CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

11. Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek Leeuwerikstraat d.d. 13 dec 2019.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Mill , Leeuwerikstraat, Gruttostraat en Genieweg10.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

OPLEGNOTITIE EN VERKENNEND BOORONDERZOEK HAVIKSTRAAT EN LEEUWERIKSTRAAT TE MILL GEMEENTE MILL EN SINT HUBERT

oplegnotitie en verkennend booronderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill Opdrachtgever

Werkorganisatie CGM Postbus 7 5360 AA Grave

Rapportnummer 1

Versienummer

10780.001 2

Datum

13 december 2019

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

P. Beurskens MA en drs. M. Stiekema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

10780.001

Toponiem

Havikstraat en Leeuwerikstraat

Opdrachtgever

Werkorganisatie CGM

Gemeente

Mill en Sint Hubert

Plaats

Mill

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Mill, sectie F, nummer 4433, 4434 (ged.) en 4652.

Omvang plangebied

circa 1,4 ha

Kaartblad

46C (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 181.654/Y: 411.418

Bevoegde overheid

Gemeente Mill en Sint Hubert Kerkstraat 1 Mill 5451 BM Mill

T: 0485 460 300 E: info@gemeente-mill.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Werkorganisatie CGM Postbu s7 5360 AA Grave

Contactpersoon: Mevr. F. Jurgens E: Fra.Jurgens@cgm.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4745348100

Booronderzoek 4745356100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerder(s)

Econsultancy, P. Beurskens MA en drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Werkorganisatie CGM in oktober 2019 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het vooronderzoek bestaat uit een aanvulling op het Econsultancy rapport uit 2014 en een verkennend booronderzoek (IVO, verkennende fase). Het plangebied is gelegen aan de Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert. In het plangebied zal een nieuwbouwwijk worden gerealiseerd. Tevens zal de infrastructuur worden aangepast. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting plangebied Op basis van het bureauonderzoek uit 2014 en de aanvulling/actualisatie blijkt dat er een lage verwachting geldt voor het Paleolithicum en Mesolithicum. De landschappelijke situatie van het plangebied wordt niet als een gunstige situatie gezien. Voor de landbouwers, Neolithicum tot en met de Middeleeuwen, is het een gunstige bewoningslocatie en geldt er een hoge verwachting. Voor de Nieuwe tijd geldt eveneens een hoge verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied deels intact is, en deels licht tot matig verstoord is.

De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans van in ieder geval een groot deel van het plangebied blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Mill en Sint Hubert). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.

Rapport 10780.001 versie 2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

AANVULLENDE INFORMATIE BUREAUONDERZOEK ........................................................... 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ................................................................................ 9 3.1 3.2 3.3

4

Afbakening en huidige situatie van het onderhavige plangebied ..................................... 1 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 2 Geologie, geomorfologie, bodem en AHN ........................................................................ 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 4 Historische gegevens ....................................................................................................... 5 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel .......................................................... 6 Conclusie bureauonderzoek ............................................................................................. 8

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 9 Methoden .......................................................................................................................... 9 Resultaten ......................................................................................................................... 9

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 10

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 11 BRONNEN .......................................................................................................................................... 12

Rapport 10780.001 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen

Rapport 10780.001 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Werkorganisatie CGM een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens een nieuwbouwwijk te realiseren en de infrastructuur aan te passen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). In april 2013 heeft Econsultancy een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor Leeuwerik2 straat 21 te Mill. Het onderzochte plangebied bevindt zich in het zuidelijke deel van het onderhavige plangebied. Door de specialist erfgoed van Werkorganisatie CGM, mevrouw F. Jurgens, is besloten dat een aanvulling op het bestaande bureauonderzoek voldoende is in plaats van een uitgebreid bureauonderzoek. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een aanvulling op het al bestaande bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 0).

Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). De aanvulling op het bestaande bureauonderzoek is uitgevoerd in oktober 2019 door P. Beurskens MA (KNA Prospector). Het verkennend booronderzoek is uitgevoerd door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog).

2 2.1

AANVULLENDE INFORMATIE BUREAUONDERZOEK Afbakening en huidige situatie van het onderhavige plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter 3 rondom het plangebied. Het plangebied, circa 1,4 ha, ligt aan de Havikstraat en Leeuwerikstraat, in de kern van Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 16,1 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Mill, sectie F, nummer 4433, 4434 (ged.) en 4652. Volgens de topografische kaart van Nederland, 46C (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 181.654/ Y: 411.418.

2

Schutte, 2014. Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 3

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 1 van 13

Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het zuidelijke deel van het plangebied is momenteel in gebruik als grasland. Het centrale deel van het plangebied is bebouwd. In het plangebied bevinden zich meerdere wegen, namelijk de Genieweg en Havikstraat in het noorden, de Leeuwerikstraat in het oosten, de Bastaardstraat in het zuiden en de Gruttostraat in het westen (zie figuur 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Mill-West 2016’. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde-archeologie 2’.

Volgens de bijbehorende planregels is 2 archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 250 m en dieper dan 40 cm – 4 mv. Volgens de beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (zie Figuur 4). De oostelijke rand van het plangebied bevindt zich binnen de contouren van de 5 Peelraamstelling (zie paragraaf 2.6). De nieuwe plannen hebben ook betrekking op de percelen ten noorden van de Havikstraat. Uit het bestemmingsplan blijkt echter dat er geen dubbelbestemming aanwezig is. Zoals op de beleidskaart is aangegeven, is dit deel al onderzocht en vrijgegeven (zie figuur 4). Aangezien dat hier geen onderzoek meer noodzakelijk is, behoort dit gebied niet tot het plangebied van het onderhavige onderzoek. 2.2

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van eventueel in het plangebied aanwezige archeologische waarden. In het plangebied zijn aan de Gruttostraat en Leeuwerikstraat 18 woningen gepland. Bij enkele woningen zal een berging/garage worden gerealiseerd. De woningen krijgen een totale oppervlakte van 2 circa 1270 m . De diepte van de verstoring is onbekend. De bestaande bebouwing in het centrale deel van het plangebied zal gehandhaafd blijven. In het noordelijke deel van het plangebied wordt een parkeerplaats gerealiseerd (zie bijlage 6). Door de realisatie van de nieuwbouw zouden eventuele archeologische waarden verstoord kunnen worden.

4 5

Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Past2Present, 2009.

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 2 van 13

2.3

Geologie, geomorfologie, bodem en AHN

6

Volgens de geologische kaart bevindt het plangebied zich op een locatie met de afzettingen van de Formatie van Beegden veelal met een dek van de Formatie van Boxtel; Laagpakket van Wierden; rivierzand en –grind veelal met een zanddek (Be4). De Formatie van Beegden bestaat uit sedimenten die door de Rijn en de Maas zijn afgezet gedurende het Vroeg- en Midden-Pleistoceen. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland, waaronder ook op de Pleistocene rivierafzettingen in het plangebied, 7 een (dun) pakket dekzand afgezet. Het dekzand behoort tot de Formatie van Boxtel. Op de geomorfologische kaart is een groot deel van het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Mill (zie figuur 5). Het westelijke deel van het onderhavige plangebied bevindt zich op een plateau-achtige horst (4F1). Ten oosten van het plangebied bevindt zich een glooiing van een beekdal (4H11). Op het AHN-beeld is zichtbaar dat het plangebied zich op een hogere rug bevindt (zie figuur 6). Ten oosten van het plangebied bevindt zich een lager gelegen beekdal. De afstand tot dit beekdal is circa 200 meter. Ten westen bevindt zich een hoge rug, die geomorfologisch gezien als plateau-achtige horst wordt beschreven. In het plangebied is sprake van een hoogteverschil.

Tussen het oostelijke en westelijke deel bevindt zich een hoogteverschil van circa 1-1,3 m. Volgens de Bodemkaart van Nederland is het plangebied gekarteerd als een hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21) (zie figuur 7). Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd e tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20 eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen.

De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden-Bronstijd tot in de Nieuwe e e tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9 en de 12 eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indica8 tieve archeologische waarde kregen.

6

De gegevens in deze paragraaf zijn afkomstig uit Schutte, 2013. Om het actueel te maken voor het onderhavige plangebied zijn de gegevens indien nodig aangevuld. 7 Berendsen, 2008. 8 Doesburg et al., 2007.

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 3 van 13

2.4

Archeologische waarden

De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische terreinen in Nederland, welke ook wel worden aangeduid als monumenten. Binnen het plangebied en onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 8). 9

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal vijf archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken en booronderzoeken (verkennend/karterend) (zie bijlage 2 en figuur 8). Eén van deze meldingen betreft het bureauonderzoek uitgevoerd door Econsultancy in 2013. Havikstraat Aangrenzend ten noorden van het onderhavige plangebied bevindt zich een plangebied dat is onderzocht door RAAP in 2000. De publicatie van dit rapport (Dijk, 2001) is niet beschikbaar in Archis of Dans Easy. De resultaten van dit onderzoek zijn kort beschreven bij de Archis onderzoeksmelding. Uit dit onderzoek blijkt dat er in het gehele gebied een enkeerdgrond aanwezig is. Enkele delen van het plangebied zijn verstoord tot een diepte van circa 120 cm onder het maaiveld. Tevens zijn er bij het booronderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. De resultaten van het archeologisch booronderzoek geven geen aanleiding om vervolgonderzoek uit te voeren. Er wordt geadviseerd om 10 het plangebied vrij te geven. 11

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staat één vondstmelding geregistreerd (zie bijlage 3 en figuur 8). Deze vondstmelding heeft betrekking op één fragment van een stenen schrabber. Het fragment kan niet nader gedateerd worden dan het Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Deze melding bevindt zich op een afstand van circa 475 meter ten zuidoosten van het plangebied in het oude beekdal. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange12 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Ten oosten van het plangebied bevindt zich de Peel-Raamstelling. Deze stelling werd gebouwd om de eerste aanval vanuit het Oosten tegen te houden zodat het Nederlandse leger de tijd kreeg de 13 belangrijkste stellingen in het westen op sterkte te brengen. Op 10 mei 1940 is hier een zware strijd 9

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archis OM-nr. 2012811100. 11 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 12 Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO kaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 13 Ikme.nl 10

Rapport 10780.001 versie 2

Bommen-

Pagina 4 van 13

14

geleverd door de Duitsers om deze stelling te doorbreken, ook wel bekend als de Slag om Mill. Vanwege de gevechtsstelling kunnen archeologische resten gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog niet worden uitgesloten. 15

2.5 Historische gegevens De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel I.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut16

1817

Gemeente Mill en Sint Hubert, Sectie F, Blad 02.

1:2.500

Agrarisch gebruik en wegen.

Rondom het plangebied bevindt zich bebouwing.

1850-1864

46

1:50.000

Agrarisch gebruik, wegen en bebouwing.

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1867

591

1:50.000

Agrarisch gebruik, wegen en bebouwing.

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1894

591

1:50.000

Agrarisch gebruik, wegen en bebouwing.

-

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1930

591

1:50.000

Agrarisch gebruik, heide, wegen en bebouwing.

-

Topografische kaart

1938

591

1:25.000

Agrarisch gebruik, heide, wegen en bebouwing.

-

Topografische kaart

1957

46C

1:25.000

Agrarisch gebruik, wegen en bebouwing.

-

Topografische kaart

1967

46C

1:25.000

Agrarisch gebruik, wegen en bebouwing.

Ten noorden en oosten is bebouwing gerealiseerd.

Topografische kaart

1978

46C

1:25.000

Agrarisch gebruik, wegen en bebouwing.

-

Topografische kaart

1984

46C

1:25.000

Agrarisch gebruik, wegen en bebouwing.

In de omgeving zijn woonwijken gerealiseerd.

Militaire topografische kaart (nettekening)

17

Op het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is te zien dat het plangebied aan het e begin van de 19 eeuw met name in agrarisch gebruik is. De oostelijke rand van het plangebied is in gebruik als weg, de Leeuwerikweg. Ook lijkt de Genieweg ten noorden al aanwezig te zijn (zie figuur 9). Ten oosten, zuiden en noorden van het plangebied zijn enkele gebouwen zichtbaar. e

Op de kaart van de tweede helft van de 19 eeuw is de situatie van het plangebied veranderd. Waarschijnlijk komt dit doordat de nauwkeurigheid van deze kaarten minder is. Op basis van deze kaarten zou er in het centrale deel van het plangebied een gebouw aanwezig zijn. Tevens zou er een noordwestelijk-zuidoostelijke georiënteerde weg door het plangebied gesitueerd zijn. Op de kaart van 1894 is deze weg en het gebouw niet meer zichtbaar. In het zuidelijke deel bevindt zich een woning.

14

Zuidfront-holland1940.nl De gegevens in deze paragraaf zijn afkomstig uit Schutte, 2013. Om het actueel te maken voor het onderhavige plangebied zijn de gegevens indien nodig aangevuld. 16 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 17 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 15

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 5 van 13

e

In de eerste helft van de 20 eeuw is het gebouw in het zuidelijke deel nog steeds aanwezig. Ook zijn de Leeuwerikweg en de Genieweg nog zichtbaar. Het noordelijke deel van het plangebied, tussen deze twee wegen, is in gebruik als heide. In de jaren ’70 worden er meerdere gebouwen gerealiseerd. Met name ten oosten en noorden zijn meerdere gebouwen zichtbaar. e

Aan het eind van de 20 eeuw ontstaat de huidige situatie van de infrastructuur. In het plangebied is een groot gebouw gerealiseerd. Het zuidelijke deel van de bebouwing is rond 2015 gesloopt. Op de kaart van 1984 is te zien dat er in de omgeving, ten noorden, oosten en westen van het plangebied, woonwijken zijn gerealiseerd. 2.6

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel II.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Laag

Kampementen, vuursteenstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal-

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandaf-

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 6 van 13

resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

zettingen

Uit de mogelijke landschappelijke ligging, op een plateau-achtige horst aan de rand van de glooing van een beekdalzijde en de aanwezigheid van een esdek blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en gunstig vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied is slechts één vondst bekend. Hieruit kan weinig worden afgeleid. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers-verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers-verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties 18 was ook drinkwater bereikbaar. De landschappelijke locatie van het plangebied voldoet niet aan bovenstaande beschrijving. Het plangebied ligt niet op een gradiëntzone en de afstand tot het oude beekdal is groot, circa 200 m. Circa 500 meter ten zuiden bevindt zich een vondst uit het Paleolithicum-Neolithicum.

Er wordt niet verwacht dat er archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum aanwezig zijn in het plangebied. Er geldt een lage verwachting. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en 19 een goede afwatering van belang. Voor het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen geldt een hoge archeologische verwachting. De landschappelijke locatie is een geschikte bewoningslocatie voor de landbouwers. In de omgeving zijn geen vondsten bekend uit deze periodes, maar kunnen desondanks niet worden uitgesloten. Voor de Nieuwe tijd geldt eveneens een hoge verwachting. Op de historische kaarten is in het zuidelijke deel van het plangebied bebouwing te zien. Mogelijk zijn er nog resten van deze historische bebouwing aanwezig. Tevens kunnen er nog resten gerelateerd aan de agrarische functie aanwezig zijn. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het esdek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont.

De vondstenlaag is opgenomen onder in het esdek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het esdek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De kans op het voorkomen van de resten is gebaseerd op het historisch kaartmateriaal hoog. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Organische 18 19

Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005.

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 7 van 13

resten en metaal zullen slecht zijn geconserveerd door de relatief droge en zure bodemomstandigheden boven het hoogste grondwaterpeil (1 m -mv). Andere type indicatoren (aardewerk) zijn waarschijnlijk matig goed geconserveerd. Het complextype en de omvang van eventuele archeologische resten kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, hoeft niet te betekenen dat de eventueel aanwezige archeologische resten ook behoudenswaardig zijn. Als gevolg van bodemingrepen kunnen vindplaatsen geheel of gedeeltelijk verstoord zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin vondsten in situ bewaard zijn gebleven in de bodem en/of grondsporen intact zijn. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als agrarisch gebied. In de jaren ‘90 is het zuidelijke deel bebouwd. Dit gebouw is in 2015 gesloopt. Door ploegen en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. Uit de bouwgegevens blijkt dat er voor de bouw gefundeerd is op de vaste grond en dit is 20 waarschijnlijk ook het archeologisch niveau. 2.7

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek uit 2013 en de aanvulling/actualisatie blijkt dat er een lage verwachting geldt voor het Paleolithicum en Mesolithicum. De landschappelijke situatie van het plangebied wordt niet als een gunstige situatie gezien. Voor de landbouwers, Neolithicum tot en met de Middeleeuwen, is het een gunstige bewoningslocatie en geldt er een hoge verwachting. Voor de Nieuwe tijd geldt eveneens een hoge verwachting. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.

Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

20

Deze informatie is afkomstig van Schutte, 2013.

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 8 van 13

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 21 oktober 2019 door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen, gebouwen en kabels en leidingen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) zeven boringen tot maximaal 1,40 meter -mv gezet (figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsme21 thode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.

Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: In het plangebied zijn matig fijne tot matig grove, zwak siltige zandafzettingen aangetroffen. Aan het maaiveld is bij de boringen 3-7 een verstoord pakket aangetroffen. De verstoringen kenmerken zich door de aangetroffen gevlektheid, bestaande uit een mix van verschillende grondsoorten en de grote hoeveelheid grind. Het verstoorde pakket is bij de boringen 3, 4 en 7 50 cm dik, bij boring 6 110 cm dik en bij boring 5 minimaal 80 cm dik. Boring 5 is echter gestuit op vermoedelijk beton of een buis, waardoor de exacte verstoringsdiepte niet bekend is. Bij de boringen 1 en 2 is aan het maaiveld een zwak humeus eerddek van 70-80 cm dik aangetroffen. Bij de boringen 3, 4 en 7 is onder het verstoorde pakket aan het maaiveld de onderkant van hetzelfde eerdek aangetroffen. Bij de boringen 1, 2, 3 en 4 zijn onder het eerddek de onverstoorde zandafzettingen aangetroffen. Bij de boringen 2, 3 en 4 bestaan deze uit matig fijn dekzand op matig grof,

21

Bosch, 2005.

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 9 van 13

matig grindig Pleistoceen rivierzand, bij boring 1 is het matig grove rivierzand direct onder het eerddek aangetroffen. Bij de boringen 3 en 4 is onder het eerddek de onderkant van een intacte podzol-B-horizont aangetroffen in de top van de dekzandafzettingen. Bij boring 7 zijn in een 15 cm dikke verstoorde laag onder de rest van het eerddek vergraven resten van een podzol-B-horizont waargenomen. Concluderend is de top van de dekzandafzettingen dan wel Pleistocene rivierzandafzettingen in het plangebied aangetroffen op een diepte van 70-110 cm –mv. Bij de boringen 1-4 lijkt deze top intact te zijn en bij boring 7 licht verstoord. Bij boring 6 en mogelijk ook bij boring 5 is het bovenste deel van de C-horizont door sterke verstoringen, welke waarschijnlijk samenhangen met de voormalige bebouwing in het plangebied, afgetopt. Uit het booronderzoek komt naar voren dat het plangebied in het verleden deels is vergraven, vermoedelijk bij de gedeeltelijke bebouwing van het plangebied in de e jaren ’70 van de 20 eeuw. Bij de boringen 1-4 is de bodem minder diep verstoord, waardoor hier bij de boringen 3 en 4 zelfs nog een deel van het oorspronkelijke podzolprofiel in de top van de dekzandafzettingen intact is gebleven. Deze boringen geven daardoor een duidelijk beeld van de hoogte van het archeologisch niveau.

Op basis van de meest intacte boringen, boring 3 en 4, kan dit op circa 75 cm tot 100 cm –mv worden gezet. Hieruit blijkt dat de verstoringsdiepte bij de diepst verstoorde boring (boring 6) circa 10-25 cm onder het archeologisch niveau bedraagt. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is er aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied deels intact is, en deels licht tot matig verstoord is. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans van in ieder geval een groot deel van het plangebied blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy.

De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Mill en Sint Hubert). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 10 van 13

LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Schutte, 2014: archeologisch bureauonderzoek Leeuwerikstraat 21 te Mill, Gemeente Mill en Siint Hubert. Econsultancy-rapport 14021108B, Swalmen Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 11 van 13

BRONNEN AHN; internetsite, december 2019. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, december 2019. https://archis.cultureelerfgoed.nl Archieven; internetsite, december 2019. https://www.archieven.nl/nl/ Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, december 2019 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, december 2019. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, december 2019. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, augustus 2019. http://www.bodemloket.nl Brabants Historisch Informatiecentrum; internetsite, december 2019. http://www.bhic.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, december 2019. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, december 2019. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, december 2019. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, december 2019. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, december 2019. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, december 2019.

http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, december 2019. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, december 2019. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 12 van 13

SIKB; internetsite, december 2019. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, december 2019. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/ Zuidfront Holand, december 2019. http://Zuidfront-holland1940.nl

Rapport 10780.001 versie 2

Pagina 13 van 13

Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied

Rapport 10780.001 versie 2

Figuur 2. Detailkaart van het plangebied

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 10780.001 versie 2

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied

Rapport 10780.001 versie 2

Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Mill en Sint Hubert Legenda Plangebied

22

Past2Present, 2009.

Rapport 10780.001 versie 2

22

Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

23

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Plangebied

23

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 10780.001 versie 2

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

24

AHN

Rapport 10780.001 versie 2

24

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart

25

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied

25

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 10780.001 versie 2

Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied

26

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied

26

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 10780.001 versie 2

Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Situatie 1817 (bron:beeldbank.cultureelerfgoed.nl)

Situatie 1850-1864 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1867 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1894 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1930 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1938 (bron: www.topotijdreis.nl)

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 10780.001 versie 2

Situatie 1957 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1967 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1978 (bron: www.topotijdreis.nl)

Situatie 1984 (bron: www.topotijdreis.nl)

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 10780.001 versie 2

Figuur 10. Boorpuntenkaart

Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer

Rapport 10780.001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 10780.001 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 10780.001 versie 2

Bijlage 2

Onderzoeksmeldingen

Zaaknummer (OMnummer) 2441715100 (61344)

Situering t.o.v. plangebied in het plangebied

2012811100 (3404)

Aangrenzend ten noordwesten

2125661100 (18246)

230 meter ten oosten

2133267100 (19330)

230 meter ten oosten

2335013100 (47532)

440 meter ten zuiden

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Locatie Leeuwerik Mill Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 24-4-2014 Resultaat: Het plangebied ligt op een plateau-achtige horst aan de rand van de glooiing van een beekdalzijde. Deze situering maakt het gebied een goede vestigingslocatie voor jagers-verzamelaars alsook voor agrarische samenlevingen. De gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied is hoog voor alle archeologische perioden. Econsultancy adviseert om na de bovengrondse sloop van het schoolgebouw een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Mill Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 5-12-2000 Resultaat: Vrijwel overal is een esdek aangetroffen. Plaatselijk is de bodem tot een maximale diepte van 120 cm -mv verstoord. Het plangebied ligt in een zone met een lage natuurlijke vruchtbaarheid. Bij het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.

Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Peelkanaal Mill Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 19-7-2006 Resultaat: Resultaat is niet bekend in Archis of Dans Easy. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Peelkanaal Mill Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 10-10-2006 Resultaat: Resultaat is niet bekend in Archis of Dans Easy. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Langenboomseweg Mill Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 28-7-2011 Resultaat: op basis van het bureauonderzoek geldt er een hoge verwachting voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum, een lage verwachting voor bewoningssporen en een middelhoge verwachting voor off site sporen tijdens het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Verder geldt er een lage verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een karterend booronderzoek. Het onderzoek dient specifiek gericht te zijn op de periode LaatPaleolithicum en Mesolithicum. Uit het karterend booronderzoek blijkt dat in zes boringen is een beekeerdgrond aangetroffen maar er zijn tijdens het booronderzoek geen vuursteenfragmenten aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats.

In de overige boringen zijn geen aanwijzingen voor bodemvorming waargenomen en evenmin zijn archeologische indicatoren aangetroffen. De hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum wordt daarom naar laag bijgesteld. Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische resten of indicatoren aangetroffen, die mogelijk wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Op basis van deze resultaten blijft de lage verwachting om nederzettingssporen uit de perioden neolithicum tot en met de nieuwe tijd aan te treffen voor het plangebied gehandhaafd. Op basis van het booronderzoek is geconcludeerd dat het westelijk deel van het plangebied in het beekdal ligt. De kans op het voorkomen van off site vondsten die met het gebruik van water in verband staan, is hierdoor hoger dan op basis van het bureauonderzoek was ingeschat. Tijdens het booronderzoek zijn geen off site sporen aangetroffen, maar een booronderzoek is niet de geschikte methode om off site sporen te traceren. De kans dat off site sporen aanwezig blijft daarom hoog. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een archeologische begeleiding.

Rapport 10780.001 versie 2

Bijlage 3

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3147477100 (43628)

Locatie t.o.v. plangebied 500 meter ten zuidoosten

Rapport 10780.001 versie 2

Omschrijving Paleolithicum - Neolithicum : - fragment van een stenen schrabber

Bijlage 4

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had

Rapport 10780.001 versie 2

wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=71528333-be01-4080-86e7-7fed7077ddc3