CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

12. PvE acheologie Leeuwerikstraat 21 Mill d.d. 28 sep 2020.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Mill , Leeuwerikstraat, Gruttostraat en Genieweg14.630 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

PROGRAMMA VAN EISEN HAVIKSTRAAT EN LEEUWERIKSTRAAT TE MILL GEMEENTE MILL EN SINT HUBERT

Programma van Eisen Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill In de gemeente Mill en Sint Hubert

Opdrachtgever

Werkorganisatie CGM Postbus 7 5360 AA Grave

PvE nummer

10780.006

Versienummer

2

Status

Definitief

Datum

28 september 2020

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

Dhr. dr. A.C. Mientjes

Paraaf

Autorisatie

Dhr. drs. A.H. Schutte (Senior KNA-archeoloog)

Paraaf

© Econsultancy bv, Vestiging Limburg (Swalmen) Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Econsultancy Programma van Eisen

Programma van Eisen Locatie

Havikstraat en Leeuwerikstraat

Projectnaam

Havikstraat en Leeuwerikstraat Mill

Plaats binnen archeologisch proces ● IVO - Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase o IVO - Overig (IVO-O) o Opgraven o IVO-P - variant Archeologische Begeleiding o Opgraven - variant Archeologische Begeleiding Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

Auteur

Dhr. dr. A.C. Mientjes Econsultancy b.v. Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39, 6071 KS Swalmen T: 0475-504961 M: 06-45104945 E: mientjes@econsultancy.nl

28-09-2020

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

datum

paraaf

Werkorganisatie CGM Postbus 7 5360 AA Grave Dhr. G. Middel T: 0485-460300 E: gert.middel@cgm.nl Goedkeuring bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail

● Gemeente

Gemeente Mill en Sint Hubert Kerkstraat 1 5451 BM Mill T: 0485-460300 E: info@gemeente-mill.nl

o Provincie o Rijk o Overig Adviseur namens de bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail

30-sep-2020 Joan van Ras

datum

Paraaf

Werkorganisatie CGM Postbus 7 5360 AA Grave Contactpersoon: Mervr. F. Jurgens T: 0485-396600 E: fra.jurgens@cgm.nl

Econsultancy Programma van Eisen

Kennisgeving Depothouder /eigenaar

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Paraaf

Provinciaal Depot Bodemvondsten (PDB) Provincie Noord-Brabant Contactpersoon: Dhr. R. Louer Waterstraat 16 5211 JD ´s-Hertogenbosch T: 06-18303225 E: rlouer@brabant.nl

Econsultancy Programma van Eisen

INHOUDSOPGAVE 1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ...................................................... 1

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK........................................................ 2 2.1 2.2 2.3

Aanleiding ......................................................................................................................... 2 Motivering ......................................................................................................................... 2 Besluit ............................................................................................................................... 2

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK .................................................................................... 2

4

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ...................................................................................... 3 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING.................................................................................... 8 5.1 5.2 5.3 5.4

5.5 6

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ........................................ 3 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ........................................................................ 6 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ........................................................... 6 Structuren en sporen ........................................................................................................ 6 Anorganische artefacten ................................................................................................... 7 Organische artefacten ...................................................................................................... 7 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten........................ 7 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .................................................... 7 Gaafheid en conservering ................................................................................................ 8

Doelstelling ....................................................................................................................... 8 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ................................................... 8 Vraagstelling ..................................................................................................................... 9 Onderzoeksvragen ........................................................................................................... 9 5.4.1 Algemeen ........................................................................................................... 9 5.4.2 Periode en sites ................................................................................................ 10 5.4.3 Landschap en bodem ....................................................................................... 10 5.4.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek ............................................................ 10 Aanbeveling .................................................................................................................... 10

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ........................................................................ 11 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13 6.14 6.15

Strategie ......................................................................................................................... 11 Methoden en technieken ................................................................................................ 11 Omgang kwetsbare vondsten en monsters .................................................................... 13 Structuren en grondsporen ............................................................................................. 13 Lichten ............................................................................................................................ 15 Aardwetenschappelijk onderzoek ................................................................................... 15 Anorganische artefacten ................................................................................................. 15 Organische artefacten .................................................................................................... 16 Archeozoölogische, archeobotanische resten en fysisch-antropologische resten ......... 16 Overige resten ................................................................................................................ 17 Omgang met en berging van kwetsbaar vondstmateriaal ..............................................

17 Dateringstechnieken en overig wetenschappelijk onderzoek ........................................ 17 Bouwstenen .................................................................................................................... 17 Complexiteit .................................................................................................................... 18 Beperkingen.................................................................................................................... 18 10780.006

7

EVALUATIE, UITWERKING EN CONSERVERING ................................................................. 18 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9 7.10

8

RAPPORTAGE ......................................................................................................................... 22 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

9

Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eindrapport ...................... 22 Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid ................. 22 Inhoud standaard-/evaluatierapport................................................................................ 23 Kwaliteit .......................................................................................................................... 24 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport .................... 24

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING ..................................................................................... 24 9.1 9.2 9.3

10

Evaluatiefase .................................................................................................................. 18 (De)selectie van vondstmateriaal en monsters .............................................................. 19 Technische uitwerking evaluatiefase .............................................................................. 20 Wetenschappelijke uitwerking - algemeen ..................................................................... 20 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ............................................................. 20 Analyse aardewetenschappelijke gegevens .................................................................. 21 Anorganische artefacten ................................................................................................. 21 Organische artefacten .................................................................................................... 21 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 22 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) .............................................. 22

Selectie materiaal voor uitwerking .................................................................................. 24 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering....................................................... 24 Selectie materiaal voor conservering ............................................................................. 25

DEPONERING .......................................................................................................................... 25 10.1 Eisen betreffende depot ................................................................................................. 25 10.2 Te leveren product .......................................................................................................... 25 10.3 E-depot ........................................................................................................................... 25

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN ............................................................. 26 11.1 11.2 11.3 11.4

12

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ........................................ 27 12.1 12.2 12.3 12.4

13

Personele randvoorwaarden .......................................................................................... 26 Overlegmomenten .......................................................................................................... 26 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ........................................................ 26 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................................... 27

Wijzigingen tijdens het veldwerk ..................................................................................... 27 Belangrijke wijzigingen ................................................................................................... 27 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ..................................... 28 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering .......................................... 28

AANVULLENDE EISEN ............................................................................................................ 28 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ....................................................... 28 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ........................................................................................ 28 13.3 Niet gesprongen explosieven (NGE) en veldgraven ...................................................... 29

LITERATUUR EN BIJLAGEN ............................................................................................................. 30

10780.006

1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam

10780.006

Provincie

Noord-Brabant

Gemeente

Mill en Sint Hubert

Plaats

Mill

Toponiem

Havikstraat en Leeuwerikstraat

Kaartbladnummer

46C

Centrum x,y–coördinaat

X : 181.654 / Y: 411.418

Kadastrale gegevens

Gemeente Mill, sectie F, nummer 443, 4434 (ged.) en 4652

Archeologische beleidskaart Mill en Sint Hubert

Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting.

CMA/AMK-status

n.v.t.

Archis-monumentnummer

n.v.t.

Archis-waarnemingsnummer

n.v.t.

Oppervlakte plangebied1

Circa 1,4 hectare

Oppervlakte onderzoeksgebied2

Circa 5.300 m2 (niet bebouwde delen van het plangebied)

Huidig grondgebruik

Grasland/plantsoen met losstaande bomen, verharde wegen, bebouwing

Voorgenomen bodemingrepen

Aanleg nieuwbouwwijk

NAP-hoogte maaiveld

Circa 16,10 meter +NAP

Grondwatertrap

VII

1 Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. 2 Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 1 van 31

2 2.1

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK Aanleiding

Op de planlocatie, aan de Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill zal een nieuwbouwwijk worden gerealiseerd. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 1,4 hectare worden (her)ontwikkeld. Het onderzoek komt voort uit het gemeentelijk selectiebesluit om in te stemmen met het door Econsultancy gegeven advies voor een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase. 2.2

Motivering

Bij het archeologisch bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum laag en op het voorkomen van archeologische waarden uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd hoog. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-Overig, verkennende fase) blijkt dat over het algemeen de bodemopbouw bestaat uit een verstoord zandpakket en een (deels) intact plaggendek op pleistocene dekzandafzettingen of rivierafzettingen. Als gevolg kan gesteld worden dat de bodemopbouw ter plekke van het plangebied deels intact is en deels licht tot matig verstoord is. De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de archeologische verwachting zoals deze in het bureauonderzoek is opgesteld gehandhaafd blijft. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek heeft Econsultancy geadviseerd om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase.3 2.3

Besluit

De bevoegde overheid (gemeente Mill en Sint Hubert) heeft ingestemd met het advies van Econsultancy om een vervolgonderzoek uit te laten voeren. De bevoegde overheid heeft besloten om een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren voorafgaand aan en ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouw. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zal de bevoegde overheid een besluit nemen t.a.v. het plangebied bestaande uit vrijgave, behoud in situ, en/of vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving.

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK

Soort onderzoek

Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Uitvoerder

Econsultancy bv

Uitvoeringsperiode

April 2014 en december 2019

3 Schutte, 2014; Beurskens en Stiekema, 2019.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 2 van 31

Rapportage

Schutte, A.H., 2014: Archeologisch bureauonderzoek Leeuwerikstraat 21 te Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert. (Econsultancy rapportnr. 14021108B) Swalmen. Beurskens, P. en M. Stiekema, 2019: Oplegnotitie en verkennend booronderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. (Econsultancy rapportnr. 10780.001) Swalmen.

Bewaarplaats vondsten/documentatie

Econsultancy Swalmen

Resultaten specialistisch onderzoek Archeobotanisch

Niet van toepassing.

Archeozoölogisch

Niet van toepassing.

Fysisch-antropologisch

Niet van toepassing.

Fysisch-geografisch

Niet van toepassing.

Geofysisch

Niet van toepassing.

Archeologisch materiaal

Niet van toepassing.

Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur

Niet van toepassing.

Amateurarcheologen

Niet van toepassing.

4 4.1

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context4

Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het plangebied (circa 1,4 hectare) ligt aan de Havikstraat en Leeuwerikstraat, in de kern van Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 16,1 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Mill, sectie F, nummer 4433, 4434 (ged.) en 4652. Volgens de topografische kaart van Nederland, 46C (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 181.654/ Y: 411.418. Het zuidelijke deel van het plangebied is momenteel in gebruik als grasland. Het centrale deel van het plangebied is bebouwd. In het plangebied bevinden zich meerdere wegen, namelijk de Genieweg en Havikstraat in het noorden, de Leeuwerikstraat in het oosten, de Bastaardstraat in het zuiden en de Gruttostraat in het westen (zie figuur 3). Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken Het plangebied is gelegen op een locatie met afzettingen van de Formatie van Beegden veelal met een dek van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden: rivierzand en -grind veelal met een zanddek (code Be4). De Formatie van Beegden bestaat uit sedimenten die door de Rijn en de Maas 4 Schutte, 2014; Beurskens en Stiekema, 2019.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 3 van 31

zijn afgezet gedurende het Vroeg- en Midden-Pleistoceen (circa 2,58 miljoen tot 126.000 jaar geleden). Gedurende de laatste ijstijd (Weichselien, circa 116.000 tot 11.650 jaar geleden) had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook op de Pleistocene rivierafzettingen in het plangebied, een (dun) pakket dekzand afgezet. Het dekzand behoort eveneens tot de Formatie van Boxtel.5 Op basis van de bestudering van enkele boringen uit het Dinoloket wordt de geschetste geologische opbouw in en nabij het plangebied bevestigd. 6 Uit de boorprofielen kan worden afgeleid dat de ondergrond bestaat uit pakketten zand, matig fijn tot matig grof met plaatselijk een zwak grindige zandlaag of grindlaag. Op grotere diepte, ongeveer drie meter beneden het maaiveld, ligt plaatselijk klei. Deze bodemopbouw kan geïnterpreteerd worden als dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) op Pleistocene rivierafzettingen (Formatie van Beegden). geomorfologie (zie figuur 4 en figuur 5) Op de geomorfologische kaart is een groot deel van het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Mill. Het westelijke deel van het onderhavige plangebied bevindt zich op een plateau-achtige horst (code 4F1). Ten oosten van het plangebied bevindt zich een glooiing van een beekdal (code 4H11).

Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is zichtbaar dat het plangebied zich op een hogere rug bevindt. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een beekdal. De afstand tot dit beekdal is circa 200 meter. Ten westen bevindt zich een hoge rug, die geomorfologisch gezien als plateauachtige horst wordt beschreven. In het plangebied is sprake van een hoogteverschil. Tussen het oostelijke en westelijke deel bevindt zich een hoogteverschil van tussen de circa 1,00 en 1,30 meter. bodem (zie figuur 6) Volgens de Bodemkaart van Nederland is het plangebied gekarteerd als “hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand” (code zEZ21; grondwatertrap VII). 7 Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten.

Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.8

5 Berendsen, 2008. 6 DINO boornummers BC46C0463 en BC46C0462. 7 Bij grondwatertrap VII ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) beneden de 80 centimeter beneden het maaiveld

en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) beneden de 120 centimeter beneden het maaiveld. 8 Doesburg et al., 2007.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 4 van 31

Regionale archeologische context (zie figuur 7 en figuur 8) Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Mill en Sint Hubert ligt het plangebied binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting. Binnen deze gebieden is, bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter beneden het maaiveld en een verstoringsoppervlak groter dan 250 m², een archeologische onderzoeksplicht. In een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied zijn in het verleden meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het betreft archeologische bureauonderzoeken, verkennende booronderzoeken en proefsleuvenonderzoeken. 9 Op basis van de in het landelijk ARCHeologisch Informatie Systeem (Archis3) opgenomen informatie kan het volgende geconcludeerd worden over de aanwezigheid van (behoudenswaardige) archeologische vindplaatsen. Tijdens een van de proefsleuvenonderzoeken ter plekke van Kerkstraat 1 in de oude dorpsstraat te Mill is een waterput uit de 18e eeuw aangetroffen. Bij de overige onderzoeken kon de aanwezigheid van archeologische waarden niet worden vastgesteld. Het betreft dan ook hoofdzakelijk bureauonderzoeken en verkennende booronderzoeken.

Bij de verkennende booronderzoeken kon worden vastgesteld dat in de omgeving van het plangebied een deels intact bodemprofiel aanwezig was van een plaggendek met dekzand met een podzolprofiel. Elders was de bodemopbouw (sub)recent verstoord of waren er aanwijzingen voor natte bodemomstandigheden en veenvorming. Een voorbeeld van een dergelijk archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), is uitgevoerd door RAAP Archeologisch Adviesbureau op circa 50 meter ten westen van het onderhavige plangebied, aan de Havikstraat. 10 Bij het booronderzoek is vastgesteld dat op deze locatie enkeerdgronden aanwezig zijn. De bodemopbouw in een deel van de onderzoekslocatie was verstoord tot circa 1,20 meter beneden het maaiveld. Tevens zijn bij het booronderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken (zie figuur 9) Op het beschikbare kaartmateriaal uit de laatste 200 jaar is te zien dat het plangebied aan het begin van de 19e eeuw grotendeels in agrarisch gebruik was. Aan de oostelijke rand van het plangebied was toen al de Leeuwerikweg aanwezig. Ook lijkt de Genieweg ten noorden van het plangebied reeds aanwezig te zijn (zie

9

De in 2014 en 2019 geregistreerde archeologische onderzoeken betreffen de volgende zaakidentificatienummers: 2012811100, 2080625100, 2125661100, 2133267100, 2243354100, 2282834100, 2291785100, 2335013100, 2337160100, 2340813100 en 2438005100. 10 Dijk, 2001.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 5 van 31

figuur 9). Ten oosten, zuiden en noorden van het plangebied zijn enkele gebouwen weergegeven. In de tweede helft van de 19e eeuw is de situatie van het plangebied veranderd. Waarschijnlijk komt dit doordat de nauwkeurigheid van deze kaarten minder is. Op basis van deze kaarten zou er in het centrale deel van het plangebied een gebouw aanwezig zijn. Tevens zou er een noordwestelijkzuidoostelijke georiënteerde weg door het plangebied lopen. Op de topografische kaart uit 1894 is deze weg en het gebouw niet meer zichtbaar. In het zuidelijke deel bevindt zich een woning. In de eerste helft van de 20e eeuw is het gebouw in het zuidelijke deel nog steeds aanwezig. Ook zijn de Leeuwerikweg en de Genieweg nog zichtbaar. Het noordelijke deel van het plangebied, tussen deze twee wegen, is in gebruik als heide. In de jaren ’70 van de 20 e eeuw worden er meerdere gebouwen gerealiseerd. Met name aan de oost- en noordzijde zijn meerdere gebouwen zichtbaar. Aan het eind van de 20e eeuw ontstaat de huidige situatie met infrastructuur. In het plangebied is een groot gebouw gerealiseerd. Het zuidelijke deel van de bebouwing is rond 2015 gesloopt. Op de kaart van 1984 is te zien dat er in de omgeving, ten noorden, oosten en westen van het plangebied, woonwijken zijn gerealiseerd.

Tenslotte bevindt zich ten oosten van het plangebied de Peel-Raamstelling.11 Deze stelling werd gebouwd om de eerste aanval vanuit het Oosten tegen te houden zodat het Nederlandse leger de tijd kreeg de belangrijkste stellingen in het westen op sterkte te brengen. Op 10 mei 1940 is hier een zware strijd geleverd door de Duitsers om deze stelling te doorbreken, ook wel bekend als de Slag om Mill. Vanwege de gevechtsstelling kan de aanwezigheid ter plekke van het plangebied van archeologische resten gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog niet worden uitgesloten. Daarentegen geven echter de VEO Bommenkaart (WSCS-OCE vooronderzoeken) en BeoBom ruimingskaart geen aanwijzingen dat ter plekke van het plangebied niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig zijn.12 4.2

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten laag voor resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum en hoog voor resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. 4.3

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied

11 De Jong, 1969-1994; Klep en Schoenmaker, 1995; Zwanenburg, 1990. 12 http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/; http://www.beobom.nl/ruimingskaart/.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 6 van 31

Idem, met een maximum van 5.300 m2 (totale omvang onderzoeksgebied, c.q. niet bebouwde delen van het plangebied). 4.4

Structuren en sporen

Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat resten van bewoning in het plangebied terug kunnen gaan tot in het Neolithicum. De verwachte resten kunnen onder meer bestaan uit vuursteenstrooiingen, akkerlagen, nederzettingssporen, grafvelden en rituele plaatsen De verwachtte grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, muurresten, uitbraaksleuven, beer- en/of waterputten, afvalkuilen, perceelscheidingen en mogelijk ook een weg. Op de topografische kaarten uit 1850-1864 en 1867 staat een globaal oostwest georiënteerde weg in het zuidelijke deel van het plangebied weergegeven (zie figuur 9).

4.5

Anorganische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden. 4.6

Organische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 1,20 centimeter beneden het maaiveld en de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 1,20 meter beneden het maaiveld, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en grondwatertrap VII, is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.7

Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en grondwatertrap VII is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 7 van 31

4.8

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

In het kader van het vooronderzoek is door Econsultancy in oktober 2019 een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), uitgevoerd waarbij verspreid over het plangebied zeven boringen zijn gezet (zie figuur 10). 13 Bij dit booronderzoek zijn matig fijne tot matig grove, zwak siltige zandafzettingen aangetroffen. Aan het maaiveld is bij enkele boringen een verstoord pakket aanwezig. De verstoringen kenmerken zich door de aangetroffen gevlektheid, bestaande uit een mix van verschillende grondsoorten en de grote hoeveelheid grind. De dikte van het verstoorde pakket varieert tussen de 50 en 110 centimeter. Beneden het verstoorde pakket is een restant van een plaggendek aangetroffen met hieronder matig fijn dekzand op matig grof, matig grindig Pleistoceen rivierzand. Bij één boring was het dekzand afwezig en rustte het verstoorde zandpakket/plaggendek direct op het Pleistocene rivierzand. Het plaggendek was bij twee boringen vanaf het maaiveld intact. Daarnaast is bij twee boringen een intacte podzol-Bhorizont aangetroffen in de top van het dekzandafzettingen beneden het plaggendek. Concluderend is de top van de dekzandafzettingen dan wel Pleistocene rivierzandafzettingen in het plangebied aangetroffen op een diepte van circa 70 à 110 centimeter beneden het maaiveld.

Dit betreft zowel de top van de C-horizont en de podzol-B-horizont beneden het deels intacte en deels licht tot matig verstoorde plaggendek. De archeologische resten uit de perioden lopende van het Neolithicum tot en met Middeleeuwen worden verwacht beneden het plaggendek en in de top van de natuurlijke afzettingen op een diepte van circa 70 à 100 centimeter beneden het maaiveld. De vondstenlaag is opgenomen onder in het plaggendek. Hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en/of houtskool. Aan en direct beneden het maaiveld kunnen mogelijk ook archeologische resten uit de Nieuwe tijd aanwezig zijn. 4.9

Gaafheid en conservering

Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de lage grondwaterspiegel zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten - niet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Dit zal het archeologische onderzoek moeten uitwijzen. Het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), heeft aangetoond het plaggendek deels licht tot matig verstoord was en de verstoringen alleen lokaal doorliepen in de natuurlijke bodemlagen (dekzand en pleistocene fluviatiele zandafzettingen). In een deel van het plangebied is ook een podzol-B-horizont waargenomen in de top van de dekzandafzettingen. Deze resultaten geven aan dat archeologische waarden relatief intact in de ondergrond aanwezig kunnen zijn.

5 5.1

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING Doelstelling

13 Beurskens en Stiekema, 2019.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 8 van 31

Het doel van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. 5.2

Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders

Het in dit Programma van Eisen omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandgebied.14 Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap 3. Gebruik van het water 4. Occupatie en adaptatie in het rivierengebied en langs de kust 5. Sociale en economische differentiatie 6. Emigratie, immigratie, acculturatie 7. De archeologie van het rituele 8. Conflictarcheologie 9. Dodenbestel en grafmonumenten 10. De vroegste bewoning van Nederland 11. Overgang Laat-Paleolithicum - Vroeg-Mesolithicum 12. Neolithisatie proces (‘Neolithisering’) 13. De verankering van het boerenbestaan 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege-Middeleeuwen 17. ‘Frankisering’ en kerstening 18. Dorpsvorming 19. De ontwikkeling van steden 20. De relatie stad - platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens - materiële cultuurrelaties 23. Netwerken en infrastructuur 5.3

Vraagstelling

De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. Bij het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, dienen de onderstaande onderzoeksvragen een rol te spelen. 5.4

Onderzoeksvragen

5.4.1 Algemeen 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? 14 http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 9 van 31

2.

Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 3. Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 4. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Mill en Sint Hubert aanscherpen? 5. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 6. In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? 7. Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? 8. Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? 9. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? 10. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? 11. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit.

5.4.2 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 12. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 13. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? 14. Wat is, indien aanwezig: o de ouderdom van de cultuurlaag o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie? 15. Wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? 5.4.3 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 16. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? 17. Waar bevindt zich binnen het plangebied het plaggendek? Als plaggendek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 18.

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 19. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)?

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 10 van 31

20. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 5.4.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het vaststellen van de geschiktheid van de vindplaats voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden tijdens de evaluatiefase, na uitvoering van het archeologisch veldonderzoek. 5.5

Aanbeveling

Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: - behoud in situ; - opgraving; - vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gemeente Mill en Sint Hubert als bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen maken.

6 6.1

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie

In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVOP), karterende en waarderende fase. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Brabants zandgebied. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door dezelfde Senior KNA-archeoloog als dagelijks wetenschappelijk leider, bijgestaan door minimaal een veldtechnicus/(KNA-)archeoloog. In het onderzoeksgebied worden vijf proefsleuven aangelegd van 25 bij 4 meter en één proefsleuf van 15 bij 4 meter (zie figuur 11). Hiermee wordt 560 m2, ruim 10 % van de niet bebouwde delen van het plangebied (totale oppervlakte circa 5.300 m2) onderzocht. De niet bebouwde delen zijn het plangebied minus de bestaande wegen en gebouwen, die in het kader van de planontwikkeling behouden zullen blijven. De proefsleuven zijn zoveel mogelijk evenredig verspreid geplaatst binnen de te onderzoeken delen van het plangebied.

De aanwezigheid van kabels en leidingen en begroeiing (bomen) zorgen er echter voor dat misschien niet de meest optimale verspreiding van de proefsleuven kan worden bewerkstelligd, met name in het zuidoostelijke deel van het plangebied (zie figuur 12). 6.2

Methoden en technieken

Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Voorwerk

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 11 van 31

• Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. • Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een OM-nr. • Het definitieve Programma van Eisen wordt door de archeologisch uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. Veldwerk • Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. • Verspreid over het terrein worden vijf proefsleuven aangelegd 25 bij 4 meter en één proefsleuf van 15 bij 4 meter, met een totale oppervlakte van 560 m2. Hiermee wordt ruim 10 % van de niet bebouwde delen van het plangebied (totale oppervlakte circa 5.300 m2) onderzocht. • Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die ervaring heeft met archeologisch werk. Indien deze niet voorhanden is dient de machinist extra goed geïnstrueerd en continu begeleid te worden door de Senior KNA-archeoloog. • Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. • De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden.

Waar nodig wordt het niveau van de aan te leggen vlakken eerst bepaald door middel van kijkgaten. • Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. • Er wordt uitgegaan van de aanleg van één vlak, in de top van de natuurlijke afzettingen (dekzand of Pleistocene rivierafzettingen beneden het plaggendek en deels ook verstoorde zandpakketten. • Indien meerdere archeologisch leesbare vlakken moeten worden aangegeld en voordat verder verdiept wordt, dienen de sporen in het bovenliggende vlak volledig gedocumenteerd en afgewerkt te zijn. • De bouwvoor wordt gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort. • In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats(en) behouden blijft/blijven, ex situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. • Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd. • Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. • Van de vlakken worden foto’s gemaakt in secties.

• De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens. • Tijdens het onderzoek wordt voldoende materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. • Vondsten gedaan bij de aanleg van de proefsleuven worden in vakken van 5 bij 4 meter per bodemlaag verzameld. • Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. • Stortvondsten worden per proefsleuf onder een vondstnummer verzameld. • Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 12 van 31

• Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. • Tijdens de ontgravingswerkzaamheden wordt per haal van de graafmachine het dan voorliggende vlak met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. Dit geldt eveneens voor de uitgekomen grond. • Het discriminatieniveau van de metaaldetector dient zo laag mogelijk gehouden te worden. • De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker. • Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden als puntvondst gemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. • Daarnaast dient de stort met een metaaldetector te worden onderzocht. • Bij het waterpassen van het vlak om de 5 meter, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuven meegenomen. • De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo goed mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk.

• Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid. • Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. • Bij het aantreffen van meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in onverstoorde context in een vak van 4 bij 4 meter, dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval worden verspreid over de vermoede concentratie vier megaboringen gezet met een diameter van 15 centimeter. De grond wordt gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 3 millimeter. Het boren vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende boringen geen artefacten meer worden aangetroffen. Bij positieve resultaten wordt het vlak niet verder verdiept, omdat een vuursteenvindplaats met een andere opgravingsstrategie moet worden opgegraven. • Na documentatie worden de proefsleuven weer gedicht. 6.3

Omgang kwetsbare vondsten en monsters

Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNALeidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal”. 6.4

Structuren en grondsporen

• Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). • Om de leesbaarheid te vergroten, worden sporen (en zo nodig delen van het vlak) altijd met de schep opgeschaafd. Het opgravingsvlak wordt gefotografeerd, sporen worden nauwkeurig ingekrast met een meetpin (dus niet met een schep). • De sporen worden getekend, de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, en graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden. • Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Sporen en lagen die zowel in het vlak als in het profiel zichtbaar zijn, krijgen hetzelfde spoor- en laagnummer.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 13 van 31

• Van de aangetroffen sporen wordt een aantal gecoupeerd met als doel de kwaliteit vast te stellen. De sporen worden vooralsnog niet afgewerkt. • Sporen met een omvang groter dan 1 meter worden in kwadranten opgegraven, tenzij het bijvoorbeeld waterputten of inhumatiegraven betreft. • Greppels en geïsoleerde sporen worden gecoupeerd en gedocumenteerd. • Greppels worden in iedere werkput tegen de profielwand minstens één keer over een breedte van minstens 1 meter gecoupeerd. Daarna worden deze machinaal volledig uitgeschaafd met het oog op vondsten en om te onderzoeken of er sporen direct onder greppels aanwezig zijn. • Greppelstructuren worden aan gebruiksfasen toegewezen en waar mogelijk vergeleken met de oudste kadastrale kaarten van het gebied. • Grondsporen die deel uit maken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen dienen daarentegen in eerste instantie alleen (selectief) te worden gecoupeerd en niet te worden afgewerkt. Deze sporen dienen zoveel mogelijk in dezelfde richting te worden gecoupeerd. Dit heeft als doel de datering en de conservering zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, waarbij de archeologische resten zoveel mogelijk intact gehouden worden. Dit ter beantwoording van de onderzoeksvragen. • Aangetroffen graven (inhumaties/crematies) worden gedocumenteerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018).

De graven worden vooralsnog niet geborgen in het kader van het proefsleuvenonderzoek • Aangetroffen funderingen, vloeren en water- of beerputten dienen aanvankelijk behouden te blijven. • De vulling uit de gecoupeerde sporen wordt op metaal nagezocht met de metaaldetector. • Er worden representatieve foto’s gemaakt van de grondsporen in het vlak en de coupes. • De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. • Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. • De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). • De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 millimeter. • Muurwerk moet worden gemeten, gefotografeerd en onderzocht op constructieve aard, omvang en ouderdom conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Baksteengrootte, metselverband, en vijfen tienlaagsmaat dienen genoteerd te worden, indien aanwezig. • Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld.

• Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten. Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. • 20e eeuws- en jonger muurwerk wordt op hoofdlijnen geregistreerd. Voor ouder muurwerk geldt het volgende: een profiel wordt getekend haaks op de muur of de uitbraaksleuf vanaf het hoogst mogelijke niveau, met inbegrip van de afdekkende laag tot in de vaste grond. Na documentatie van het opgaande muurwerk wordt de doorsnede van de muur opgenomen in de profieltekening. In principe zal de muur in het stadium van proefsleuven niet worden doorgesneden. Van muurwerk wordt de bovenzijde, de onderzijde en van iedere versnijding de hoogtemaat genomen. De hoogtematen worden in ieder geval aan het begin en het eind van de betreffende muur genomen, alsmede op hoeken en/of aanhechtingen. Bouwkundige details zoals reparaties of faseringen dienen nauwgezet te worden vastgelegd op tekening en middels een foto. Aangegeven wordt waar en welke mortel is toegepast. Bij funderingsonderzoek worden met name de hoeken onderzocht. Bouwmateriaal en mortel worden bemonsterd. Bij natuursteen wordt acht geslagen op de diversiteit van de gesteentesoorten. Van alle aanwezige afzonderlijke baksteen-

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 14 van 31

maten wordt een baksteen verzameld. Het baksteen wordt beschreven en de baksteenformaten worden opgemeten. Ook een vijf- of wanneer mogelijk een tienlagenmaat dient te worden genoteerd. Van natuursteen worden relevante maten genomen en wordt het verband geregistreerd. Ook moet het metselverband worden beschreven alsook de relatie met aangrenzend muurwerk. Vondsten bij muurwerk worden onderscheiden in relevante contexten: uit de insteek, onder de muur uit de funderingssleuf, ingesloten tussen de stenen, liggend op het muurrestant/uit de uitbraaksleuf. De te volgen strategie wordt doorgesproken met een bouwhistoricus die in samenspraak met de projectleider de afweging maakt of veldbezoek wel/niet noodzakelijk is. • Kansrijke sporen worden bemonsterd. • Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. • Na documentatie worden de sporen weer dicht gegooid. 6.5

Lichten

Vanaf het moment dat vondstmaterialen herkend worden tijdens het veldwerk begint de fase van het lichten, verpakken, (tijdelijk) opslaan en conserveren. In de meeste gevallen kan het lichten door het veldteam ter plaatse uitgevoerd worden. In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient evenwel een specialist bij de lichting betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden. Ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de te raadplegen specialist. 6.6

Aardwetenschappelijk onderzoek

• Het aardwetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een fysisch-geograaf of een (Senior) KNA-archeoloog met aantoonbare ervaring op de hier verwachte bodem en geologie. Van de proefsleuven dient een lengteprofiel te worden onderzocht op mogelijke verstoringen, het bewoningsniveau en de mate waarin de eventuele vindplaats is opgenomen in de de bouwvoor. Van het lengteprofiel wordt om de 20 meter een profielkolom van een 1 meter breed tot 30 centimeter in de C-horizont aangelegd en gedocumenteerd. Mochten er tussen de kolommen grote verschillen zitten dan dient het tussenliggende deel aangelegd en gedocumenteerd te worden om overgangen vast te leggen. Er dienen minimaal twee profielopnames per proefsleuf te worden gedocumenteerd. • Profielkolommen worden gefotografeerd en getekend op schaal 1:20. • De profielen worden beschreven en getekend op basis van bodemkundige kenmerken, archeologica, textuur, kleur, structuur, lithostratigrafie, humusgehalte, consistentie, laaggrenzen en gley-verschijnselen. • Profielen worden onderzocht op vondsten en per laag gedocumenteerd. 6.7

Anorganische artefacten

• Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld.

PvE 10780.006 versie 2

Pagina 15 van 31

• Archeologisch relevante vondsten en/of vondststrooiingen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van een X-, Y-, en Z-waarden. • Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Bij belangwekkende en/of kwetsbare vondsten worden op de vondstlocatie foto’s gemaakt, nadat het spoor en het object in situ fotogeniek zijn gemaakt. • Bij de vondst van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. • Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van wat er verwacht wordt of kan worden, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder, op aangeven van de archeologisch uitvoerder. De depothouder maakt zijn wensen ten aanzien van selectie-deselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide extra kosten aan bod. De opdrachtnemer wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid. Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder.

Binnen twee dagen vanaf het moment van aantoonbaar melden/persoonlijk contact met/bij de depothouder dient een reactie ten aanzien van het wel/niet meenemen van het materiaal door de depothouder te zijn gegeven. Bij het uitblijven van een reactie binnen de afgesproken termijn mogen de overige partijen beslissen of zij het materiaal wel/niet uit het veld meenemen. • Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’. Dit kan meteen in het veld door de uitvoerende archeologen representatief worden geselecteerd. 6.8

Organische artefacten

• Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen, worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf/werkput verzameld. • Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • De organische artefacten dienen in het veld op zodanige wijze te worden verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord geven op de gestelde onderzoeksvragen. • Bij de vondst van bijzondere organische artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking en conservering ter hand genomen wordt. 6.9

Archeozoölogische, archeobotanische resten en fysisch-antropologische resten

• Alleen ecologisch veelbelovende sporen (veel houtskool, extreem goede conservering in natte venige-omstandigheden) die bovendien op basis van vondsten gedateerd kunnen worden, komen in aanmerking voor bemonstering. Verwerking en karakterisering van de diverse monsters wordt door specialisten uitgevoerd. Dit gebeurt in eerste instantie door middel van een waardering (scan) in de context van de evaluatiefase. • Constructiehout van beschoeiingen, drenkkuilen, waterputten etc. wordt in het veld beschreven door een houtspecialist, getekend en gefotografeerd. In het Plan van Aanpak worden hierover afspraken opgenomen. Gelet dient te worden op het gebruik van hergebruikt hout. Dit om een correct advies te geven over de te nemen monsters voor dendrochronologisch onderzoek en mogelijke afwijkingen die hierdoor kunnen voorkomen. • Een voorstel voor deselectie van constructiehout wordt besproken met de bevoegde overheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=29ffc60e-615f-4bf8-8def-5ad4e4704f6f