CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

11-33 Bijlage 9 Quickscan flora en fauna - Bijlage 9 Quickscan Flora en fauna BP Raamweg Cuijk VA.pdf

Cuijk - raadsvergadering 21 juni 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: (B-stuk) Voorstel 2021-33 tot vaststelling Bestemmingsplan Raamweg Cuijk9.853 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA RAAMWEG (ONG.) TE CUIJK

Rapportage quickscan flora en fauna Raamweg te Cuijk Opdrachtgever

JP Real Estate I Bonkelaar 14 6595 CC Ottersum

Rapportnummer Versienummer

8787.002 D2

Status

Eindrapportage

Datum

9 april 2020

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

ir. F.M. IJdema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. J.G.T. Driessen

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen ......................................................................................................................... 12 Amfibieën ........................................................................................................................ 13 Vissen ............................................................................................................................. 14 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 15 Amfibieën ........................................................................................................................ 15 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 8787.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van JP Real Estate opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Raamweg (ong.) te Cuijk. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 1 van 21

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 3.200 m²) ligt aan de Raamweg (ong.), circa 1 kilometer ten westen van de kern van Cuijk. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 46A (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 187.254, Y = 415.989.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie

De onderzoekslocatie is volledig onbebouwd. Aan de noord- en oostzijde bevindt zich de raamweg met aan de overzijde grasland en een kleine groenstrook. Aan de westzijde bevindt zich een onbemand tankstation. Aan de zuidzijde bevindt zich een sloot, de Beersebaan en aan de overzijde grasland. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 2 van 21

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 3. Begroeide plas op de onderzoekslocatie.

Figuur 4. Overzichtfoto oostelijk gericht.

Figuur 5. Sloot ten zuiden van de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Overzichtsfoto zuidelijk gedeelte van de onderzoekslocatie.

Figuur 7. Westzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 8. gericht.

Rapport 8787.002 versie D2

Overzichtsfoto

noordelijk

Pagina 3 van 21

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens om een horecagelegenheid op de onderzoekslocatie te realiseren (figuur 9).

Figuur 9. Concept voorgenomen herontwikkeling.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 4 van 21

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 13 februari 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 5 van 21

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 6 van 21

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 7 van 21

genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 8 van 21

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In het randgebied bebouwde kom kunnen dit zijn: gierzwaluw, huismus, boomvalk, bosuil, buizerd, havik, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, torenvalk en wespendief. Van deze soorten kunnen de huismus, gierzwaluw en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. De nestplaatsen van deze soorten zijn in de regel verbonden aan bebouwing. Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing aanwezig en de bebouwing direct ten westen van de onderzoekslocatie blijft in de voorgenomen herontwikkeling onaangetast. Negatieve gevolgen ten aanzien van deze soorten zijn daarom uit te sluiten. Boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, torenvalk, wespendief Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van boomvalk, bosuil, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer, wespendief en torenvalk. Deze soorten zijn voor hun nesten afhankelijk van (hoge) boomopstand. Aan de west-, oost- en noordzijde is een jonge boomstand aanwezig welke is onderzocht op de aanwezigheid van nesten van deze soorten. In en nabij deze aangrenzende bomen zijn geen nesten, uitwerpselen, braakballen of pluksporen gevonden.

Ook zijn er op en rond de onderzoekslocatie geen sporen als braakballen of ruiveren gevonden, die kunnen wijzen op aanwezigheid van nesten met een jaarrond beschermde status. Potentieel kan de onderzoekslocatie gebruikt worden als foerageergebied, echter is in de omgeving nog veel soortgelijk habitat aanwezig waardoor de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie niet zullen leiden tot het verloren gaan van essentieel foerageergebied. Verstoring of vernietiging van een essentiële functie van de onderzoekslocatie voor uilen en roofvogelsoorten is bij de voorgenomen ingreep dan ook niet aan de orde. Steenuil Vanwege het ontbreken van geschikte nestmogelijkheden kan de steenuil worden uitgesloten. De steenuil broed voornamelijk in nestkasten en natuurlijke holtes in wilgen op kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Echter is het weiland met kort gras op de onderzoekslocatie wel geschikt als foerageergebied voor de steenuil. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar verschillende waarnemingen van de steenuil 500 meter ten noordoosten van de onderzoekslocatie geregistreerd. In de voorgenomen herontwikkelingsplannen gaat er geen essentieel foerageergebied voor de steenuil verloren, immers is er in de omgeving nog voldoende soortgelijk foerageergebied aanwezig.

Het betreft de weilanden direct ten noorden, oosten en zuiden van de onderzoekslocatie. Verstoring ten opzichte van de steenuil kan derhalve worden uitgesloten.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 9 van 21

Kerkuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de kerkuil binnen een straal van 1 kilometer meerdere malen waargenomen, met name rondom de westelijk gelegen snelweg. De kerkuil broed in schuren, kerktorens en veelal in speciale nestkasten. Heel incidenteel kan de kerkuil in boomholtes broeden. De bomen op- en rond de onderzoekslocatie bieden geen geschikte broedlocatie voor de kerkuil. De onderzoekslocatie is wel geschikt als foerageergebied voor de kerkuil. In de voorgenomen herontwikkelingsplannen gaat er geen essentieel foerageergebied voor de kerkuil verloren, immers is er in de omgeving nog voldoende soortgelijk foerageergebied aanwezig. Verstoring ten opzichte van de kerkuil kan derhalve worden uitgesloten. Ooievaar Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF op 200 meter ten noorden van de onderzoekslocatie een waarneming gedaan van twee overvliegende ooievaren. Het leefgebied van de ooievaar omvat weilanden in veenweidegebieden en uiterwaarden met een hoge waterstand. Voor een broedplek maakt de ooievaar gebruik van kunstmatige nestgelegenheden op daken en palen, echter kan hij ook in hoge bomen broeden. Er zijn geen nestgelegenheden op de onderzoekslocaties aanwezig, waardoor eventuele verstoringen van de ooievaar kunnen worden uitgesloten. 5.1.2

Overige broedvogels

De bomen rondom de onderzoekslocatie kunnen een geschikte nestlocatie bieden voor broedvogelsoorten als merel, winterkoning, groenling, roodborst en houtduif. De bomen rondom de onderzoekslocatie zijn geïnspecteerd op nesten van deze soorten, echter zijn deze niet waargenomen. Het is echter niet uit te sluiten dat dergelijke soorten in het broedseizoen op het plangebied tot broeden komen. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat “Vleermuizen en Planologie” (Limpens H., Regelink J. (2017)) en de verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, franjestaart, baardvleermuis, Brandt’s vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, welke kunnen dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van (boombewonende) vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 10 van 21

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de weilanden ten noorden, zuiden en oosten van de onderzoekslocatie. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, bunzing, wezel, steenmarter, eekhoorn en das. 5.3.1

Streng beschermde soorten

Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt door de afwezigheid van hoge boomopstand geen geschikt habitat voor de eekhoorn. De aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn kan derhalve worden uitgesloten. Wezel, hermelijn en bunzing Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is op 500 meter ten zuidwesten een enkele dode bunzing waargenomen. De wezel is 5 kilometer ten noordwesten van de onderzoekslocatie waargenomen. De onderzoekslocatie bevat geen geschikte holen die kunnen dienen als potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen. Tevens is er geen beschutting op de onderzoekslocatie, waardoor kleine marterachtigen zich moeilijk kunnen verplaatsen. Ten zuiden van de onderzoekslocatie zijn rondom de sloot holen gevonden (figuur 10) met een wissel naar het water, vermoedelijk van een muskusrat. Potentieel kunnen deze holen ook als verblijfplaats voor de Figuur 10. Hol nabij de sloot ten zuiden van de onderzoeksbunzing dienen. Er zijn geen recente prooiresten locatie. of uitwerpselen rond de holen waargenomen. Gezien de afstand en ligging tot de onderzoekslocatie en het feit dat in de voorgenomen herontwikkeling deze locatie onveranderd blijft, kan verstoring ten opzichte van een eventueel aanwezige bunzing worden uitgesloten.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 11 van 21

Steenmarter Volgens verspreidingsgegeven van de NDFF zijn binnen een straal van 3 kilometer meerdere waarnemingen van steenmarters gedaan. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, oude holen van onder andere het konijn en takkenrillen als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Op de onderzoekslocatie ontbreekt het van bebouwing, begroeiing en muizenholen. Tijdens de uitgevoerde inspectie zijn tevens geen sporen van de steenmarter aangetroffen, als prooiresten of uitwerpselen. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken van sporen en een geschikte nestlocatie kan worden gesteld dat het plangebied niet in gebruik is door de steenmarter. Das Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de das op 300 meter ten westen van de onderzoekslocatie, aan de overzijde van de A73, waargenomen. De das komt voor in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende beschutting, houtwallen en heggen, die kunnen dienen als beschutting en geleiding. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden op korte afstand van elkaar. Tevens moet er een groot voedselaanbod en weinig verstoring op de locatie aanwezig zijn.

Op de onderzoekslocatie is door het ontbreken van beschutting, de geïsoleerde ligging tussen verschillende wegen en de verstoring op de onderzoekslocatie ongeschikt als foerageergebied voor de das. Tevens is de locatie en de directe omgeving geïnspecteerd op burchtlocaties, welke niet zijn waargenomen. Verstoring ten opzichte van de das is derhalve uit te sluiten. Bever Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de bever in op 1 kilometer ten westen van de onderzoekslocatie, aan de overzijde van de A73, waargenomen. De bever leeft in het overgangsgebied van zoete wateren met land, langs beken, rivieren, kanalen en beken. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Het feit dat er geen grote wateroppervlaktes op of nabij de onderzoekslocatie zijn en er geen boomopstand aanwezig is, maakt dat de onderzoekslocatie ongeschikt is voor de bever. Verstoring ten opzichte van deze soort is dan ook uiteraard niet aan de orde. 5.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, haas, egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat dergelijke soorten verstoord worden (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen

Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en waarnemingen van de NDFF zijn binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende reptielensoorten waargenomen: gladde slang, hazelworm en zandhagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van de streng beschermde gladde slang heeft betrekken op de oostelijk gelegen Mookerheide. De waarnemingen met betrekking tot de hazelworm en zandhagedis komen allen uit de bosrijke- en heide gebieden ten noordoosten van Mook, enkele kilometers ten oosten van de huidige onderzoekslocatie. Gezien de afstand tot de waarnemingen en het ongeschikte habitat op de onderzoekslocatie, is het uitgesloten dat er reptielen op de onderzoekslocatie voorkomen. Verstoring ten opzichte van deze soorten is derhalve uit te sluiten.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 12 van 21

5.5

Amfibieën

Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, rugstreeppad, gewone pad, groene kikker, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker. Alpenwatersalamander De alpenwatersalamander is een streng beschermde soort die weinig kritisch is over zijn habitat. De soort heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. In het voorjaar komt de soort in allerlei typen water voor, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. In de winter overwintert de soort op het land (BIJ12, 2018). De alpenwatersalamander is volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF op 500 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie in een sloot waargenomen. Tussen de locatie van de waarneming en de huidige onderzoekslocatie bevinden zich meerdere sloten en veel beschutting, waardoor een zwervend individu mogelijk de sloot ten zuiden van de huidige onderzoekslocatie kan bereiken. Deze sloot valt buiten de onderzoekslocatie en zal derhalve niet worden aangetast in de voorgenomen herontwikkelingsplannen.

De onderzoekslocatie vormt door het gebrek aan beschutting geen geschikt habitat voor de alpenwatersalamander, echter kan een incidenteel zwervend exemplaar op de onderzoekslocatie niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6). Kamsalamander De kamsalamander is een streng beschermde soort die aangetroffen wordt in een verscheidenheid visvrije en matige voedselrijke wateren. De soort prefereert kleinschalige landschappen met bosschage, struweel of houtwallen in de directe omgeving van hun voortplantingswater. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de kamsalamander op 3 kilometer afstand van de onderzoekslocatie waargenomen. Gezien de afstand van de waarneming tot de onderzoekslocatie en doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden en tevens winterverblijven voor de kamsalamander op de onderzoekslocatie uitgesloten (BIJ12, 2018). Poelkikker De poelkikker komt vooral voor in gebieden met schone, stilstaande wateren in de landschaptypen bos, heide en hoogveen. Tevens kan de soort voorkomen in halfnatuurlijke graslanden, agrarisch kleipolders met kwel, laagveen en ruderaal terrein. Het voorkeur habitat van de poelkikker bestaat uit onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oever.

Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de poelkikker op 6 kilometer afstand van de onderzoekslocatie waargenomen. Gezien de grote afstand van de waarneming alsmede dat de onderzoekslocatie minimaal geschikt habitat voor de poelkikker bevat, is het uitgesloten dat de poelkikker op de onderzoekslocatie voorkomt. Verstoringen ten opzichte van deze soort zijn derhalve uit te sluiten. Rugstreeppad De rugstreeppad is een streng beschermde soort die graag van ondiepe wateren gebruik maakt. Ondiepe wateren warmen snel op en zijn voor deze moeilijk zwemmende soort toegankelijk. De rugstreeppad plant zich in dergelijke tijdelijke wateren voort. Doordat wateroppervlakten als plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden en tevens winterverblijven voor de rugstreeppad op de onderzoekslocatie uitgesloten (BIJ12, 2018).

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 13 van 21

Algemene amfibieën De onderzoekslocatie vormt weinig geschikt landhabitat voor amfibieën. Ten zuiden van de onderzoekslocatie ligt een nauwe sloot. Incidenteel kunnen algemene soorten als bruine kikker en gewone pad op de onderzoekslocatie voorkomen. Voor de mogelijk incidenteel te verwachten soorten geldt een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming (zie hoofdstuk 6). 5.6

Vissen

Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.7

Ongewervelden

Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. In de omgeving komt de sleedoorpage veel voor, die qua habitat verbonden is aan de sleedoorn. Omdat de sleedorn of vergelijkbare prunus soorten op de onderzoekslocatie ontbreken, is verstoring van deze soort derhalve uitgesloten. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.8

Vaatplanten

Aangezien de locatie een geïsoleerd stuk groen bij een relatief druk stedelijk gebied betreft, is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 14 van 21

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien toch gewenst is de werkzaamheden in het broedseizoen te starten is het mogelijk een broedvogelinspectie uit te laten voeren voorafgaand aan de werkzaamheden. 6.2

Algemene grondgebonden zoogdieren

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.3 6.3.1

Amfibieën Alpenwatersalamander

Voor verstoring of vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen geldt in het kader van de Wet natuurbescherming een ontheffingsplicht. Aangezien de vaste rust- en verblijfsplaats van de soorten niet in het geding komt is een ontheffingsaanvraag niet per definitie noodzakelijk, maar in het kader van de zorgplicht dienen er wel voorzorgsmaatregelen getroffen te worden om eventueel voorkomende individuen te beschermen en te weren van de onderzoekslocatie gedurende de werkzaamheden. Indien er aan de zorgplicht wordt voldaan, is ontheffing voor deze soort niet nodig. Hiertoe kan onder andere bij bepaalde werkzaamheden rekening worden gehouden met de kwetsbare periode voor deze soort, kan vegetatie of bodemmateriaal gefaseerd worden verwijderd en rijplaten gecontroleerd

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 15 van 21

worden op de aanwezigheid van amfibieën. Dergelijke maatregelen kunnen in een ecologisch werkprotocol worden uitgeweid. 6.3.2

Algemene amfibieën

De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 16 van 21

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Sint Jansberg, bevindt zich op circa 4,3 kilometer afstand ten oosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 11).

Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 4,3 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (nieuwbouw horecagelegenheid) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 17 van 21

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 100 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Het betreft droog bos met productie. In figuur 12 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De Beersebaan, welke gelegen is tussen de huidige onderzoekslocatie en het natuurnetwerk, heeft door de productie van licht en geluid reeds een invloed op het nabij gelegen Natuurnetwerk. Omdat deze weg als een barrière tussen het Natuurnetwerk en de onderzoekslocatie ligt, zullen bij de ontwikkeling van de horecagelegenheid de omgevingscondities ten opzichte van de oorspronkelijk situatie niet significant veranderen, waardoor effecten op de essentiële kenmerken en waarden op voorhand zijn uit te sluiten.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 18 van 21

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie betreft wegbeplanting, bestaande uit enkele jonge bomen. De bomen staan op de gemeentegrens Cuijk en valt derhalve onder het gezag van de gemeente. Econsultancy adviseert om bij de gemeente te informeren of de bomen vrij gekapt mogen worden. Indien hier geen beleid over is, betreft het geen beschermde houtopstand en is er geen melding/vergunning nodig.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 19 van 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van JP Real Estate een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Raamweg (ong.) te Cuijk. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens om een horecagelegenheid op de onderzoekslocatie te realiseren (figuur 9). De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren, bij werken binnen het broedseizoen broedvogelcontrole uitvoeren

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

-

foerageergebied

ja

ja

nee

nee

-

vliegroutes

nee

nee

nee

nee

-

Grondgebonden zoogdieren

algemene soorten

nee

nee

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van konijn, haas, egel, diverse muizensoorten

Amfibieën

algemene soorten

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieën en alpenwatersalamander

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

4,3 km

nee

nee

nee

-

Natuurnetwerk Nederland

0,1 km

nee

nee

nee

-

Houtopstanden

nee

nee

nee

mogelijk

Broedvogels

Vleermuizen

Gebiedsbescherming

navragen bij de gemeente om houtkapbeleid

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 20 van 21

Conclusie De onderzoekslocatie biedt minimaal geschikt habitat voor de alpenwatersalamander, echter kan door de aanwezigheid van de sloot direct ten zuiden van de onderzoekslocatie een zwervend individu niet worden uitgesloten. Aangezien de vaste rust- en verblijfsplaats van de soorten niet in het geding komt is een ontheffingsaanvraag niet per definitie noodzakelijk, maar dienen er in het kader van de algemene zorgplicht wel maatregelen getroffen te worden om eventueel voorkomende individuen te beschermen gedurende de werkzaamheden. Verder kunnen overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels worden voorkomen door eventuele nesten in de te verwijderen bomen langs de weg te verwijderen buiten het broedseizoen. Daarnaast dient bij werkzaamheden te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van onder andere algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Econsultancy adviseert om bij de gemeente te adviseren of de bomen vrij gekapt mogen worden. Indien hier geen beleid over is, betreft het geen beschermde houtopstand en is er geen melding/vergunning nodig.

Econsultancy Boxmeer, 9 april 2020

Rapport 8787.002 versie D2

Pagina 21 van 21

GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Cuijk, periode 2009-2019 Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)

Rapport 8787.002 versie D2

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 8787.002 versie D2

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Rapport 8787.002 versie D2

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Vogels

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=c6b02848-4f4e-4d22-a1b8-c1cd2bfd4207