CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

12 Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 4 Aanvullende Quickscan F&F.pdf

Cuijk - commissie Ruimte 20 september 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: (ter bespreking) Voorstel inzake ontwerpbestemmingsplan Sint Hubertseweg Haps naast nr. 103.983 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

AANVULLEND ECOLOGISCH ONDERZOEK SINT HUBERTSEWEG 10 TE HAPS

Rapportage aanvullend ecologisch onderzoek Sint Hubertseweg 10 te Haps Opdrachtgever

HOOGH advies De Messemaker 21 5431 KT CUIJK

Rapportnummer Versienummer

2845.004 D1

Status

Conceptrapportage

Datum

4 oktober 2017

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

ir. B.H.H. Verdijck

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. J.G.T. Driessen

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 2

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK ............................................................................ 3

4

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4

5

ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................... 6 5.1 5.2

6

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ............................................................................. 9 6.1 6.2

7

Vleermuizen ...................................................................................................................... 6 Roek ................................................................................................................................. 7 5.2.1 Verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie en directe omgeving .................. 7 5.2.2 Functionele leefomgeving .................................................................................. 7 5.2.3 Vastgestelde kolonies buiten het plangebied ..................................................... 8

Vleermuizen ...................................................................................................................... 9 Roek ................................................................................................................................. 9

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 11

2845.004

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van HOOGH advies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Sint Hubertseweg 10 te Haps. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en ontwikkeling van een nieuw woonoppervlak. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy in december 2016 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 2845.002, d.d. 15 december 2016). Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 1 van 13

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2.000 m²) is gelegen aan de Sint Hubertseweg 10, circa 500 meter ten zuiden van de kern van Haps. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 46C (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 187.677, Y = 410.831.

Figuur 1. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

De onderzoekslocatie betreft een bosperceel langs de Sint Hubertseweg te Haps. Het perceel bestaat uit hoge bomenopstand met relatief weinig ondergroei. Ten noorden van de onderzoekslocatie is een woonwijk gelegen. Ten oosten is een woonhuis en een maïsakker gelegen. Ten zuiden van de onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit een landgoed en enkele bedrijfsgebouwen. 2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens een landhuis op de onderzoekslocatie te realiseren. In verband met de beoogde plannen zal een gedeelte van de bomenopstand moeten verdwijnen.

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 2 van 13

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK

Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er op sommige punten meer informatie is benodigd: Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

ja

ja

ja

ja

roekenkolonie aanwezig op de onderzoekslocatie

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

-

foerageergebied

ja

mogelijk

nee

nee

-

vliegroutes

ja

mogelijk

nee

nee

in de toekomstige situatie blijft een bomenstructuur langs de Sint Hubertseweg behouden en wordt nog een additionele rij aangeplant.

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren als egel, konijn en diverse muizensoorten.

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën als gewone pad en bruine kikker.

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Broedvogels

Vleermuizen

Overige grondgebonden zoogdieren

Op basis van onderhavige quickscan flora en fauna dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Ter voorbereiding van een ecologisch projectplan voor roeken (en mogelijk vleermuizen) dient aanvullend onderzoek plaats te vinden, om de lokale roekenpopulatie in kaart te brengen, zowel op de onderzoekslocatie als in de omgeving van Haps. Aan de hand van de aanvullende veldonderzoeken kan een ecologisch projectplan met benodigde maatregelen opgesteld worden en ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (Provincie Noord-Brabant).

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 3 van 13

4

ONDERZOEKSMETHODIEK

Vleermuizen Voor het onderzoek naar boombewonende vleermuizen zijn in de periode 1 juni tot en met half september in totaal vijf veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken zullen in de avonduren en/of ochtenduren worden uitgevoerd. De inventarisatiemethode is conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017), dat is opgesteld door het vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureau's en de Zoogdiervereniging. De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies zomerverblijfplaats, kraamverblijf en paarverblijf/baltsplaats voor de gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, franjestaart, watervleermuis en rosse vleermuis. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effectief en efficiënt vast te stellen dan wel uit te sluiten. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken is onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functie noodzakelijk. Iedere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming. Het totaal aantal veldbezoeken is vastgesteld op basis van de grootte van de onderzoekslocatie, uitgaande van één waarnemer per veldronde. Verwacht wordt dat met vijf bezoeken omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid is verkregen over de functie van de onderzoekslocatie.

Van deze vier bezoeken dienen twee veldbezoeken met één uur verlengd te worden in verband met de mogelijke aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis. Voor het onderzoek wordt gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Pettersson D240x). Een batdetector zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soort) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. Roeken Voor het onderzoek naar roeken zijn twee inventarisatierondes uitgevoerd gedurende de optimale onderzoeksperiode van begin april tot 10 mei. Hiervan heeft één telling plaatsgevonden in de tweede of derde week van april. Indien een ontheffing of een verklaring van geen bedenkingen noodzakelijk is voor het uitvoeren van de activiteiten is het noodzakelijk om inzicht te krijgen in het effect van de activiteiten op de gunstige staat van instandhouding van de populatie van de roek.

Om inzicht hierin te krijgen dienen gedurende de twee veldbezoeken ook het voorkomen van de roek in de directe omgeving van het eigenlijke plangebied in beeld te worden gebracht. Om een duidelijk beeld te krijgen is een gebied van circa 1,5 km rondom de onderzoekslocatie onderzocht op aanwezigheid van de roek.

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 4 van 13

Overzicht veldbezoeken Het onderzoek zal bestaan uit diverse veldbezoeken. Onderstaande tabel bevat een globale planning van de uit te voeren veldbezoeken. Tabel II.

Onderzoeksinspanning per soortgroep februari

Roek

Vleermuizen

tijdstip

maart -

april

juni

juli

2x overdag

datum

12 en 26 april

functie

territorium

tijdstip

mei

-

augustus

september

-

1 x ochtend en 2 x avond

-

2 x avond

-

datum

21 juli (ochtend) 1 juni + 5 juli (avond)

23 augustus en 12 september

functie

zomer- en kraamverblijf

paar/baltsverblijf

Tijdens de veldbezoeken met betrekking tot vleermuizen waren de weersomstandigheden voor het waarnemen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 12 ºC. De windsnelheid lag beneden de 3 Bft. en er was geen sprake van neerslag.

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 5 van 13

5 5.1

ONDERZOEKSRESULTATEN Vleermuizen

Verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie Tijdens geen van de veldbezoeken zijn invliegende, uitvliegende, zwermende of boomgrijpende vleermuizen waargenomen binnen de onderzoekslocatie. Op basis van de huidige onderzoeksinspanning kan met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de te verwijderen bomen dit jaar geen functie heeft als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Tijdens de veldbezoeken in de paarperiode is in de omgeving van de onderzoekslocatie een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen. Het is niet duidelijk waar de verblijfplaats van de desbetreffende vleermuis aanwezig is. Het is echter met zekerheid uit te sluiten dat de paarverblijfplaats zich bevindt in een van de bomen op de onderzoekslocatie. Vermoedelijk is het paarverblijf gelegen in de woonwijk ten noorden van de onderzoekslocatie. Foeragerende vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn er binnen de onderzoekslocatie enkele (één tot vier) foeragerende gewone dwergvleermuizen en een enkele laatvlieger waargenomen welke de bosrand gebruiken om in de vroege avond langs op te foerageren. Aangezien in de toekomstige situatie tevens een boskarakter behouden blijft op de onderzoekslocatie zal geen sprake zijn van een vermindering van de foerageermogelijkheden binnen de onderzoekslocatie en omgeving.

De plannen zullen, gezien de kleine aantallen, geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De bomen op de onderzoekslocatie kunnen fungeren als lijnvormig element. Tijdens de veldbezoeken zijn dan ook enkele passerende vleermuizen waargenomen als laatvlieger, gewone dwerg en eenmalig een rosse vleermuis. Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie worden echter geen vliegroutes verstoord. Tijdens de veldbezoeken zijn namelijk geen eenduidige vliegpatronen aangetroffen die door meerdere individuen worden gevolgd. Waargenomen vleermuizen betreffen exemplaren, die uit verschillende richtingen afkomstig zijn. Er is geen sprake van een eenduidig vliegpatroon dat door meerdere individuen wordt gevolgd. Overtreding ten aanzien van vliegroutes is hierbij niet aan de orde.

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 6 van 13

5.2

Roek

5.2.1 Verblijfplaatsen binnen de onderzoekslocatie en directe omgeving Op de onderzoekslocatie zelf zijn een dertigtal nesten aangetroffen van behorende tot een roekenkolonie welke tevens aan de overzijde van de Sint Hubertseweg is gelegen. Tijdens de veldbezoeken is gelet op het in gebruik zijn van de betreffende roekenkolonie. Op basis van twee veldbezoeken is geconstateerd dat er binnen de onderzoekslocatie 32 nesten van de roek aanwezig zijn. Van deze 32 nesten is, gedurende de twee veldbezoeken tijdens het broedseizoen, vastgesteld dat circa 18 nesten in gebruik zijn door de roek. In figuur 2 zijn de nestbomen van de roek op de onderzoekslocatie ingetekend. Aan de overzijde van de weg op het perceel van Sint Hubertseweg 7 zijn 21 nesten aangetroffen, waarvan in dezelfde periode circa 12 nesten in gebruik waren genomen door de roek. De nesten aan beide zijdes van de weg behoren tot dezelfde kolonie, waardoor de desbetreffende satellietkolonie uitkomt op circa 30 in gebruik zijnde nesten in 2017. De waarnemingen zijn gebaseerd op twee momentopnames en de daadwerkelijke hoeveelheid nesten dat in gebruik is door roeken kan dan ook mogelijk door tijd fluctueren.

Figuur 2. Aangetroffen nestbomen van de roek op en in directe omgeving van de onderzoekslocatie.

5.2.2

Functionele leefomgeving

Aangezien de nestbomen gelegen zijn op een klein bosperceel met meerdere bomen van vergelijkbare hoogte maken de omliggende bomen tevens deel van de functionele leefomgeving van de roek. Doordat deze bomen gekapt zullen worden, zal een klein deel van de functionele leemomgeving van de roek verdwijnen. Overige delen van de functionele leefomgeving als foerageergebieden zullen niet verdwijnen. Het plangebied zelf vormt namelijk geen foerageergebied voor de roek. Roeken zullen eerder foerageren op de akkerlanden en vochtige door melkvee begraasde en bemeste graslanden in

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 7 van 13

het buitengebied van Haps. Er zijn geen andere activiteiten bekend die tot afname in dit foerageergebied zullen leiden. 5.2.3

Vastgestelde kolonies buiten het plangebied

Op basis van de veldbezoeken en bekende monitoringsgegevens (bron: Landelijk Soortenonderzoek Broedvogels door Sovon) zijn drie actieve kolonies van roeken vastgesteld in de omgeving, zie figuur 3. Een kolonie van minimaal 40 nesten bevindt zich in de bosschages aan beide zijdes van de A73 op circa 2,1 kilometer ten oosten van het plangebied. Een tweede kolonie van circa 18 nesten bevindt zich op 1,2 kilometer ten oosten van het plangebied. Daarnaast zijn een tweetal satellietkolonies aangetroffen waar wel nesten van de roek aanwezig waren maar tijdens de veldbezoeken geen activiteit van de roek is waargenomen. Deze locaties betreffen twee satellietkolonies ten noordwesten van het plangebied. In figuur 3 is een overzicht van de kolonies met het totaal aantal nesten in de omgeving weergegeven.

Circa 6 nesten

Circa 6 nesten

> 40 nesten > 40 nesten Circa 16-20 nesten

Figuur 3. De aangetroffen satellietkolonies in de wijde omgeving van de onderzoekslocatie (nesten inclusief oude nesten).

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 8 van 13

6 6.1

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING Vleermuizen

Beschermingsregime Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten genieten zowel binnen de Flora- en faunawet als binnen de Natuurbeschermingswet een strikte bescherming. Alle vleermuissoorten staan vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: "het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort". Dit houdt in dat niet alleen de zomer- en winterverblijfplaatsen maar ook de verbindingen hiertussen (vliegroutes) en de foerageergebieden bescherming genieten. Vleermuizen zijn streng beschermd omdat dat ze erg kwetsbaar zijn. De afgelopen vijftig jaar zijn sommige soorten erg zeldzaam geworden of geheel verdwenen. Wanneer overwinterende dieren worden verstoord, is de kans groot dat ze sterven omdat ze dan teveel van hun vetreserve gebruiken. Maar al te vaak worden bomen gekapt en oude gebouwen gerenoveerd of gesloopt. Als zich hierin een vleermuiskolonie bevindt, heeft dat grote gevolgen voor de vleermuisstand in de wijde omgeving. Omdat ze meestal maar één jong per jaar krijgen, kan herstel erg lang duren. Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaatsen maken en zijn dus afhankelijk van bestaande verblijfplaatsen.

Daarnaast hebben ingrepen in het landschap ook negatieve gevolgen doordat foerageergebieden en vliegroutes, waar vleermuizen jaren achtereen gebruik van maken, verdwijnen. De impact die een ingreep kan hebben verschilt sterk per situatie en per soort waardoor meestal gedetailleerde gegevens nodig zijn om een passend advies te geven. Functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn geen essentiële functies voor vleermuizen aangetroffen op de onderzoekslocatie. Ondanks dat er aan de onderzoeksinspanning van het vleermuisprotocol is voldaan, kan het nooit volledig worden uitgesloten dat een incidentele verblijfsfunctie van één of enkele individuen wordt gemist. Het protocollair onderzoek blijft een reeks van momentopnames, waardoor niet elke avond en/of ochtend gedurende het seizoen onderzoek plaats kan vinden. Wanneer er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch één of meerdere vleermuizen worden aangetroffen dienen de kapwerkzaamheden ter plaatse tijdelijk te worden gestaakt en dient er in eerste instantie contact te worden opgenomen met Econsultancy of een lokale vleermuisdeskundige. In overleg zal vervolgens worden bepaald hoe er verder gehandeld dient te worden en welke eventuele maatregelen getroffen moeten worden. 6.2

Roek

Door de kap van een gedeelte van de bomen en de voorgenomen herontwikkeling ter plaatse zal er mogelijk sprake zijn van verdwijnen van de nestbomen van de roek en wordt deels het functioneel leefgebied (omliggende bomen die beschutting bieden aan de nestbomen) weggenomen. Het opzettelijk vernietigen of beschadigen of wegnemen van een nest- of rustplaats is verboden, evenals het opzettelijk verstoren, tenzij de storing geen wezenlijk effect heeft op de gunstige staat van instandhouding. Zonder het nemen van maatregelen, is er dan ook sprake van overtreding van artikel 3.1, lid 2 en mogelijk artikel 3.1, lid 4 van de Wet natuurbescherming. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen diverse maatregelen genomen te worden. De initiatiefnemer is daarom voornemens om de roekenkolonie te behouden in de toekomstige situatie en de woning naar de achterzijde van de onderzoekslocatie te plaatsen. Door het verplaatsen van de woning naar de achterzijde kan de bestaande roekenkolonie in de betreffende bo-

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 9 van 13

menopstand behouden blijven. De benodigde mitigerende maatregelen en een toetsing van de mate van verstoring in de ontwikkelingsfase en gebruiksfase zal in een nader activiteitenplan verder onderbouwd dienen te worden.

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 10 van 13

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Econsultancy heeft in opdracht van HOOGH advies een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd aan de Sint Hubertseweg 10 te Haps. Het aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden in het kader van een bestemmingsplanwijziging en de toekomstige realisatie van een woning op de onderzoekslocatie. Ten behoeve van de nieuwe woning zal een deel van de bomen op de onderzoekslocatie gekapt moeten worden. De initiatiefnemer is echter voornemens om de bomen met roekennesten te duurzaam te behouden. Conclusie Op basis van het onderhavige onderzoek heeft de onderzoekslocatie geen wezenlijke functie voor vleermuizen. Verstoring ten aanzien van vleermuizen is dan ook uitgesloten. Op de onderzoekslocatie is echter wel een deel van een roekenkolonie aanwezig. Het opzettelijk vernietigen of beschadigen of wegnemen van een nest- of rustplaats van de roek is verboden, evenals het opzettelijk verstoren, tenzij de storing geen wezenlijk effect heeft op de gunstige staat van instandhouding. Zonder het nemen van maatregelen, is er dan ook sprake van overtreding van artikel 3.1, lid 2 en mogelijk artikel 3.1, lid 4 van de Wet natuurbescherming. Om de bestemmingsplanwijziging en toekomstige situatie mogelijk te maken dienen mitigerende maatregelen vastgelegd te worden in een activiteitenplan en kan dit ter inzage gelegd worden bij het bevoegd gezag (provincie Noord-Brabant).

Door het behouden van de nestbomen van de roek in combinatie met aanvullende maatregelen wordt verwacht dat de ontwikkeling mogelijk is.

Econsultancy Boxmeer, 4 oktober 2017

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 11 van 13

Verklarende woordenlijst Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden.

Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap.

Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen.

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 12 van 13

Ontheffing De Flora- en faunawet is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Flora- en faunawet een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status.

Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Flora- en faunawet. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of verblijfplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levencyclus van een individu. De Flora- en faunawet omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk.

Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Is een vleermuisverblijfplaats anders dan een kraamverblijf. Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.

Rapport 2845.004 versie D1

Pagina 13 van 13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=95839311-fb9f-43df-a319-2cf6e14994f7