13-35 B5a Notitie ecologie Hapsebaan 33 te Cuijk_1.pdf
Tekst van het document
OMGEVINGSDIENST BRABANT NOORD
T.a.v. dhr. L. Cloodt Postbus 88 5430 AB Cuijk
Kenmerk
BE/2020/064
Onderwerp
Notitie nadere onderbouwing ecologie Hapsebaan 33 te Vianen (Cuijk)
Datum
5 februari 2020
Uw kenmerk
Z/113401
Geachte heer Cloodt, Aan de Hapsebaan 33, 5434 NC te Vianen (Cuijk) is een voormalige varkensmesterij gesitueerd. De bedrijfsactiviteiten zijn in het najaar 2019 gestaakt. Het bedrijfsterrein heeft een oppervlakte van ca. 10,9 hectare en is geheel omrasterd. Op het terrein is sprake van 18 opstallen: 13 varkensstallen, 3 schuren/loodsen, een transformatorhuisje en een bedrijfswoning. De overige terreininrichting wordt gekenschetst door de aanwezigheid van graslandpercelen, erfverharding (rondom stallen en infrastructuur) en bomenlanen (op het terrein en langs de noord- en oostgrens van het perceel). Solargaard Vianen B.V. heeft de locatie aangekocht en is voornemens om hier een zonnepark te realiseren. Hiertoe is door de gemeenteraad van Cuijk op d.d. 9 oktober 2018 een reguliere omgevingsvergunning verleend (zaaknr. Z/18/153429). De procedure inzake de voorbereiding en het indienen van de omgevingsvergunningaanvraag is begeleidt door VMV Projecten BV. In mei 2019 is door Hopman en Peters B.V., in opdracht van VMV Projecten BV, een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit deze quickscan is gebleken dat de planlocatie (potentieel) geschikt leefgebied is voor, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde soorten. Solargaard Vianen B.V. heeft Gebr. van Mourik V.o.f. opdracht verstrekt om de opstallen te saneren. Op d.d.
23 januari 2020 zijn de asbestsanerings- en sloopwerkzaamheden stilgelegd door Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). Deze stillegging is schriftelijk bevestigd en bekrachtig middels een last onder dwangsom op d.d. 27 januari 2020 (kenmerk Z/113401). ODBN heeft de werkzaamheden stilgelegd omdat er sprake is van overtreding artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Kort samengevat had Solargaard Vianen B.V. onderzoek uit moeten laten voeren naar de (daadwerkelijke) aanwezigheid van soorten waarvoor de planlocatie potentieel geschikt is geacht door Hopman en Peters B.V. Als gevolg van verdere vertraging/langdurige stilleging van de werkzaamheden kan geen aanspraak meer gemaakt worden op de SDE-subsidie. Het project leidt dan tot dusdanige grote economische schade waardoor het feitelijk niet meer rendabel is. Solargaard Vianen B.V. heeft Blom Ecologie B.V. verzocht om het door Hopman en Peters B.V. uitgevoerde onderzoek kritisch te beschouwen en, indien van toepassing, een zienswijze op te stellen inzake de daadwerkelijke potentie van de planlocatie voor beschermde soorten. Tevens dient op basis van een nadere beschouwing duidelijk te worden welke werkzaamheden wel en niet kunnen worden uitgevoerd. Voorliggende notitie voorziet hierin.
Leeswijzer In deze notitie worden de bevindingen van Hopman en Peters B.V. kritisch beschouwd. Daarnaast worden de (nieuwe) inzichten van Blom Ecologie B.V. toegelicht. Op d.d. 27 januari 2020 en 3 februari 2020 is de locatie door Blom Ecologie B.V. bezocht. In de notitie worden de volgende onderdelen nader uitgewerkt: 1) 2) 3) 4) 5) 6) 7)
2
Veldbezoek door Blom Ecologie B.V. (methode) Potentie huismus Potentie kerk-, steen- en ransuilen Potentie boerenzwaluw Potentie vleermuizen Aanvullende inzichten Blom Ecologie B.V. Conclusie en aanbevelingen Blom Ecologie B.V.
1) Veldbezoek door Blom Ecologie B.V. Op d.d. 27 januari 2020 heeft een overleg plaatsgevonden op de locatie tussen de heren A. Uittenbogaard (namens Solargaard Vianen B.V.), G. van Mourik (namens Gebr. van Mourik V.o.f.) en ing. C.J. Blom (namens Blom Ecologie B.V.). Gedurende dit overleg zijn de resultaten van Hopman en Peters B.V. besproken en is een korte check uitgevoerd waaruit al snel bleek dat er sprake is van een aantal omissies/misvattingen. Naar aanleiding van het bezoek/overleg op d.d. 27 januari 2020 is op d.d. 3 februari 2020 een tweede inspectie uitgevoerd. Gedurende de inspectie op d.d. 3 februari 2020 is de gehele locatie (voor zover mogelijk in verband met de asbestsanering) zeer nauwkeurig en uitvoerig onderzocht door de heren ir. T.W.D. Schrader en ing. C.J. Blom (beide Blom Ecologie B.V.). De heren Schrader en Blom hebben aantoonbaar veel ervaring in het uitvoeren van quickscans Wet natuurbescherming, protocollair onderzoek, opstellen en begeleiden van ontheffingsaanvragen alsmede ecologische begeleiding. Onderstaand puntsgewijs de gehanteerd aanpak: 1) De kopgevels van de 6 schuren in de zuidoosthoek van het perceel welke door Hopmans en Peters B.V.
potentieel geschikt zijn geacht als verblijfplaats voor vleermuizen, maar ook de overige dakranden en schuren (waar geen sprake was van asbestsanering), zijn minutieus geïnspecteerd met behulp van krachtige zaklampen, verrekijker, rolmaat, fototoestel en ladder. Alle openingen zijn beoordeeld op geschiktheid waarbij onder andere gelet is op aanvliegbaarheid (fysiek invliegen/inkruipen mogelijk?), toegankelijkheid (ruimte van 1 cm of meer?), toegankelijk ruimte geschikt als verblijfplaats (predatierisico door knaagdieren, beslotenheid, vochtigheid/inslag hemelwater of lekkend hemelwater, tocht/luchtstromen, lichtinval/donkerte etc.). 2) De bomen en bomenrijen zijn door Hopmans en Peters B.V. geschikt geacht als vliegroute voor vleermuizen, potentieel geschikte verblijfplaatsen zijn volgens Hopman en Peters B.V. niet aanwezig. Volledigheidshalve zijn alle bomen visueel geïnspecteerd en beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats voor vleermuizen (o.a. holtes met inrotting naar boven, scheuren in stam en loshangend schors). Bij de inspectie is gebruik gemaakt van krachtige zaklampen, verrekijker, rolmaat, fototoestel en ladder. 3) De vrijstaande varkensstal in de noordoosthoek van het perceel is door Hopmans en Peters B.V. geschikt bevonden als verblijfplaats van kerkuil.
Deze varkensstal kon slechts zeer beperkt worden geïnspecteerd (alleen het voorportaal en rondom de schuur) aangezien deze, vanwege aanwezigheid asbesthoudende materialen, door ODBN verzegeld is op d.d. 6 september 2019. Alle toegankelijke opstallen en zitposten op het terrein (o.a. onder de bomenrijen) zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van braakballen, veren, krijtsporen of anderszins wat zou kunnen duiden op de aanwezigheid van steenuil en/of kerkuil. Bij de inspectie is gebruik gemaakt van krachtige zaklampen, verrekijker en fototoestel. 4) Alle opstallen, de bomen en struiken op de planlocatie alsmede de groenstrook en solitaire bomen rondom de planlocatie zijn visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van oude nesten, jaarrond beschermde nesten en/of restanten hiervan. Bij de inspectie is gebruik gemaakt van krachtige zaklampen, verrekijker en fototoestel. 5) Het gehele terrein is doorkruist waarbij onder andere is gelet op hoogteverschillen, plasvorming, samenstelling grond, vegetatie en andere locatiespecifieke omstandigheden.
3
2) Potentie huismus De potentie/aanwezigheid van huismus (Passer domesticus) wordt door Hopmans en Peters B.V. in de quickscan beschreven als (letterlijk geciteerd): ‘Huismussen en gierzwaluwen zijn niet broedend waargenomen in het plangebied. De huismus is wel foeragerend en roepend waargenomen’. Vervolgens is gericht onderzoek uitgevoerd naar de aan- dan wel afwezigheid van huismussen waarbij uitsluitend broedgevallen buiten de planlocatie zijn waargenomen. Het is volstrek onduidelijk op basis waarvan Hopmans en Peters B.V. het onderzoek naar huismus hebben uitgevoerd. Tijdens het veldbezoek (quickscan) zijn individuen waargenomen wat een sterke indicatie is voor mogelijke nestlocaties. De waarnemingen en de aanwezige nestlocaties worden niet nader geduid. Enkele vragen die zouden kunnen rijzen: - zijn alle (op)stallen geschikt als nestlocatie voor huismus? - betrof het roepen sociaal gedrag of nestindicerend gedrag? - hoeveel huismussen zijn waargenomen tijdens het veldbezoek? - zijn er structuren geschikt als functioneel leefgebied van huismus? - is de bedrijfsvoering essentieel (permanent voedselaanbod) voor de aanwezigheid van huismus) Desalniettemin hebben Hopmans en Peters B.V. protocollair onderzoek uitgevoerd op de planlocatie in mei 2019. Getuige de methode beschrijving en de resultaten van dit onderzoek is er geen reden om te twijfelen aan het onderzoeksresultaat.
Een deel van de vragen blijft onbeantwoord maar zijn vanwege ontbreken nestlocatie en essentieel functioneel leefgebied niet (meer) relevant.
4
3) Potentie kerk-, steen- en ransuilen Kerkuil De potentie/aanwezigheid van kerkuil (Tyto alba) wordt door Hopmans en Peters B.V. in de quickscan beschreven als (letterlijk geciteerd): ‘Er is tevens een broedlocatie van een kerkuil (Tyto alba) aangetroffen t.p.v. de alleenstaande stal in perceel C2684. Hierbij is de kerkuil zelf (vliegend) en braakballen waargenomen’. En verderop naar aanleiding van het huismusonderzoek: ‘Tijdens de tweede veldinventarisatie is t.p.v. de voormalige stal op het perceel C2684 een kerkuil uitvliegend waargenomen. De kerkuil vloog richting het oosten naar de bomenrij toe, In de stal zelf is t.p.v. de ingang (zuidelijk) veren, poepsporen en meer dan 20 braakballen aangetroffen op de grond, Boven het plafond is een loze ruimte waarin de kerkuil zich kan nestelen. Er is geen nest, of eieren aangetroffen, maar gezien de aangetroffen gebruikssporen wordt wel verwacht dat deze locatie als zodoende functioneert, Om hier zeker van te zijn dient reeds een nader onderzoek uitgevoerd te worden.’ De stal waar vanuit de kerkuil uitvliegend is waargenomen en waar eveneens sporen van de kerkuil zijn aangetroffen is door ODBN verzegeld op d.d. 6 september 2019. Aangezien de toegang tot het voorportaal niet was afgedicht kon toch het voorportaal aan de zuidzijde worden geïnspecteerd. Dit is eveneens de locatie die door Hopmans en Peters B.V.
wordt beschreven als de locatie waar de kerkuil verbleef in mei 2019. Op d.d. 27 januari 2020 is het voorportaal geïnspecteerd door ing. C.J. Blom. Tijdens deze inspectie zijn geen braakballen, veren en/of individuen van kerkuil waargenomen. Op een pallet welke schuin tegen de muur staat geplaats in het voorportaal waren wel krijtsporen zichtbaar welke van een kerkuil zouden kunnen zijn. In de ruimte tussen de golfplaten en de isolatieplaten is een verwilderde postduif aangetroffen (figuur 1a en 1b). Figuur 1a Tussen de golfplaten en de isolatieplaten is een ruimte waar op d.d. 27 januari 2020 een duif is aangetroffen. De kop van de duif is aangeduid met de rode cirkel.
Figuur 1b Er zijn geen braakballen of veren aangetroffen. Op de pallet zijn krijtsporen zichtbaar die van een kerkuil zouden kunnen zijn.
5
Op d.d. 3 februari 2020 is het voorportaal nogmaals geïnspecteerd door ir. T.W.D. Schrader en ing. C.J. Blom. Tijdens deze inspectie zijn wederom geen braakballen, veren en/of individuen van kerkuil waargenomen. Ook zijn geen duiven of andere vogels aangetroffen in de schuur. Tijdens de inspectie zijn ook alle dakranden van de stal in kwestie, ter plaatse van kapotte dakplaten, gecontroleerd op aanwezigheid van krijtsporen, braakballen en/of veren, deze zijn niet aangetroffen. Het is onduidelijk of de kerkuil momenteel gebruik maakt van de stal. Het voorportaal lijkt in ieder geval al langere tijd niet meer gebruikt door kerkuil getuige het ontbreken van recente/verse sporen. Er zijn diverse scenario’s denkbaar: - de kerkuil leeft niet meer (ziekte/ouderdom/aanrijding etc.), de verblijfplaats is verlaten - de kerkuil heeft de locatie alleen gebruikt tijdens het foerageren, ‘uitbuiklocatie’ - de kerkuil heeft de locatie gebruikt als solitair manverblijf tijdens het broedseizoen - duiven hebben de locatie bezet en de kerkuil dusdanig verstoord dat deze is uitgeweken - de kerkuil is na verstoring uitgeweken naar ander deel van de stal, reeds verzegeld dus niet te controleren We adviseren om middels een aanvullend onderzoek conform de richtlijnen van het Kennisdocument Kerkuil vast te stellen of de kerkuil gebruik maakt van de stal als vaste rust- en verblijfplaats.
Steenuil Hopmans en Peters B.V. vermelden vreemd genoeg geen potentie voor steenuil (Athene noctua). ODBN vermeldt in de last onder dwangsom (Z/113401) wel een overtreding van de zorgplicht artikel 1.11 Wet nb jegens steenuil. Aangezien de stal vanwege verzegeling niet te inspecteren is adviseren we tevens om onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van vast rust- en verblijfplaatsen van steenuil uit te voeren. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het Kennisdocument Steenuil. Ransuil Hopman en Peters B.V. maken met betrekking tot ransuilen in de quickscan melding van mogelijke nestgelegenheden in bomen en foerageergebieden. ‘De ransuil (Asio otus) is niet met zekerheid uit te sluiten. Op basis van de ecotopen (bomen, bosschages) en zintuigelijke waarnemingen (roep, ontlastingssporen) kan deze soort mogelijk verblijven en/of foerageren binnen het plangebied.’ Hopman en Peters B.V. adviseren om aanvullend onderzoek naar nesten van ransuilen uit te voeren middels onderzoek dat identiek is aan het onderzoek van kerkuilen, aangezien er voor ransuilen geen specifiek soortinventarisatieprotocol bestaat. Uit de quickscan van Hopman en Peters B.V. is het niet duidelijk exact welke zintuigelijke waarnemingen gedaan zijn (hoeveel individuen, contactroep, bedelende jongen etc.) en uit welke locaties de potentie bestaat.
Het is onduidelijk welke bomen wél gekapt kunnen en worden en naar welke groenstructuren nog aanvullend onderzoek verricht dient te worden. Gedurende het veldbezoek van Blom Ecologie B.V. is in het dennenbosje nabij de loodsen een nest waargenomen wat mogelijk gebruikt zou kunnen worden door ransuilen (zie bijlage 1 figuur 9 van deze notitie). Bij overige bomen of bosschages zijn geen gebruikssporen van ransuilen aangetroffen en worden niet relevant voor ransuilen geacht. We adviseren om gelijktijdig met het kerk- en steenuilonderzoek een onderzoek naar gebruik door ransuilen uit te voeren bij het dennenbosje nabij de loodsen.
6
4) Potentie boerenzwaluw en spreeuw In de quickscan van Hopmans en Peters B.V. wordt ook de potentie ten aanzien van boerenzwaluw en spreeuw beschreven aangezien nesten en nestindicerend gedrag is waargenomen. De potentie in de quickscan is beschreven als (letterlijk geciteerd): ‘In het plangebied zijn ter plaatse van de zuidelijke stallen broedende spreeuwen (Sturnus vulgaris) en boerenzwaluwen (Hirundo rustica) waargenomen. De spreeuwen broeden in de ruimtes tussen de golfplaten en de gevels. De boerenzwaluwen broeden inpandig, nabij open/kapotte deuren en ramen’. En verderop naar aanleiding van het huismusonderzoek: ‘Tijdens de inventarisaties zijn 2 broedlocaties van boerenzwaluwen waargenomen,. Per locatie zijn ca. 3 nesten aanwezig. De nesten bevinden zich aan de binnenkant van de stallen, op plekken waar invliegmogelijkheden aanwezig zijn (openstaande of missende deuren, gaten in ramen etc.) De spreeuwen broeden op verschillende plekken onder de golfplaten van de stallen, De nesten zelf zijn niet zichtbaar, maar er zijn wel roepende jongen en in- en uitvliegende spreeuwen waargenomen’. Uit het onderzoek Hopmans en Peters B.V. is gebleken dat er circa 6 nesten van boerenzwaluw aanwezig zijn. Daarnaast zijn nesten van spreeuw aangetroffen, het betreft conform bijlage 1 van de quickscan, 3 nesten van spreeuw.
Gedurende het veldbezoek op 3 februari 2020 zijn 7 (oude) nesten van boerenzwaluw aangetroffen en 1 (oud) nest van spreeuw. De nestlocaties van spreeuw, door Hopmans en Peters B.V. geconstateerd konden niet worden geverifieerd aangezien deze zich bevonden tussen de golfplaten en isolatieplaten. Ten aanzien van spreeuw en boerenzwaluw geldt dat de nestlocaties alleen beschermd zijn gedurende het broedseizoen. Broedseizoen spreeuw: april tot in juni, jongen 19-24 dagen in nest, dus broedseizoen april-juli. Broedseizoen boerenzwaluw: mei tot augustus (tot wel derde legsel), jongen 20-24 dagen in nest, dus broedseizoen april-september. Dit is overigens niet in overeenstemming met wat er in de quickscan door Hopmans en Peters B.V. wordt geadviseerd, waarin een ‘maximale uitloop broedperiode’ wordt genoemd van augustus. Teneinde effecten ten aanzien van spreeuw en boerenzwaluw te voorkomen (oftewel overtreding van artikel 1.11 Wet nb) wordt geadviseerd om de nestlocaties voor het broedseizoen van desbetreffende soort en soortgelijke potentieel geschikte locaties ongeschikt te maken indien gewerkt wordt gedurende het broedseizoen. Het heeft echter de voorkeur om desbetreffende (en potentieel geschikte schuren) te slopen buiten het broedseizoen, in de periode oktober-maart. Er zijn geen vervolgstappen ten aanzien van spreeuw en boerenzwaluw noodzakelijk
7
5) Potentie vleermuizen In de quickscan van Hopmans en Peters B.V. de potentie ten aanzien van vleermuizen als volgt beschreven (letterlijke citaat): ‘De aanwezige stallen en schuren zijn zowel uit- als inpandig gecontroleerd op mogelijkheden t.b.v. zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijfplaatsen voor de eerder genoemde vleermuissoorten. De stallen zijn aan de binnenkant zodanig geïsoleerd dat deze geen ruimte kunnen bieden voor vleermuisverblijfplaatsen. Er zijn geen invliegopeningen waargenomen, daarnaast zijn alle stallen voorzien van dubbele deuren waardoor de kans zeer klein is dat vleermuizen/andere soorten zich inpandig zullen vestigen. Aan de buitenzijde van de zuidelijke stallen zijn op enkele plekken boeiboorden met betimmering aanwezig. Ditzelfde geldt voor de enkele stal op perceel C2684. Gezien de omvang van de aanwezige invliegmogelijkheden wordt verwacht dat er enkel zomer- en/of kraamverblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Daar waar zich ruimtes onder de golfplaten bevinden zijn reeds in gebruik door spreeuwen, de kans is klein dat deze plekken door vleermuizen in gebruik genomen worden. In de noordoostelijke stallen zijn deze verblijfsmogelijkheden niet aanwezig. Alle aanwezige bomenrijen en bosschages binnen en buiten het gebied zijn potentiële (essentiële) vliegroutes en/of foerageergebieden voor vleermuizen.
Gezien de bomen geen of zeer oppervlakkige gaten en scheuren in de basten hebben, wordt niet verwacht dat deze bomen als verblijfplaatsen zullen functioneren’. De potentie wordt in bijlage 1 van de quickscan samengevat (figuur 2).
Figuur 2
Potentie van de planlocatie voor vleermuizen volgens Hopmans en Peters B.V., de blauwe lijn weergeeft de vliegroute, de roze lijn de invliegopeningen/vaste rust- en verblijfplaatsen.
In de conclusie worden de bevindingen als volgt samengevat (letterlijk geciteerd).De ruimtelijke structuren binnen het plangebied, met name de bomenrijen en boeiboorden t.p.v. de zuidelijke stallen, bieden foerageer-, vlieg- en verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen. Op basis van het vooronderzoek en het veldonderzoek kunnen de volgende vleermuissoorten verwacht worden/ niet uit te sluiten: - Gewone en kleine dwergvleermuis: zomer/kraamverblijf + vliegroute en foerageergebied - Gewone grootoorvleermuis: zomer/kraamverblijf + vliegroute en foerageergebied - Franjestaart: vliegroute en foerageergebied - Laatvlieger: zomer/kraamverblijf + vliegroute en foerageergebied - Ruige dwergvleermuis: vliegroute en foerageergebied - Watervleermuis: vliegroute en foerageergebied - Rosse vleermuis: vliegroute en foerageergebied
8
Verblijfplaatsen gebouwen Conform de bevindingen van Hopmans en Peters B.V. hebben de gevels van schuren op het zuidoostelijk deel van de planlocatie (figuur 2) potentie als zomer- en kraamverblijf van gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis en laatvlieger. Een aantal zaken vallen direct op: - waarom is wel sprake potentiele aanwezigheid van zomer- en kraamverblijven voor enkele gebouwbewonende soorten en is er geen sprake van potentieel aanwezige paarverblijfplaatsen? Paarverblijfplaatsen zijn de meest eenvoudige verblijfplaatsen die vleermuizen betrekken. Als er sprake is van zomerverblijfplaatsen is er automatisch ook sprake van paarverblijfplaatsen - waarom wordt wel onderzoek naar de vlieg- en foerageerroute voor ruige dwergvleermuis geadviseerd en geen onderzoek naar paarverblijfplaatsen van deze soort? Paarverblijfplaasten van ruige dwergvleermuis worden ook vaak gevonden in gebouwen. - de kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygamaeus) is zeer zeldzaam in Nederland. In 2008 zijn door de Zoogdiervereniging waarnemingen gedaan in de buurt van Leersum. In 2009 is de soort eenmalig waargenomen in Zeeland.
Wat is de reden om juist naar deze soort onderzoek te adviseren terwijl de ruige dwergvleermuis niet genoemd wordt en onderzoeksinspanning conform het vleermuisprotocol 2017, toch al vrijwel identiek is aan die van gewone dwergvleermuis? - Er wordt wel potentie aangeschreven voor zomerverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis, maar er wordt voor deze soort geen aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen geadviseerd. In de praktijk worden gebouwen en bomen regelmatig ten onrechte als potentieel geschikt voor vleermuizen beoordeeld. Door optisch bedrog (schaduwwerking, geschilderde/ongeschilderde delen van planken), optische beperkingen, onkunde over de bouwkundige situatie, onkunde over de verblijfplaatspreferentie van vleermuizen et cetera. De gevels van de stallen die door Hopmans en Peters B.V. als potentieel geschikt zijn beoordeeld zijn zeer uitvoering bestudeerd. Onderstaand wordt puntsgewijs beschreven waarom er geen sprake is van geschikte vleermuisverblijfplaatsen in de te saneren stallen. A. De gevel van een stal is niet toegankelijk Een aantal gevels heeft geen enkele potentie voor vleermuizen in tegenstelling tot wat door Hopmans en Peters B.V. is opgetekend. In deze gevels zijn geen scheuren op openingen of aangetroffen in de dakafwerkingen of anderszins aangetroffen. Het is absoluut onmogelijk dat vleermuizen hier gebruik van maken.
In figuur 3 wordt nader geduid welke gevels dit betreft.
Figuur 3a Gevels (gele kaders) waarvan het absoluut onmogelijk is dat vleermuizen hier toegang tot kunnen verschaffen.
9
Figuur 3b Gevels waarvan het absoluut onmogelijk is dat vleermuizen hier toegang tot kunnen verschaffen B. Scheuren in gevels zijn niet breed of diep genoeg In een aantal gevels zijn scheuren geconstateerd. Vleermuizen kunnen via scheuren die voldoende breed zijn toegang verkrijgen tot een achterliggende ruimte. Indien een scheur diep genoeg is kan deze ook functioneren als verblijfplaats. Gewone dwergvleermuizen kunnen middels openingen van Gewone dwergvleermuizen kunnen via zeer nauwe openingen van 1,5 à 1,7 centimeter, soms bij planken al vanaf 0,8 centimeter, hun verblijfplaats kruipend bereiken (Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017). De scheuren in de gevels van de stallen zijn slechts enkele millimeters tot centimeters diep. Daarnaast zijn de scheuren überhaupt te smal voor vleermuizen om door te kruipen.
Figuur 4 Scheuren zijn te smal voor vleermuizen om in te kruipen C. De opening leidt direct tot de ruimte tussen golfplaat en isolatieplaat Afhankelijk van de soort en het type verblijfplaats stellen vleermuizen specifieke eisen aan de verblijfplaats. Dit kunnen klimatologische aspecten zijn maar ook in-/uitvliegbaarheid en de kans op predatie. De ruimte tussen de golfplaten en de isolatieplaten wordt veelvuldig gebruikt door muizen en ratten. In alle schuren zijn potjes met bestrijdingsmiddelen in de isolatieplaten aangebracht om vorengenoemde te bestrijden. Er wordt veronderstelt dat bruine rat vleermuizen prederen en derhalve niet in dezelfde ruimte voorkomen.
10
Figuur 5 Openingen zijn te groot voor vleermuizen en bereikbaar voor muizen en ratten D. De stal heeft geen spouwruimte Bij de fysieke inspectie van gevels kan worden gecontroleerd of er daadwerkelijk een luchtspouw aanwezig is. Uit de inspectie bleek de helft van de stallen die als geschikt is beoordeeld geen spouw heeft (figuur 6a en 6b).
Figuur 6a Openingen en muurbreedtes waaruit blijkt dat de gevel geen spouw heeft
Figuur 6b Gevels (gele kaders) waarvan het absoluut onmogelijk is dat vleermuizen hier toegang tot de spouw kunnen verschaffen.
11
E. Optisch bedrog Door de belichting of nadere bestudering van ogenschijnlijk geschikte invliegopeningen kan uitgesloten of er sprake is van een geschikte toegang voor vleermuizen. Bij sommige gevels zou hier sprake van kunnen zijn. Het is niet bekend of de onderzoekers van Hopman en Peters B.V. zich ook daadwerkelijk hebben vergist met deze ogenschijnlijke openingen.
Figuur 7 Optisch bedrog van een geschikt invliegopening. Overige niet door Hopmans en Peters B.V. benoemde zaken: F. Buitenverlichting Op enkele punten worden de schuren verlicht, althans er is buitenverlichting aanwezig. Waarschijnlijk zijn deze lampen gedurende de bedrijfsvoering, tot september 2019, waarschijnlijk continue gebruikt. In het algemeen mijden vleermuizen locaties waar sprake is van verlichting. Vleermuizen zijn nachtactief en hebben derhalve zeer gevoelige ogen, overmatige verlichting verblindt en is pijnlijk. De meeste gebouwbewonende soorten kunnen overigens wel enige mate van verlichting verdragen, maar hebben desondanks een voorkeur voor niet-verlichte leefgebieden en verblijfplaatsen.
Figuur 8 Buitenverlichting aan de stallen waar volgens Hopmans en Peters B.V. sprake is van geschikte vleermuisverblijfplaatsen. G. Vleermuizen in gebruikte varkensstallen Uit niet gepubliceerde data blijkt dat in varkensstallen die in gebruik zijn vrijwel nooit vleermuisverblijfplaatsen worden gevonden. Mogelijk heeft dit te maken met diverse factoren waar vrijwel altijd sprake van is: hoge mate van verstoring/predatie door ongedierte, penetrante ammoniaklucht, beperkte aanvlieghoogte, beperkte klimatologische condities (snelle opwarming/hoge temperaturen overdag), hoge geluiden (gillende biggen) en verlichting van stallen. Veelal zijn in de omgeving van varkenstallen gebouwen, bomen of kunstwerken die in hogere mate geschikt zijn voor vleermuizen en daardoor eerder/vaker in gebruik worden genomen.
12
In de quickscan van Hopman en Peeters B.V. wordt het transformatiehuisje niet benoemd als potentieel geschikte verblijfplaats van vleermuizen. Uit een nadere bestudering blijkt dat de daklijst kiert en er sprake is van open ventilatieroosters (figuur 9). Het transformatiehuisje is potentieel geschikt als zomer- en paarverblijf van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol is noodzakelijk om de aan- dan wel afwezigheid van vorengenoemde vleermuizen vast te stellen.
Figuur 9 Het transformatorhuisje is geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende soorten. Verblijfplaatsen bomen In de quickscan van Hopmans een Peeters B.V. wordt verondersteld dat (letterlijk citaat); ‘Gezien de bomen geen of zeer oppervlakkige gaten en scheuren in de basten hebben wordt niet verwacht dat deze bomen als verblijfplaatsen zullen functioneren’. Gedurende het veldbezoek op d.d. 3 februari 2020 zijn alle bomen minutieus geïnspecteerd. Hieruit is gebleken dat een viertal bomen wel degelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Deze bomen zijn geschikt als kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaats van ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis en franjestaart. Aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol is noodzakelijk om de aan- dan wel afwezigheid van vorengenoemde vleermuizen vast te stellen
Figuur 10
Openingen en holtes waar vleermuizen mogelijke verblijfplaatsen kunnen vinden in bomen.
Vliegroute en foerageergebied Op basis van de quickscan wordt de potentie en eventuele potentie van de vliegroute door Hopmans en Peters B.V. niet nader geduid. Een vliegroute en foerageergebied is alleen beschermd als er sprake is van een essentiële functie. Onder een essentieel foerageergebied wordt verstaan een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantingsplaats of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen. Onder een essentiële vliegroute wordt verstaan een vliegroute die van wezenlijk belang is als er geen goede alternatieve vliegroute is om vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats een essentieel foerageergebied te bereiken of omvliegen vanuit de voortplantingsplaats of rustplaats naar een essentieel foerageergebied via een alternatieve
13
route teveel energie kost (o.a. uitspraak RvS 201708426/1/R2, 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2169). Vleermuizen maken gebruik van lijnen in het landschap om zich te oriënteren. Deze lijnen kunnen bestaan uit groenstructuren, bomenlanen, lineaire waterlichamen, dijklichamen, luwte van bebouwing et cetera. De bomenlanen centraal op de planlocatie (dus niet langs de randen) sluiten niet aan op andere bestaande structuren en lijken daarmee op zichzelf staand. Onderzoek naar de functionaliteit van de holtes en transformatorhuisje zal uit moeten wijzen of de bomenlanen inderdaad een essentiële functie hebben als vliegroute of foerageergebied. De bomen langs de oostzijde van het plangebied staan langs een brede groenstrook. Mochten de bomen worden gebruikt als foerageergebied en vliegroute kan deze structuur evengoed hiertoe functioneren. Derhalve is er geen sprake van een essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute. Vleermuizen maken gebruik van lijnen in het landschap om zich te oriënteren. Deze lijnen kunnen bestaan uit groenstructuren, bomenlanen, dijklichamen, luwte van bebouwing et cetera. De bomenlanen centraal op de planlocatie (dus niet langs de randen) sluiten niet aan op andere bestaande structuren en lijken daarmee op zichzelf staand.
Onderzoek naar de functionaliteit van de holtes en transformatorhuisje zal uit moeten wijzen of de bomenlanen inderdaad een essentiële functie hebben als vliegroute of foerageergebied. De bomen langs de oostzijde van het plangebied staan langs een brede groenstrook. Mochten de bomen worden gebruikt als foerageergebied en vliegroute kan deze structuur evengoed hiertoe functioneren. We adviseren om zekerheidshalve de functionaliteit van de bomenlanen in beeld te brengen gedurende het onderzoek naar de functie van de bomen en het transformatiehuisje met potentieel geschikte verblijfplaatsen.
14
6) Aanvullende inzichten Blom Ecologie B.V. Potentie (kleine) marterachtigen Door Hopman en Peters B.V. wordt in de quickscan geen melding gemaakt van het voorkomen van (kleine) marterachtigen in de omgeving van het plangebied. De bunzing, wezel en steenmarter komen echter wel degelijk in de omgeving van Cuijk voor, terwijl hier geen woord over wordt gerept, in tabellen noch in tekst. De afstand van de planlocatie tot waarnemingen van deze drie soorten zijn wisselend, met de steenmarter het meest dichtbij waargenomen (circa 1 km) en de bunzing (2 km) en wezel (3 km) verder weg. Alle drie de soorten zijn beschermd als nationale soorten onder de Wet natuurbescherming (art. 3.10), waarbij het verboden is vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of te vernielen. Het functioneel leefgebied van deze soorten is beschermd voor zover deze essentieel is voor het functioneren van een voortplantingsplaats of rustplaats. Binnen het plangebied zijn structuren aanwezig die potentieel (kleine) marterachtigen verblijfplaatsen kunnen bieden. Een voorbeeld hiervan is de ruimte onder de stallen die toegankelijk is vanaf de buitenzijde. Er is echter binnen het plangebied geen sprake van functioneel leefgebied. Er is wel degelijk voedsel (muizen, ratten e.d.) aanwezig, maar er is vrijwel geen dekking aanwezig in de vorm van ruigtes, struiken of bosschages.
Met de (mogelijke) aanwezigheid van kerkuil, katten en buizerd op en nabij het plangebied is deze dekking van groot belang ter voorkoming van predatie. Daarnaast is het plangebied rondom omrasterd met mazen van 3x3 cm. Dit allen samennemend wordt het voorkomen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen binnen het plangebied niet verwacht en is er aannemelijk geen sprake van essentieel functioneel leefgebied voor (kleine) marterachtigen. De bunzing, wezel en steenmarter ondervinden derhalve geen negatieve effecten ten gevolge van de beoogde ingreep. Mits er sprake is van een gedegen landschappelijke inpassing van het zonnepark biedt de beoogde ingreep juist kansen voor deze soorten. Broedvogels Gedurende het veldbezoek op d.d. 3 februari 2020 zijn zeer nauwkeurig en minutieus nesten van broedvogels in beeld gebracht. Hierbij zijn in totaal 30 nesten ingetekend (zie bijlage 1 figuren 1 t/m 30). In de winterperiode is het eenvoudiger om nestlocaties en nestmateriaal aan te treffen, aangezien loofbomen niet in het blad staan. Door Hopman en Peters B.V. wordt slechts zeer beperkt melding gedaan van nesten van algemene broedvogels (2 nesten van zwarte kraaien en spreeuw / boerenzwaluw). De resultaten van de aanvullende inspectie laten zien dat vooral de omliggende groenstructuren van groot belang zijn voor algemene broedvogels als houtduif en merel en cat. 5 soort als ekster.
Binnen het plangebied is een nest aangetroffen van een kauw in een te saneren loods, een nest van een winterkoning (opvliegend) in een voormalig varkensstal en zijn in bomen nesten aangetroffen van houtduiven en eksters. Ten aanzien van deze soorten wordt geadviseerd om kap- of sloopwerkzaamheden bij deze nesten uit te voeren buiten het broedseizoen (uitvoeren in de periode oktober – maart). Door Hopman en Peters B.V. wordt al melding gemaakt van een overvliegende buizerd, waarbij wordt beschreven dat deze ‘broedt op ten minste 200 meter ten noorden buiten het plangebied’. In de noordoostelijk hoek is bij het veldbezoek op d.d. 3 februari 2020 echter een nest waargenomen die mogelijk geschikt zou kunnen zijn voor buizerd (zie bijlage 1 figuur 18). Hier is ook een opvliegende buizerd uit de boom waargenomen en is later bij het veldbezoek veelvuldig een overvliegend paartje buizerds gezien en gehoord. Het uitsluiten van een broedgeval van buizerd kan derhalve niet met zekerheid uitgesloten worden. Wij adviseren dan ook om deze boom met nestmateriaal en omliggende bomen te behouden. Indien dit niet mogelijk is dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aan- of afwezigheid van een broedgeval van buizerd (conform Kennisdocument buizerd 2017).
15
7) Conclusie en aanbevelingen Blom Ecologie B.V. Conclusie Behoudens het transformatorhuisje en de vrijstaande varkensschuur is bij nadere beschouwing op voorhand gebleken dat geen van de overige opstallen een functie heeft voor beschermde fauna. Tevens is gebleken dat, in tegenstelling tot de conclusie van Hopman en Peters B.V., enkele bomen verblijfplaatsen kunnen bieden aan vleermuizen. Ten aanzien van de potentie inschatting inzake uilen worden de opvattingen van Hopman en Peters B.V. gedeeld. We adviseren om de beoogde ontwikkeling van het zonnepark doorgang te laten vinden in zoverre dit niet conflicteert met het uit te voeren onderzoek en eventuele functies van de locatie voor beschermde soorten. Concreet betekent dit dat ons inziens alle opstallen, behoudens het transformatorhuisje en de vrijstaande varkensstal, kunnen worden gesaneerd. Vervolgstappen Wij adviseren aanvullend onderzoek naar de volgende soorten en soortgroepen: •
•
•
•
Kerkuil/steenuil in schuur met mogelijk nest of rustplaats. Een aanvullend onderzoek naar kerkuil wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 1 februari t/m 15 oktober. Een aanvullend onderzoek naar steenuil wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 1 februari t/m 30 april. Ransuil in boom met mogelijk nest of rustplaats. Voor ransuil bestaat geen inventarisatieprotocol of kennisdocument. Onderzoek naar deze soort wordt samengenomen met onderzoek naar kerkuil en steenuil. Vleermuizen in transformatorhuisje of in bomen met geschikte boomholten. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. De bomen in de noordoostelijke hoek van het plangebied zijn mogelijk functioneel voor buizerd (nest en/of rustplaats). We adviseren om deze bomen te behouden. Indien dit niet mogelijk is dient er een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van deze bomen voor de buizerd conform het Kennisdocument buizerd (BIJ12 2017).
Daarnaast adviseren we het opstellen en gebruiken van een ecologisch werkprotocol. Hierin worden specifieke maatregelen opgenomen om negatieve effecten te voorkomen op beschermde fauna en het Natuurnetwerk Nederland en te voldoen aan de Algemene zorgplicht. Werkzaamheden De volgende werkzaamheden kunnen niet uitgevoerd worden voordat aanvullend onderzoek heeft uitgewezen dat beschermde fauna geen schade ondervinden van de beoogde werkzaamheden. Indien er wel sprake is van negatieve effecten (wegnemen nest of verblijfplaats, verstoren van vleermuizen, wegnemen essentieel functioneel leefgebied) dient er mogelijk in het verlengde van het aanvullend onderzoek een ontheffing van bevoegd gezag (ODBN) voorhanden te zijn voordat de beoogde werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden: • • • • •
saneren van schuur met mogelijk nest of rustplaats van kerkuil/steenuil; saneren van transformatorhuisje met mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen; kappen van bomen of bomenrijen met mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen; kappen van dennenbosje met mogelijk nest of rustplaats van ransuil; ter plaatse van schuur met mogelijk nest of rustplaats van kerkuil/steenuil het bouwrijp maken van de planlocatie en het realiseren van het zonnepark.
De volgende werkzaamheden kunnen wel uitgevoerd worden, aangezien er geen potentie is voor voorplantingsplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde fauna en derhalve geen negatieve effecten optreden voor beschermde fauna: • • • •
16
saneren van opstallen (incl. asbest) waar geen potentie is voor beschermde fauna; kappen van bomen of bomenrijen waar geen mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn; verwijderen puin-, klinker- en asfaltpaden; het bouwrijp maken van de planlocatie en het realiseren van het zonnepark op locaties naast de schuur met mogelijk nest of rustplaats van kerkuil/steenuil.
Hopend u hiermede voldoende te hebben voorzien in de aanvullende informatie verblijf ik in afwachting van uw reactie Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V.,
ing. C.J. Blom auteur
ir. T.W.D. Schrader auteur
ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
17
Bijlage 1 Nesten broedvogels
Figuur 1
18
Nesten van algemene broedvogels. De cijfers in de kaart corresponderen met de nummering van onderstaande foto’s.
Figuur 1
Nest boerenzwaluw.
Figuur 2
Nest boerenzwaluw.
Figuur 3
Nest boerenzwaluw.
Figuur 4
Nest boerenzwaluw.
Figuur 5
Nest boerenzwaluw.
Figuur 6
Nest boerenzwaluw.
19
Figuur 7
Nest boerenzwaluw.
Figuur 8
Nest ekster.
Figuur 9
Nest ekster / ransuil?
Figuur 10
Nest ekster.
Figuur 11
Nest ekster.
Figuur 12
Nest ekster.
20
Figuur 13
Nest ekster.
Figuur 14
Nest ekster / zwarte kraai.
Figuur 15
Nest ekster / zwarte kraai.
Figuur 16
Nest ekster.
Figuur 17
Nest ekster / zwarte kraai.
Figuur 18
Nest buizerd?
21
Figuur 19
Nest spreeuw.
Figuur 20
Nest kauw.
Figuur 21
Nest houtduif.
Figuur 22
Nest houtduif.
Figuur 23
Nest houtduif
Figuur 24
Nest merel.
22
.
Figuur 25
Nest houtduif.
Figuur 26
Nest houtduif.
Figuur 27
Nest houtduif.
Figuur 28
Nest houtduif.
Figuur 29
Nest houtduif.
Figuur 30
Nest winterkoning.
23
Bijlage 2 Potentie vleermuizen
Figuur 1
24
Kaart van de potentie voor vleermuizen. De potentie voor verblijfplaatsen van vleermuizen bestaat uit spleetvormige ruimten in opstallen (1) en naar boven toe ingerotte holten in bomen (2-5). De cijfers in de kaart corresponderen met de nummering van onderstaande foto’s.
Figuur 1a
Het transformatorhuisje.
Figuur 1b
Open ventilatierooster en kierende trespaplaten in het transformatorhuisje.
Figuur 2
Loshangend schors van zomereik.
Figuur 3
Naar boven ingerotte holtes in zomereik.
Figuur 4
Naar boven ingerotte es met holte op ca. 2 m hoogte.
Figuur 5
Vers gat van specht met zaagsel zichtbaar.
25