13. Archeologisch proefsleuvenonderzoek Leeuwerikstraat d.d. 4 jan 2020.pdf
Tekst van het document
Selectieadvies
Omdat geen (behoudenswaardige) archeologische vindplaats is aangetroffen, is het selectieadvies van Econsultancy om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven in deze fase van de Archeologische Monumentenzorg-cyclus. Het definitieve besluit zal worden genomen door de bevoegde overheid, de gemeente Mill en Sint Hubert. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, hiervan melding dient te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). 25 25 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 10780.007 versie 2
Pagina 27 van 33
7
BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN
In paragraaf 4.3 zijn de onderzoeksvragen gesteld waarop het proefsleuvenonderzoek antwoord zou moeten geven. In dit hoofdstuk zal getracht worden dat te realiseren. Op basis van de onderzoeksresultaten kan echter niet op alle vragen een antwoord worden gegeven. 7.1 Algemeen 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen (behoudenswaardige) archeologische resten gevonden. Wel zijn 21 sporen gedocumenteerd die als recent gedateerd kunnen worden. Dit betroffen natuurlijke sporen (boom- en plantgaten), uitbraaksleuven van funderingen, kabel- en leidingsleuven en verstoringen deels veroorzaakt door de bak van een graafmachine. Deze sporen kunnen in verband gebracht worden met de aanleg van een nieuwbouwwijk en de bebouwing binnen het plangebied in de jaren ’70 en ’80 van de 20e eeuw en vervolgens de afbraak van de zuidelijke bebouwing (schoolgebouw) binnen het plangebied rond 2015. 2.
Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)?
Deze vraag is niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 3.
Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat?
Deze vraag is niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 4.
Welke gegevens over de aangetroffen vindplaats kunnen de archeologische kennis van de regio en Mill en Sint Hubert aanscherpen?
Deze vraag is niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 5.
Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten?
Deze vraag is niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 6.
In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord?
Als gevolg van de aanleg van de nieuwbouwwijk en gebouwen binnen het plangebied in de jaren ’70 en ’80 van de 20e eeuw en vervolgens de afbraak van de zuidelijke bebouwing (schoolgebouw) binnen het plangebied rond 2015 is de natuurlijke bodemopbouw grotendeels verstoord tot in de BChorizont en C-horizont van het podzolprofiel in het dekzand.
Rapport 10780.007 versie 2
Pagina 28 van 33
7.
Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats (licht dit toe)?
Deze vraag is niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 8.
Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving?
Deze vraag is niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 9.
Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving?
Uitgaande van de onderzoeksresultaten met betrekking tot de fysische geografie, moderne verstoringen en de archeologie lijkt de kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten in-situ klein binnen vergelijkbare terreinen in de omgeving. 10. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Deze vraag is niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 11. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? Deze vraag kan niet eenduidig beantwoord worden op basis van de onderzoeksresultaten. Mogelijk ooit aanwezige archeologische resten kunnen verdwenen zijn door de grootschalige verstoring van de bodemopbouw aan het eind van de 20e eeuw en het begin van de 21e eeuw. Archeologische resten kunnen ook afwezig zijn omdat in het verleden de locatie minder geschikt was voor bewoning. 7.2 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaats.26 Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 12. Welke en hoeveel sites zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 13.
Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? 14. Wat is, indien aanwezig: o de ouderdom van de cultuurlaag o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie? 15. Wanneer zijn de sites in onbruik geraakt? Vraag 12 tot en met 15 zijn niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 26 Terminologisch wordt van een enkele vindplaats gesproken binnen het te onderzoeken plangebied. Sporen behorende tot
verschillende periodes en mogelijk complextypen worden aangeduid als afzonderlijke sites binnen de vindplaats. Rapport 10780.007 versie 2
Pagina 29 van 33
7.3 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaats in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 16. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? Ter plekke van het plangebied is een bodemopbouw aangetroffen bestaande uit een bouwvoor op recent opgebrachte/geroerde zandpakketten, op dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden), op vroeg- en middenpleistocene rivierafzettingen van de Rijn en Maas (Formatie van Beegden). Alleen in het noordelijke deel van het plangebied lagen de bouwvoor en recent opgebrachte/geroerde zandpakketten direct op de rivierafzettingen. In het dekzand, met een dikte van tussen de circa 40 en 60 centimeter, was een restant van een podzolprofiel aanwezig. Deze kon als haarpodzolgronden geïnterpreteerd worden vanwege de aanwezigheid van humeuze fibers in de BC-horizont. In één proefsleuf was nog een relatief intact podzolprofiel aanwezig met een E-horizont, B-horizont, BC-horizont en C-horizont. In de overige delen van het plangebied was het podzolprofiel tot in de BChorizont of C-horizont verstoord. 17.
Waar bevindt zich binnen het plangebied het plaggendek? Als plaggendek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? In een deel van het plangebied was beneden de recent opgebrachte/geroerde zandpakketten en boven het dekzand een restant van een plaggendek aanwezig. Het oorspronkelijk aanwezige plaggendek is waarschijnlijk grotendeels verdwenen als gevolg van de bouw en vervolgens afbraak van de bebouwing (schoolgebouw) aan het eind van de 20e en het begin van de 21e eeuw. Op basis van textuur en insluitsels bestond daarnaast de indruk dat het plaggendek naar alle waarschijnlijkheid relatief laat in de Nieuwe tijd is opgebracht. 18. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? Deze vraag is niet van toepassing aangezien geen (behoudenswaardige) archeologische resten zijn aangetroffen. 19. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? Bij het proefsleuvenonderzoek konden geen gegevens verzameld worden die informatie verschaffen over de paleo-ecologische context.
In het plangebied waren geen bodemlagen aanwezig die voor pollenanalyse bemonsterd konden worden. 20. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? In het plangebied zijn geen bodemlagen aangetroffen die onderzocht en bemonsterd konden worden voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein. Binnen de (matig) grove zandafzettingen van het dekzand en de vroeg- en middenpleistocene rivierafzettingen van de Rijn en Maas blijft bij een lage grondwaterstand onverkoold organisch materiaal niet geconserveerd.
Rapport 10780.007 versie 2
Pagina 30 van 33
7.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het vaststellen van de geschiktheid van de vindplaats voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden tijdens de evaluatiefase, na uitvoering van het archeologisch veldonderzoek. Tijdens het proefsleuvenonderzoek konden geen vondstmateriaal en monsters verzameld worden die zich leenden voor de bij deze vraag vermelde specialistische onderzoeken.
Rapport 10780.007 versie 2
Pagina 31 van 33
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Bakker, H. de en J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Beurskens, P. en M. Stiekema, 2019: Oplegnotitie en verkennend booronderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. (Econsultancy rapportnr. 10780.001) Swalmen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. (TNO-rapport, NITG 05-043-A) Utrecht. Dijk, X.C.C. van, 2001: Plangebied Mill-Havikstraat, gemeente Mill en Sint Hubert; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1). (RAAP-briefrapport 2001-0748/AA) Amsterdam. Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort. Hiddink, H.A., 2003: Het grafritueel in de Late IJzertijd en Romeinse tijd in het Maas-DemerScheldegebied, in het bijzonder van twee grafvelden bij Weert. (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 11) VUhbs archeologie, Amsterdam Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep, C. en B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag.
Mientjes, A.C., 2020: Programma van Eisen Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert. (Econsultancy rapportnr. 10780.006) Swalmen. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, en T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, en A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Schutte, A.H., 2014: Archeologisch bureauonderzoek Leeuwerikstraat 21 te Mill, Gemeente Mill en Sint Hubert. (Econsultancy rapportnr. 14021108B) Swalmen. Water, A.E.M. Van de, en F.P. Kortlang, 2012: Nota Archeologiebeleid Mill en Sint Hubert. De implementatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg in het gemeentelijke beleid. (ArchAeO-rapport 1105) Eindhoven. Zwanenburg, G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 10780.007 versie 2
Pagina 32 van 33
BRONNEN AHN; internetsite, januari 2021. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, januari 2021. https://archis.cultureelerfgoed.nl Dinoloket; internetsite, januari 2021. http://www.dinoloket.nl/ Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2.0; internetsite, januari 2021. http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20 Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, december 2020 http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK), december 2020 https://www.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, december 2020 http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ VEO Bommenkaart; internetsite, december 2020 http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 10780.007 versie 2
Pagina 33 van 33
Bijlage 1
Overzicht proefsleuven
Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Bron: Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK) [https://www.pdok.nl/] Legenda Plangebied Proefsleuven (gepland conform Programma van Eisen)
Proefsleuven (aangelegd)
RAPPORT 10780.007 versie 2
Bijlage 2
Overzicht profielkolommen
Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Bron: Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK) [https://www.pdok.nl/] Legenda Plangebied
Profiel
Proefsleuven
RAPPORT 10780.007 versie 2
Bijlage 3
Allesporenkaart (zuidelijke deel plangebied)
Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Bron: Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK) [https://www.pdok.nl/] Legenda Proefsleuven
Coupelijnen
Sporen
Rapport 10780.007 versie 2
Bijlage 4
Allesporenkaart (centrale deel plangebied)
Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Bron: Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK) [https://www.pdok.nl/] Legenda Proefsleuven
Coupelijnen
Sporen
Rapport 10780.007 versie 2
Bijlage 5
Allesporenkaart (noordwestelijke deel plangebied)
Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Bron: Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK) [https://www.pdok.nl/] Legenda Proefsleuven Sporen
Rapport 10780.007 versie 2
Diepte beneden Vlak 1 (cm)
Donker grijsbruin, gevlekt
2
1
1
Verstoring
Donker grijsbruin, gevlekt
3
1
1
Verstoring
Donker grijsbruin, gevlekt
Zand, matig grof, zwak siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Onregelmatig
4
1
1
Kuil (natuurlijk)
Grijsbruin
Zand, matig fijn, sterk siltig
Late-Nieuwe tijd/recent Ja Ovaal
Rechthoekig-afgerond 10
5
1
1
Verstoring
Grijsbruin, gevlekt
Zand, matig fijn, sterk siltig
Late-Nieuwe tijd/recent
Onregelmatig
6
1
1
Leidingsleuf
Donker grijsbruin, gevlekt
Zand, matig fijn, sterk siltig
Late-Nieuwe tijd/recent Ja Ovaal
Lineair
7
2
1
Verstoring
Geelgrijs
Kiezels
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Onregelmatig
8
2
1
Verstoring
Geelgrijs, gevlekt
Kiezels
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Onregelmatig
9
Kiezels
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Rechthoekig-afgerond
Zand, grof, matig siltig
Onregelmatig
2
1
Verstoring
Geelgrijs
10 2
1
Leidingsleuf
Licht bruingeel, gevlekt
11 2
1
Uitbraaksleuf
Licht bruingrijs geel, gevlekt
12 3
1
13 3
Beton
Vorm in vlak
Verstoring
Gecoupeerd
Kleur
1
Datering
Aard
1
Materiaal
Vlak
1
Insluitsels
Werkput
Vorm in coupe
Sporenlijst
Spoornummer
Bijlage 6
Zand, matig fijn, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Onregelmatig
Zand, matig fijn, sterk siltig
Rechthoekig
Late-Nieuwe tijd/recent Ja Onregelmatig
Late-Nieuwe tijd/recent
Puin, Coca-Cola fles Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Rechthoekig-lineair
Bandensporen (graafmachine) Geelbruin, gevlekt, gele laagjes
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Onregelmatig-lineair
1
Graafspoor (graafmachine)
Witgeel
Zand, matig fijn, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Onregelmatig
14 3
1
Verstoring
Witgrijs
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Onregelmatig
15 4
1
Uitbraaksleuf
Licht geelgrijs, witgeel, gevlekt
Zand, matig fijn, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Lineair
16 4
1
Uitbraaksleuf
Geelgrijs, bruingrijs, gevlekt
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Lineair
17 4
1
Uitbraaksleuf
Geelgrijs, bruingrijs, gevlekt
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Lineair
18 5
1
(Uitbraak/riool)sleuf
Geelgrijs, bruin, gevlekt
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Rechthoekig-lineair
19 5
1
Kuil (natuurlijk)
Bruin, donkerbruin, gevlekt
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent Ja Onregelmatig-ovaal
Cirkelvormig
20 5
1
Leidingsleuf
Geelbruin, donkerbruin, gevlekt
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent Ja Onregelmatig-rechthoekig Lineair
21 6
1
(Uitbraak/riool)sleuf
Donker bruingrijs, geelgrijs, gevlekt
Zand, matig grof, matig siltig Late-Nieuwe tijd/recent
Houtskoolbrokjes
20
20
15 44
Rechthoekig-lineair
Rapport 10780.007 versie 2
Bijlage 7 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Formatie van Peelo
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien
Formatie van Sterksel
2.600.000
Rapport 10780.007 versie 2
Cal. jaren v/n Chr. 1950
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 10780.007 versie 2
Bijlage 8
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 10780.007 versie 2
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 10780.007 versie 2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 10780.007 versie 2