12 Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 3 Quick scan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA SINT HUBERTSEWEG 10 TE HAPS
Quickscan flora en fauna Sint Hubertseweg 10 te Haps
Opdrachtgever
HOOGH advies De Messemaker 21 5431 KT CUIJK
Rapportnummer Versienummer
2845.002 D1
Status
Eindrapportage
Datum
16 december 2016
Vestiging
Boxmeer
Opsteller
ir. B.H.H. Verdijck
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ing. M. Koen
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Flora- en faunawet dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd.
Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 2
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 4
4
TOEPASSING VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING .................................................. 5 4.1 4.2 4.3
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Broedvogels .................................................................................................................... 14 Vleermuizen .................................................................................................................... 14 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 15 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 15
GEBIEDSBESCHERMING ....................................................................................................... 16 7.1 7.2
8
Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 13
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ........................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Flora- en faunawet ............................................................................................................ 5 Wet natuurbescherming ................................................................................................... 8 Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 9
Natuurbeschermingwet 1998 .......................................................................................... 16 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 17
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 18
2845.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van HOOGH advies opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Sint Hubertseweg 10 te Haps. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging met als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Flora- en faunawet een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen plannen. Tevens wordt er bij de quickscan flora en fauna getoetst op planten- en diersoorten die onder de Wet natuurbescherming een beschermde status zullen hebben. Daarnaast wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen invloed kunnen hebben op gebieden die volgens de Natuurbeschermingswet 1998 zijn beschermd, of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 1 van 19
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
De onderzoekslocatie (± 2.000 m²) is gelegen aan de Sint Hubertseweg 10, circa 500 meter ten zuiden van de kern van Haps. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 46C (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 187.677, Y = 410.831.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
2.1
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie betreft een bosperceel langs de Sint Hubertseweg te Haps. Het perceel bestaat uit hoge bomenopstand met relatief weinig ondergroei. Ten noorden van de onderzoekslocatie is een woonwijk gelegen. Ten oosten is een woonhuis en een maïsakker gelegen. Het gebied ten zuiden van de onderzoekslocatie bestaat voornamelijk uit een landgoed en enkele bedrijfsgebouwen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek. 2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een landhuis op de onderzoekslocatie te realiseren. In verband met de beoogde plannen zal een gedeelte van de bomenopstand moeten verdwijnen.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 2 van 19
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. De bosrand aangrenzend aan de Sint Hubertseweg.
Figuur 4. De bomenopstand te midden van de onderzoekslocatie
Figuur 5. De bomenopstand vanuit de noordoostzijde.
Figuur 6. Binnen de onderzoekslocatie is een takkenrail gelegen.
Figuur 7. Binnen de onderzoekslocatie is ondergroei van klimop aanwezig en houtstapels.
Figuur 8. Enkele bomen zijn overgroeid met klimop.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 3 van 19
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat, geschikte verblijfplaatsen en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek voor de quickscan flora en fauna is afgelegd op 21 november 2016. Tijdens het veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is onderzocht in hoeverre de onderzoekslocatie en de directe omgeving geschikt zijn voor beschermde soorten. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen (inclusief Nationale Databank Flora en Fauna), andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Indien de onderzoekslocatie potentieel geschikt is voor een beschermde soort en verstoring te verwachten is, dient naast de onderhavige quickscan aanvullend onderzoek plaats te vinden naar desbetreffende soorten en soortgroepen.
Een aanvullend onderzoek beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 4 van 19
4
TOEPASSING VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Flora- en faunawet bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. 4.1
Flora- en faunawet
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van de soortbescherming, uitgewerkt in de Flora- en faunawet. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten te beschermen en in stand te houden. Om dit doel te bereiken, bevat de wet een aantal verbodsbepalingen (zie tabel I). Hierbij wordt het zogenaamde “nee, tenzij…” principe gehanteerd. Dit wil zeggen dat activiteiten met een (potentieel) schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn (“nee”). Van dit verbod kan echter onder voorwaarden (“tenzij”) afgeweken worden door ontheffingen of vrijstellingen. Tabel I.
Verbodsbepalingen Flora- en faunawet
Artikel 8
Het is verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.
Artikel 9
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.
Artikel 10
Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.
Artikel 11
Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.
Voor de Flora- en faunawet geldt dat vaste rust- en verblijfplaatsen van bepaalde soorten zijn beschermd. De Flora- en faunawet maakt onderscheid in drie beschermingscategorieën. Iedere categorie heeft zijn eigen ontheffingsmogelijkheden en toetsingscriteria. Hierbij vallen vogels onder een aparte categorie. Tabel II. Tabel 1
Soortbeschermingscategorieën Flora- en faunawet algemeen beschermde soorten
Voor de soorten in Tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt, bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik, een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Voor deze activiteiten hoeft geen ontheffing in het kader van artikel 75 aangevraagd te worden. Voorbeelden zijn: ree, haas konijn, egel, bruine kikker, gewone pad, wijngaardslak, brede wespenorchis, grote kaardenbol Tabel 2
overige beschermde soorten
Voor de soorten in Tabel 2 van de Flora- en faunawet dient bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing aangevraagd te worden. Echter indien er volgens een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt, geldt er bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik, een vrijstelling van de verbodsbepalingen en hoeft er geen ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffingaanvraag wordt getoetst aan het criterium ‘doet geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort’ (‘lichte toets’). Voorbeelden zijn: eekhoorn, steenmarter, kleine modderkruiper, gele helmbloem, steenbreekvaren, tongvaren, maretak
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 5 van 19
Tabel 3
strikt beschermde soorten
Voor de soorten van Tabel 3 van de Flora- en faunawet dient bij overtreding van de verbodsbepalingen bij alle activiteiten (waaronder ruimtelijke ontwikkeling en inrichting) een ontheffing aangevraagd te worden. In een zeer beperkt aantal gevallen kan er op basis van een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode een vrijstelling verleend worden voor de ontheffingsverplichting bij een zeer beperkt aantal activiteiten. De ontheffingaanvraag wordt getoetst aan een drietal criteria (uitgebreide toets). Bij de uitgebreide toets dient aan alle afzonderlijke criteria te worden voldaan. De criteria zijn als volgt: de activiteiten of werkzaamheden doen geen afbreuk aan gunstige staat van instandhouding van de soort, er is geen andere bevredigende oplossing (alternatief) voor de geplande activiteiten of werkzaamheden, die minder schade oplevert voor de betreffende soort en er moet sprake zijn van een bij de wet genoemd belang. Voorbeelden zijn: das, waterspitsmuis, alle vleermuissoorten, rugstreeppad, boomkikker, kamsalamander
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingscategorieën. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Broedvogels en vleermuizen zijn soortgroepen uit de strengste beschermingscategorie. Voor de overige soortgroepen is de beschermingsstatus afhankelijk van de soort. Broedvogels Alle broedende inheemse vogels en hun nesten zijn wettelijk strikt beschermd en qua beschermingregime te vergelijken met Tabel 3 van de Flora- en faunawet. Broedvogels vallen onder een aparte beschermingsgroep en zijn ingedeeld in een vijftal beschermingscategorieën (Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen, Dienst Regelingen, 2009). Zie tabel III voor een indeling van de bescherming van broedvogels. Tabel III.
Beschermingscategorieën aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen.
Broedvogels Voor vogels geldt dat er altijd een ontheffing aangevraagd dient te worden. Indien activiteiten plaatsvinden waarbij verbodsbepalingen worden overtreden ten aanzien van (broed)vogels dient er een uitgebreide toets, zoals beschreven bij Tabel 3 Flora- en faunawet toegepast te worden. Bij broedvogels kan een overtreding in de meeste gevallen gemakkelijk voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Beschermingscategorie 1
nesten jaarrond beschermd, ook buiten broedseizoen
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld:steenuil).
Beschermingscategorie 2
Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
Beschermingscategorie 3
Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
Beschermingscategorie 4
Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).
Beschermingscategorie 5
Nesten jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen
Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
Overige broedvogels (“algemeen” voorkomende broedvogels)
Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd; enkel binnen broedseizoen.
Vogels die elk broedseizoen een nieuw nest maken of in staat zijn een nieuw nest te maken. De vogelnesten voor eenmalig gebruik.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 6 van 19
Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten genieten zowel binnen de Flora- en faunawet als binnen de Natuurbeschermingswet een strikte bescherming. Alle vleermuissoorten staan vermeld in bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Dit betekent dat ze beschermd zijn tegen verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen. Onder deze vaste rust- en verblijfplaatsen wordt verstaan: "het gehele systeem waarvan een populatie gebruik maakt tijdens de jaarcyclus van de soort". Dit houdt in dat niet alleen alle verblijfplaatsen maar ook de verbindingen hiertussen (vliegroutes) en de foerageergebieden bescherming genieten. Vleermuizen zijn streng beschermd omdat ze erg kwetsbaar zijn. De afgelopen vijftig jaar zijn sommige soorten erg zeldzaam geworden of geheel verdwenen. Wanneer overwinterende dieren worden verstoord, is de kans groot dat ze sterven omdat ze dan teveel van hun vetreserve gebruiken. Maar al te vaak worden bomen gekapt en oude gebouwen gerenoveerd of gesloopt. Als zich hierin een vleermuiskolonie bevindt, heeft dat negatieve gevolgen voor de vleermuisstand op lokaal niveau. Omdat ze meestal maar één jong per jaar krijgen, kan herstel erg lang duren. Vleermuizen kunnen zelf geen verblijfplaatsen maken en zijn dus afhankelijk van bestaande verblijfplaatsen.
Daarnaast hebben ingrepen in het landschap ook negatieve gevolgen doordat foerageergebieden en vliegroutes, waar vleermuizen jaren achtereen gebruik van maken, verdwijnen. De impact die een ingreep kan hebben verschilt sterk per situatie en per soort waardoor meestal gedetailleerde gegevens nodig zijn om een passend advies te geven. Zorgplicht De zorgplicht houdt in dat een ieder die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen nadelige gevolgen voor de flora en fauna kunnen ontstaan, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen om de nadelige gevolgen te voorkomen. Zo kan er bijvoorbeeld rekening worden gehouden met amfibieën en kleine zoogdieren worden wanneer materialen en houtstapels, waaronder de dieren verblijven, worden verwijderd. Tabel IV.
Zorgplicht
Zorgplicht (artikel 2) Een belangrijk uitgangspunt binnen de Flora- en faunawet is dat op elke burger de plicht rust om voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat iedereen zich dient in te spannen om de nadelige gevolgen voor een soort te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats.
De zorgplicht is in de meeste gevallen voornamelijk van toepassing op beschermde soorten die staan vermeld in Tabel 1 van de Flora- en faunawet. Dit betreffen algemeen voorkomende soorten, waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor de betreffende soortgroep worden aangegeven.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 7 van 19
4.2
Wet natuurbescherming
Vanaf 1 januari 2017 treedt waarschijnlijk de Wet natuurbescherming in. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Deze wet is gericht op: 1) Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarden. 2) Het doelmatig uitvoeren van het beheer. 3) Samenhang brengen in het beleid. In de Wet natuurbescherming wordt wat flora en fauna betreft onderscheid gemaakt tussen vogels, soorten die voorkomen op de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn en overige soorten, laatstgenoemde groep is te vergelijken met de huidige Tabel 2-soorten, zie tabel V. Tabel V.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
Artikel 3.1. Verboden m.b.t. van nature in Nederland in het wild levende vogels. Het is verboden om: 1. 2. 3. 4.
Levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Nesten, rustplaatsen en eieren opzettelijk te vernielen of te beschadigen of nesten van vogels weg te nemen. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben. Vogels opzettelijk te storen.
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.5. Verbodsbepalingen ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn. Het is verboden om: 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Artikel 3.10. Verbodsbepalingen t.a.v overige soorten (plant- en diersoorten). Het is verboden om: c) d) e)
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Als de wet in werking is getreden dan zijn de provincies het bevoegd gezag en worden de regelingen per provincie bepaald. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. Voor bedrijven en particulieren is het belangrijk dat zij makkelijk en snel weten of een activiteit met mogelijke schade voor flora en fauna is toegestaan. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning bij de gemeente wordt net als voorheen getoetst aan de Natuurwet. Het blijft mogelijk om bij de provincie een aparte natuurvergunning aan te vragen.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 8 van 19
4.3
Gebiedsbescherming
De quickscan flora en fauna toetst voornamelijk aan de Flora- en faunawet. Indien een plangebied in of nabij een gebied is gelegen dat tot de EHS behoort of onder de Natuurbeschermingswet valt, dient te worden bepaald of er een effect valt te verwachten. Bij een toetsing aan de Natuurbeschermingswet spelen vaak andere facetten mee, zoals de aanwezige doelsoorten en kernwaarden van het betreffende beschermde gebied. Natuurbeschermingswet 1998 (Natura 2000-gebieden) De Natuurbeschermingswet 1998 heeft tot doel bijzondere natuurgebieden in Nederland te beschermen en in stand te houden. De wet omvat onder andere de richtlijnen van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn ten aanzien van gebiedsbescherming. Doordat de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn beide zijn opgenomen in de Natura 2000-wetgeving, zijn de termen “Habitatrichtlijngebied” en “Vogelrichtlijngebied” komen te vervallen. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de Europese Unie. Handelingen die een negatieve invloed hebben op gebieden die binnen dit netwerk vallen, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd.
De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het Ministerie van Economische Zaken (via Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) of door de Provincie. Natuurbeschermingswet 1998 (Beschermde Natuurmonumenten) Beschermde Natuurmonumenten zijn gelegen buiten de Natura 2000-gebieden. Met de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 is het onderscheid tussen Staats- en Beschermde Natuurmonumenten opgeheven en gewijzigd in Beschermde Natuurmonumenten en zijn (delen van) Beschermde Natuurmonumenten die overlappen met Natura 2000- gebieden komen te vervallen. Het beschermingsregime voor Beschermde Natuurmonumenten betreft het verbod om zonder vergunning handelingen te verrichten die schadelijk kunnen zijn voor de te beschermen waarden van een natuurmonument, zoals natuurschoon en de natuurwetenschappelijke betekenis ervan. Ontwikkelingen zijn wel mogelijk als door het Ministerie of de Provincie een vergunning is verleend. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het Natuurnetwerk Nederland is onderdeel van een Europees ecologisch netwerk en bestaat uit kerngebieden (in Nederland de Natura-2000 gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en de Wetlands) en verweven gebieden (gericht op de verweving van landbouw, wonen en natuur) die onderling verbonden worden door ecologische verbindingszones. Ecologische verbindingszones zijn stroken en stukjes natuur die de verspreid liggende natuurgebieden met elkaar verbinden. Op deze manier kunnen dieren en planten zich van het ene naar het andere leefgebied verplaatsen. Met name kleine populaties die met uitsterven worden bedreigd, blijven hierdoor levensvatbaar. Negatieve invloed op de werking van een verbinding of aantasting van een verbinding dient vermeden en gecompenseerd te worden zodat het netwerk niet verslechtert. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk geworden voor het Natuurnetwerk Nederland. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. De planologische begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 9 van 19
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Indien van toepassing wordt in dit hoofdstuk tevens beoordeeld of de voorgenomen plannen een verstorend effect kunnen hebben op de betreffende (mogelijk) aanwezige beschermde soort. 5.1
Vogels
Broedvogels (beschermingscategorie 1 t/m 4) Aangezien bebouwing op de onderzoekslocatie ontbreekt zijn geen geschikte nestlocaties aanwezig voor een soort als huismus en gierzwaluw. Verstoring ten opzichte van de huismus en gierzwaluw is door het ontbreken van geschikte nestlocaties dan ook op voorhand uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn in de hoge bomenopstand circa 25 nesten van een roekenkolonie aangetroffen (zie figuur 9 en 10). Volgens verspreidingsgegevens wordt de onderzoekslocatie al enkele jaren gebruikt als broedlocatie van een roekenkolonie. Andere uilen- en roofvogelsoorten als buizerd, sperwer, boomvalk en ransuil zijn niet te verwachten op de onderzoekslocatie door de aanwezigheid van de roekenkolonie. Verstoring ten aanzien van de roekenkolonie is, als gevolg van de voorgenomen plannen, aan de orde.
Figuur 9. Meerdere nestlocaties van de roek in de hoge boomopstand.
Figuur 10. Meerdere nestlocaties van de roek in de hoge boomopstand.
Broedvogels (beschermingscategorie 5) De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. De bomen op de onderzoekslocatie vormen door de aanwezigheid van boomholtes geschikte verblijfplaatsen voor een soort als boomklever, koolmees, pimpelmees en diverse spechtensoorten. Het gaat hierbij om relatief algemeen voorkomende soorten, die ook in de bosgebieden ten westen van Haps voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nestlocaties voor desbetreffende soorten een jaarrond beschermde status zouden moeten genieten.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 10 van 19
Overige broedvogels Door de aanwezigheid van hoog opgaande bomen, struweel, klimop en houtstapels zijn geschikte nestlocaties aanwezig voor algemene broedvogelsoorten als winterkoning, houtduif, groenling en vink. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook nestresten aangetroffen van een soort als houtduif. Verstoring ten opzichte van algemene broedvogels, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook mogelijk aan de orde. 5.2
Vleermuizen
Volgens het cursusdictaat "Vleermuizen en Planologie" (Limpens et al. 2010) en het Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant (Twisk en Limpens, 2006) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Door de afwezigheid van bebouwing op de onderzoekslocatie zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger niet te verwachten. De boomholtes op de onderzoekslocatie vormen echter wel potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen als rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, franjestaart en watervleermuis (zie figuur 11 t/m 13). Verstoring ten aanzien van vleermuizen is op basis van de huidige onderzoeksinspanning dan ook niet uit te sluiten.
Figuur 11. Potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen.
Figuur 11. Potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen.
Figuur 12. Potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foeragerende vleermuizen De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden als foerageergebied door vleermuizen. Vleermuizen gebruiken echter veelal de bosrand om te foerageren. In de toekomstige situatie zal de groenstructuur aan rand van de onderzoekslocatie behouden blijven. Verstoring ten aanzien van essentieel foerageergebied, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook niet te verwachten.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 11 van 19
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Vleermuizen kunnen de aanwezige groenstructuur mogelijk gebruiken als vliegroute langs de Sint Hubertseweg om naar foerageergebieden te trekken ten westen van Haps. In de toekomstige situatie zal een bomenstructuur blijven behouden aan de Sint Hubertseweg. Het is dan ook niet te verwachten dat een potentiële vliegroute verstoring zal ondervinden van de voorgenomen plannen, mits een aaneengesloten structuur behouden zal blijven. 5.3
Overige zoogdieren
Steenmarter De aanwezigheid van een grote hoeveelheid houtstapels en een enkele verhoging kan er mogelijk een steenmarter gebruik maken van de onderzoekslocatie als vaste rust- en verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is door de steenmarter. Eekhoorn Het bosperceel vormt vanwege de aanwezige hoge bomenopstand geschikt habitat voor een eekhoorn. Het is echter niet te verwachten dat een eekhoorn zich zal vestigen vanwege de aanwezigheid van de roekenkolonie. Tijdens het veldbezoek zijn dan ook geen eekhoornnesten aangetroffen. Het is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten dat de onderzoekslocatie in gebruik is als vaste rust- en verblijfplaats van een eekhoorn. Das Verspreidingsgegevens tonen aan dat de das voorkomt in de omgeving van Haps. De waarnemingen betreffen voornamelijk bospercelen ten westen van Haps. De onderzoekslocatie is tijdens het veldbezoek gecontroleerd op aanwezigheid van holen, dassenwissels, latrines en andere sporen, deze zijn niet aangetroffen.
In combinatie met de ligging aan de rand van de bebouwde kom van Haps is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de das gebruik maakt van de onderzoekslocatie. Overige streng beschermde zoogdieren Het voorkomen van overige streng beschermde grondgebonden zoogdieren als bever en boommarter is uit te sluiten op basis van verspreidingsgegevens en/of het aanwezige habitat op de onderzoekslocatie. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten. Verstoring, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook mogelijk aan de orde. 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de NDFF zijn in de laatste 15 jaar geen reptielen binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie waargenomen. Het is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten dat verstoring ten aanzien van reptielen zal plaatsvinden als gevolg van de voorgenomen plannen.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 12 van 19
Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de werkatlas amfibieën en reptielen Noord-Brabant (Van Delft & Schuitema, 2005) is binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de Alpenwatersalamander waargenomen. Wegens het ontbreken van geschikt voortplantingswater op de onderzoekslocatie en de directe omgeving is het redelijkerwijs uit te sluiten dat streng beschermde amfibieën als de Alpenwatersalamander gebruik maken van de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van algemene amfibieënsoorten als gewone pad en bruine kikker kan echter niet geheel uitgesloten worden. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten welke een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Daarnaast geldt voor libellen dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan op de onderzoekslocatie kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige ongewervelden De aanwezigheid van overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, op de onderzoekslocatie is uitgesloten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig. 5.6
Vaatplanten
De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. De bomenopstand bestaat onder andere uit gewone esdoorn, noordse esdoorn, zomereik, hulst en de larix. Op de zuidoostelijke hoek van de onderzoekslocatie staat een monumentale boom (een trompetboom). Aan de randen van de onderzoekslocatie is veelal verjonging met esdoorns aanwezig. Vanwege de ophoping van de strooisellaag zijn streng beschermde vaatplanten niet te verwachten. Verstoring ten aanzien van streng beschermde vaatplanten, als gevolg van de voorgenomen plannen, is dan ook niet aan de orde.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 13 van 19
6
TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit de Flora- en faunawet optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Flora- en faunawet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Flora- en faunawet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Broedvogels
Roekenkolonie Tijdens het veldbezoek is gebleken dat de onderzoekslocatie in gebruik is als nestlocatie door een kolonie roeken. De opbouw van de nesten wijst erop dat de nesten al enkele jaren in gebruik zijn. Tijdens het bureauonderzoek is gebleken dat de roekenkolonie jaarlijks gemonitord wordt in het kader van het Landelijk Soortenonderzoek Broedvogels (Sovon). Volgens de beschikbare gegevens vormt de onderzoekslocatie en de groenstrook aan de andere zijde van de Sint Hubertseweg sinds 2011 een broedlocatie voor de roekenkolonie. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de roek zijn jaarrond beschermd volgens de nationale natuurwetgeving en worden daarnaast ook genoemd in de Europese Vogelrichtlijn. Bij de beoordeling van ontheffingsaanvragen voor deze soorten geldt de uitgebreide toets. De bomenopstand op de onderzoekslocatie vormt een vaste rust- en verblijfplaats voor een roekenkolonie. Ten behoeve van het realiseren van een woning op de onderzoeklocatie dient een gedeelte van de bomenopstand te verdwijnen. De beoogde realisatie zal dan ook leiden tot verstoring van de vaste rust- en verblijfplaats. Het zal benodigd zijn om maatregelen te treffen om verstoring van de roekenkolonie te voorkomen en alternatieve plaatsen aan te bieden voor de nesten. Een ontheffingsaanvraag is hiervoor noodzakelijk.
De maatregelen, vastgelegd in een ecologisch projectplan, dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd bij de Provincie Noord-Brabant, middels een ontheffingsaanvraag. De bomenkap en woningbouw kunnen enkel gestart worden na ontheffingsverlening. Het wordt tevens geadviseerd om in overleg te treden met de provincie en lokale vogelwerkgroep in verband met het zoeken naar een gezamenlijke overeenstemming om de woning te kunnen realiseren en de roekenkolonie te behouden, alvorens het onderzoek- en ontheffingstraject te starten. Algemene soorten Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen en de houtstapels buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Desbetreffende nesten mogen namelijk wel worden aangetast wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. Er wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2
Vleermuizen
Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. In onderhavig geval vindt er mogelijk verstoring plaats, bij het verwijderen van een deel van de bomen op de onderzoekslocatie. Aangezien een verblijfsfunctie van een vleermuizensoort in de te verwijderen bomen op basis van de quickscan niet op voorhand kan worden uitgesloten, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om een verblijfsfunctie voor vleermuizen te kunnen vaststellen dan wel te kunnen uitsluiten. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of bij de verwijdering van de bomen overtredingen van de natuurwetgeving aan de orde zijn. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 14 van 19
conform het meest recente protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus). Dit houdt in dat er verspreid over de periode mei tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij uitvoering van de kapwerkzaamheden. 6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën als konijn, egel, bruine kikker en gewone pad geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Flora- en faunawet, waardoor bij verstoring geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. Indien noodzakelijk dient een aanwezig dier zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie buiten het gebied waar de werkzaamheden plaatsvinden. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Flora- en faunawet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 15 van 19
7
GEBIEDSBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie kan er sprake zijn van negatieve gevolgen voor door de wetgever vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natuurbeschermingwet 1998
De onderzoeklocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen onderdeel van een conform de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd gebied bevindt zich op circa 5,6 km afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie. Het betreft in dit geval de Oeffelter Meent, dat deel uitmaakt van de Natura 2000 (zie figuur 14). Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen (nieuwbouw van één woning) op de onderzoekslocatie zijn echter niet te verwachten gezien de aard van de plannen en de afstand tot het Natura 2000-gebied. Vervolgonderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet wordt niet noodzakelijk geacht.
Figuur 14. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden (rood gearceerd).
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 16 van 19
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie is gelegen op circa 320 meter van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 15). Door de aard van de voorgenomen plannen (nieuwbouw van één woning) zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van het natuurnetwerk niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Figuur 15. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (rood = verbindingszone; groen = bestaand natuurnetwerk).
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 17 van 19
8
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van HOOGH advies een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Sint Hubertseweg 10 te Haps. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging met als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Flora- en faunawet een beschermde status hebben en die mogelijk verstoring kunnen ondervinden door de voorgenomen plannen. Tevens wordt er bij de quickscan flora en fauna getoetst op planten- en diersoorten die onder de Wet natuurbescherming een beschermde status zullen hebben. Daarnaast wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen invloed kunnen hebben op gebieden die volgens de Natuurbeschermingswet 1998 zijn beschermd, of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens een landhuis op de onderzoekslocatie te realiseren. In verband met de beoogde plannen zal een gedeelte van de bomenopstand moeten verdwijnen. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel V. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten.
In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Flora- en faunawet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel V. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
ja
ja
ja
roekenkolonie aanwezig op de onderzoekslocatie
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
-
foerageergebied
ja
mogelijk
nee
nee
-
vliegroutes
ja
mogelijk
nee
nee
in de toekomstige situatie blijft een bomenstructuur langs de Sint Hubertseweg behouden en wordt nog een additionele rij aangeplant.
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren als egel, konijn en diverse muizensoorten.
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën als gewone pad en bruine kikker.
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Overige grondgebonden zoogdieren
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 18 van 19
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
5,6 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
320 m
nee
nee
nee
-
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan flora en fauna dient voor uitvoering van de plannen middels aanvullend veldonderzoek duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Ter voorbereiding van een ecologisch projectplan voor roeken (en mogelijk vleermuizen) dient aanvullend onderzoek plaats te vinden, om de lokale roekenpopulatie in kaart te brengen, zowel op de onderzoekslocatie als in de omgeving van Haps. Aan de hand van de aanvullende veldonderzoeken kan een ecologisch projectplan met benodigde maatregelen opgesteld worden en ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (Provincie Noord-Brabant). Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. Met betrekking tot beschermde gebieden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen plannen. De bestemmingsplanwijziging op zichzelf wordt als uitvoerbaar gezien.
Er dient echter wel rekening mee gehouden te worden dat de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden (kap- en bouwwerkzaamheden) pas kan plaatsvinden nadat meer duidelijkheid is verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van vleermuizen in combinatie met het verkrijgen van de ontheffingsverlening voor het verstoren van roeken (en afhankelijk van het nader onderzoek vleermuizen).
Econsultancy Boxmeer, 16 december 2016
Rapport 2845.002 versie D1
Pagina 19 van 19
GERAADPLEEGDE BRONNEN Algemene Literatuur CBS, PBL & Wageningen UR 2012. Planten van de Habitatrichtlijn, 2007-2011 (indicator 1086, versie 04, 6 juli 2012). www.compendiumvoordeleefomgeving.nl. CBS, Den Haag / Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven / Wageningen UR, Wageningen. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge 2015. Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Herder J., A. van Diepenbeek, R. Creemers & P. Frigge 2009. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2008. Stichting RAVON. van Heusden, W.R.M. & S.J. Vreugdenhil 2008. Handreiking Flora- en faunawet. Dienst Landelijk Gebied, Den Haag. Limpens, H.J.G.A., K. Mostert & W. Bongers (red.) 1997. Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 2005.
Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten! De Flora- en faunawet in de praktijk; informatie over vrijstellingen, ontheffingen en gedragscodes. Ministerie van LNV, Den Haag. Odé, B., Beringen, R. & van der Slikke, W. 2009. Rapportage Bedreigde Soorten Project 2009. Floron, Leiden. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Literatuur Noord-Brabant van Delft, J.J.C.W. & W. Schuitema 2005. Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting RAVON, Nijmegen. Twisk, P. & H. Limpens 2006. Een thuis voor de vleermuis. Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant. Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem.
Rapport 2845.002 versie D1
Algemene websites www.floron.nl (soortgegevens planten) www.ndff.nl (nationala databank flora en fauna) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaards) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.brabant.nl (EHS en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)
Rapport 2845.002 versie D1
Verklarende woordenlijst Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/EHS hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/ EHS, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen.
Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype. Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied.
Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Flora- en faunawet is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Flora- en faunawet een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen.
In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken.
Rapport 2845.002 versie D1
Projectplan Een projectplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het projectplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Flora- en faunawet. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast.
Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Vaste rust- of verblijfplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levencyclus van een individu. De Flora- en faunawet omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Is een vleermuisverblijfplaats anders dan een kraamverblijf.
Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.
Rapport 2845.002 versie D1
Over Econsultancy.. Econsultancy is een onafhankelijk adviesbureau. Wij bieden realistisch advies en concrete oplossingen voor milieuvraagstukken en willen daarmee een bijdrage leveren aan een duurzaam en verantwoord gebruik van onze leefomgeving. Diensten Wij kunnen u van dienst zijn met een uitgebreid scala aan onderzoeken op het gebied van bodem, waterbodem, water, archeologie, ecologie en milieu. Op www.econsultancy.nl vindt u uitgebreide informatie over de verschillende onderzoeken. Werkwijze Inzet en professionele betrokkenheid kenmerkt onze diensten. De verantwoordelijke projectleider is het eenduidige aanspreekpunt voor de klant en draagt zorg voor alle aspecten van het project: kwaliteit, tijd, geld, communicatie en organisatie. De kernwaarden deskundig, vertrouwd, betrokken, flexibel, zorgvuldig en vernieuwend zijn een belangrijke leidraad in ons handelen. Kennis Het deskundig begeleiden van onze opdrachtgevers vraagt om betrokkenheid bij en kennis van de bedoelingen van de opdrachtgever. Het vereist ook gedegen en actuele vakinhoudelijke kennis. Alle beschikbare kennis wordt snel en effectief ingezet. De medewerkers vormen ons belangrijkste kapitaal. Persoonlijke en inhoudelijke ontwikkeling staat centraal want het werk vraagt steeds om nieuwe kennis en nieuwe verantwoordelijkheden.