11 B2 Verkennend bodemonderzoek - Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Bodem en Bouwstoffen
Verkennend Bodemonderzoek Lange Linden 27 Katwijk rapport 3316R002-2
datum: opdrachtgever:
12 maart 2020 BuitenGewoon logeren, Lange Linden 27, 5433 NB Katwijk (NB).
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt zonder schriftelijke toestemming van Archimil BV. Op al onze werkzaamheden zijn de algemene leveringsvoorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Eindhoven, onder nummer 17159750.
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
I
VERANTWOORDING
P. Heesakkers Adviseur
Ing. B. van den Bosch Teamleider
Ten opzichte van de versie van 18 februari 2020 zijn enkele aspecten verduidelijkt.
Archimil B.V. Koningsplein 18, 5721 GJ Asten, Tel.nr. 0493-671818 – Faxnr. 0493-671800, Email: info@archimil.nl Archimil BV, Laagheidehof 5, 5804 XB Venray, telnr. 0478-515736 Rabobank Iban NL70RABO01636.28.580, Kvk nr. 17159750
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
II
SAMENVATTING Voor een verklaring van de gebruikte terminologie met betrekking tot eventuele verontreinigingen verwijzen wij naar de ‘Circulaire Bodemsanering 2013’ en het ‘Besluit bodemkwaliteit’. Op een terrein aan de Lange Linden 27 te Katwijk is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5740. Ter plaatse van de voor asbest verdachte terreinen is een verkennend onderzoek naar asbest uitgevoerd zoals voorgeschreven in de Nederlandse norm NEN 5707. De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht: Gemeente
Cuijk
Adres
Lange Linden 27 te Katwijk
Kadastraal
Sectie: E
Nr: 1212
Sectie: G
Nr: 1263
Coördinaten
X: 187.214
Y: 417.850
Oppervlakte onderzoekslocatie
circa 7525 m2
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als heterogeen verdacht beschouwd. De puinhoudende oprit en de regendrupzones rondom het hoofdgebouw en bijgebouwen zijn verdacht voor een verontreiniging met asbest. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie (heterogeen) verdacht uit de NEN 5740 en NEN 5707. Uit het onderzoek volgt dat ten westen van het hoofdgebouw een gesloten stortplaats ligt. De exacte grens hiervan is nog niet in kaart gebracht. Uit het geheel aan onderzoeksresultaten volgt dat de stortplaats ook op een beperkt deel van de onderzoekslocatie ligt. De afvalhoudende bodemlaag ter plaatse van de perceelsgrens is sterk verontreinigd met zink en PCB’s, matig verontreinigd met PAK’s en licht verontreinigd met minerale olie, cadmium, koper, kwik, lood en nikkel. De oprit is heterogeen verhard met een mengsel van asfalt, grind en/of puin. In de puinhoudende bodem is in de grove fractie (>20 mm) geen asbest aangetroffen. In de fijne fractie (<20 mm) is een gewogen gehalte asbest van 0,9 mg/kgds aangetoond. Analytisch is de puin- en asfalthoudende bodem licht verontreinigd met minerale olie en PAK’s.
Ter plaatse van de regendrupzones van de gebouwen (0-10 cmmv) is in de grove fractie geen asbest aangetroffen. In de fijne fractie is een maximaal gewogen gehalte asbest aangetroffen van 8,4 mg/kgds. In geen van de inspectiegaten wordt de grens voor nader onderzoek (van 50 mg/kdgs) overschreden, derhalve wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht en kan de locatie als onverdacht voor een verontreiniging met asbest worden beschouwd. De heterogeen verdachte bovengrond (0-0,5 m-mv) van het weiland is licht verontreinigd met PCB’s. Het mengmonster van de noordoostelijke boringen ter plaatse van het weiland zijn eveneens licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood en zink. De aangetroffen verontreinigingen komen overeen met voorgaand onderzoek. De grond uit de onderlaag is bij voorgaand onderzoek afdoende onderzocht. Het grondwater is niet verontreinigd met één van de componenten uit het standaardpakket. Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
III
De hypothese heterogeen verdachte locatie kan voor de bovengrond worden aangenomen en dient voor het grondwater te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten. Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij op dat in het kader van de provinciale milieuverordening het verboden is om, zonder goedgekeurd hergebruikplan, werkzaamheden op of in de stortplaats uit te voeren die de nazorg kunnen belemmeren. In aanvulling hierop is in het NAVOSonderzoek geadviseerd om geen grondwater te onttrekken ter plaatse, of in de directe nabijheid, van de stortplaats. Het huidige noordwestelijke bouwblok is gesitueerd buiten de stortcontour (boringen 106 van vorig onderzoek tot 1,9 m-mv zintuiglijk en analytisch schoon). Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten behoeven er ons inziens geen restricties te worden gesteld aan de toekomstige uitbreiding van de bebouwing op de aangegeven locaties en de daarna uit te voeren activiteiten. Wanneer graafwerkzaamheden voorzien zijn in de zone tussen het hoofdgebouw en de perceelsgrens (zie de tekening in bijlage 3) of wanneer het noordwestelijke gebouw westelijker wordt gesitueerd dan dient een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om meer inzicht te verkrijgen in de omvang van de stortplaats.
Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
IV
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING 1
INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK ................................................................................ 1
2
VOORONDERZOEK ......................................................................................................................... 3 2.1 GEOGRAFISCHE GEGEVENS.......................................................................................................... 3 2.2 HUIDIG EN VOORMALIG BODEMGEBRUIK ........................................................................................ 3 2.2.1 Milieuvergunningen ........................................................................................................... 5 2.2.2 Stortplaats ....................................................................................................................... 5 2.2.3 Bodemonderzoeken........................................................................................................... 6 2.2.4 Bodemonderzoeken omgeving ........................................................................................... 7 2.3 TOEKOMSTIG GEBRUIK .............................................................................................................. 7 2.4 ALGEHELE BODEMKWALITEIT....................................................................................................... 8 2.5 BODEMOPBOUW EN (GEO-)HYDROLOGIE .........................................................................................
8 2.6 CONCLUSIE VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 9
3
OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK........................................................................10 3.1 3.2 3.3 3.4
MAAIVELDINSPECTIE ............................................................................................................... 10 OPZET BODEMONDERZOEK ....................................................................................................... 10 ANALYSEPAKKETTEN .............................................................................................................. 11 UITVOERING BODEMONDERZOEK ................................................................................................ 11
4
WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE ........................................................................13
5
ASBESTONDERZOEK ..................................................................................................................14 5.1.1 Maaiveldinspectie ........................................................................................................... 14 5.1.2 Onderzoek contactzone .................................................................................................. 14 5.1.3 Resultaten laboratoriumonderzoek .................................................................................. 14
6
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ...........................................................................................16 6.1 VELDWERK GROND .................................................................................................................. 16 6.2 VELDWERK GRONDWATER ........................................................................................................ 17 6.3 ANALYSERESULTATEN ............................................................................................................. 17 6.3.1 Grondmengmonsters ....................................................................................................... 17 6.3.2 Grondwatermonsters ...................................................................................................... 18 6.4 GEVOLGEN ............................................................................................................................ 19
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................20
TABELLEN ...........................................................................................................................................21
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
V
Bijlage 1 ............................................................................................................ overzichtstekening Bijlage 2 .................................................................................................................. vooronderzoek Bijlage 3 ............................................................................................................locatie en boringen Bijlage 4 ........................................................................................................................ boorstaten Bijlage 5 ............................................................................................................. analyseresultaten Bijlage 6 ........................................................................................................................ referenties
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
1
1
INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK
In verband met de uitbreiding van de bestaande activiteiten van Buitengewoon logeren, waarvoor extra bebouwing en bouwvlak gewenst is aan de Lange Linden 27 te Katwijk, dient te worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Hiervoor is door BuitenGewoon logeren schriftelijk opdracht verleend om een verkennend bodemonderzoek op bovengenoemde locatie uit te voeren. Het doel van het onderzoek bestaat uit het verkrijgen van inzicht in de kwaliteit van de grond en het freatische grondwater op het te onderzoeken terrein. Voor de milieuhygiënische verklaring kan dit onderzoek dienen als bewijs voor de kwaliteit van de ontvangende bodem (Regeling bodemkwaliteit artikel 4.3.4) in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van NEN 5740 [2] conform de BRL2000 met bijhorende protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsboring Bodemonderzoek [3]. De grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de parameters welke opgenomen zijn in het NEN-pakket of op eventueel verdachte componenten. De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden, zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering 2013 [8].
Het rapport is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de verzamelde gegevens van de onderzoekslocatie en/ of de daaromheen liggende percelen, welke tijdens het vooronderzoek naar voren zijn gekomen. De opzet en uitvoering van het onderzoek worden besproken in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt het toetsingskader van de resultaten gepresenteerd waarna in hoofdstuk 5 en 6 de gevonden resultaten besproken zullen worden. Tot slot worden in hoofdstuk 7 de conclusies besproken en worden enkele aanbevelingen gedaan. De in de tekst aangehaalde literatuurbronnen zijn opgenomen in bijlage 6. Contactpersonen voor de opdrachtgever waren de heer F. van Lanen en mevrouw E. Hopman.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
2
Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
2
3
VOORONDERZOEK
Het vooronderzoek met betrekking tot het bodemonderzoek is uitgevoerd op het standaardniveau, conform NEN 5725. Het vooronderzoek heeft zich gericht op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Het doel van het vooronderzoek is het verzamelen van relevante informatie over de locatie van het bodemonderzoek, door het opvragen van informatie bij de opdrachtgever, de eigenaar en de gemeente, houden van interviews, uitvoeren van terreininspectie en archiefonderzoek. De te verzamelen informatie heeft betrekking op het voormalige gebruik, het huidige gebruik, het toekomstige gebruik, de bodemopbouw, de geohydrologische situatie en financieel-juridische aspecten. Hiervoor worden de volgende informatiebronnen geraadpleegd: milieuvergunningdossiers, archief bodemonderzoeken, etc. In bijlage 2 is een overzicht weergegeven van deze (geraadpleegde) informatiebronnen en de verkregen informatie. Op basis van de verzamelde informatie wordt het veld- en chemisch onderzoek goed voorbereid en wordt de onderzoekshypothese voor het verkennend of nader bodemonderzoek opgesteld. Ook worden de resultaten van het vooronderzoek gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek.
2.1 Geografische gegevens De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in het volgende overzicht:
Gemeente
Cuijk
Adres
Lange Linden 27 te Katwijk
Kadastraal
Sectie: E
Nr: 1212
Sectie: G
Nr: 1263
Coördinaten
X: 187.214
Y: 417.850
Oppervlakte onderzoekslocatie
circa 7525 m2
Op de onderzoekslocatie is er voor zover bekend geen sprake van een calamiteit of overtreding van voorschriften in het kader van de Wet Milieubeheer en/of Wet Bodembescherming en/of andere milieuregelgeving. 2.2 Huidig en voormalig bodemgebruik Het onderzoeksterrein aan de Lange Linden 27 te Katwijk heeft een totale oppervlakte van circa 7525 m2 en betreft de boerderij en de hierom liggende grond (erf en weiland). Het dak van de boerderij bestond in het verleden uit asbesthoudende golfplaten. Verder zijn enkele schuurtjes aanwezig welke voorzien van asbesthoudende golfplaten. Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
4
Foto maart 2012 (oude situatie)
De erfverharding van het terrein bestaat uit grind. In de bovengrond van de oprit is een zwakke tot matige bijmenging met puin aanwezig en is bijvoorgaand onderzoek heterogeen een bijmeng met asfalt aangetroffen. Westelijk van de onderzoekslocatie ligt een gesloten stortplaats. De exacte omvang hiervan is onbekend (zie ook paragraaf 2.2.2). Op de onderzoekslocatie hebben voor zover bekend geen olietanks in of op de bodem gelegen. Er zijn, behoudens bovenstaande, geen gegevens bekend omtrent eventuele activiteiten of calamiteiten op de onderzoekslocatie welke geleid kunnen hebben tot een bodemverontreiniging. Uit de historische kaarten (bron: http://www.topotijdreis.nl) blijkt dat de locatie sinds het begin van de 20ste eeuw bebouwd is met de huidige woning. Aan het einde van de 20ste eeuw en het begin van de 21ste eeuw is ten zuiden van de locatie zand gewonnen, waarbij de Kraayenbergse plassen zijn gerealiseerd
1938
Archimil BV
1967
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
1993
5
2015
2.2.1 Milieuvergunningen In 2012 is door de gemeente Cuijk aangegeven dat er in het archief geen actuele of vervallen vergunningen beschikbaar zijn van de locatie. Sinds 2012 zijn voor zover bekend geen potentieel bodembedreigende activiteiten uitgevoerd welke meldings- of vergunningsplichtig zijn. 2.2.2 Stortplaats Direct ten (nooord-)westen van de onderzoekslocatie staat een stortplaats geregistreerd onder code NB168400003. In 1997 is deze stortplaats (deels) gesaneerd. De stortplaats is in 1969 ontstaan en is hoofdzakelijk gebruikt voor bouw- en sloopafval. Een overzicht van de in bodemloket geregistreerde gegevens is opgenomen in bijlage 2. De risicobeoordeling op basis van de NAVOS-rapportage is op 25-92007 uitgebracht door de provincie Noord-Brabant.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
In het grondwater bovenstrooms van de stort (peilbuis A-01) is een lichte verontreiniging met chroom aangetroffen. Benedenstrooms, in het grondwater van peilbuis B-01, is een sterke verontreiniging met cadmium aangetoond in de monitoringsronde van NAVOS 1. De sterke verontreiniging is bij latere monitoringsronden niet bevestigd. Alleen in de benedenstroomse peilbuis B21 is in de monitoringsronden van NAVOS 2 en 3 een matige verontreiniging met cadmium aangetroffen. In het grondwater van de overige benedenstroomse peilbuizen zijn lichte verontreinigingen met kwik, nikkel en zink aangetoond.
6
onderzoekslocatie
Bij een bodemonderzoek in 2012 (zie paragraaf 2.2.3) is vastgesteld dat de stort zich verder uitstrekt richting de onderzoekslocatie dan bij de onderzoeken ter plaatse van de stortplaats is vastgesteld. Dit wordt bevestigd door de toenmalige eigenaar van het perceel, welke heeft aangegeven dat in het verleden het terrein ten westen van de woning eveneens is gebruikt als stortplaats. 2.2.3 Bodemonderzoeken In 2012 is op de locatie, voor de verkoop van de locatie, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport 2848R001, Archimil BV, d.d. 23-05-2012). Uit de rapportage volgt dat de bovengrond van de oprit zwak tot matig puinhoudend is. Plaatselijk is eveneens een bijmenging met asfalt aangetroffen. Daarnaast zijn rondom de bijgebouwen asbestverdachte fragmenten aangetroffen op het maaiveld. De gebouwen zijn niet voorzien van regengoten. Deze waarnemingen vormen aanleiding tot een onderzoek naar asbest (is niet uitgevoerd). Het mengmonster van de puinhoudende bovengrond van de oprit was licht verontreinigd met lood, zink, PAK, PCB en minerale olie (gehalte overwegend <2x AW). Het mengmonster van de resterende bovengrond (weiland) was licht verontreinigd met cadmium en PCB’s. Het freatisch grondwater ter plaatse was licht verontreinigd met barium, xylenen en naftaleen. Op het westelijk terrein zijn in de ondergrond bijmengingen aangetroffen met afval.
Tijdens de uitvoer van het onderzoek is door de eigenaar aangegeven dat de stortplaats inderdaad op dit terrein heeft gelegen en dat hier ondermeer complete wagens bouw- en sloopafval ingegaan zouden zijn. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken ter plaatse van de stort zou hier met name puin en organisch materiaal gestort zijn, dit verklaart het relatief hoge gehalte organische stof in de verdachte bodemlaag. In de deklaag zijn licht tot matig verhoogde gehalten met zware metalen, minerale olie, PCB en PAK aangetoond. Van de zintuiglijk meest verontreinigde monsters van boringen 102 en 124 (grondhoudende stortlaag) is een mengmonster samengesteld wat matig verontreinigd was met PAK’s (0,55x IW) en PCB’s (0,86x IW) en licht verontreinigd was met een aantal zware metalen en minerale olie. Deze verontreinigingen kunnen worden gerelateerd aan de aanwezige stortplaats. Het freatisch grondwater ter plaatse van de stort (peilbuis 102) was licht verontreinigd met nikkel en xylenen. Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
7
De aangetroffen verontreinigingen ter plaatse van de stort vormen op zichzelf geen aanleiding tot het nemen van sanerende maatregelen. Wel is geadviseerd om in overleg te treden met de gemeente Cuijk teneinde de grenzen van de locatie opnieuw te laten bepalen. Tevens is geadviseerd om in overleg met de provincie Noord-Brabant te gaan teneinde de grenzen van de stortplaats en de hieruit voortvloeiende consequenties opnieuw te laten vaststellen. 2.2.4 Bodemonderzoeken omgeving In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Op de locatie en in de omgeving is in 1995 een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd door het adviesbureau Geosurvey. Het onderzochte gebied betreft de Heeswijkse Kampen en Beerse-OverlaatOost. Uit dit onderzoek is deellocatie A van belang, welke zich tussen de Havenlaan en de Nielt bevindt. De onderzoekslocatie van onderliggend onderzoek beslaat een deel van deellocatie A uit het onderzoek van Geosurvey. In de grond bleken lichte verontreinigingen van cadmium, koper, nikkel en zink voor te komen. In het grondwater bevonden zich naast lichte verontreinigingen ook (plaatselijk) matige verontreinigingen met cadmium, nikkel en zink en een sterke verontreiniging met zink.
Uit een onderzoek naar de concentratie aan PAK’s, in maart 2000 door TAUW, van het asfalt van de Havenlaan en enkele andere straten in de omgeving blijkt dat de wegdelen van de Havenlaan geen verhoogde concentraties PAK bevatten ten opzichte van de samenstellingswaarde. Ten noorden van de onderhavige locatie is in het verleden een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in opdracht van de gemeente Cuijk. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in rapport 1156R121, Archimil, d.d. 11-01-2012. Uit het onderzoek volgt dat de grond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) noch de grond uit de onderlaag (0,5-2 m-mv) verontreinigd was met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater was plaatselijk licht verontreinigd met kwik. 2.3 Toekomstig gebruik Ter plaatse van het onderzoeksterrein zal in de nabije toekomst een locatie voor de begeleiding van kinderen met een ontwikkelingsbeperking en/of gedragsproblematiek worden opgericht. Hiertoe zullen de bestaande bijgebouwen worden gesloopt en zal op een drietal locaties nieuwbouw plaatsvinden.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
8
2.4 Algehele bodemkwaliteit De gemeente Cuijk maakt gebruik van een bodemkwaliteitskaart en bodembeheerplan (februari 2019). De onderzoekslocatie valt in de zone Uitbreidingsgebieden bebouwde kom en buitengebied. De bovengrond van onverdachte locaties in deze zone is gemiddeld genomen licht verontreinigd met PCB’s en PAK’s en de kwaliteit voldoet gemiddeld genomen aan de klasse Wonen. De ondergrond is gemiddeld genomen licht verontreinigd met PCB’s. Opgemerkt wordt dat PFAS nog niet is opgenomen in de bodemkwaliteitskaart, zodat deze per 1 oktober j.l. buiten werking gesteld is. Momenteel ligt een concept van de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart van de regio Noordoost Brabant ter inzage. De gemeente Cuijk maakt gebruik van een goedgekeurde bodemfunctieklassenkaart (februari 2019). Hierin heeft de locatie de functie overig (landbouw/natuur) toegekend gekregen. Van de regio zuidoost Brabant, noord- en midden Limburg is bekend dat er zich verhoogde achtergrondwaarden aan zware metalen in het grondwater manifesteren. Deze zijn enerzijds toe te schrijven aan uitloging uit deze verhardingen van zinkassen en depositie van zware metalen door het productieproces van deze zinkassen in de fabriek in Budel-Dorplein (diffuse verontreinigingen). Wanneer dit het geval is op een locatie zal de stof zink overheersen bij de verontreinigingen.
2.5 Bodemopbouw en (geo-)hydrologie Het te onderzoeken terrein heeft een hoogteligging gelijk aan ca. 11,0 m + N.A.P. De opbouw van de ondergrond is schematisch weergegeven in figuur A. Figuur A: opbouw ondergrond.
Formatie van Boxtel Formatie van Sterksel Formatie van Beegden Formatie van Peize / Waalre Kiezeloöliet formatie Formatie van Oosterhout Formatie van Breda
Zwak siltig fijn tot matig grof zand Grof zand en grind Zandige leem tot grind, uitkomst van Maasafzettingen Fluviatiel wit of grijs grof zand en grind Grof zand, grind en plaatselijk klei Middelgrof tot grof schelpenzand. Het bovenste deel bevat kleilagen Mariene zanden en kleien
De freatische grondwaterspiegel bevindt zich op circa 3,0 m-mv. De stromingsrichting van het freatische grondwater is globaal zuidelijk, richting de Kraayenbergse plassen, gericht. De stromingsrichting van het grondwater in het eerste watervoerende pakket is globaal noordoostelijk, richting de Maas, gericht. Voorgenoemde geohydrologische gegevens zijn ontleend aan de grondwaterkaart van Nederland [6].
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
9
2.6 Conclusie vooronderzoek Het vooronderzoek heeft zich gericht zich op de onderzoekslocatie en de direct aanliggende percelen vanaf de grens van het onderzoeksgebied tot aan 25 meter buiten het onderzoeksgebied. Gezien de leeftijd van het voorgaande onderzoek en de wijziging in een gevoeligere functie is door het bevoegd gezag verzocht een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Op basis van bovenstaande gegevens wordt vooralsnog uitgegaan van een heterogeen verdachte locatie. Onderzoek zal derhalve uitgevoerd worden volgens de strategie VED-HE uit NEN 5740. Voor asbest wordt, door het aantreffen van asbestverdacht plaatmateriaal op het maaiveld tijdens het voorgaande onderzoek, uitgegaan van een verdachte locatie. Onderzoek ter plaatse van de verdachte terreinen zal derhalve uitgevoerd worden conform de NEN 5707. In bijlage 3 is een tekening van de geografische afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek opgenomen.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
3
10
OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
3.1 Maaiveldinspectie Ter plaatse van de verharde oprit, rondom de woning en rondom de bijgebouwen is het terrein verdacht voor een verontreiniging met asbest (zie groene contour). Ter plaatse dient een maaiveldinspectie te worden uitgevoerd. Het maaiveld wordt ingedeeld in inspectiestroken van maximaal 1,5 meter breed die in twee richtingen haaks op elkaar worden geïnspecteerd. Wanneer meer dan 10 cm2/m2 aan asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen dan worden voor het betreffende deel van de locatie inspectierasters van 1 x 1 m geïnspecteerd. Alle aangetroffen asbestverdachte materialen worden op kaart vastgelegd en per soort verzameld. Tevens wordt de inspectie-efficiency ingeschat. 3.2 Opzet bodemonderzoek Van elke 50 cm bodemlaag of van iedere bodemlaag afzonderlijk worden tot de freatische grondwaterspiegel representatieve monsters genomen. De boringen worden gelijkmatig over de te onderzoeken locatie verdeeld volgens een systematisch patroon. In bijlage 3 is een situatieschets opgenomen waarin de plaatsen van de boringen en de peilbuizen zijn aangegeven. Grens stortplaats Tegen de westelijke perceelsgrens (vermoedelijke grens stortplaats) worden, ter verificatie, vier boringen geplaatst tot 2,0 m-mv.
Van de boringen op de westelijke perceelsgrens wordt, op basis van zintuiglijke waarnemingen, één mengmonster samengesteld welke wordt onderzocht op de componenten uit het standaardpakker voor grond. Resterend terrein Op het resterend te onderzoeken terreindeel (ca. 7525 m2) worden, conform de strategie heterogeen verdacht (VED-HE), 23 grondboringen geplaatst tot 0,5 m-mv. Het grondwater van peilbuis 101 zal, indien bruikbaar, worden herbemonsterd. Mocht peilbuis 101 niet bruikbaar zijn dan wordt één van de boringen doorgezet tot circa 150 cm onder de actuele grondwaterstand en afgewerkt met een peilbuis om het grondwater te onderzoeken. In overleg met de gemeente Cuijk is door U overeengekomen dat onderzoek van de ondergrond niet noodzakelijk is en volstaan kan worden met een beperkt onderzoek van het grondwater. In het laboratorium worden vier grond(meng)monsters van de verdachte bovengrond samengesteld, deze worden onderzocht op de parameters volgens het standaardpakket voor grond. Het grondwatermonster van peilbuis 101 (of een vervanging daarvan) wordt onderzocht op parameters volgens het standaardpakket voor grondwater.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
11
Asbestonderzoek Tenminste acht van de boringen worden in het voor asbestverdachte terrein (rondom bebouwing en de oprit) uitgevoerd als inspectiegaten (30x30x50 cm). De opgegraven grond uit de bodemlaag tot 0,5 mmv wordt gezeefd over 20 mm waarna de grove fractie (> 20 mm) wordt geïnspecteerd. Per gat worden de asbestverdachte materialen verzameld en verpakt. Hierbij wordt het gehalte aan asbest geschat. Ter plaatse van de regendrupzones van de gebouwen worden, direct in lijn met de strategie voor nader onderzoek naar asbest, een achttal inspectiesleuven gegraven (van 200x30x10 cm). De opgegraven grond wordt gezeefd over 20 mm waarna de grove fractie (> 20 mm) wordt geïnspecteerd. De in het veld samengestelde verzamelmonsters van de grove en fijne fractie worden in het laboratorium onderzocht op het gehalte aan asbest. In het laboratorium worden vier mengmonsters (2x vbo-a + 2x regendrup) van de fijne fractie onderzocht conform NEN5896.
3.3 Analysepakketten De toegepaste NEN-pakketten bestaan uit: Grond: standaardpakket grond: Droge stof, Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale Olie (GC) (C10 - C40), PAK (10 VROM), PCB (7) Grondwater: standaardpakket grondwater: Metalen (Ba,Cd,Co,Cu,Hg,Mo,Ni,Pb,Zn), Minerale olie (GC), Aromaten (BTEXN), Styreen, VOCl (11), Vinylchloride, 1,1 Dichlooretheen, 1,1-Dichloorpropaan, 1,2-Dichloorpropaan, 1,3-Dichloorpropaan, Bromoform Ter bepaling van de achtergrond- en interventiewaarden worden enkele representatieve grondmengmonsters onderzocht op het gehalte aan lutum en organisch stof. 3.4 Uitvoering bodemonderzoek De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4]. De activiteiten bestaan uit: 1. het uitvoeren van een globale locatie-inspectie; 2. het verrichten van de boringen en 3. het plaatsen van de peilbuizen; 4. het bemonsteren van de grond en het grondwater; 5. visueel en organoleptisch onderzoek van de monsters. De grondboringen worden voor zover mogelijk met handkracht uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van een ongelakte Edelmanboor met een diameters van 6 tot 12 cm. Er wordt voor zover mogelijk geen werkwater gebruikt. Na elke boring wordt het boormateriaal met leidingwater schoongemaakt.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
12
Voor het plaatsen van de peilbuizen wordt geboord tot circa 1,5 meter beneden de freatische grondwaterspiegel. Het materiaal van de buis is slagvast P.V.C.. Het geperforeerde gedeelte wordt omgeven door een gewassen, paraffinevrije filterkous en gegloeid en gezeefd filtergrind. Het nietgeperforeerde gedeelte wordt met de oorspronkelijke grond omstort. Het boorgat wordt afgedicht met een laag zwelklei van ca. 50 cm. De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters worden uitgevoerd door een AS3000 geaccrediteerd laboratorium. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de voorbehandelings-, opwerkings-, en analysemethoden zoals beschreven in de NEN-normen en de protocollen van de Stichting Infra Kwaliteitsborging Bodemonderzoek [4].
Foto van de onderzoekslocatie – d.d. 21 januari 2020
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
4
13
WIJZE VAN BEOORDELEN EN INTERPRETATIE
Bij de beoordeling en interpretatie van de resultaten is gebruik gemaakt van de circulaire bodemsanering 2013. Deze circulaire definieert streefwaarden, achtergrondwaarden, interventiewaarden en tussenwaarden voor de beoordeling van de concentratieniveaus van diverse verontreinigingen in grond en grondwater. In onderstaand overzicht worden deze toegelicht: - de Achtergrondwaarde (grond) of Streefwaarde (grondwater) geeft het niveau aan waarbij, volgens de huidige inzichten, sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In geval er curatief gehandeld moet worden, geeft deze waarde het niveau aan dat bereikt moet worden om de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier of plant heeft, volledig te herstellen; - de interventiewaarde (I) geeft het niveau aan waarbij de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant, ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Bij gehalten boven deze waarde is normaliter sprake van een ernstige verontreiniging en zal moeten worden bekeken of sanering urgent is; - de tussenwaarde (T = [S + I] / 2) bevindt zich op de helft tussen de streef- en interventiewaarde. Boven deze waarde is in ieder geval, en onder deze waarde afhankelijk van bepaalde factoren zoals bodemtype, een nader onderzoek gewenst. Deze waarden zijn afhankelijk van de grondsoort.
Op basis van het lutum en het organische stofgehalte van de onderzochte grond, wordt een correctie uitgevoerd op de waarden zoals die voor een standaardbodem (lutum= 25% en humus= 10%) zijn vastgesteld. Om de mate van verontreiniging weer te geven wordt in dit rapport de onderstaande terminologie gebruikt: - niet verontreinigd concentratie lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde; - licht verontreinigd concentratie hoger dan de achtergrondwaarde, maar lager dan of gelijk aan de tussenwaarde; - matig verontreinigd concentratie hoger dan de tussenwaarde, maar lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; - sterk verontreinigd concentratie hoger dan de interventiewaarde. Specifiek voor verontreinigingen met zware metalen ten gevolge van zinkassen in projectgebied de Kempen zijn in de Regeling Uniforme Saneringen terugsaneerwaarden vastgesteld voor wonen met moestuin (ABdKM) en wonen met siertuin (ABdK-S). Deze normen zijn verruimd ten opzichte van de algemene terugsaneerwaarden zoals deze eerder in de bodemgebruikswaarden waren vastgelegd en die sinds 1 oktober 2008 zijn vervangen door de achtergrondwaarden (AW), maximale waarden voor wonen (MWW) en maximale waarden voor industrie (MWI) uit het besluit bodemkwaliteit. Voor asbest is alleen een interventiewaarde vastgesteld, er is geen achtergrondwaarde vastgesteld.
De interventiewaarde voor vaste bodem ligt op 100 mg/kgds (concentratie serpentijn plus 10 x concentratie amfibool). De interventiewaarde is gelijk aan de hergebruikswaarde voor asbest in puin.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
5
14
ASBESTONDERZOEK
5.1.1 Maaiveldinspectie Op 20 januari 2020 is voorafgaand aan het onderzoek van de contactzone een maaiveldinspectie uitgevoerd door SIKB2018 erkend veldwerker R. Meulepas. Ten tijde van de maaiveldinspectie was het licht bewolkt en viel er geen neerslag. De inspectie-efficiency is geschat op 90%. Op het maaiveld zijn tijdens de maaiveldinspectie op twee plaatsen asbestverdachte materialen aangetroffen. Bij het zuidoostelijke schuurtje is één fragment (ABMV1) aangetroffen. Bij het noordelijke bijgebouw zijn ten noorden daarvan enkele grote fragmenten plaatmateriaal en buismateriaal opgestapeld (ABMV2), welke niet zijn bemonsterd. In bijlage 3 is een situatieschets opgenomen waarop de vindplaatsen van asbestverdachte materialen zijn aangegeven. 5.1.2 Onderzoek contactzone Na de maaiveldinspectie zijn op 20 januari 2020 onafhankelijk van de opdrachtgever de gaten G202 t/m G208 (oprit) en G209 (zuidoostelijk bijgebouw) gegraven en geïnspecteerd door SIKB2018 en SIKB2001 erkende veldwerkers R. Meulepas en V. Burgers. Ter plaatse van de drupzones van de asbesthoudende bebouwing zijn de inspectiesleuven S1 t/m S7 gegraven. Voor een beschrijving van het opgegraven materiaal ter plaatse wordt verwezen naar de boorstaten (bijlage 4). In de bovengrond van de oprit is een zwakke tot sterke bijmenging met puin aangetroffen.
Bij de inspectiegaten G204 en G208 is eveneens een matige bijmenging met asfalt aangetroffen. In de toplaag (10 cm) is overwegend een zwakke bijmenging met puin aangetroffen. Rondom het hoofdgebouw is eveneens een zwakke bijmenging met glas aangetroffen. Bij elk inspectiegat / -sleuf is het vochtgehalte bepaald waarbij is vastgesteld dat deze boven de 10% lag. Er is geen noodzaak gebleken om aanvullende adembescherming te dragen. Het uitkomend materiaal uit de inspectiegaten is gezeefd over 20 mm, waarna de grove fractie (>20 mm) is geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdacht materiaal. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Van de fijne fractie (< 20 mm) zijn, op basis van zintuiglijke waarnemingen, in het veld vier mengmonsters samengesteld. 5.1.3 Resultaten laboratoriumonderzoek Maaiveld De asbestverdachte materialen welke op het maaiveld zijn gevonden nabij het zuidoostelijke bijgebouw zijn samengevoegd tot één verzamelmonster (ABMV1). Gelet op de beperkte hoeveelheid (8 gram, veldvochtig) is ervoor gekozen het materiaal niet te laten onderzoeken op het gehalte aan asbest. aangetroffen. Grove fractie (>20 mm) In de grove fractie van de inspectiegaten en inspectiesleuven is geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
15
Fijne fractie (<20 mm) De mengmonsters van de fijne fractie zijn in een daarvoor erkend laboratorium onderzocht op het gehalte aan asbest. Het analysecertificaat is bijgevoegd in bijlage 5. Mengmonster M.M.1 (oprit) M.M.2 (bijgebouwen) M.M.3 (drupzone hoofdgebouw) M.M.4 (drupzone bijgebouwen)
Monsters (cm-mv)
Concentratie (mg/kg (gewogen)
G202 (0-50), G203 (0-30), G204 (0-25), G205 (0-50), G207 (0-45), G208 (0-30) G206, G209 S1 t/m S3 (0-10) S4 t/m S7 (0-10)
0,9 <0,8 7,7 8,4
Uit het analysecertificaat volgt dat in de fijne fractie van de oprit, in de fractie 2-4 mm, twee asbesthoudende fragmentjes zijn aangetroffen. Dit leidt tot een gewogen gehalte asbest van 0,9 mg/kgds. In de fijne fractie van de drupzone van het hoofdgebouw en de bijgebouwen zijn in de fractie van 1-4 mm enkele asbesthoudende fragmentjes en enkele losse vezelbundels aangetroffen, wat leidt tot een maximaal gehalte van 8,4 mg/kgds. In geen van de inspectiegaten wordt de grens voor nader onderzoek (van 50 mg/kdgs) overschreden en in geen van de inspectiesleuven is een gehalte aangetroffen >100 mg/kgds , derhalve wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht en kan de locatie als onverdacht voor een bodemverontreiniging met asbest worden beschouwd.
Foto van de onderzoekslocatie – d.d. 21 januari 2020 Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
6
16
VERKENNEND BODEMONDERZOEK
6.1 Veldwerk grond De grondmonsters zijn op 20 en 21 januari 2020 onafhankelijk van de opdrachtgever genomen door de heren R. Meulepas en V. Burgers (erkende monsternemers SIKB 2001). Voor een beschrijving van de opgeboorde grond ter plaatse wordt verwezen naar de boorstaten (bijlage 4). Bij geen van de monsters is een verdachte en/ of afwijkende geur waargenomen. In de bovengrond zijn plaatselijk bijmengingen aangetroffen, welke zijn verwerkt in onderstaande tabel. Boring 201 G202 G203 G204 G205 G207 G208 210 211
Terreindeel Weiland Oprit Oprit Oprit Oprit Oprit Oprit Grens stortplaats Grens stortplaats
212
Grens stortplaats
215 218 219 223
Weiland Weiland Weiland Weiland
Diepte (cm-mv) 0-40 0-30 0-50 0-25 0-50 0-45 0-40 0-50 50-130 0-50 50-80 80-110 80-130 130-180 180-210 0-50 0-45 0-50 0-50
Bijmenging Sporen kolengruis Sterk puin Sterk puin Zwak puin, matig asfalt Sterk puin, na 50 cm-mv nog steeds puin Sterk puin Sterk puin, matig asfalt Zwak puin Sterk textiel, zwak puin, sporen plastic Sporen puin Zwak puin Matig plastic, sporen hout en glas Zwak puin, slakken, glas en sporen kolengruis en ijzer Matig puin en plastic, zwak glas, slakken en sporen keramiek en ijzer Zwak puin, plastic en sporen keramiek Sporen baksteen Zwak baksteen Sporen baksteen Sporen baksteen
In de bovengrond van de oprit is heterogeen een zwakke tot sterke bijmenging met puin aangetroffen. Bij de inspectiegaten G204 en G208 is eveneens een matige bijmenging met asfalt aangetroffen. In de ondergrond ter plaatse van de perceelsgrens met de stortplaats (0,50-2,10 m-mv) is een zwakke tot sterke bijmenging met afval (puin, textiel, glas, slakken, keramiek en kolengruis) aangetroffen. Derhalve bevindt de stortplaats zich nog deels onder de huidige onderzoekslocatie. Bij de boringen 101, 104 en 106 van het voorgaande onderzoek zijn tot 2,0 m-mv geen bijmengingen aangetroffen welke kunnen duiden op de stortplaats, derhalve zal de overschrijding van de stortplaats vermoedelijk beperkt zijn en zich niet uitstrekken tot onder het noordwestelijk gewenste bouwblok (boringen 106 en 214). Ter plaatse van het wei-/ grasland zijn plaatselijk sporen baksteen aangetroffen. In de bovengrond van boring 218 (nabij de oprit) is een zwakke bijmenging met baksteen aangetroffen. De aangetroffen bijmengingen zouden aanleiding kunnen geven tot een onderzoek naar asbest. Zintuiglijk zijn, ter plaatse van het onverdachte terrein, geen bijmengingen met asbest aangetroffen in of op de bodem.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
17
Aangezien ter plaatse van de verdachte terreindelen geen sprake is van een bodemverontreiniging met asbest (gehalte ruimschoots <50 mg/kgds) wordt een onderzoek naar asbest ter plaatse van het wei-/ grasland weinig zinvol geacht. 6.2 Aanpassing onderzoeksopzet Ter plaatse van de oprit is sprake van een heterogene situatie, waarbij plaatselijk zwakke tot sterke bijmengingen met puin worden aangetroffen. Heterogeen is eveneens een bijmenging met asfalt aangetroffen. In afwijking op paragraaf 5.5.2.3 uit de NEN 5740 is een mengmonster samengesteld van zes, in plaats van maximaal vier, deelmonsters. Gelet op de heterogene situatie ter plaatse van de oprit en de resultaten van het voorgaand onderzoek (mengmonster van de puin- en asfalthoudende oprit, was licht verontreinigd met lood, zink, minerale olie, PCB’s en PAK’s) wordt het niet waarschijnlijk geacht dat deze afwijking een negatief effect heeft op de onderzoeksresultaten. 6.3 Veldwerk grondwater De peilbuis is op 20 januari 2020 geplaatst en voorgepompt. Het grondwater is op 27 januari 2020 nogmaals voorgepompt en vervolgens bemonsterd door de heer R. Meulepas (erkend monsternemer SIKB 2002). De in het veld bepaalde gegevens met betrekking tot het grondwater staan vermeld in het volgende overzicht: Peilbuis nr.
Filterstelling (m-mv)
Datum
Gw-stand (m-mv)
pH
Ec (µS/cm)
Troebelheid (FTU)
Opmerkingen
201.1
3,60 – 4,60
27-01-2020
3,15
7.18
216
24,94
geen
Wanneer een watermonster troebel is (> 10 FTU), dus losgespoelde gronddeeltjes bevat, is er een kans dat er gronddeeltjes worden geanalyseerd in plaats van het grondwater. (An)organische stoffen (die zich hebben gehecht aan de gronddeeltjes) kunnen daardoor de analyseresultaten beïnvloeden.
6.4 Analyseresultaten De resultaten van de analyses van de grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn weergegeven in de tabellen. Tevens zijn de analyserapporten opgenomen in bijlage 5. 6.4.1 Grondmengmonsters Van de grondmonsters van de heterogeen verdachte bovengrond zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen vijf mengmonsters samengesteld welke zijn onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grond. Mengmonster Perceelsgrens (zwak-sterk afval) bg oprit (zwak/sterk puin)
Archimil BV
Monsters (cm-mv) 210: 100-130, 211: 80-110, 212: 80-130 & 130-180 G202: 0-30, G203: 0-50, G204: 0-25, G205: 0-50, G207: 0-45, G208: 0-40
Analyseresultaat Zink (420), PCB (0,51) >I Koper, nikkel, minerale olie (110), PAK (21) >MWW Cadmium, kwik, lood >AW Minerale olie (42) >MWW PAK (2,4) >AW
Bodemkwaliteit Sterk verontreinigd
Klasse Wonen (gehalte <AW+MWW)
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
Mengmonster bg noordwest bg weiland noord bg weiland zuid
Monsters (cm-mv) G206: 0-50, 214: 0-50, 215: 0-50, 216: 0-50 201: 0-40, 217: 0-50, 218: 0-45, 219: 0-50, 220: 0-50, 221: 0-45 222: 0-50, 223: 0-45, 224: 0-50, 225: 0-50, 226: 0-20, 227: 0-50, G209: 0-45
18
Analyseresultaat PCB (0,0068)>AW Cadmium (0,96), zink (110), PCB (0,018) >MWW Koper, kwik, lood, PAK >AW PCB (0,014)>MWW
Bodemkwaliteit Achtergrondwaarden (gehalte <2x AW) Klasse Industrie
Klasse Wonen (gehalte <AW+MWW)
Uit de toetsingstabellen volgt dat de afvalhoudende bodemlaag sterk verontreinigd is met zink en PCB’s, matig verontreinigd met PAK’s en licht verontreinigd is met minerale olie, cadmium, koper, kwik, lood en nikkel. De aangetroffen gehaltes (oa. PAK’s en PCB’s) komen globaal overeen met de resultaten van het voorgaande onderzoek ter plaatse van de stortplaats, alleen lag destijds het gehalte PCB’s juist onder de interventiewaarde en is destijds een lager gehalte zink gemeten. Dit komt overeen met de heterogeniteit van het stortmateriaal. De heterogeen zwak tot sterk puinhoudende bovengrond van de oprit is licht verontreinigd met minerale olie en PAK’s. Deze verhogingen kunnen worden toegeschreven aan de bijmengingen met puin en asfalt en komen overeen met de resultaten uit 2012. Gelet op de beperkte overschrijding van de achtergrondwaarde achten wij een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen niet noodzakelijk. De verdachte bovengrond van het weiland is overwegend licht verontreinigd met PCB’s. Het mengmonster van de noordelijke boringen in het weiland is tevens licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK’s. Gelet op de beperkte overschrijding van de achtergrondwaarde achten wij een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen niet noodzakelijk.
6.4.2 Grondwatermonsters Het grondwater is onderzocht op de componenten uit het standaardpakket voor grondwater. In onderstaande tabel zijn de getoetste resultaten weergegeven. Peilbuis 201.1.1
Filtertraject (m-mv) 3,60 – 4,60
Analysepakket Standaardpakket
Analyseresultaat <Streefwaarde
Uit de toetsingstabel volgt dat het grondwater niet verontreinigd is met één van de componenten waarop is onderzocht.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
19
6.5 Gevolgen Het is in het kader van de provinciale milieuverordening verboden om, zonder door de provincie NoordBrabant goedgekeurd hergebruikplan, werkzaamheden op of in de stortplaats uit te voeren die de nazorg kunnen belemmeren. In het kader van de wet bodembescherming is het verboden om zonder instemming van het bevoegde gezag (provincie of gemeente) verontreinigde grond of grondwater te verplaatsen (onttrekken) of te verwijderen. In aanvulling op bovenstaande algemene verboden is in het NAVOSonderzoek geadviseerd om geen grondwater te onttrekken ter plaatse, of in de directe nabijheid, van de stortplaats. Het huidige noordwestelijke bouwblok is gesitueerd buiten de stortcontour (boringen 106 tot 1,9 m-mv zintuiglijk en analytisch schoon). Op basis van het geheel aan onderzoeksresultaten behoeven er ons inziens geen restricties te worden gesteld aan de toekomstige uitbreiding van de bebouwing op de aangegeven locaties en het gebruik van de locatie. Wanneer graafwerkzaamheden voorzien zijn in de zone tussen het hoofdgebouw en de perceelsgrens (zie de tekening in bijlage 3) of wanneer het noordwestelijke gebouw westelijker wordt gesitueerd dan dient een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om de omvang en de grens van de stortplaats te bepalen.
Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
7
20
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Het onderzoek heeft betrekking op het terrein gelegen aan de Lange Linden 27 te Katwijk. Het doel van een verkennend bodemonderzoek is door een relatief geringe inspanning een inzicht te verkrijgen van de bodemgesteldheid. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: 1.
2.
3.
4.
5.
6. 7. 8.
Ten westen van het hoofdgebouw ligt een gesloten stortplaats. De exacte grens hiervan is nog niet in kaart gebracht. Uit het geheel aan onderzoeksresultaten volgt dat de stortplaats ook op een beperkt deel van de onderzoekslocatie ligt. De afvalhoudende bodemlaag ter plaatse van de perceelsgrens is sterk verontreinigd met zink en PCB’s, matig verontreinigd met PAK’s en licht verontreinigd met minerale olie, cadmium, koper, kwik, lood en nikkel. De oprit is verhard met een mengsel van asfalt (G204 en G208), grind en puin. In de grove fractie van de inspectiegaten is geen asbest aangetroffen. In de fijne is in beperkte mate asbest aangetroffen (0,9 mg/kgds). Analytisch is de puin- en asfalthoudende bodemlaag licht verontreinigd met minerale olie en PAK’s. Ter plaatse van de regendrupzones van de gebouwen (0-10 cm-mv) is in de grove fractie geen asbest aangetroffen. In de fijne fractie is een maximaal gewogen gehalte asbest aangetroffen van 8,4 mg/kgds. In geen van de inspectiegaten wordt de grens voor nader onderzoek (van 50 mg/kdgs) overschreden. In de inspectiesleuven ter plaatse van de regendrupzones ligt het gehalte ruimschoots onder de 100 mg/kgds. Derhalve is op de locatie geen sprake van een bodemverontreiniging met asbest. De heterogeen verdachte bovengrond uit de bovenlaag (0-0,5 m-mv) van het weiland is licht verontreinigd met PCB’s.
Het mengmonster van de noordoostelijke boringen is eveneens licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, lood en zink. De aangetroffen verontreinigingen komen overeen met de verwachting op basis van voorgaand onderzoek. De grond uit de onderlaag is bij voorgaand onderzoek afdoende onderzocht. Het grondwater is niet verontreinigd met één van de componenten uit het standaardpakket. De hypothese heterogeen verdachte locatie kan voor de bovengrond worden aangenomen en dient voor het grondwater te worden verworpen op basis van de onderzoeksresultaten.
Naar aanleiding van bovenstaande conclusies merken wij het volgende op: 1.
2. 3.
4.
Archimil BV
Het is in het kader van de provinciale milieuverordening verboden om, zonder goedgekeurd hergebruikplan, werkzaamheden op of in de stortplaats uit te voeren die de nazorg kunnen belemmeren. In aanvulling hierop is in het NAVOS-onderzoek geadviseerd om geen grondwater te onttrekken ter plaatse, of in de directe nabijheid, van de stortplaats. Om meer inzicht te verkrijgen in de omvang van de stortplaats ter plaatse van de onderzoekslocatie adviseren wij hiernaar een beperkt aanvullend onderzoek te laten uitvoeren. Ons inziens behoeven er voor het overige, op basis van de onderzoeksresultaten, geen restricties gesteld te worden aan toekomstige bouwactiviteiten op de gewenste locaties op de onderzochte locatie. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het besluit bodemkwaliteit. Afdeling Bodem en Bouwstoffen
12 maart 2020 rapportnummer: 3316R002-2
21
TABELLEN
Archimil BV voert zijn bodemonderzoeken zorgvuldig en volgens de geldende normen uit. Elk bodemonderzoek is echter gebaseerd op een beperkt aantal grondboringen: ten opzichte van het totale bodemvolume is slechts een klein deel (chemisch) onderzocht. Het is dus mogelijk dat plaatselijk afwijkingen in de bodem voorkomen, of dat zich verontreinigende stoffen in de bodem bevinden die niet met dit onderzoek naar voren zijn gekomen. Een bodemonderzoek is een momentopname en heeft een beperkte geldigheid: na monstername kan immers een nieuwe verontreiniging geïntroduceerd zijn, terwijl een mobiele verontreiniging zich misschien verplaatst. Archimil BV acht zich dan ook niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook. Archimil BV
Afdeling Bodem en Bouwstoffen
BoToVa T1 Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de landbodem Projectnummer Projectnaam Ordernummer Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum
3316R002 Vbo Lange Linden 27 Katwijk
Analyse
Eenheid
20-01-2020 Vincent Burgers 2020008998 21-01-2020 24-01-2020
Bodemtype correctie Organische stof Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Voorbehandeling Cryogeen malen AS3000 Bodemkundige analyses Droge stof % (m/m) Organische stof % (m/m) ds Gloeirest % (m/m) ds Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) % (m/m) ds Metalen Barium (Ba) mg/kg ds Cadmium (Cd) mg/kg ds Kobalt (Co) mg/kg ds Koper (Cu) mg/kg ds Kwik (Hg) mg/kg ds Molybdeen (Mo) mg/kg ds Nikkel (Ni) mg/kg ds Lood (Pb) mg/kg ds Zink (Zn) mg/kg ds Minerale olie Minerale olie (C10-C12) mg/kg ds Minerale olie (C12-C16) mg/kg ds Minerale olie (C16-C21) mg/kg ds Minerale olie (C21-C30) mg/kg ds Minerale olie (C30-C35) mg/kg ds Minerale olie (C35-C40) mg/kg ds Minerale olie totaal (C10-C40) mg/kg ds Chromatogram olie (GC) Polychloorbifenylen, PCB PCB 28 mg/kg ds PCB 52 mg/kg ds PCB 101 mg/kg ds PCB 118 mg/kg ds PCB 138 mg/kg ds PCB 153 mg/kg ds PCB 180 mg/kg ds PCB (som 7) (factor 0,7) mg/kg ds Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK Naftaleen mg/kg ds Fenanthreen mg/kg ds Anthraceen mg/kg ds Fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)anthraceen mg/kg ds Chryseen mg/kg ds Benzo(k)fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)pyreen mg/kg ds Benzo(ghi)peryleen mg/kg ds Indeno(123-cd)pyreen mg/kg ds PAK VROM (10) (factor 0,7) mg/kg ds
1
GSSD
90 2,7 97 5,1 95 0,58 5,4 61 0,44 <1,5 18 70 420
265,3 0,9247 Wonen 14,18 <=AW 111,6 Industrie 0,5987 Wonen 1,05 <=AW 41,72 Industrie 102,9 Wonen 847,9 Nooit toepasbaar
0,0032 0,014 0,076 0,022 0,13 0,15 0,12 0,51
0,0118 0,0518 0,2815 0,0814 0,4815 0,5556 0,4444 1,908 Nooit toepasbaar
0,15 2,6 0,83 3,9 3,4 3,1 1,7 2,4 1,3 1,7 21
Analytico-nr
Monster westelijke grens, 210: 100-130, 211: 80-110, 212:80-130, 212: 130-180
0,15 2,6 0,83 3,9 3,4 3,1 1,7 2,4 1,3 1,7 21,08
Niet Toepasbaar > Interventiewaarde
Gebruikte afkortingen Achtergrondwaarde
<= AW
kleiner dan of gelijk aan Achtergrondwaarde
RG Eis
Vereiste rapportagegrens
IW
Interventiewaarde
Industrie
IW
20 0,2 3 5 0,05 1,5 4 10 20
0,6 15 40 0,15 1,5 35 50 140
1,2 35 54 0,83 88 210 200
4,3 190 190 4,8 190 100 530 720
920 13 190 190 36 190 100 530 720
35
190
190
500
5000
0,0049
0,02
0,04
0,5
1
0,5
1,5
6,8
40
40
5,1
7,778 12,96 81,48 211,1 70,37 24,44 407,4
11156147
Gestandaardiseerd gehalte
Wonen
90 2,7
<3,0 <5,0 22 57 19 6,6 110 Zie bijl.
1
AW
AW
Uitgevoerd
Nr.
GSSD
RG Eis
2,7 5,1
Legenda
Eindoordeel:
Oordeel
Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/
Industrie
Industrie
BoToVa T1 Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de landbodem Projectnummer Projectnaam Ordernummer Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum
3316R002 Vbo Lange Linden 27 Katwijk
Analyse
Eenheid
20-01-2020 Vincent Burgers 2020008998 21-01-2020 24-01-2020
Bodemtype correctie Organische stof Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Voorbehandeling Cryogeen malen AS3000 Bodemkundige analyses Droge stof % (m/m) Organische stof % (m/m) ds Gloeirest % (m/m) ds Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) % (m/m) ds Metalen Barium (Ba) mg/kg ds Cadmium (Cd) mg/kg ds Kobalt (Co) mg/kg ds Koper (Cu) mg/kg ds Kwik (Hg) mg/kg ds Molybdeen (Mo) mg/kg ds Nikkel (Ni) mg/kg ds Lood (Pb) mg/kg ds Zink (Zn) mg/kg ds Minerale olie Minerale olie (C10-C12) mg/kg ds Minerale olie (C12-C16) mg/kg ds Minerale olie (C16-C21) mg/kg ds Minerale olie (C21-C30) mg/kg ds Minerale olie (C30-C35) mg/kg ds Minerale olie (C35-C40) mg/kg ds Minerale olie totaal (C10-C40) mg/kg ds Chromatogram olie (GC) Polychloorbifenylen, PCB PCB 28 mg/kg ds PCB 52 mg/kg ds PCB 101 mg/kg ds PCB 118 mg/kg ds PCB 138 mg/kg ds PCB 153 mg/kg ds PCB 180 mg/kg ds PCB (som 7) (factor 0,7) mg/kg ds Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK Naftaleen mg/kg ds Fenanthreen mg/kg ds Anthraceen mg/kg ds Fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)anthraceen mg/kg ds Chryseen mg/kg ds Benzo(k)fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)pyreen mg/kg ds Benzo(ghi)peryleen mg/kg ds Indeno(123-cd)pyreen mg/kg ds PAK VROM (10) (factor 0,7) mg/kg ds
2
GSSD
10,5 17,5 17,5 75 75 50 210
Industrie
35
190
190
500
5000
<0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 0,0049
0,0035 0,0035 0,0035 0,0035 0,0035 0,0035 0,0035 0,0245
<=AW
0,0049
0,02
0,04
0,5
1
<0,050 0,21 0,13 0,52 0,32 0,34 0,16 0,27 0,2 0,22 2,4
0,035 0,21 0,13 0,52 0,32 0,34 0,16 0,27 0,2 0,22 2,405
Wonen
0,5
1,5
6,8
40
40
Gebruikte afkortingen
Vereiste rapportagegrens
IW
Interventiewaarde
920 13 190 190 36 190 100 530 720
<3,0 <5,0 <5,0 15 15 10 42 Zie bijl.
Klasse industrie
kleiner dan of gelijk aan Achtergrondwaarde
210 200
4,3 190 190 4,8 190 100 530 720
152,1 0,4456 8,612 22,64 0,0481 1,05 16,32 46,39 120,5
bg1 oprit, G202: 0-30, G203: 0-50, G204: 0-25, G205: 0-50, G207: 0-45, G208: 0-40
RG Eis
0,6 15 40 0,15 1,5 35 50 140
1,2 35 54 0,83 88
<=AW
20 0,2 3 5 0,05 1,5 4 10 20
53 0,27 3,2 12 <0,050 <1,5 6,9 31 58
Monster
Achtergrondwaarde
IW
4,8
Analytico-nr
<= AW
Industrie
93 0,9
11156148
Gestandaardiseerd gehalte
Wonen
93 0,9 98,8 4,8
2
AW
AW
Uitgevoerd
Nr.
GSSD
RG Eis
0,9 4,8
Legenda
Eindoordeel:
Oordeel
Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/
<=AW <=AW <=AW <=AW <=AW <=AW <=AW
BoToVa T1 Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de landbodem Projectnummer Projectnaam Ordernummer Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum
3316R002 Vbo Lange Linden 27 Katwijk
Analyse
Eenheid
20-01-2020 Vincent Burgers 2020008998 21-01-2020 24-01-2020
Bodemtype correctie Organische stof Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Voorbehandeling Cryogeen malen AS3000 Bodemkundige analyses Droge stof % (m/m) Metalen Barium (Ba) mg/kg ds Cadmium (Cd) mg/kg ds Kobalt (Co) mg/kg ds mg/kg ds Koper (Cu) Kwik (Hg) mg/kg ds mg/kg ds Molybdeen (Mo) Nikkel (Ni) mg/kg ds Lood (Pb) mg/kg ds mg/kg ds Zink (Zn) Minerale olie Minerale olie (C10-C12) mg/kg ds Minerale olie (C12-C16) mg/kg ds Minerale olie (C16-C21) mg/kg ds Minerale olie (C21-C30) mg/kg ds Minerale olie (C30-C35) mg/kg ds Minerale olie (C35-C40) mg/kg ds Minerale olie totaal (C10-C40) mg/kg ds Polychloorbifenylen, PCB PCB 28 mg/kg ds PCB 52 mg/kg ds PCB 101 mg/kg ds PCB 118 mg/kg ds PCB 138 mg/kg ds PCB 153 mg/kg ds PCB 180 mg/kg ds PCB (som 7) (factor 0,7) mg/kg ds Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK Naftaleen mg/kg ds Fenanthreen mg/kg ds Anthraceen mg/kg ds Fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)anthraceen mg/kg ds Chryseen mg/kg ds Benzo(k)fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)pyreen mg/kg ds Benzo(ghi)peryleen mg/kg ds Indeno(123-cd)pyreen mg/kg ds PAK VROM (10) (factor 0,7) mg/kg ds
3
GSSD
2,2 2,6
Analytico-nr
Monster
3
11156149
bg2, G206: 0-50, 214: 0-50, 215: 0-50, 216: 0-50
Eindoordeel:
Gestandaardiseerd gehalte Achtergrondwaarde
<= AW
kleiner dan of gelijk aan Achtergrondwaarde
RG Eis
Vereiste rapportagegrens
IW
Interventiewaarde
Wonen
Industrie
IW
0,6 15 40 0,15 1,5 35 50 140
1,2 35 54 0,83 88
<=AW
20 0,2 3 5 0,05 1,5 4 10 20
210 200
4,3 190 190 4,8 190 100 530 720
920 13 190 190 36 190 100 530 720
Uitgevoerd 92,1
92,1
<20 <0,20 3,2 15 <0,050 <1,5 4,9 28 28
50,47 0,2366 10,56 30,2 0,0497 1,05 13,61 43,43 64,16
<3,0 <5,0 <5,0 <11 5,7 <6,0 <35
9,545 15,91 15,91 35 25,91 19,09 111,4
<=AW
35
190
190
500
5000
<0,0010 <0,0010 <0,0010 <0,0010 0,0013 0,0017 0,001 0,0068
0,0031 0,0031 0,0031 0,0031 0,0059 0,0077 0,0045 0,0309
Wonen
0,0049
0,02
0,04
0,5
1
<0,050 0,1 <0,050 0,26 0,15 0,18 0,088 0,13 0,098 0,12 1,2
0,035 0,1 0,035 0,26 0,15 0,18 0,088 0,13 0,098 0,12 1,196
<=AW
0,5
1,5
6,8
40
40
Gebruikte afkortingen AW
AW
#
Altijd toepasbaar
GSSD
RG Eis
#
Legenda Nr.
Oordeel
Deze toetsing is uitgevoerd met behulp van BoToVa. Zie voor info: http://www.rwsleefomgeving.nl/onderwerpen/bodem-ondergrond/bbk/instrumenten/botova/
<=AW <=AW <=AW <=AW <=AW <=AW <=AW
BoToVa T1 Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de landbodem Projectnummer Projectnaam Ordernummer Datum monstername Monsternemer Certificaatnummer Startdatum Rapportagedatum
3316R002 Vbo Lange Linden 27 Katwijk
Analyse
Eenheid
20-01-2020 Vincent Burgers 2020008998 21-01-2020 24-01-2020
Bodemtype correctie Organische stof Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) Voorbehandeling Cryogeen malen AS3000 Bodemkundige analyses Droge stof % (m/m) Organische stof % (m/m) ds Gloeirest % (m/m) ds Korrelgrootte < 2 µm (Lutum) % (m/m) ds Metalen Barium (Ba) mg/kg ds Cadmium (Cd) mg/kg ds Kobalt (Co) mg/kg ds Koper (Cu) mg/kg ds Kwik (Hg) mg/kg ds Molybdeen (Mo) mg/kg ds Nikkel (Ni) mg/kg ds Lood (Pb) mg/kg ds Zink (Zn) mg/kg ds Minerale olie Minerale olie (C10-C12) mg/kg ds Minerale olie (C12-C16) mg/kg ds Minerale olie (C16-C21) mg/kg ds Minerale olie (C21-C30) mg/kg ds Minerale olie (C30-C35) mg/kg ds Minerale olie (C35-C40) mg/kg ds Minerale olie totaal (C10-C40) mg/kg ds Polychloorbifenylen, PCB PCB 28 mg/kg ds mg/kg ds PCB 52 PCB 101 mg/kg ds mg/kg ds PCB 118 mg/kg ds PCB 138 mg/kg ds PCB 153 mg/kg ds PCB 180 mg/kg ds PCB (som 7) (factor 0,7) Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen, PAK mg/kg ds Naftaleen mg/kg ds Fenanthreen mg/kg ds Anthraceen mg/kg ds Fluorantheen mg/kg ds Benzo(a)anthraceen mg/kg ds Chryseen mg/kg ds Benzo(k)fluorantheen Benzo(a)pyreen mg/kg ds Benzo(ghi)peryleen mg/kg ds Indeno(123-cd)pyreen mg/kg ds PAK VROM (10) (factor 0,7) mg/kg ds