderzoeksinspanning (veldwerk en laboratorium).
14 (33)
3
Veld- en laboratoriumwerkzaamheden
3.1 Veldonderzoek Het veldonderzoek is verricht onder procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodem- en asbestonderzoek, versie 6, 2018) en de protocollen 2001, 2002 en 2018 door de heren D.K.J. van de Giessen, R.P.W.M. van Galen en B. Adriaans van Milieupartner B.V. onder procescertificaat met nummer EC-SIK-20304. Bij het plaatsen van de boringen is ook gebruik gemaakt van een mobiele kraan in verband met de sterke bijmenging aan grind in de grond. De peilbuizen zijn machinaal geplaatst onder procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodem- en asbestonderzoek, versie 6, 2018) en protocol 2001 en onder procescertificaat BRL SIKB 2100 (mechanisch boren, versie 4, 2018) en protocol 2101 door de heer B.A. Stokmans van Daemen Milieutechniek (onderdeel van Tritium, certificaatnummer EC-SIK-20270). Het milieuhygiënisch veldwerk is uitgevoerd in de periode 28 juni 2021 tot en met 23 juli 2021 en heeft bestaan uit de volgende werkzaamheden: · Het uitvoeren van een visuele terreininspectie. Mede aan de hand hiervan is de plaats van de boringen, asbestgaten, sleuven en peilbuizen bepaald. · Het onderzoeken van de grond door middel van het verrichten van boringen, asbestgaten en sleuven (aantallen en diepte zijn weergegeven in tabel 3-1).
De afmetingen van de asbestgaten waren minimaal 0,3 * 0,3 meter en de sleuven hadden een afmeting van 2,0 * 0,6 meter. De asbestgaten (met uitzondering van asbestgat ASB22) en de sleuven zijn met een mobiele kraan gegraven. Tevens zijn verschillende boringen (als gevolg van de bijmenging aan grind) geplaatst met behulp van een mobiele kraan. · Het zintuiglijk beoordelen van het bij de boringen, asbestgaten en sleuven vrijkomende bodemmateriaal op bodemkundige eigenschappen en op eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken, inclusief eventuele asbestverdachte materialen. · Het nemen van monsters van het bij de boringen, asbestgaten en sleuven vrijkomende bodemmateriaal. De monstertrajecten zijn weergegeven aan de rechterzijde van de boorprofielen in bijlage 4. · Bij de verwijderde ondergrondse tanks (ter plaatse van de boringen 68 en 73 tot en met 80) en bij boring 202 van het onderzoek van 1995 (ter plaatse van de boringen 81 tot en met 85) zijn PID-metingen verricht en is voor de vrijkomende grond tevens een waarneming “olie/water-reactie” verricht. Er zijn hierbij geen verhoogde PID waarden aangetroffen en er zijn geen waarnemingen met een “positieve” olie/water-reactie geconstateerd. · Het plaatsen van 10 peilbuizen met een filterlengte van 1,0 m in één van de diepere boorgaten. · Het herbemonsteren van twee bestaande peilbuizen.
· Het doorpompen van de peilbuizen direct na plaatsing hiervan. · Het nagegaan van de mogelijke aanwezigheid van de ondergrondse tank bij gebouw L1, de ondergrondse tank nabij gebouw WB en de HBO-tank die in 2012 is onderzocht door CSO door middel van opsporing met een metaaldetector. Tevens is als aanvulling van de genoemde deellocaties van tabel 2-5 van hoofdstuk twee verkennend bodemonderzoek verricht, aangezien bij de uitvoer van het veldwerk verontreinigingskenmerken zijn waargenomen. De volgende werkzaamheden zijn aanvullend verricht:
15 (33)
· Ter plaatse van boring 63 is op traject 0,0-0,15 m-mv matige bijmenging aan puin aangetroffen; bijgevolg zijn in de nabijheid van boring 63 (in het kader van onderzoek conform NEN 5707) vier asbestgaten gegraven. · Ter plaatse van boring 18 is op traject 0,0-0,1 m-mv een puinlaag aangetroffen; bijgevolg zijn in de nabijheid van boring 18 (in het kader van onderzoek conform NEN 5897) één sleuf en 12 asbestgaten gegraven. · In het kader van het bouwrijp maken van de locatie is in de grond asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Bijgevolg is ter plaatse van deze grond één sleuf (S18) gegraven. Tevens zijn in de directe nabijheid van deze sleuf nog enkele sleuven gegraven om na te gaan of nog meer asbestverdacht plaatmateriaal aanwezig was. De drie hierboven genoemde onderzochte locaties zijn in het vervolg van onderhavige rapportage als verdachte deellocatie beschouwd en als zodanig onderzocht. Op 23 juli 2021 zijn (door de heer R.P.W.M. van Galen) de volgende werkzaamheden verricht: · Het opnemen van de grondwaterstand in de peilbuizen. · Het bepalen van de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de troebelheid (NTU) van het grondwater. · Het nemen van grondwatermonsters uit de peilbuizen. In tabel 3-1 zijn de uitgevoerde boringen, asbestgaten, sleuven en peilbuizen met boordieptes weergegeven.
Bijlage 2 geeft een overzicht van de situering van de verrichte boringen, sleuven en peilbuizen. 3.2 Laboratoriumonderzoek De geselecteerde grond(meng)monsters en grondwatermonsters zijn in het laboratorium van Synlab Analytics & Services B.V. geanalyseerd. Menging van de grondmonsters heeft plaatsgevonden in het laboratorium. De analyses zijn uitgevoerd conform de protocollen die vallen onder het accreditatieschema van de AS3000 richtlijn. Voor de toegepaste methoden bij het laboratoriumonderzoek wordt verwezen naar bijlage 5. Een overzicht van de verrichte veldwerkzaamheden en het aantal laboratoriumanalyses is weergegeven in tabel 3-1.
16 (33)
Tabel 3-1
Overzicht veld- en laboratoriumonderzoek
Deellocatie
Onderzoeksstrategie
Onverdachte terreindelen (met NEN 5740, onverdacht, gecombineerd onderzoek ter plaatse van het niet-lijnvormig oude en nieuw aan te leggen rioleringsstelsel)
Verificatie op cyanide t.p.v. slakkenlaag
Maatwerk
Onderzoek naar 2 o.g. HBO-tanks nabij Maatwerk gebouw P2 Onderzoek naar o.g. HBO-tank nabij Maatwerk gebouw WB Onderzoek naar o.g. HBO-tank nabij Maatwerk gebouw L1 Onderzoek naar boring 202 (onderzoek van Maatwerk 1995), met destijds aangetroffen sterk verhoogd gehalte aan benzeen en xylenen (traject 0,5-1,5 m-mv) Onderzoek naar rioleringsput en rioleringskit Maatwerk Vermoedelijke wasplaats (betonvloer) met olie/water-afscheider
Maatwerk
Vermoedelijke voormalig aanwezige bebouwing (met mogelijk funderingsresten) Nabijheid van boring 63 met matige bijmenging aan puin in de grond
Maatwerk NEN 5707 (VED-HE)
Aantal boringen, asbestgaten, Aantal en soort analyses1 sleuven en peilbuizen (m-mv) Grond/puin
Grondwater
45 * 1,0 m-mv (sommige boringen eerder gestaakt a.g.v. grind) 13 * 2,0 m-mv 5 * peilbuis 2 * herbemonsteren bestaande peilbuis 16 * sleuf 1,0 m-mv 2 Gecombineerd met sleuven onverdachte terreindelen Peilbuis 79 en peilbuis 80
17 NENg (bovengrond) 10 NENg (ondergrond) 5 PFAS (bovengrond) 5 PFAS (ondergrond)
6 3
NENw
3
cyanide
-
-
2
minerale olie
2
NENw
Peilbuis 73
3
minerale olie
1
NENw
Peilbuis 77 en peilbuis 78
2
minerale olie
2
NENw
Boringen 81 t/m 85
5 2
min. olie / aromaten NENg
-
-
Nemen van monster uit put en nemen monster kit Asbestgaten ASB1, ASB2, ASB3, ASB3.1 en (onder beton) asbestgat 1 en asbestgat 2 Asbestgaten ASB4, ASB5 en ASB6 Asbestgaten ASB7, ASB8, ASB9 en ASB22
1 1 3 1
NENg asbest in kit NENg, arseen, chroom 1 3 chroom 6+
-
1
NENg
-
-
NENw, chroom 6+
1 NENg 1 NENg, arseen, chroom 1 asbest in puin 1 samenstelling/uitloog Nabijheid van boring 18 met een puinlaag NEN 5897 (halfverharding) Sleuf 17 en asbestgaten ASB10 2 asbest in puin t/m ASB21 1 samenstelling/uitloog 1 NENg, arseen, chroom Vindplaats asbestverdacht plaatmateriaal in NEN 5707 (maatwerk) Sleuf 18 1 asbest in grond de grond. 1 asbest in plaat 1 NENg droge stof, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 van VROM), polychloorbifenylen (PCB 7 van VROM) en minerale olie (GC), conform AS 3000. (bg=bovengrond, og=ondergrond, diep= diepere grondlaag) NENw pH, EC, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen en naftaleen), gehalogeneerde koolwaterstoffen (17 verbindingen) en minerale olie (GC), conform AS 3000
2
De sleuven zullen worden gesitueerd ter plaatse van de voormalige bebouwing en voormalige slakkenverharding; er zal worden nagegaan of er funderingsrestanten aanwezig zijn
3
Peilbuis 1 is gecombineerd geplaatst bij de olie/water-afscheider en onderzoek naar de onverdachte terreindelen. Voor de onverdachte terreindelen zijn 7 peilbuizen onderzocht (waarvan 1 geplaatst is bij de olie/water-afscheider)
17 (33)
4
Resultaten veldonderzoek
4.1 Bodemopbouw en grondwatergegevens De resultaten van de bodemkundige beoordeling van de boringen zijn in bijlage 4 in de vorm van boorprofielen weergegeven. Uit de boorprofielen blijkt dat de bovengrond en ondergrond met name uit matig fijn, zwak tot matig siltig (zwak humeus) en plaatselijk matig grof zand bestaat. In de ondergrond is de grond veelal ook matig tot sterk grindig en wordt ook (matig tot sterk zandig) grind aangetroffen. In onderstaande tabel zijn de resultaten van de veldmetingen van het grondwater weergegeven. Tabel 4-1
Resultaten veldmetingen grondwater
Peilbuis
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
pH (-)
EC (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
Belucht
01 (olie/water-afscheider)
5,0-6,0
4,8
4,7
439
niet gemeten
Nee
02
5,0-6,0
4,1
5,9
398
53,8
Nee
04
5,5-6,5
3,8
6,2
395
83,1
Nee
05
5,0-6,0
4,4
5,9
570
29,3
Nee
07
6,5-7,5
5,3
5,9
261
523
Nee
73
5,0-6,0
5,0
6,5
849
1000
Ja
77
5,0-6,0
4,6
5,4
242
131
Nee
78
5,0-6,0
4,4
5,6
503
niet gemeten
Nee
79
5,0-6,0
4,0
5,4
332
82
Nee
80
5,0-6,0
3,9
6,1
345
46,5
Nee
B24
5,0-6,0
5,0
5,9
198
niet gemeten
Nee
B25
5,0-6,0
5,0
6,0
413
niet gemeten
Ja
Een eventueel afwijkende zuurgraad (pH), geleidingsvermogen (EC) of troebelheid (NTU, Nephelometric Turbidity Units) in het grondwater kan een indicator zijn voor de aanwezigheid van verontreinigende stoffen. Bij een troebelheid >10 moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de concentraties aan relatief zware organische verbindingen beïnvloed zijn door de troebelheid van het water. De NTU is verhoogd (>10) bij alle peilbuizen die zijn bemonsterd. Bij de rapportage van de resultaten zal rekening worden gehouden met de verhoogde NTU-gehalten. De in de tabel 4-1 weergegeven waarden voor de zuurgraad, het elektrisch geleidingsvermogen en de NTU worden (met uitzondering van de pH van peilbuis 01) niet als afwijkend beschouwd. De pH van peilbuis 01 wordt als laag beoordeeld. Ten slotte valt uit tabel 4-1 op te maken dat bij bemonstering van het grondwater van peilbuis 73 en peilbuis B25 beluchting is opgetreden. Uit de analyseresultaten (zie hoofdstuk 5) is gebleken dat geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten zijn aangetroffen. Als gevolg van de beluchte monstername is het mogelijk dat het grondwater hier in werkelijkheid een hoger gehalte aan minerale olie en vluchtige aromaten kan bevatten.
Aangezien geen verhoogd gehalte aan minerale olie en vluchtige aromaten is aangetroffen en aangezien bij de plaatsing van de peilbuis geen verontreinigingskenmerken zijn waargenomen, is echter ingeschat dat het analyseresultaat voldoende betrouwbaar is; er is geen noodzaak aanvullend onderzoek te verrichten.
18 (33)
4.2 Zintuiglijke waarnemingen Tijdens de boor- en graafwerkzaamheden zijn zintuiglijk kenmerken waargenomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van verontreinigende stoffen. Deze waarnemingen zijn weergegeven in onderstaande tabel. Bij de boringen, asbestgaten of sleuven die niet in de tabel zijn vermeld, zijn zintuiglijk geen verontreinigingskenmerken waargenomen. Tabel 4-2
Zintuiglijk waargenomen verontreinigingskenmerken
Boringnummer
Maximale boordiepte (m-mv)
Diepte (m-mv)
Grondsoort
Zintuiglijke waarneming
18
1,00
0,00 - 0,10
30
3,00
0,00 - 0,50
Zand
Sporen beton
31
1,00
0,00 - 0,50
Zand
Sporen beton, sporen baksteen
38
1,00
0,00 - 0,20
Zand
Brokken beton
50
1,00
0,70 - 1,00
Zand
Sporen baksteen
51
2,00
0,50 - 1,00
Zand
Resten beton
63
0,50
0,00 - 0,15
Zand
Matig puinhoudend
0,15 - 0,50
Zand
Zwak puinhoudend
Zand
Sporen baksteen
Volledig puin
64
2,00
0,00 - 0,50
77
6,00
1,10 - 1,15
82
2,00
0,00 - 1,50
Zand
Sporen plastic
83
2,00
0,00 - 1,50
Zand
Sporen baksteen
87
0,50
0,00 - 0,50
Zand
Asfalt brokken gevonden
ASB 7
1,00
0,00 - 0,60
volledig puin
ASB 8
1,00
0,00 - 0,60
volledig puin
ASB 9
1,00
0,00 - 0,60
volledig puin
ASB11
0,65
0,05 - 0,15
volledig puin
ASB13
0,65
0,05 - 0,15
volledig puin
ASB16
0,60
0,00 - 0,15
volledig puin
ASB17
0,80
0,05 - 0,30
volledig puin
ASB19
0,65
0,05 - 0,15
volledig puin
ASB22
0,70
0,00 - 0,45
Sleuf 02
1,00
0,00 - 0,35
Zand
Sporen beton
Sleuf 03
1,00
0,00 - 0,20
Zand
Sporen beton, resten baksteen
Sleuf 04
1,00
0,50 - 1,00
Zand
Tegel aangetroffen
Sleuf 07
1,00
0,00 - 0,40
Zand
Sporen beton
Sleuf 08
1,00
0,00 - 0,50
Zand
Resten beton, brokken slakken
Sleuf 11
1,00
0,20 - 0,70
Zand
Tegel aangetroffen
Sleuf 12
1,00
0,00 - 0,40
Zand
Sporen baksteen, resten beton, brokken slakken, tegels aangetroffen
0,40 - 0,70
Zand
Sporen baksteen, resten beton, tegel aangetroffen
Laag van beton
volledig puin
Sleuf 14
1,00
0,00 - 0,50
Zand
Sporen baksteen
Sleuf 15
1,00
0,00 - 0,25
Zand
Sporen baksteen, resten beton
Sleuf 16
1,00
0,00 - 0,50
Zand
Resten baksteen, resten beton
Sleuf 17
0,12
0,00 - 0,12
Sleuf 18
0,50
0,00 - 0,50
Menggranulaat Zand
Drie stukken asbest aangetroffen
Bij de uitvoer van het veldwerk is gebleken dat op het maaiveld ter plaatse van de voormalige bebouwing betonrestanten aanwezig zijn. Tevens is ter plaatse van boring 38 (traject 0,0-0,2 m-mv) brokken beton waargenomen, is ter plaatse van boring 77 (traject 1,1-1,15 m-mv) een betonlaag aangetroffen, is ter plaatse van de bovengrond van de sleuven 04, 11, 12 een tegel aangetroffen, zijn ter plaatse van boring 87 (traject 0,0-0,5 m-mv) asfaltbrokken aangetroffen en zijn brokken slakken aangetroffen in de bovengrond ter plaatse van de sleuven 08 en 12.
19 (33)
4.3 Monsterselectie De grondmonsters zijn zodanig geselecteerd dat, na uitvoering van de analyses, een zo representatief mogelijk beeld verkregen wordt van de milieuhygiënische kwaliteit van bovengrond, de ondergrond en van de verdachte lagen. De samenstelling van de geselecteerde (meng)monsters is weergegeven in onderstaande tabel.
20 (33)
Tabel 4-3
Monsterselectie
Monster
Monstertraject (m-mv)
Deelmonsters
Analysepakket
Motivatie
Onverdachte terreindelen (met gecombineerd verificatie voormalige slakkenlaag op cyanide) 06 0,00 - 0,50 31, 38, 64 Standaardpakket Sporen/brokken beton en baksteen 07 0,50 - 1,00 50, 51 Standaardpakket Sporen/resten beton en baksteen 10 0,00 - 0,50 48, 53 Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit grond bij nieuw riool 11 0,00 - 0,50 22, 42, 72 Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit grond bij nieuw riool 12 1,00 - 1,50 48, 53 Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit grond bij nieuw riool 13 1,00 - 1,50 22, 42, 72 Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit grond bij nieuw riool 14 0,00 - 0,50 08, 09, 10, 11, 12, 13, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond 14, 15, 16 15 0,00 - 0,50 17, 18, 19, 24, 25, 31, 32 PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond 16 0,00 - 0,50 26, 29, 33, 34, 35, 36, PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond 41, 43 17 0,00 - 0,50 20, 21, 28, 39, 45, 58, 69 PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond 18 0,50 - 1,50 23, 44, 51, 59, 60 Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit ondergrond bij bestaande riolering 19 0,00 - 0,50 37, 44, 46, 47, 50, 52, PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond 53, 55, 56, 57 20 0,00 - 0,50 54, 59, 60, 61, 62, 66, PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond 67, 70, 71, 72 21 0,00 - 0,20 40, 65 Standaardpakket
Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond in berm 23 0,50 - 1,00 08, 10, 12, 13, 14, 16, PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit ondergrond 17, 18 24 0,50 - 1,00 20, 21, 23, 24, 26, 28, PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit ondergrond 29, 31, 32 25 0,50 - 1,00 33, 34, 35, 36, 37, 38, PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit ondergrond 41, 42, 43 26 0,50 - 1,00 44, 45, 46, 47, 48, 49, 51 PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit ondergrond 27 0,50 - 1,00 54, 58, 59, 60, 64, 66, PFAS, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit ondergrond 67, 69 28 0,90 - 1,50 08, 16, 22, 26, 32, 33, Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit ondergrond 45, 59, 64, 67 31 0,00 - 0,50 Sleuf 08 Standaardpakket Resten beton, brokken slakken (voormalige bebouwing) 32 0,00 - 0,50 Sleuf 03, Sleuf 14, Sleuf Standaardpakket Sporen of resten beton/baksteen (voormalige bebouwing) 16 33 0,00 - 0,50 Sleuf 01, Sleuf 05, Sleuf Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond (voormalige bebouwing) 09, Sleuf 13 34 0,00 - 0,40 Sleuf 12 Cyanide totaal, Sporen of resten baksteen/beton en brokken slakken Standaardpakket (voormalige slakkenlaag), verificatie op cyanide 35 0,00 - 0,40 Sleuf 02, Sleuf 07, Sleuf Cyanide totaal, Sporen of resten baksteen/beton (voormalige slakkenlaag), 15 Standaardpakket verificatie op cyanide 36 0,20 - 0,70 Sleuf 11, Sleuf 12 Cyanide totaal,
Sporen of resten baksteen/beton en aantreffen tegel Standaardpakket (voormalige slakkenlaag), verificatie op cyanide 37 0,00 - 0,50 87 Standaardpakket Asfaltbrokken in grond aangetroffen Onderzoek naar 2 o.g. HBO-tanks nabij gebouw P2 46 79_N Minerale olie Bepaling gehalte minerale olie 2,00 - 6,00 2 47 3,10 - 3,60 80_N Minerale olie Bepaling gehalte minerale olie Onderzoek naar o.g. HBO-tank nabij gebouw WB 29 2,50 - 3,00 68, 74 Minerale olie Bepaling gehalte minerale olie 30 2,50 - 3,00 75, 76 Minerale olie Bepaling gehalte minerale olie 43 3,20 - 3,70 73 Minerale olie Bepaling gehalte minerale olie Onderzoek naar o.g.
HBO-tank nabij gebouw L1 44 2,90 - 3,40 77 Minerale olie Bepaling gehalte minerale olie 45 3,00 - 3,50 78 Minerale olie Bepaling gehalte minerale olie Onderzoek naar boring 202 (onderzoek van 1995), met destijds aangetroffen sterk verhoogd gehalte aan benzeen/xylenen (traject 0,5-1,5 m-mv) 01 0,80 - 1,00 81 Minerale olie en Verificatie gehalte vluchtige aromaten 1 vluchtige aromaten 02 0,80 - 1,00 82 Minerale olie en Verificatie gehalte vluchtige aromaten 1 vluchtige aromaten 03 0,80 - 1,00 83 Minerale olie en Verificatie gehalte vluchtige aromaten 1 vluchtige aromaten 04 0,80 - 1,00 84 Minerale olie en Verificatie gehalte vluchtige aromaten 1 vluchtige aromaten 05 0,80 - 1,00 85 Minerale olie en Verificatie gehalte vluchtige aromaten 1 vluchtige aromaten 09 0,00 - 0,50 81, 82, 83, 84, 85 Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond 22 1,00 - 1,50 82, 83 Standaardpakket Sporen plastic/baksteen Onderzoek naar rioleringsput en rioleringskit Rioolput 1 0,00 - 0,10 slibput 1 Standaardpakket Milieuhygiënische kwaliteit slib ASB6 Rioolkit Asbest in (kit) Gehalte asbest in kit Vermoedelijke wasplaats (betonvloer) met olie/water-afscheider 39 0,10 - 0,60 asbestgat onder beton 1 Arseen, Chroom, Milieuhygiënische kwaliteit grond onder beton en asbestgat onder Standaardpakket beton 2
21 (33)
Monster
Monstertraject (m-mv)
Deelmonsters
40
0,10 - 0,60
ASB 1, ASB 2, ASB 3, ASB 3.1
Analysepakket
Arseen, Chroom, Chroom (VI), Standaardpakket 48 1,40 - 1,70 Peilbuis 1 (olie/water Arseen, Chroom, afscheider) Standaardpakket Vermoedelijke voormalig aanwezige bebouwing (met mogelijk funderingsresten) 41 0,00 - 0,50 ASB 4, ASB 5, ASB 6 Standaardpakket Nabijheid van boring 63 met matige bijmenging aan puin in de grond ASB4 0,00 - 0,60 ASB7, ASB8, ASB9 Asbest in puin 08 0,00 - 0,15 63 Standaardpakket 42 0,60 - 1,00 ASB 7, ASB 8, ASB 9 Arseen, Chroom, Standaardpakket SenU2 0,00 - 0,45 ASB22 Samenstelling en uitloogonderzoek Nabijheid van boring 18 met een puinlaag ASB1 0,00 - 0,12 Sleuf 17 Asbest in puin ASB3 0,00 - 0,30 ASB11, ASB13, ASB16, Asbest in puin ASB17, ASB19 SenU 0,00 - 0,30 ASB11, ASB13, ASB16, Samenstelling en ASB17, ASB19 uitloogonderzoek 38 0,15 - 0,80 ASB11, ASB13, ASB16, Arseen, Chroom, ASB17, ASB19 Standaardpakket Vindplaats asbestverdacht plaatmateriaal in de grond. ASB2 0,00 - 0,50 Sleuf 18 Asbest in grond ASB5 0,00 - 0,50 Sleuf 18 Asbest in plaatmateriaal
Motivatie Milieuhygiënische kwaliteit grond naast beton (afvloei waswater?) Milieuhygiënische kwaliteit grond bij olie/water afscheider
Milieuhygiënische kwaliteit bovengrond Gehalte asbest in puin Matig puinhoudend Milieuhygiënische kwaliteit grond onder puin Bepaling hergebruiksmogelijkheden
Gehalte asbest in puin Gehalte asbest in puin Bepaling hergebruiksmogelijkheden Milieuhygiënische kwaliteit grond onder puin
Gehalte asbest in grond Gehalte asbest in plaatmateriaal
1
Monstername heeft plaatsgevonden met een steekbus.
2
Het monster heeft een indicatief gehalte, aangezien monstername per 0,5 meter op het verticaal traject niet mogelijk was als gevolg van grind in de boorbuis bij de monstername met de sonic.
Het standaardpakket grond bestaat uit 9 zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie. De grondmonsters van het standaardpakket zijn tevens geanalyseerd op organische stof en lutum ten behoeve van de toetsing. Het standaardpakket grondwater bestaat uit 9 zware metalen, vluchtige aromaten (BTEXN), gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl) en minerale olie. De geselecteerde monsters voor de analyses zijn in het laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. geanalyseerd. De analyses zijn uitgevoerd conform de bijbehorende protocollen, vallend onder het accreditatieschema van de AS3000 richtlijn. De analysecertificaten met de resultaten van het laboratoriumonderzoek en een toelichting op de toegepaste analysemethoden zijn weergegeven in bijlage 5. In bijlage 5 zijn enkele afwijkingen vermeld, namelijk: · ten aanzien van de grondmonsters 10, 11, 16, 32 en 37, waarbij componenten aanwezig zijn die een storende invloed hebben op de meting voor enkele individuele PAK-parameters; · ten aanzien van het monster van de rioolput, grondmonster 6 en monster SenU2, waarbij componenten aanwezig zijn die een storende invloed hebben op de meting voor individuele PCB-parameters; · ten aanzien van puinmonster ASB3, waarbij minder monstermateriaal is aangeleverd dan vereist conform de NEN 5897.
Gezien het gehalte van het analyseresultaat is echter beoordeeld dat het toetsingsresultaat van de hierboven genoemde monsters voldoende betrouwbaar is.
22 (33)
4.4 Opsporen tanks met metaaldetectie Op basis van de historische gegevens is voor drie HBO-tanks niet duidelijk geworden of de tanks bij het beëindigen van de activiteit van de locatie zijn verwijderd. Het gaat om de tank nabij voormalig gebouw L1 (waarvan de ligging niet bekend is), de ondergrondse tank nabij gebouw WB en de HBO-tank onderzocht door CSO in 2012. Daarom is bij onderhavig onderzoek met een metaaldetector de mogelijke aanwezigheid van deze tanks nagegaan. In bijlage 12 is de situering van de tank nabij gebouw WB, de HBO-tank onderzocht door CSO en de voormalige contouren van gebouw L1 weergegeven. De tank nabij gebouw WB zal worden opgezocht door plaatsing van een meetpunt waar tevens peilbuis 73 is gesitueerd en de tank onderzocht door CSO is aangegeven met meetpunt “HBO11”. Vanuit deze inmeetpunten is de omgeving van ruim vijftien meter rondom deze punten met metaaldetectie nagegaan. De voormalige ligging van gebouw L1 is weergegeven door de meetpunten “HBO1 tot en met HBO10”. Vanuit deze inmeetpunten is de omgeving van ruim tien meter rondom deze punten met metaaldetectie nagegaan. Bij het opsporen van de drie tanks met metaaldetectie zijn de tanks niet aangetroffen.
23 (33)
5
Resultaten laboratoriumonderzoek
5.1.1 Toetsingskader Voor de bepaling of en in welke mate bodemverontreiniging aanwezig is, zijn toetsingswaarden opgenomen in de Circulaire bodemsanering 2013. De analyseresultaten zijn getoetst aan de toetsingswaarden uit deze circulaire. Voor de toepassing van grond op landbodem gelden vanaf 1 juli 2008 de toetsingswaarden in de Regeling bodemkwaliteit, behorend bij het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Middels deze toetsing wordt de grond ingedeeld in een hergebruiksklasse. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 6. Een toelichting op het toetsingskader is opgenomen in bijlage 7 bij dit rapport. 5.1.2 Mate van bodemverontreiniging en hergebruik De resultaten van de toetsing ter bepaling van de mate van verontreiniging van de grond en het grondwater en de hergebruiksmogelijkheden van de grond, zijn samengevat in onderstaande tabellen. Hierbij is de toetsing als volgt weergegeven: >AW: overschrijding van de achtergrondwaarde (grond) of >S: streefwaarde (grondwater); >T: overschrijding van de tussenwaarde ((achtergrondwaarde + interventiewaarde)/2), noodzaak tot nader onderzoek; >I: overschrijding van de norm ’’interventiewaarde’’, noodzaak tot nader onderzoek. Tabel 5-1
Overschrijdingen van de toetsingswaarden grondmonsters (Wbb en Bbk)
Monster
Monstertraject (m-mv)
Boringnummers
> AW (+index)
>T
>I
Bbk monsterconclusie*
Onverdachte terreindelen (met gecombineerd verificatie voormalige slakkenlaag op cyanide) 06