12. Toelichting BP Bijlage VII Effectbeoordeling natuur stikstof.pdf
Tekst van het document
N264 Herinrichting kom Sint Hubert Ecologische voortoets stikstof
Provincie Noord-Brabant 2 februari 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
N264 Herinrichting kom Sint Hubert Provincie Noord-Brabant
Ecologische voortoets stikstof Definitief 2 februari 2021 117826/21-001.666
117826 ir. R.F. Vromans dr.ir. A.S. van Beinum
T. van der Kooi MSc T.J.A. Puts MSc ir. R.F. Vromans
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Leeswijzer
5
2
PROJECTGEBIED EN VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
6
2.1
Projectgebied
6
2.2
Werkzaamheden en planning
7
3
TOETSINGSKADER: WET NATUURBESCHERMING
8
4
STIKSTOFBEREKENINGEN
10
4.1
Uitgangspunten
10
4.2
Rekenmodel
12
4.3
Emissieberekeningen
12
4.3.1 4.3.2
Gebruik STAGE-klasse IIIb werktuigen Gebruik STAGE-klasse IV-werktuigen
12 12
5
EFFECTBEPALING EN -BEOORDELING
13
5.1
Resultaten stikstofberekeningen
13
5.2
Effectbeoordeling
15
6
CONCLUSIE
18
7
LITERATUUR
19
Laatste pagina
19
Bijlage(n) I
Uitgangspuntennotitie
Aantal pagina's 48
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
De N264 loopt in Noord-Brabant van Uden in het westen (aansluiting op A50) via Haps (aansluiting op A73) tot Gennep in het oosten, dwars door de kom van Sint Hubert. In 2018 is er een verkennende studie geweest voor de N264 voor het deel Uden-Haps. Op basis van deze studie heeft de Stuurgroep N264 (provincie Noord-Brabant, gemeente Uden, gemeente Mill en Sint Hubert) besloten om een herinrichting van de kom van Sint Hubert te realiseren. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden of ontwikkelingen significante gevolgen hebben op de beschermde natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Daarom moet getoetst worden of de geplande werkzaamheden of de ontwikkelingen gevolgen hebben voor habitattypen en -soorten en broedvogel- en nietbroedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling voor Natura 2000-gebieden binnen het effectbereik. In de omgeving van het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent, Sint Jansberg, De Bruuk, Zeldersche Driessen, Maasduinen, Ruintakken en Boschhuizerbergen. Voor de herinrichting van de kom Sint Hubert worden mobiele werktuigen ingezet en rijdt er bouwverkeer van en naar de bouwlocatie. Verder is de N264 gedurende een deel van de werkzaamheden (deels) niet beschikbaar voor verkeer. Het verkeer zal daarom worden omgeleid.
Uit stikstofdepositie-onderzoek van Witteveen+Bos blijkt dat de stikstofemissie als gevolg van deze werkzaamheden leidt tot stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden, waardoor een ecologische beoordeling noodzakelijk is. In de gebruiksfase wordt geen stikstofemissie en -depositie voorzien, omdat na de afronding van de werkzaamheden de oorspronkelijke routering gevolgd wordt en het project geen verkeersaantrekkend of -afstotend effect heeft.
1.2
Doel
In deze voortoets Wet natuurbescherming - Gebiedsbescherming wordt onderzocht of significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie op voorhand zijn uit te sluiten. De voortoets richt zich hierbij op de aanlegfase.
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het projectgebied en de voorgenomen activiteiten. Hoofdstuk 3 toont het relevante toetsingskader met betrekking tot de Wet natuurbescherming (onderdeel gebiedsbescherming). In hoofdstuk 4 wordt de berekenwijze van stikstofdeposities beschreven. De gevolgen op deze instandhoudingsdoelstellingen worden in hoofdstuk 5 bepaald en beoordeeld. Hoofdstuk 6 bevat de eindconclusie van deze ecologische voortoets stikstof. Ten slotte toont hoofdstuk 7 de geraadpleegde literatuur.
5 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
2 PROJECTGEBIED EN VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 2.1
Projectgebied
De N264 loopt in Noord-Brabant van Uden in het westen (aansluiting op A50) via Haps (aansluiting op A73) tot Gennep in het oosten, dwars door de kom van Sint Hubert, zie afbeelding 2.1. In 2018 is er een verkennende studie geweest voor de N264 voor het deel Uden-Haps. De kom van Sint Hubert was daarin één van de probleemgebieden. Op basis van de verkenning heeft de Stuurgroep N264 (provincie NoordBrabant, gemeente Uden, gemeente Mill en Sint Hubert) besloten om een herinrichting van de kom van Sint Hubert te realiseren en niet voor een randweg rond Sint Hubert te gaan.
Afbeelding 2.1 264 Sint Hubert (bron: Open Street Maps)
Tussen oktober 2018 en november 2019 is er een planstudie geweest naar de gewenste herinrichting. Hieruit is een principeplan (gedragen voorkeursalternatief) gekomen, zie afbeelding 2.2. De Stuurgroep N264 heeft dit principeplan vastgesteld.
6 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
Afbeelding 2.2 Impressie principeplan (bron: provincie Noord-Brabant)
2.2
Werkzaamheden en planning
Tijdens de realisatie van de herinrichting worden verschillende mobiele werktuigen ingezet en rijdt er bouwverkeer van en naar de bouwlocatie. Verder is de N264 gedurende een deel van de werkzaamheden (deels) niet beschikbaar voor verkeer. Het verkeer zal daarom worden omgeleid. De planning is dat de werkzaamheden in 2021 plaatsvinden en 18 weken duren.
7 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
3 TOETSINGSKADER: WET NATUURBESCHERMING Bescherming Natura 2000-gebieden In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Elk Natura 2000-gebied wordt vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit is, behalve onder andere de begrenzing van het gebied, vastgesteld welke natuurwaarden in dat gebied beschermd zijn, de zogeheten instandhoudingsdoelstellingen. Instandhoudingsdoelstellingen betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. Vergunningstelsel Projecten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7 lid 2 Wnb vergunningsplichtig.
Ook projecten die niet in een Natura 2000-gebied worden uitgevoerd kunnen leiden tot significante gevolgen en moeten in het kader van de zogenaamde externe werking beoordeeld worden. Voorafgaand aan een passende beoordeling kan een voortoets worden uitgevoerd. In een voortoets wordt gekeken of significante gevolgen op natuurwaarden in het betreffende gebied op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien significante gevolgen wel op voorhand kunnen worden uitgesloten, hoeft er geen passende beoordeling te worden opgesteld. In een passende beoordeling wordt dieper ingegaan op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Op basis van de passende beoordeling kan een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wnb1 worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. Als er wel sprake is van significante gevolgen, kan de passende beoordeling aangevuld worden met mitigerende maatregelen om de significante gevolgen te voorkomen. Als er wel gevolgen optreden, zonder dat ze significant zijn, dan dient een cumulatietoets uitgevoerd te worden. Er dient dan ook beoordeeld te worden of de gevolgen ook in samenhang met andere projecten geen significante gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen hebben.
In het geval het voornemen inclusief de mitigerende maatregelen of cumulatie toch tot significante gevolgen leidt voor het betrokken Natura 2000-gebied en haar instandhoudingsdoelstellingen, dan zal de vergunningverlener de vergunning, c.q. de instemming, weigeren. Het project kan dan alleen nog doorgang vinden als voldaan wordt aan de ADC-toets: (A) er geen reële alternatieven zijn, (D) er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en dat door (C) compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft.
1
Bij een gecoördineerde procedure mogelijk onderdeel van Tracé- of Projectbesluit.
8 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
Stikstof Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jr beoordeeld moet worden. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het instrument AERIUS Calculator. Spoedwet stikstof Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof aangenomen. De Spoedwet bevat instrumenten om vergunningverlening voor (specifieke) projecten makkelijker te maken. Momenteel geldt het volgende kader (onderstaande punten zijn deels onveranderd gebleven ten opzichte van de wetgeving vóór de ingang van de Spoedwet): - op basis van de Wet natuurbescherming (artikel 2.7 lid 2) is een vergunning vereist voor projecten die mogelijk een significant gevolg kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Uitzondering hierop zijn projecten waarbij kan worden uitgesloten dat significante gevolgen optreden: hiervoor vervalt als gevolg van de Spoedwet de vergunningsplicht; - als een vergunning is vereist omdat niet kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient tevens een passende beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn.
In een passende beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen betrokken worden; - als uit de passende beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan is een vergunning alleen mogelijk met het doorlopen van een ADC-toets. Kleine, tijdelijke deposities Sinds kort bieden de provincies de mogelijkheid om projecten met kleine, tijdelijke deposities (kleiner of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jr gedurende maximaal 2 jaar, of een equivalent hiervan) zonder vergunning toe te staan. Middels een voortoets dient dan te worden onderbouwd, dat de tijdelijke stikstofdepositie niet leidt tot significante gevolgen, waarmee het project in beginsel niet vergunningsplichtig is met betrekking tot stikstofdepositie.
9 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
4 STIKSTOFBEREKENINGEN Onderstaand is de rekenwijze voor stikstof kort samengevat. In bijlage I is de uitgangspuntennotitie opgenomen. Atmosferische stikstofdepositie kan leiden tot verzuring en vermesting van stikstofgevoelige habitattypen wanneer deze boven een kritische waarde komt: de kritische depositiewaarde (KDW). Met de KDW, op basis van het meest recente beschikbaar wetenschappelijk onderzoek vastgesteld door van Dobben et. al (2012), wordt bedoeld: ‘De grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische depositie [lit. 1]. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van het habitattype of het leefgebied van Habitat- en/of Vogelrichtlijnsoorten bestaat een risico op een significant gevolg, waardoor geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen mogelijk niet duurzaam kunnen worden gehaald of gerealiseerd. Hoe hoger de overschrijding van de kritische waarde en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste gevolgen voor abiotische milieuomstandigheden met gevolgen voor de biodiversiteit. De kwaliteit van een habitattype wordt bepaald door het voorkomen van kenmerkende planten- en diersoorten en de samenstelling ervan.
Het gaat daarbij om het duurzaam voortbestaan van habitattypen op de lange termijn. De KDW zoals hierboven gedefinieerd is geen toetswaarde voor tijdelijke gevolgen maar heeft betrekking op langdurige stikstofdepositie. Ook bij overschrijding van de KDW is het mogelijk om habitattypen duurzaam in stand te houden indien de sturende factoren die het voorkomen van deze habitattypen bepalen (als dit niet stikstof is), zoals dynamiek, hydrologie en/of beheer op orde zijn. Om te bepalen op welke Natura 2000-gebieden stikstofdepositie optreedt is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Vervolgens is de ligging van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden bepaald op de locaties waar stikstofdepositie optreedt, en of de KDW van die habitattypen en leefgebieden bijna of helemaal overschreden is.
4.1
Uitgangspunten
Gedurende de herinrichting worden verschillende mobiele werktuigen ingezet. Bij het berekenen van de emissies door de werktuigen is rekening gehouden met het onderscheid tussen emissie bij belasting en emissie bij stationair draaien. Om tot de totale emissie te komen, is de emissie bij stationair draaien en de emissie bij belasting bij elkaar opgeteld. Aangezien het tot op heden onbekend is welk bouwjaar de werktuigen zullen hebben, zijn er twee scenario’s berekend: in het ene scenario is aangenomen dat alle werktuigen behoren tot STAGE-klasse IIIb (geleidelijke invoering in de periode 2011 - 2013, afhankelijk van het vermogen) en in het andere scenario is aangenomen dat alle werktuigen behoren tot STAGE-klasse IV (invoering vanaf 2014). Verder is er aangenomen dat het materieel 30 % van de tijd stationair draait. Uit de berekeningen volgt dat de totale stikstofemissie veroorzaakt door de mobiele werktuigen 1.203,79 kg NOx en < 1 kg NH3 bedraagt indien STAGE-klasse IIIb werktuigen worden ingezet. Wanneer STAGE-klasse IV-werktuigen worden ingezet, bedraagt de NOx-emissie 388,32 kg en de NH3-emissie < 1 kg.
10 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
Naast de inzet van mobiele werktuigen zijn er stikstofemissies afkomstig van de transportbewegingen van bouwverkeer. Dit verkeer bestaat uit aan- en afrijdende vrachtwagens voor bouwmateriaal en personenauto’s voor personeel. Afgeleid uit de hoeveelhedenstaat wordt er naar verwachting ongeveer 10.600 m3 materiaal aan-/afgevoerd. Wanneer rekening wordt gehouden met een capaciteit van 15 m3 per voertuig per rit en er worst case 10 % extra vrachtwagens worden gerekend, komt dit neer op ongeveer 778 vrachtwagens die heen en terugrijden, oftewel 1.556 voertuigbewegingen. Daarnaast is de verwachting dat per werkdag gedurende 18 weken, 15 auto’s de projectlocatie aandoen voor vervoer van personeel. Uitgaande van vijf werkdagen per week, komt dit overeen met 1.350 auto’s die heen en terugrijden, oftewel 2.700 voertuigbewegingen. Omdat vanaf de randen van het project het verkeer direct opgaat in het heersende verkeersbeeld, zijn de stikstofemissies van het bouwverkeer meegenomen vanaf het midden van de projectlocatie tot aan de rand van de projectlocatie. Omdat het niet bekend is of het bouwverkeer uit het oosten of uit het westen komt aanrijden, is het verkeer gelijkmatig verdeeld over beide aanrijroutes. De totale stikstofemissie bedraagt 1,87 kg NOx en < 1 kg NH3 voor het bouwverkeer uit het oosten en 1,90 kg NOx en < 1 kg NH3 voor het verkeer uit het westen.
Door de werkzaamheden is de N264 gedurende 18 weken beperkt beschikbaar voor verkeer. De verwachting is dat de kom van Sint Hubert slechts voor drie weekenden daadwerkelijk afgesloten zal zijn, wanneer de asfalt deklaag wordt aangebracht. Voor de overige periode zal het verkeer over één rijbaan worden geleid. Er is worst case aangenomen dat de N264 in Sint Hubert compleet is afgesloten, waardoor nagenoeg al het verkeer een omleidingsroute zal volgen. Het verkeer zal worden omgeleid via de grootschalige omleidingsroute voor gemotoriseerd verkeer via de N602, N272 en A73 en vice versa. Voor het berekenen van de stikstofemissies als gevolg van omleidingsverkeer is alleen rekening gehouden met het verkeer dat via de omleidingsroute over de N264 weer terugrijdt naar Sint Hubert. Doorgaand verkeer richting Venlo en overige bestemmingen via de A73 en de A77 is beschouwd als onderdeel van het heersend verkeer en daarom niet meegenomen. Om erachter te komen wat de bestemming is van het om te leiden verkeer en tot welk punt het verkeer de omleidingsroute zal volgen, is een Selected Link Analyse uitgevoerd. Hieruit volgt dat verkeer met bestemming Sint Hubert geen gebruikmaakt van de omleidingsroute (4 % van het verkeer); dit betekent dat 96 % van het verkeer de omleidingsroute zal volgen over de N602 en de N702 tot knooppunt 6 op de A73.
Op de A73 volgt daarvan 83 % de omleidingsroute; de overige 13 % volgt andere routes. Na knooppunt Rijkevoort rijdt 24,5 % van het omleidingsverkeer door over de A73; de overige 58,5 % volgt andere routes. Van de resterende 24,5 % is worst case aangenomen, dat dit op knooppunt 5 in zijn geheel de omleidingsroute over de N264 richting Sint Hubert volgt. Hierbij is uitgegaan van een worst case situatie, waarin er is aangenomen dat al het verkeer de omleidingsroute zal gebruiken om de bestemming te bereiken en geen gebruik zal maken van niet-aangegeven kortere routes. De totale stikstofemissie van het omgeleide verkeer bedraagt 13.666,65 NO x en 402,38 NH3 op routedeel N264 - N602 - N272, 2.254,32 NOx en 148,64 NH3 op routedeel A73 (zuid van knp. A77) en 1965,1 NOx en 90,46 NH3 op routedeel A73 (noord van knp. A77) - N264. Tabel 4.1 bevat een overzicht van de stikstofemissies als gevolg van de werkzaamheden tijdens de aanlegfase op basis van de bovengenoemde uitganspunten.
Tabel 4.1 Overzicht stikstofemissies Werktuigen STAGE-klasse IIIb
Werktuigen STAGE-klasse IV
NOx (kg/jaar)
NH3 (kg/jaar)
NOx (kg/jaar)
NH3 (kg/jaar)
1.204
<1
388
<1
4
<1
4
<1
omleidingsroutes
17.886
641
17.886
641
totaal
19.094
642
18.278
642
mobiele werktuigen bouwverkeer
11 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
4.2
Rekenmodel
Een stikstofberekening is uitgevoerd met behulp van AERIUS Calculator 2020. Hierna zijn de resultaten van deze AERIUS-berekening gepresenteerd.
4.3
Emissieberekeningen
4.3.1
Gebruik STAGE-klasse IIIb werktuigen
De tijdelijke stikstofdepositie tijdens de aanlegfase gedurende 2021 is maximaal 0,04 mol N/ha/jr bij gebruik van STAGE-klasse IIIb werktuigen. Deze depositie komt neer in het Natura 2000-gebied Oeffelter Meent. Daarnaast is sprake van een stikstofdepositie van 0,02 mol N/ha/jr in het gebied Sint Jansberg en 0,01 mol N/ha/jr in de gebieden De Bruuk, Zeldersche Driessen, Maasduinen, Rijntakken en Boschhuizerbergen. Deze bijdrage treedt maximaal 18 weken op.
4.3.2
Gebruik STAGE-klasse IV-werktuigen
De tijdelijke stikstofdepositie tijdens de aanlegfase gedurende 2021 is maximaal 0,03 mol N/ha/jr bij gebruik van STAGE-klasse IV-werktuigen. Deze depositie komt neer in het Natura 2000-gebied Oeffelter Meent. Daarnaast is sprake van een stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jr in het gebied Sint Jansberg. Deze bijdrage treedt maximaal 18 weken op.
12 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
5 EFFECTBEPALING EN -BEOORDELING In dit hoofdstuk worden de gevolgen van een verhoogde stikstofdepositie door het project bepaald en beoordeeld voor de aanlegfase. Er vindt geen verandering in gebruik plaats in relatie tot stikstofemissies.
5.1
Resultaten stikstofberekeningen
Tabellen 5.1 en 5.2 tonen per Natura 2000-gebied en per habitattype/leefgebied de maximale projectbijdrage voor zowel STAGE-klasse IIIb werktuigen en STAGE-klasse IV-werktuigen. Hierbij zijn ook de KDW’s en achtergronddeposities (ADW’s) van de habitattypen/leefgebieden weergegeven. Ook zijn ook de zoekgebieden meegenomen, in de tabel afgekort als ZG. Met de zoekgebieden zijn locaties aangegeven waar de aanwezigheid van een habitattype of leefgebied niet met zekerheid door middel van kartering is vastgesteld maar dat deze met een bepaalde mate van zekerheid aanwezig is. In de beoordeling zijn de zoekgebieden meegenomen alsof het een habitattype of een leefgebied betreft. Uit de stikstofberekeningen volgt dat er in de aanlegfase, bij gebruik van STAGE-klasse IIIb werktuigen, tijdelijke deposities zijn in Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent, Sint Jansberg, De Bruuk, Zeldersche Driessen, Maasduinen, Rijntakken en Boschhuizerbergen. Bij gebruik van STAGE-klasse IV-werktuigen vinden er alleen tijdelijke deposities plaats in Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent en Sint Jansberg. Uit de tabellen blijkt dat bij alle Natura 2000-gebieden sprake is van een kleine en tijdelijke projectbijdrage in een al overbelaste situatie. De KDW’s worden voor de meeste habitattypes/leefgebieden overschreden.
De beoordeling van de tijdelijke en kleine stikstofdeposities op deze stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden binnen de Natura 2000-gebieden worden aan de hand van een algemene ecologische analyse in paragraaf 5.2 nader beschreven en beoordeeld.
Tabel 5.1
Overzicht relevante Natura 2000-gebieden en habitattypen/leefgebieden voor de aanlegfase, inclusief KDW, maximale projectbijdrage en ADW in mol N/ha/jr (STAGE-klasse IIIb werktuigen)
Natura 2000gebied
Habitattype/leefgebied
Oeffelter Meent
Sint Jansberg
13 | 19
KDW (mol N/ha/jr)
Maximale projectbijdrage (mol N/ha/jr)
H6120 Stroomdalgraslanden
1.286
0,04
1.417
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
1.429
0,04
1.625
H7210 Galigaanmoerassen
1.571
0,02
2.229
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
1.429
0,02
2.443
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
1.857
0,02
2.360
L91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
1.857
0,02
2.275
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
ADW (mol N/ha/jr)
Natura 2000gebied
Habitattype/leefgebied
KDW (mol N/ha/jr)
Maximale projectbijdrage (mol N/ha/jr)
Lg05 Grote-zeggenmoeras
1.714
0,02
2.229
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
1.071
0,01
2.376
H2330 Zandverstuivingen
714
0,01
2.367
H5130 Jeneverbesstruwelen
1.071
0,01
2.409
De Bruuk
H6410 Blauwgraslanden
1.071
0,01
1.874
Maasduinen
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
1.071
0,01
2.296
H2330 Zandverstuivingen
714
0,01
2.353
H3130 Zwakgebufferde vennen
571
0,01
2.012
H3160 Zure vennen
714
0,01
1.888
H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden)
1.214
0,01
2.179
H4030 Droge heiden
1.071
0,01
2.351
H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes)
786
0,01
1.888
H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen
1.429
0,01
2.104
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
1.429
0,01
2.083
H91D0 Hoogveenbossen
1.786
0,01
2.103
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
1.857
0,01
1.783
Lg04 Zuur ven
1.214
0,01
2.121
Lg06 Dotterbloemgrasland van beekdalen
1.429
0,01
1.943
Lg09 Droog struisgrasland
1.000
0,01
1.911
Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied
1.429
0,01
2.111
Lg13 Bos van arme zandgronden
1.071
0,01
2.744
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
1.429
0,01
2.679
H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen
2.143
0,01
2.110
H91E0B Vochtige alluviale bossen (esseniepenbossen)
2.000
0,01
1.824
(ZG)Lg02 Ge0soleerde meander en petgat
2.143
0,01
2.281
ZGH3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, buiten afgesloten zeearmen
2.143
0,01
1.802
(ZG)Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland
1.571
0,01
2.068
(ZG)Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
1.429
0,01
2.232
H6120 Stroomdalgraslanden
1.286
0,01
2.075
H6430C Ruigten en zomen (droge bosranden)
1.857
0,01
2.075
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
1.429
0,01
2.396
H91F0 Droge hardhoutooibossen
2.071
0,01
2.004
Boschhuizerbergen
Rijntakken
Zeldersche Driessen
14 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
ADW (mol N/ha/jr)
Tabel 5.2
Overzicht relevante Natura 2000-gebieden en habitattypen/leefgebieden voor de aanlegfase, inclusief KDW, maximale projectbijdrage en ADW in mol N/ha/jr (STAGE-klasse IV-werktuigen)
Natura 2000-gebied
Habitattype/leefgebied
Oeffelter Meent
Sint Jansberg
5.2
KDW (mol N/ha/jr)
Maximale projectbijdrage (mol N/ha/jr)
ADW (mol N/ha/jr)
H6120 Stroomdalgraslanden
1.286
0,03
1.417
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
1.429
0,03
1.625
H7210 Galigaanmoerassen
1.571
0,01
2.229
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
1.429
0,01
2.443
H91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
1.857
0,01
2.360
L91E0C Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
1.857
0,01
2.275
Lg05 Grote-zeggenmoeras
1.714
0,01
2.229
Effectbeoordeling
Bij inzet van STAGE-klasse IIIb werktuigen is in de Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent, Sint Jansberg, De Bruuk, Zeldersche Driessen, Maasduinen, Rijntakken en Boschhuizerbergen sprake van een kleine en tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01-0,04 mol N/ha/jr Bij inzet van STAGE-klasse IV werktuigen is in de Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent en Sint Jansberg sprake van een kleine en tijdelijke projectbijdrage van maximaal 0,01-0,03 mol N/ha/jr Voor beide scenario’s geldt dat de deposities plaatsvinden op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden waarvan de KDW wordt overschreden en dat de bijdrage maximaal 18 weken optreedt. Ecologisch gezien leiden dergelijke geringe bijdragen (maximaal 0,01 - 0,04 mol/ha/jr) niet tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. De berekende kleine en tevens tijdelijke stikstofdepositie zal op geen enkele wijze leiden tot een meetbaar of merkbaar gevolg voor de vegetatie, en daarmee op de kwaliteit van het de habitattypen/leefgebieden. Ook niet in een reeds overbelaste of naderende overbelaste situatie.
De onderbouwing hiervoor is vijfledig: 1 deposities door emissie van mobiele werktuigen maken sinds de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden onderdeel uit van de bestaande ADW; 2 kleine (en tijdelijke) deposities (≤0,05 mol N/ha/jr) zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot ADW’s; 3 kleine (en tijdelijke) deposities leiden nooit tot schade aan planten; 4 kleine (en tijdelijke) deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; 5 kleine (en tijdelijke) deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer. Deze punten zijn in hierna gedetailleerd uitgewerkt: Deposities door emissie van mobiele werktuigen zijn bestaande bronnen die deel uitmaken van de bestaande ADW Voor de aanlegfase van onderhavig project worden mobiele werktuigen ingezet die tijdelijk stikstofemissie veroorzaken. Het betreft maximaal 0,01-0,04 mol N/ha/jr gedurende 18 weken. Dit materieel wordt verspreid over Nederland, telkens opnieuw ingezet voor verschillende projecten. Het zijn bestaande bronnen die al sinds de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden onderdeel uitmaken van de bestaande ADW. Dit materieel veroorzaakt een, in verhouding tot de totale ADW, minieme deken die qua
15 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
ruimtelijke verdeling vrijwel constant is. De emissie veroorzaakt door dit materieel is bovendien gedurende de jaren steeds lager geworden als gevolg van het steeds schoner worden van motoren. De inzet van dit materieel gedurende het jaar betreft in feite het telkens verschuiven van bestaande bronnen naar nieuwe locaties. Het inzetten van dit materieel op een nieuwe locatie in Nederland kan op zichzelf tot een minieme lokale tijdelijke depositieverhoging leiden. Een dergelijke beperkte tijdelijke toename – zoals het in onderhavig project maximaal 0,01-0,04 mol N/ha/jr gedurende 18 weken – kan echter nooit van invloed zijn op de omvang en ruimtelijke verdeling van depositiedeken als gevolg van de jaarlijkse inzet van al het zich in Nederland bevindende materieel. Het heeft daarmee geen significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Kleine en tijdelijke deposities (≤0,05 mol N/ha/jr) zijn nagenoeg verwaarloosbaar in verhouding tot ADW’s In de meeste habitattypen functioneert een natuurlijke stikstofkringloop waarin veel grotere hoeveelheden stikstof circuleren: veelal duizenden kilo’s per hectare. Onverstoorde, natuurlijke ADW’s liggen in de orde van 1 tot 5 kilogram N/ha/j; overeenkomend met 71 tot 357 mol N/ha/jr [lit. 2]. Er is echter geen sprake meer van een natuurlijke ADW.
Door de mens is de ADW aanzienlijk hoger geworden. De ADW in het projectgebied ligt gemiddeld tussen de 1.417 en 2.744 mol N/ha/jr. Ook binnen deze verhoogde ADW is het mogelijk om verschillende habitattypen in stand te houden. De geringe en tijdelijke projectbijdrage heeft geen merkbaar effect op deze totale stikstofkringloop. Om toch een beeld te geven van de omvang van de kleine en tijdelijke depositietoenames is het goed om de verhouding tot de achtergrondbelasting in een gebied in acht te nemen. Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloedde oorzaken stikstofdepositie plaats. Deze ADW varieert tussen circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr, afhankelijk van de locatie. Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn. Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en ADW’s dalen, variëren de ADW’s op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Dit betref een ordegrootte van 10 % [lit. 3]. In het projectgebied kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 141,7 tot 274,4 mol N/ha/jr. De hoogste ADW op een hexagoon met een bijdrage door projectactiviteiten bedraagt 2.744 mol N/ha/jr.
Een tijdelijke dosis van maximaal 0,01-0,04 mol N/ha/jr aan stikstof is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de ADW’s zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. Kleine en tijdelijke deposities leiden (vrijwel) nooit tot schade aan planten Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen als gevolg van kleine (en tijdelijke) deposities zijn met zekerheid uitgesloten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan planten (vrijwel) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol [lit. 4]. Kleine en tijdelijke deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling Kleine (en tijdelijke) depositietoenames leiden niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de plant, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant nodig heeft om te groeien. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een depositietoename van 1 mol N/ha is de volgende berekening illustratief: - een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N per hectare; - de productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jr. [lit.
5]; - het aandeel stikstof in droge stof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5 % uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5 % bij houtachtige planten tot 5,0 % bij peulvruchten [lit. 6];
16 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
-
-
voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 tot 90 kg N/ha/jr. nodig. Dit komt overeen met circa 2.150 en 6.400 mol N/ha/jr. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof; dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing); een depositie van 1 mol N/ha/jr komt overeen met 0,02 en 0,05 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.
Een kleine (en tijdelijke) toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit wordt geconcludeerd dat een kleine en tijdelijke depositietoename van maximaal 0,01-0,04 mol N/ha/jr (dat is 25 tot 100 keer minder dan de hierboven geschetste gevolgen) de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden in de Natura 2000-gebieden niet meetbaar aantast. Kleine en tijdelijke deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer Een plant heeft voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig [lit. 7]. Een (tijdelijke) depositie van 0,01-0,04 mol N (0,14 g - 0,56 g) per hectare zal dus, ervan uitgaande dat de helft van de stikstof ook daadwerkelijk wordt benut en de andere helft uitspoelt, leiden tot een aanwas van de vegetatie van 0,35-1,4 gram biomassa per hectare. Om aan te tonen hoe beperkt de toename eigenlijk is, is deze hierna vergeleken met de inspanning die geleverd moet worden om deze toename middels begrazing weg te nemen. Dit is puur een voorbeeld, en is niet bedoeld om een compensatieopgave weer te geven. Veel voor stikstofgevoelige habitats en leefgebieden worden beheerd middels begrazing. Een schaap heeft een voedselbehoefte van 1,7 kg droge stof per dag [lit. 8].
Uitgaande van een droog stofgehalte van de heide- en graslandvegetatie van (worst case) maximaal 50 % eet een schaap per dag 3,4 kg vegetatie. Uitgedrukt in schaapdagen (hoeveelheid vegetatie die één schaap op één dag graast) is 3,4 kg dus 1 schaapdag. Om een jaarlijkse extra aanwas van 0,35-1,4 gram vegetatie per hectare uit het systeem te halen, is dus 0,0001-0,0004 schaapdag per hectare nodig. Uitgaande van een graasduur van 8 uur per dag (gescheperde kudde), moet om het gehele gevolg van de extra depositie van een heel jaar af te voeren door één schaap ongeveer 0,006-0,024 minuut worden gegraasd per hectare. Een dergelijke verwaarloosbaar kleine extra beheerinspanning is verwaarloosbaar en leidt niet tot enig gevolg voor het habitattype. Uit voorgaande blijkt dat een aantasting van de natuurlijke kenmerken bij dergelijke geringe en tijdelijke bijdragen niet optreedt. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent, Sint Jansberg, De Bruuk, Zeldersche Driessen, Maasduinen, Rijntakken en Boschhuizerbergen zijn hiermee op voorhand uitgesloten.
17 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
6 CONCLUSIE In deze ecologische voortoets is beoordeeld of een verhoogde stikstofdepositie door het project leidt tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Indien in de aanlegfase gebruik wordt gemaakt van STAGE-klasse IIIb werktuigen treedt een kleine en tijdelijke toename op van 0,01-0,04 mol N/ha/jr stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent, Sint Jansberg, De Bruuk, Zeldersche Driessen, Maasduinen, Rijntakken en Boschhuizerbergen. Bij gebruik van STAGE-klasse IV-werktuigen treedt een kleine en tijdelijke toename van 0,01-0,03 mol N/ha/jr stikstofdepositie op in de Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent en Sint Jansberg. Dergelijke lage toenames in stikstofdepositie leiden nooit tot directe schade aan planten of tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling. Daarnaast vormen deposities van dit formaat een verwaarloosbare bijdrage aan de totale depositie. In de gebruiksfase treedt geen toename van depositie op. Significante gevolgen van stikstofdepositie voor Natura 2000-gebieden Oeffelter Meent, Sint Jansberg, De Bruuk, Zeldersche Driessen, Maasduinen, Rijntakken en Boschhuizerbergen worden zowel bij gebruik van STAGE-klasse IIIb als STAGE-klasse IV-werktuigen op voorhand uitgesloten. Vervolgstappen in de vorm van salderen, een passende beoordeling en een vergunningaanvraag zijn niet nodig.
18 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
7 LITERATUUR 1
2
3 4
5 6 7 8
Van Dobben, H. F., Bobbink, R., Bal, D., & Van Hinsberg, A., 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden (No. 2397). Alterra. ARCADIS, 2011. Stikstof en zwavel in de grijze duinen, aanvullingen op het ARCADIS-rapport uit 2008 naar aanleiding van het StAB-advies over de stikstofdepositie van de energiecentrales van NUON en RWE/ESSENT. Projectnummer B02042.000079.0100. 8 februari 2011. https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie. Smits, N.A.C. & D. Bal, 2014. Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deel I: Algemene inleiding herstelstrategieën: beleid, kennis en maatregelen. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken. Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bio-energie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380. https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-een-plant-stikstofnodig.aspx#.XR4CmGaP6fg. Steege, M.W. ter, 1996. Regulation of nitrate uptake in a whole plant perspective Changes in influx and efflux of nitrate in spinach. ID: 33047. University of Groningen. Wageningen UR 2001. Handboek schapenhouderij.
Wageningen UR - Praktijkonderzoek Veehouderij Lelystad. ISSN 0169-3689.
19 | 19
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: UITGANGSPUNTENNOTITIE
Witteveen+Bos | 117826/21-001.666 | Bijlage I | Definitief
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Stikstofdepositieberekeningen herinrichting kom Sint Hubert N264 Herinrichting kom Sint Hubert Provincie Noord-Brabant 117826 Definitief 02 25 november 2020 117826/20-017.893 V. Meulenberg MSc ir. E.H. Voors ir. R.F. Vromans
Paraaf
Bijlage(n)
Aangeleverde materieelinzet aanlegfase Emissieberekeningen mobiele werktuigen aanlegfase (STAGE-klasse IIIb) Emissieberekeningen mobiele werktuigen aanlegfase (STAGE-klasse IV) Resultaten Selected Link Analyses omleidingsroute Berekeningen omleidingsverkeer AERIUS berekening aanlegfase (STAGE-klasse IIIb) AERIUS berekening aanlegfase (STAGE-klasse IV)
Aan
Provincie Noord-Brabant -
Kopie
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding project
V. Konincks, M. Riepe -
De N264 loopt in Noord-Brabant van Uden in het westen (aansluiting op A50) via Haps (aansluiting op A73) tot Gennep in het oosten, dwars door de kom van Sint Hubert, zie afbeelding 1.1. In 2018 is er een verkennende studie geweest voor de N264 voor het deel Uden-Haps. De kom van Sint Hubert was daarin één van de probleemgebieden. Op basis van de verkenning heeft de Stuurgroep N264 (provincie NoordBrabant, gemeente Uden, gemeente Mill en Sint Hubert) besloten om een herinrichting van de kom Sint Hubert te realiseren en niet voor een randweg rond Sint Hubert te gaan. Leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid van langzaam verkeer zijn belangrijke aandachtspunten bij de herinrichting. Tussen oktober 2018 en november 2019 is er een planstudie geweest naar de gewenste herinrichting. Een lokale werkgroep heeft hierbij het ontwerpproces ondersteund. Hieruit is een principeplan (gedragen
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 | Postbus 3465 | 4800 DL Breda | +31 (0)76 523 33 33 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
voorkeursalternatief) gekomen, zie afbeelding 1.2. De Stuurgroep N264 heeft dit principeplan vastgesteld. In dit plan zijn de aandachtspunten leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid langzaam verkeer geborgd. Om de volgende stap te zetten in de herinrichting van de N264 heeft de provincie Noord-Brabant ‘Het opstellen van een geïntegreerd contract op basis van UAV-GC, alsmede het voorbereiden en ondersteunen bij de aanbesteding ten behoeve van het werk, N264 Herinrichting kom Sint Hubert’ uitgevraagd bij Witteveen+Bos. Eerder genoemd principeplan is de basis voor deze projectfase. Voorliggende notitie is onderdeel van uitwerking van dit project.
Afbeelding 1.1 N264 Sint Hubert (bron: Open Street Maps)
Afbeelding 1.2 Impressie principeplan (bron: provincie Noord-Brabant)
2 | 10
Witteveen+Bos | 117826/20-017.893 | Definitief 02
1.2
Doel en aanpak notitie
Tijdens de realisatie van de herinrichting van de kom Sint Hubert worden mobiele werktuigen ingezet en rijdt er bouwverkeer van en naar de bouwlocatie. Verder is de N264 gedurende een deel van de werkzaamheden (deels) niet beschikbaar voor verkeer. Het verkeer zal daarom worden omgeleid. De stikstofemissies als gevolg van de werkzaamheden en de omleidingen kunnen leiden tot een toename in stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Hiertoe is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd om de mogelijke stikstofdepositie tijdens de aanlegfase inzichtelijk te maken. In de gebruiksfase is geen toename in stikstofemissie en -depositie voorzien, omdat na de afronding van de werkzaamheden de oorspronkelijke routering gevolgd wordt en het project geen verkeersaantrekkend of -afstotend effect heeft. In deze notitie zijn de uitgangspunten en de resultaten van het uitgevoerde stikstofdepositie-onderzoek naar de aanlegfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vastgelegd.
1.3
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het geldende wettelijke kader. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgangspunten van de stikstofdepositieberekeningen. Hoofdstuk 4 bevat de resultaten van de AERIUS berekeningen, waarna hoofdstuk 5 afsluit met de conclusies.
2
WETTELIJK KADER
2.1
Juridische ontwikkelingen
Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof aangenomen. De spoedwet bevat instrumenten om vergunningverlening voor (specifieke) projecten makkelijker te maken. Momenteel geldt het volgende kader: - op basis van de Wet natuurbescherming 1 is een vergunning vereist voor projecten die mogelijk significante gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied. Uitzondering hierop zijn projecten waarbij kan worden uitgesloten dat significante gevolgen optreden: hiervoor vervalt als gevolg van de spoedwet de vergunningsplicht; - indien een vergunning is vereist omdat niet kan worden uitgesloten dat mogelijke significante gevolgen optreden, dient tevens een passende beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn. In een passende beoordeling mogen, tevens mitigerende maatregelen betrokken worden. Afhankelijk van het project is ook intern en/of extern salderen mogelijk. Indien geen significante gevolgen aanwezig zijn, dan kan een vergunning verkregen worden; - indien uit de passende beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan is een vergunning enkel mogelijk met het doorlopen van een ADC-toets. Hier moet worden aangetoond dat er geen (A)lternatieven zijn, het project in het kader van een (D)wingende reden van groot openbaar belang is en dient (C)ompensatie plaats te vinden.
Op 13 december 2019 is de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant in werking getreden. Hierin wordt onder andere bepaald, dat de stikstofdepositieberekening uitgevoerd dient te worden met de meest recente versie van de AERIUS Calculator. Op 15 september 2020 is deze beleidsregel laatstelijk aangepast2.
1
Artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming.
2
Https://www.brabant.nl/actueel/regelingen/cvdr600919_13.
3 | 10
Witteveen+Bos | 117826/20-017.893 | Definitief 02
2.2
Rekeninstrument
Met het wettelijke rekeninstrument AERIUS Calculator 2020 zijn de stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd. AERIUS Calculator 2020 is op het moment van schrijven de meest recente versie van de AERIUS Calculator. De rekenmethode is in beheer van het RIVM.
3
UITGANGSPUNTEN
Voor de aanlegfase, waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd, zijn stikstofemissie en depositieberekeningen uitgevoerd. Tot het projecteffect behoren naast de directe effecten van de aanlegwerkzaamheden ook de indirecte effecten waarbij het reguliere verkeer omgeleid wordt. In onderstaande paragrafen worden de uitgangspunten van de berekeningen toegelicht. De planning is dat de werkzaamheden gedurende 18 weken plaats zullen vinden in 2021.
3.1
Mobiele werktuigen
Gedurende de realisatie van de herinrichting worden verschillende mobiele werktuigen ingezet. Hiertoe is een overzicht aangeleverd, welke is opgenomen in bijlage I, waarin de materieelinzet is bepaald op basis van de hoeveelhedenstaat. De emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH 3) zijn berekend conform de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020 1. De formules voor het berekenen van de NO x en NH 3 emissies zijn op de emissiefactoren na identiek. Bij het berekenen van de emissies is rekening gehouden met het onderscheid tussen emissie bij belasting en emissie bij stationair draaien. Om tot de totale emissie te komen, wordt de emissie bij stationair draaien en de emissie bij belasting bij elkaar opgeteld. Conform onderstaande formule wordt de emissie bij belasting berekend: emissie bij belasting = vermogen x inzet x belasting x emissiefactor Waarbij geldt: - emissie bij belasting = emissie van het werktuig (g NO x/jaar) of (g NH 3/jaar); - vermogen = het gemiddelde volle vermogen van het werktuig (kW); - inzet = het gemiddelde aantal uren dat het werktuig per jaar wordt ingezet (uur/jaar); - belasting = de fractie van het volle vermogen dat daadwerkelijk wordt gebruikt tijdens belasting ( -); - emissiefactor = emissiefactor tijdens belast draaien (g NO x/kW) of (g NH 3/kW).
De emissie bij stationair draaien wordt op de volgende manier berekend: emissie bij stationair draaien = stationaire draaiuren x emissiefactor x cilinderinhoud Waarbij geldt: - emissie bij stationair draaien = emissie van het werktuig (g NO x/jaar) of (g NH 3/jaar); - stationaire draaiuren = aantal draaiuren stationair (uur/jaar); - emissiefactor = emissiefactor tijdens stationair draaien per liter cilinderinhoud (gram/liter/uur); - cilinderinhoud= cilinderinhoud (liter), met: cilinderinhoud = vermogen / 20 De belasting en emissiefactoren van het mobiele werktuig zijn afkomstig van TNO 2. De emissiefactor is gebaseerd op de emissiestandaard (STAGE-klasse) en het vermogen van het werktuig. Omdat het tot op heden onbekend is welk bouwjaar de werktuigen zullen hebben, zijn er 2 scenario’s berekend: in het ene
1
Afkomstig uit ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020’, Expertiseteam Stikstof en Natura 2000, oktober 2020.
2
TNO getallen voor AERIUS 2020v6 mobiele werktuigen, TNO, 16 oktober 2020.
4 | 10
Witteveen+Bos | 117826/20-017.893 | Definitief 02
scenario wordt aangenomen dat alle werktuigen behoren tot STAGE-klasse IIIb (geleidelijke invoering in de periode 2011-2013, afhankelijk van het vermogen) en in het andere scenario wordt aangenomen dat alle werktuigen behoren tot STAGE-klasse IV (invoering vanaf 2014). Verder is er aangenomen dat het materieel 30 % van de tijd stationair draait. Bijlage II geeft het overzicht weer van de in te zetten mobiele werktuigen met STAGE-klasse IIIb en bijlage III geeft datzelfde overzicht maar dan wanneer mobiele werktuigen worden ingezet met STAGE-klasse IV. De totale stikstofemissie veroorzaakt door de mobiele werktuigen bedraagt 1.203,79 kg NOx en 0,85 kg NH 3 indien STAGE-klasse IIIb werktuigen worden ingezet. Wanneer STAGE-klasse IV werktuigen worden ingezet, bedraagt de NOx-emissie 388,32 kg en de NH 3-emissie 0,84 kg. De berekende emissies zijn toegekend aan een oppervlaktebron ‘Mobiele werktuigen - Bouw en Industrie’ die de totale oppervlakte van het her in te richten deel van de N264 omvat. Als bronkenmerk is voor de uitstoothoogte en de spreiding de ‘default’ waarde van 4 meter gehanteerd. Ook voor de warmte-inhoud is de ‘default’ waarde van 0 MW gebruikt.
3.2
Bouwverkeer
Naast de inzet van mobiele werktuigen zijn er stikstofemissies afkomstig van de transportbewegingen van het bouwverkeer. Dit verkeer bestaat uit aan- en afrijdende vrachtwagens voor bouwmateriaal en personenauto’s voor personeel. Afgeleid uit de hoeveelhedenstaat wordt er naar verwachting ongeveer 10.600 m3 materiaal aan-/afgevoerd. Wanneer rekening wordt gehouden met een capaciteit van 15 m3 per voertuig per rit en er worstcase 10 % extra vrachtwagens worden gerekend 1, komt dit neer op ongeveer 778 vrachtwagens die heen en terug rijden, oftewel 1.556 voertuigbewegingen. Daarnaast is de verwachting dat per werkdag gedurende 18 weken, 15 auto’s de projectlocatie aandoen voor vervoer van personeel. Uitgaande van 5 werkdagen per week, komt dit overeen met 1.350 auto’s die heen en terug rijden, oftewel 2.700 voertuigbewegingen. tabel 3.1 geeft het overzicht van de verwachte transportbewegingen weer. Omdat vanaf de randen van het project het verkeer direct opgaat in het heersende verkeersbeeld, zijn de emissies van het bouwverkeer meegenomen vanaf het midden van de projectlocatie tot aan de rand van de projectlocatie. Aangezien het niet bekend is of het bouwverkeer uit het oosten of uit het westen komt aanrijden, is het verkeer gelijkmatig verdeeld over beide aanrijroutes. De verkeersbewegingen zijn in AERIUS gemodelleerd als een lijnbron ‘Wegverkeer - Binnen bebouwde kom’.
Op basis van de afstand, het aantal voertuigbewegingen en de voertuigcategorie, berekent AERIUS Calculator de bijbehorende emissies, zie tabel 3.1.
Tabel 3.1 Verkeersintensiteiten bouwverkeer en bijbehorende emissies Type
Categorie
Aantal voertuigbewegingen (mvt/jaar)
Emissie NO x (kg/jaar)
Emissie NH3 (kg/jaar)
aan-/afvoer materiaal/materieel oost
zwaar vrachtverkeer
778
1,65
<1,00
aan-/afvoer materiaal/materieel west
zwaar vrachtverkeer
778
1,68
<1,00
vervoer personeel oost
licht verkeer
1.350
<1,00
<1,00
vervoer personeel west
licht verkeer
1.350
<1,00
<1,00
1
Omdat in deze fase van het project nog geen uitgewerkte materiaalhoeveelheden beschikbaar zijn, is voor onderhavig onderzoek 10 % marge aangehouden.
5 | 10
Witteveen+Bos | 117826/20-017.893 | Definitief 02
3.3
Omleidingsroutes
Als gevolg van de werkzaamheden zal de N264 gedurende 18 weken beperkt beschikbaar zijn voor verkeer. De verwachting is dat de kom van Sint Hubert slechts voor 3 weekenden daadwerkelijk afgesloten zal zijn, wanneer de asfalt deklaag wordt aangebracht. Voor de overige periode zal het verkeer over 1 rijbaan worden geleid. In dit onderzoek is er worstcase aangenomen dat de N264 in Sint Hubert compleet is afgesloten, waardoor nagenoeg al het verkeer (deels) de omleidingsroute zal volgen. Het verkeer zal worden omgeleid via de grootschalige omleidingsroute voor gemotoriseerd verkeer via de N602, N272 en A73 en vice versa. In afbeelding 3.1 is deze omleidingsroute aanschouwelijk gemaakt.
Afbeelding 3.1 Omleidingsroute tijdens aanlegwerkzaamheden (zwart gestippelde kader)
Voor het omleidingsverkeer is alleen rekening gehouden met het verkeer dat via de omleidingsroute over de N264 weer terugrijdt naar Sint Hubert (rode pijl, zwarte pijl en deel van de gele pijlen). Doorgaand verkeer richting Venlo en overige bestemmingen via de A73 en de A77 (groene, blauwe, en deel van de gele pijlen) is beschouwd als onderdeel van het heersend verkeer en daarom niet meegenomen. De percentages in afbeelding 3.1. corresponderen met de percentages in tabel 3.2, en zijn onderstaand toegelicht. Verkeersintensiteit N264 en verdeling in voertuigcategorieën De verkeersaantallen van het om te leiden verkeer zijn bepaald aan de hand van de beschikbare verkeerscijfers van telpunten op de N264 nabij de kom van Sint Hubert. De provincie Noord-Brabant heeft daar in 2019 de verkeersintensiteiten per etmaal voor een gemiddelde werkdag bepaald (totaal van 2 richtingen) bij verschillende locaties op de N264 1. Voor dit onderzoek zijn alleen de locaties gebruikt waar het verkeer tijdens de werkzaamheden gestremd zal zijn. De aangedragen conversiefactor voor de bepaling van de verkeersintensiteit per werkdag naar per weekdag is 0,89. Aanvullend heeft de provincie per telpunt de verdeling aangeleverd van licht, middel- en zwaar verkeer. Deze telpunt gegevens zijn uitgewerkt in bijlage V.
1
Afkomstig uit ‘Verkeerscijfers Kom Sint Hubert’ N264.34.N001, Provincie Noord-Brabant, 14 februari 2020.
6 | 10
Witteveen+Bos | 117826/20-017.893 | Definitief 02
Verdelingspercentages omleidingsverkeer over omleidingsroute Om erachter te komen wat de bestemming is van het om te leiden verkeer en tot welk punt het verkeer de omleidingsroute zal volgen, is een Selected Link Analyse uitgevoerd (zie bijlage IV, de kleurmarkeringen in bijlage IV corresponderen met de kleurmarkeringen in afbeelding 3.1). Van de Selected Link Analyse zijn alleen de procentuele verdelingen over de omleidingsroutes gebruikt; de totale hoeveelheid om te leiden verkeer, alsmede de onderverdeling daarvan in voertuigcategorieën, is ontleend aan de telpunten van de provincie zoals in de vorige alinea uiteengezet. 1 De Selected Link Analyse maakt onderscheid tussen omleidingsverkeer afkomstig van de noordelijke en zuidelijke rijbaan van de N264; voor de verdeling van het omleidingsverkeer over de omleidingsroutes is daarbij telkens het gemiddelde van beide aangehouden. Verkeer met bestemming Sint Hubert zal geen gebruikmaken van de omleidingsroute (4 % van het verkeer); dit betekent dat 96 % van het verkeer de omleidingsroute zal volgen over de N602 en de N702 tot knooppunt 6 op de A73 (rode pijlen in afbeelding 3.1). Op de A73 volgt daarvan 83 % de omleidingsroute (zwarte pijlen in afbeelding 3.1); de overige 13 % volgt andere routes en is in onderhavige notitie buiten beschouwing gelaten.
Na knooppunt Rijkevoort rijdt 24,5 % van het omleidingsverkeer door over de A73 (gele pijlen in afbeelding 3.1); de overige 58,5 % volgt andere routes en is in onderhavige notitie buiten beschouwing gelaten. Van de resterende 24,5 % is worst case aangenomen, dat dit op knooppunt 5 in zijn geheel de omleidingsroute over de N264 richting Sint Hubert volgt. Verder wordt er in de Selected Link Analyse uitgegaan van een worstcase situatie, waarin er wordt aangenomen dat al het verkeer de omleidingsroute zal gebruiken om de bestemming te bereiken en geen gebruik zal maken van nietaangegeven kortere routes. Onderstaande tabel 3.2 geeft een overzicht van de hoeveelheid verkeer per deel van de omleidingsroute, verdeeld over licht, middelzwaar en zwaar vrachtverkeer. Bijlage V geeft een overzicht hoe de hoeveelheden verkeer per deel van de omleidingsroute tot stand zijn gekomen.
Tabel 3.2 Verkeersintensiteiten omleidingsroute N602, N272 en A73 Routedeel
Percentage van totaal verkeer*
N264 - N602 N272
A73 (zuid van knp. A77)
A73 (noord van knp. A77) - N264
*
96 %
83 %
24,5 %
Categorie
Aantal bewegingen (mvt/jaar)
Emissie NO x (kg/jaar)
Emissie NH3 (kg/jaar)
licht verkeer
927.648,38
3.527,70
236,18
middelzwaar vrachtverkeer
125.344,33
4.120,16
69,48
zwaar vrachtverkeer
118.260,24
6.018,79
96,72
licht verkeer
802.029,33
754,78
109,95
middelzwaar vrachtverkeer
108.370,62
770,43
15,02
zwaar vrachtverkeer
102.245,83
729,11
23,67
licht verkeer
236.743,60
530,41
60,26
middelzwaar vrachtverkeer
31.988,92
625,79
10,73
zwaar vrachtverkeer
30.181,00
808,90
19,47
Percentage van het totale verkeer dat normaal door Sint Hubert rijdt en gebruikmaakt van dit deel van de omleidingsroute, zie bijlage IV.
1
De Selected Link Analyse bevat ook voertuigintensiteiten, omdat anders geen modelberekeningen hadden kunnen worden uitgevoerd. Deze voertuigintensiteiten worden echter als minder representatief gezien dan die van de telpunten, reden waarom voor de totale hoeveelheid om te leiden verkeer niet is uitgegaan van de voertuigintensiteiten uit de Selected Link Analyse maar van de voertuigintensiteiten uit de telpunten van de provincie.
7 | 10
Witteveen+Bos | 117826/20-017.893 | Definitief 02
De verkeersbewegingen zijn in AERIUS gemodelleerd als een lijnbron ‘Wegverkeer - Binnen de bebouwde kom’ voor het gedeelte van de route via de N602 en N272, ‘Wegverkeer - Snelwegen’ voor het gedeelte van de route via de A73 en ‘Wegverkeer - Buitenwegen’ voor het gedeelte van de route via de N264. Op basis van de afstand, het aantal voertuigbewegingen en de categorie voertuigen berekent AERIUS Calculator de bijbehorende emissies, zie tabel 3.2. Er is in de modelering een stagnatiepercentage van 0 % aangehouden.
3.4
Samenvatting stikstofemissies
Onderstaande tabel bevat een overzicht van de stikstofemissies (NOx) zoals berekend in de vorige paragrafen.
Tabel 3.3 Overzicht stikstofemissies onderzochte situaties (afgeronde waarden) Werktuigen STAGE IIIb
Werktuigen STAGE IV
NO x (kg/jaar)
NH3 (kg/jaar)
NO x (kg/jaar)
NH3 (kg/jaar)
1.204
<1
388
<1
4
<1
4
<1
omleidingsroutes
17.886
641
17.886
641
totaal
19.094
642
18.278
642
mobiele werktuigen bouwverkeer
4
RESULTATEN
De in hoofdstuk 3 berekende emissies voor de aanlegfase zijn gemodelleerd in AERIUS Calculator. In de volgende paragrafen worden de resultaten besproken indien gebruik wordt gemaakt van werktuigen behorend tot STAGE-klasse IIIb en wanneer gebruik wordt gemaakt van werktuigen behorend tot STAGEklasse IV.
4.1
STAGE-klasse IIIb
De resultaten van de stikstofdepositie berekeningen bij mobiele werktuigen van STAGE-klasse IIIb zijn opgenomen in bijlage VI. Onderstaande tabel geeft hiervan een samenvatting.
Tabel 4.1 Hoogste stikstofdepositie per Natura 2000-gebied in mol N/ha/jaar Natura 2000-gebied
Aanlegfase
Oeffelter Meent
0,04
Sint Jansberg
0,02
De Bruuk
0,01
Zeldersche Driessen
0,01
Maasduinen
0,01
Rijntakken
0,01
Boschhuizerbergen
0,01
8 | 10
Witteveen+Bos | 117826/20-017.893 | Definitief 02
De hoogste depositie van 0,04 mol N/ha/jaar wordt berekend op Natura 2000-gebied Oeffelter Meent.
4.2
STAGE-klasse IV
De resultaten van de stikstofdepositie berekeningen bij mobiele werktuigen van STAGE-klasse IV zijn opgenomen in bijlage VII. Onderstaande tabel geeft hiervan een samenvatting.
Tabel 4.2 Hoogste stikstofdepositie per Natura 2000-gebied in mol N/ha/jaar Natura 2000-gebied
Aanlegfase
Oeffelter Meent
0,03
Sint Jansberg
0,01
De hoogste depositie van 0,03 mol N/ha/jaar wordt berekend op Natura 2000-gebied Oeffelter Meent.
5
CONCLUSIE
Witteveen+Bos heeft in opdracht van de provincie Noord-Brabant een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd naar de realisatie van de herinrichting van de kom van Sint Hubert. Uit de berekeningen blijkt dat tijdens de aanlegfase sprake is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000 -gebieden indien er gebruik wordt gemaakt van STAGE-klasse IIIb werktuigen, waarvan de hoogste depositie van 0,04 mol N/ha/jaar wordt berekend op Natura 2000-gebied Oeffelter Meent. Wanneer gebruik gaat worden gemaakt van STAGE-klasse IIIb werktuigen, dient er een ecologische beoordeling te worden uitgevoerd naar deze berekende stikstofdeposities. Verder blijkt uit de berekeningen dat tijdens de aanlegfase ook sprake is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden indien er gebruik wordt gemaakt van STAGE-klasse IV werktuigen, waarvan een depositie van 0,03 mol N/ha/jaar wordt berekend op Natura 2000-gebied Oeffelter Meent. Ook wanneer gebruik gaat worden gemaakt van STAGE-klasse IV werktuigen, dient er een ecologische beoordeling te worden uitgevoerd naar deze berekende stikstofdeposities. Sinds kort biedt de provincie de mogelijkheid om projecten met kleine tijdelijke deposities (kleiner of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar, of een equivalent hiervan) zonder vergunning toe te staan.
Middels een voortoets dient dan te worden onderbouwd, dat de tijdelijke stikstofdepositie niet leidt tot significante negatieve gevolgen, waarmee het project in beginsel niet vergunningplichtig zou zijn met betrekking tot stikstofdepositie1. Dit zou betekenen dat de aanlegfase met zowel gebruik van STAGE-klasse IV werktuigen als STAGE-klasse IIIb werktuigen niet vergunning plichtig is. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat het onbekend is of deze redeneerlijn juridisch houdbaar is, aangezien de Raad van State hier tot op heden nog geen advies over heeft gegeven. Geadviseerd wordt om desgewenst met de provincie in overleg te treden over de eventuele toepassing van deze vrijstellingsmogelijkheid. Verder is in de laatste wijziging van de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant de optie van verleasen opgenomen (artikel 2.7a). Dit is een vorm van extern salderen waarbij een natuurvergunning kan worden afgegeven voor een tijdelijke depositie voor een beperkte vooraf afgebakende periode, waarbij de saldogever op het moment dat hij niet meer verleast de betreffende ruimte zelf weer zal gebruiken2. De juridisch houdbaarheid van verleasen is in het kader van de onderhavige notitie niet onderzocht. 1