CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

10. Toelichting BP Bijlage V Quickscan Wet natuurbescherming.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Kruising N264-Lange Schoolstraat sint Hubert9.170 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

N264 Herinrichting kom Sint Hubert WP2.2.3 Quickscan Wet natuurbescherming Sint Hubert

Provincie Noord-Brabant 16 november 2020

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

N264 Herinrichting kom Sint Hubert Provincie Noord-Brabant

WP2.2.3 Quickscan Wet natuurbescherming Sint Hubert Definitief 16 november 2020 117826/20-017.313

117826 ir. R.F. Vromans dr.ir. A.S.van Beinum

J. Schuitemaker BSc ir. W.B. Roosen ir. R.F. Vromans

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding project

5

1.2

Doel

6

1.3

Leeswijzer

6

2

PLANGEBIED

7

2.1

Beschrijving

7

2.2

Werkzaamheden

7

3

TOETSINGSKADER

10

3.1

Wet natuurbescherming

10

3.1.1 3.1.2

10 10

Gebiedsbescherming Soortenbescherming

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

12

4

GEBIEDSBESCHERMING

13

4.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

13

4.1.1 4.1.2

13 14

4.2

Gegevens Effecten en conclusie

Natuurnetwerk Nederland (NNB)

14

4.2.1 4.2.2

14 15

Gegevens Effecten & conclusie

5

SOORTENBESCHERMING

16

5.1

Methode

16

5.2

Beschrijving per soortgroep

16

5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6

16 18 20 22 27 29

Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen

5.2.7 5.2.8

Vissen Vlinders, libellen en andere ongewervelden

29 29

6

SAMENVATTING

31

6.1

Gebiedsbescherming

31

6.2

Soortenbescherming

32

7

LITERATUUR

33

Laatste pagina

33

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Instandhoudingsdoelstellingen Oeffelter Meent

2

II

Instandhoudingsdoelstellingen Maasduinen

4

III

Instandhoudingsdoelstellingen Zeldersche driessen

2

IV

Verordening ruimte NNB

2

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding project

De N264 loopt in Noord-Brabant van Uden in het westen (aansluiting op A50) via Haps (aansluiting op A73) tot Gennep in het oosten, dwars door de kom van Sint Hubert, zie afbeelding 1.1. In 2018 is er een verkennende studie geweest voor de N264 voor het deel Uden-Haps. De kom van Sint Hubert was daarin één van de probleemgebieden. Op basis van de verkenning heeft de Stuurgroep N264 (provincie NoordBrabant, gemeente Uden, gemeente Mill en Sint Hubert) besloten om een herinrichting van de kom Sint Hubert te realiseren en niet voor een randweg rond Sint Hubert te gaan. Leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid langzaam verkeer zijn belangrijke aandachtspunten bij de herinrichting. Tussen oktober 2018 en november 2019 is er een planstudie geweest naar de gewenste herinrichting. Een lokale werkgroep heeft hierbij het ontwerpproces ondersteund. Hieruit is een principeplan (gedragen voorkeursalternatief) gekomen, zie afbeelding 1.2. De Stuurgroep N264 heeft dit principeplan vastgesteld. In dit plan zijn de aandachtspunten leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid langzaam verkeer geborgd.

Om de volgende stap te zetten in de herinrichting van de N264 heeft de provincie Noord-Brabant ‘Het opstellen van een geïntegreerd contract op basis van UAV-GC, alsmede het voorbereiden en ondersteunen bij de aanbesteding ten behoeve van het werk, N264 Herinrichting kom Sint Hubert’ uitgevraagd bij Witteveen+Bos. Eerder genoemd principeplan is de basis voor deze projectfase. Voorliggend rapport is onderdeel van uitwerking van dit project.

Afbeelding 1.1 N264 Sint Hubert (bron: Open Street Maps)

5 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 1.2 Impressie principeplan (bron: provincie Noord-Brabant)

1.2

Doel

Het doel van deze quickscan is om te toetsen: - welke effecten de werkzaamheden aan de herinrichting van de kom van Sint-Hubert hebben op: · beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb); · het Natuurnetwerk Nederland (NNN); - wat de consequenties van deze mogelijke effecten zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffings- en/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). Effecten van de gebruiksfase van de herinrichting van de kom van Sint-Hubert worden niet beoordeeld. Er vindt geen significant verschil in gebruik van het plangebied plaats na afronding van de werkzaamheden, in vergelijking met de huidige situatie.

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 gaat in op het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. In hoofdstuk 4 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden die vallen binnen de Wnb. Hoofdstuk 5 beschrijft per soortgroep of er in of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten Wnb zijn. In hoofdstuk 6 wordt een samenvatting gegeven. In hoofdstuk 7 is de geraadpleegde literatuur weergegeven.

6 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

2 PLANGEBIED 2.1

Beschrijving

Het plangebied is gelegen ten zuidoosten van het dorp Mill, in het dorp Sint-Hubert. Het plangebied omvangt de N264, die door de kern van het dorp loopt afbeelding 2.1. Het dorp is gelegen in het landelijk gebied en grenst aan het natuurgebied Molenheide. Binnen het plangebied liggen enkele bermen, begroeid met gras en bomen zoals plataan en linde. Aangrenzend aan de weg staan aan weerszijden huizen met voortuinen. Deze zullen onaangeroerd blijven tijdens de werkzaamheden.

Afbeelding 2.1 De ligging van het plangebied en de N264

Mill Sint-Hubert

2.2

Werkzaamheden

Voor de herinrichting van de N264 wordt de gehele verharding van de weg en het aanliggende fietspad verwijderd en een deel van de bomen gekapt, op afbeelding 2.2 staan de te kappen bomen weergegeven. Tevens wordt een verkeersplein gerealiseerd ter hoogte van het kruispunt met de Lange Schoolstraat afbeelding 2.3. De werkzaamheden worden uitgevoerd met zwaar materieel zoals rupskranen, dumpers en

7 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

asfalteermachines, hierbij treedt verstoring in vorm van licht, geluid en trillingen op. Ook nachtelijke werkzaamheden gedurende een algehele afsluiting van de weg van enkele dagen kan niet worden uitgesloten.

Afbeelding 2.2 Te kappen bomen binnen de contouren van het plangebied

8 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 2.3 Het herinrichtingsplan voor de N264 welke de kern van Sint-Hubert doorkruist

9 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

3 TOETSINGSKADER 3.1

Wet natuurbescherming

3.1.1

Gebiedsbescherming

In hoofdstuk 2 van de Wnb zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wnb vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. Kunnen dergelijke significante effecten wel worden uitgesloten, maar kan er wel enige verslechtering plaatsvinden, dan is een verslechteringtoets vereist.

In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt. Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.

3.1.2

Soortenbescherming

Onder de Wnb bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht.

10 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wnb. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen.

Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wnb zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.

Jaarrond beschermde nesten zijn: 1 nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); 2 nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); 3 nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); 4 vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.

Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wnb worden aangevraagd.

11 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wnb. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wnb is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. De provincie Noord-Brabant wijkt alleen af van de landelijke regelgeving op het gebied van kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing). Deze genieten geen vrijstelling, net zoals in de provincies Noord-Holland en Overijssel. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wnb nodig.

Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wnb is de zorgplicht beschreven: ’eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving. Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.

3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Natuurnetwerk Noord-Brabant Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. Het Noord-Brabantse deel van dit natuurnetwerk wordt in de Verordening Ruimte Noord-Brabant aangeduid als Natuur Netwerk Brabant (NNB). De relevante artikelen van de Verordening Ruimte Noord- Brabant aangaande het NNB staan in bijlage IV van deze rapportage. Bij de beoordeling van effecten op het NNB dient ook te worden gekeken naar effecten van ingrepen buiten het NNB, maar dan alleen voor zover het effecten betreft die niet het gevolg zijn van de verspreiding van stoffen in de lucht of het water. Het gaat hierbij dan ook enkel om directe effecten die een negatief effect kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB (geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring.

12 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

4.1.1

Gegevens

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oeffelter Meent, op circa 9 kilometer ten oosten van het plangebied afbeelding 4.1. Dit gebied heeft de status van Habitatrichtlijn gebied [lit. 1]. Op iets grotere afstand (circa 12 kilometer ten zuidoosten van het plangebied, ligt het Natura 2000-gebied Maasduinen. Dit heeft ook het status van Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn gebied [lit. 1]. Op een afstand van circa 13 kilometer ten oosten ligt het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen (Habitatrichtlijn gebied; [lit. 1]).

Afbeelding 4.1 De verschillende Natura 2000-gebieden in de nabijheid van het plangebied [lit. 1]

Hieronder wordt per Natura 2000-gebied een korte beschrijving gegeven van het gebied en van relevante aandachtspunten met betrekking tot het gebied.

13 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Oeffelter Meent Oeffelter Meent is gelegen op een grofzandige oeverwal van een vroegere rivierloop van de Maas. Door het hoge aantal microreliëf en de overgangen tussen klei en zand is een gevarieerde vegetatie ontstaan. Zo bevinden zich binnen het gebied stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden [lit. 4]. Het Natura 2000gebied is aangewezen voor habitatsoorten kleine modderkruiper, kamsalamander, bever, en voor habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510A) [lit. 4]. Een overzicht van deze habitattypen en -soorten, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage I. Maasduinen Door de Maas en de Rijn zijn er terrassen van verschillende hoogten ontstaan in het landschap. Op deze overgangen liggen nog enkele bijzondere stukken natuur gespaard gebleven zoals stukjes heide en stuifzand. De grotere stukken heiden bevatten veel vennen waarin in deels hoogveenvegetaties zijn ontstaan. Door de verscheidenheid in landschap heeft het gebied een belangrijke ecologische waarde voor veel verschillende soorten Flora en fauna. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor onder andere habitattypen zure vennen (H3160) en pioniersvegetaties met snavelbiezen (H7150), voor habitatsoorten gevlekte witsnuitlibel en drijvende waterweegbree en voor broedvogelsoorten dodaars en geoorde fuut.

Een overzicht van deze habitattypen, -soorten en broedvogels, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage II. Zeldersche Driessen Zeldersche Driessen is één van de weinige plaatsen in ons land waar op rivierduinen loofbos met in hoge maten natuurlijke samenstelling wordt aangetroffen. Verder bestaat het gebied uit twee kleine heidenterreinen en soortenrijke stroomdalgraslanden. Het Natura 2000-gebied is aangewezen voor habitattypen stroomdalgraslanden (H6120), ruigten en zomen (H6430C), beuken- eikenbossen met hulst (H9120) en droge hardhoutooibossen (H91F0). Een overzicht van deze habitattypen, en hun landelijke staat van instandhouding en doelstelling staat in bijlage III.

4.1.2

Effecten en conclusie

Het plangebied ligt op grote afstand (meer dan negen kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie Ondanks dat het plangebied op minimaal 9 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden ligt, is stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Indien stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden optreden, wordt verwacht dat deze door de aard en omvang van de werkzaamheden (en de tijdelijkheid daarvan), in combinatie met de afstand tot het plangebied laag zullen zijn. We adviseren daarom om de omvang en reikwijdte van de eventuele deposities met een AERIUS-berekening inzichtelijk te maken.

4.2

Natuurnetwerk Nederland (NNB)

4.2.1

Gegevens

In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende gebieden behorende tot het NNB van de provincie Noord-Brabant afbeelding 4.2. Het dichtstbijzijnde perceel van het NNB is gelegen op een afstand van 110 meter ten zuidwesten van het plangebied. De wezenlijke kenmerken en waarden van het dichtstbijzijnde deel van het NNB worden gevormd door de natuurbeheertypen droog bos met productie (N16.03), dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02), beek en bron (N03.01), zand- en kalklandschap (N01.04) en vochtig bos met productie (N16.04).

14 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 4.2 Verschillende NNN-natuurtypen in de omgeving van het plangebied [lit. 3]

4.2.2

Effecten & conclusie

Het plangebied grenst niet aan een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel waarop de beheertypen droog bos met productie (N16.03), dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02), beek en bron (N03.01), zand- en kalklandschap (N01.04) en vochtig bos met productie (N16.04) aanwezig zijn ligt op 110 m ten zuidwesten van het plangebied. Gezien het plangebied echter buiten de grenzen van het NNN ligt, en de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Brabant geen bepalingen ten aanzien van externe werking bevat, is er geen sprake van directe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vervolgstappen zijn daardoor niet nodig.

15 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

5 SOORTENBESCHERMING 5.1

Methode

Om de aanwezigheid van beschermde Flora en fauna in of rondom het plangebied vast te kunnen stellen is een bureaustudie en een verkennend veldbezoek uitgevoerd. De bureaustudie bestaat uit het raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) [lit. 4]. Aanvullend hierop zijn, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en de op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Ter verificatie van en als aanvulling op de bureaustudie is een veldbezoek uitgevoerd op 5 februari 2020. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten waren geen onderdeel van het veldbezoek; wel zijn toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Daarnaast is een habitatscan uitgevoerd. De inventarisatie is niet vlakdekkend en slechts indicatief, maar is voor deze fase voldoende gedetailleerd. Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb.

5.2

Beschrijving per soortgroep

5.2.1

Planten

Bureaustudie Uit de NDFF [lit. 4] blijkt dat de afgelopen tien jaar binnen 3 kilometer van het plangebied de beschermde plantsoort grote leeuwenklauw is waargenomen. De soort is een enkele keer waargenomen ter hoogte van Houtzagerijstraat 20 in Mill afbeelding 5.1. Andere beschermde soorten werden in de wijde omtrek van het voornemen niet waargenomen.

16 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 5.1 Waarneming in de afgelopen tien jaar van beschermde flora in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]

De biotoopeisen van deze soort staan beschreven in het kader hieronder. Grote leeuwenklauw De grote leeuwenklauw groeit voornamelijk in bermen langs onverharde wegen en spoorwegen, op dijken, graanakkers, langs waterkanten en op braakliggende grond. Deze soort heeft dan ook een voorkeur voor zonnige, open plaatsen die goed gedraineerd en matig voedselrijk en kalkhoudend zijn (lemig zand, löss, leem, zavel en klei). Voorkomend in Zuid-Limburg, het Deltagebied en het rivierengebied [lit. 5]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantsoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit een kort gemaaide middenberm met daarop platanen met een gemiddelde diameter van 20 centimeter. In de bermen aan weerszijden van de weg staan enkele acacia’s en lindes. De overige vegetatie grenzend aan het plangebied bestaat uit tuinen met bijbehorende tuinbeplantingen, en aan de randen van Sint-Hubert liggen enkele percelen akkerland en hooiland. Het plangebied en de directe omgeving bieden geen geschikt biotoop voor de beschermde (vaat)planten. De meeste onder de Wnb beschermde Flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde Flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems.

Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren. Op basis van de ligging en de aard van het plangebied (vrij nieuwe N-weg door een dorpskern) is het aldus uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde plantsoorten voorkomen.

17 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Effecten en conclusie Uit de database van de NDFF [lit. 4] blijkt dat er in de wijdere omgeving van het plangebied gedurende de afgelopen tien jaar slechts een enkele waarneming is gedaan van een onder de Wnb beschermde soort, namelijk grote leeuwenklauw. De aanwezige vegetatie binnen het plangebied betreft algemeen voorkomende boomsoorten, zoals plataan en linde. Op basis van de locatie en gebiedskenmerken (stedelijk gebied, bijna compleet verhard en ver van natuurgebieden) is het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied uitgesloten. Op basis van de aangetroffen vegetatietypen en de aanwezige biotopen binnen het plangebied kan het voorkomen van onder de Wnb beschermde plantensoorten worden uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soortgroep niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

5.2.2

Grondgebonden zoogdieren

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van de planlocaties waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten van bijlage A van de Wnb soorten zoals egel en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Ook zijn er waarnemingen bekend van de (niet-vrijgestelde) nationaal beschermde (bijlage A van de Wnb) zoogdiersoorten das en eekhoorn. Daarnaast zijn in de omgeving van de planlocaties ook verschillende waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoort bever afbeelding 5.2. De waarnemingen concentreren zich voornamelijk rondom een houtwal ten noorden van het plangebied, en het natuurgebied Molenheide, ten zuidwesten van het plangebied.

Afbeelding 5.2 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van beschermde grondgebonden zoogdieren in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]

18 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

De biotoopeisen van deze soort worden in onderstaand kader beschreven. Bever Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door broekbossen met bomen als wilg en els. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste; (open of rotsige oevers worden gemeden) [lit. 6]. Das De das leeft in allerlei soorten biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. Maar ook andere open terreinen, zoals vochtige heiden en rivierdalen zijn geschikte gebieden. Zelfs in afgravingen, oude ertsmijnen, op kliffen en onder gebouwen wordt de das soms aangetroffen. Het leefgebied van de das moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waarin ze goed kunnen graven, met een grondwaterstand van tenminste 1,5 m onder het maaiveld [lit. 6]. Eekhoorn Het verspreidingsgebied van de eekhoorn strekt zich uit over heel Europa en Noord-Azië. Ze leven tot op een hoogte van 2.000 m. De eekhoorn komt in grote delen van Nederland voor, vooral in Drenthe, Overijssel, Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Ook in de duinen van Noord- en Zuid-Holland komen eekhoorns voor.

Tussen 1960 en 1970 brak een virusziekte uit waardoor de eekhoorn in het hele land zeldzaam werd. Na 1970 heeft herstel plaatsgevonden. Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. Hun voorkeur gaat uit naar ouder bos (naaldbomen ouder dan 20 jaar en loofbomen ouder dan 40-80 jaar) omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is [lit. 6]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van, onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Het plangebied biedt wel geschikt biotoop voor verschillende algemeen voorkomende soorten van bijlage A van de Wnb soorten als egel en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Binnen het plangebied zijn slechts enkele geschikte habitats aanwezig voor grondgebonden zoogdieren. Zo kunnen tuinen met voldoende beschutting grenzend aan het plangebied dienen als geschikt leefgebied voor egel, en zijn de huizen zelf, de tuinen en omliggende graslanden geschikt als leefgebied voor verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Geschikt biotoop voor de beschermde soorten bever, das en eekhoorn is afwezig binnen en grenzend aan het plangebied.

Er zijn geen watergangen met oeverbossen aanwezig voor de bever, en tevens veroorzaakt de drukke weg te veel verstoring voor de soort om zich nabij te vestigen. De dichtstbijzijnde sporen van de das bevinden zich op een afstand van circa anderhalve kilometer van het plangebied, binnen het natuurgebied Molenheide. De bomen binnen het plangebied zijn voor eekhoorn niet interessant. Het gaat hier op platanen en lindes, waar een eekhoorn voornamelijk te vinden is rond naaldbomen, beuken of eiken. Tevens zijn de bomen te jong om als potentiële verblijfplaats te dienen voor de soort. Effecten en conclusie Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten (bijlage A Wnb) binnen het plangebied, zoals egel en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten is op basis van aanwezige biotopen en ligging niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wnb (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht.

19 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

De aanwezigheid van andere onder de Wnb beschermde soorten binnen het plangebied is uit te sluiten, vervolgstappen zijn dan ook niet nodig.

5.2.3

Vleermuizen

Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de habitat richtlijn (HR). Volgens de NDFF [lit. 4] zijn er in de afgelopen tien jaar tenminste zes soorten vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen. Het betreft waarnemingen van overvliegende en/of foeragerende individuen van franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. De meeste waarnemingen worden gedaan rond de dorpskernen van Sint-Hubert en Mill afbeelding 5.3.

Afbeelding 5.3 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van vleermuizen in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]

De biotoopeisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Franjestaart De franjestaart is een soort die zijn leefgebied heeft in half open tot zeer dicht bos en kleinschalig, gesloten landschap. De soort wordt vaak in of bij relatief waterrijk, vochtig (loof)bos gevonden en jaagt daar in lanen, tussen en door de boomkronen, boven en rondom vijvers, grachten en beken en in open broekbos. Gebruikt als zomeronderkomen vooral spleten, scheuren en spechtengaten in bomen en in mindere mate zolders en schuren. Als winterverblijf zijn vooral onderaardse locaties bekend zoals grotten, kalksteengroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijs- en kasteelkelders. Voor vliegroutes wordt begeleidende vegetatie zeer strikt gevolgd [lit. 7].

20 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Gewone dwergvleermuis (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Gewone dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 7]. Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor, maar nergens in grote aantallen. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in de open polderlandschappen in West- en Noord-Nederland een zeldzaamheid. De gewone grootoorvleermuis gebruikt zeer uiteenlopende soorten verblijfplaatsen. Ze worden in de zomer aangetroffen op zolders, achter betimmeringen, daklijsten en vensterluiken, in spouwmuren en onder dakpannen, in holten en spleten in bomen en in nest- en vleermuiskasten. Ze verhuizen vaak.

Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten gebruikt, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders [lit. 7]. Laatvlieger Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten [lit. 7]. Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boom bewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In Midden-Europa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek.

Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 7]. Watervleermuis De watervleermuis is een boombewonende soort van half open tot gesloten, waterrijk en bosrijk landschap. Grotere dichtheden worden vooral daar gevonden waar zowel beschut water als ouder bos of oudere bomen aanwezig zijn. De verspreiding toont een duidelijke binding met de oudere bossen in de duinen in het westen van Nederland, en de bossen op de hogere zandgronden en het krijtlandschap in het oosten en zuiden van Nederland. Desondanks komt de soort ook voor in het laagland op plaatsen waar oudere bossen of parken aanwezig zijn. In het noordwestelijke laagland worden in bosarme omgeving soms kleine groepen op zolders gevonden [lit. 7]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen waarnemingen gedaan van (sporen van) vleermuizen. Wel werd de aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes geconstateerd. Zo bevatten enkele huizen rondom de N264 open stootvoegen op geschikte hoogte, en liggen er op enkele huizen losse of kapotte dakpannen, welke kunnen dienen als geschikte verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De bomen langs de N264 waren allen nog vrij jong en goed onderhouden waardoor er geen holtes of andere vormen van geschikte verblijfplaatsen in zijn aangetroffen.

De aanwezigheid van een vliegroute langs een deel van de bomenrij in middenberm kan niet worden uitgesloten. Tevens bestaat de mogelijkheid dat deze bomen kunnen dienen als ‘hop-over’, die de

21 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

vleermuizen gebruiken om van de kern van het dorp tot in het buitengebied ten zuiden van Sint-Hubert te geraken, om hier vervolgens te foerageren. Effecten en conclusie Van vernietiging van verblijfplaatsen als gevolg van de werkzaamheden is geen sprake, echter kan verstoring van vleermuizen in verblijfplaatsen in de aangrenzende woningen als gevolg van de werkzaamheden niet worden uitgesloten. Tevens kan de verstoring van overvliegende en foeragerende vleermuizen niet worden uitgesloten doordat werkzaamheden ook gedurende de actieve periode van vleermuizen (tussen zonsondergang en zonsopkomst) plaats kunnen vinden. Door de potentiële aanwezigheid van verblijfplaatsen in huizen langs het plangebied en vlieg- en/of foerageerroutes voor verschillende vleermuissoorten op het traject, kan niet worden uitgesloten dat de herinrichting van de kern van Sint-Hubert (kap bomen en geluidsoverlast) een negatief effect heeft op vleermuizen. Vleermuizen kunnen hierdoor worden verstoord en verblijfplaatsen kunnen tijdelijk ongeschikt raken. Dit zijn overtredingen van de Wnb artikelen 3.10 lid 1 sub a en 3.10 lid 1 sub b. Nader soortgericht onderzoek conform het vleermuisprotocol 2020 is noodzakelijk om beschermde functies in kaart te brengen, zodat vervolgens kan worden bepaald of en in welke mate negatieve effecten van het voornemen optreden voor vleermuizen.

Op basis hiervan kan worden bepaald of werkelijk sprake is van een overtreding van de Wnb en is het tevens mogelijk om zo nodig passende compenserende en mitigerende maatregelen te treffen als ook een ontheffingsaanvraag op te stellen.

5.2.4

Vogels

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de wijdere omgeving van het plangebied verschillende vogelsoorten waargenomen zoals appelvink, boomkruiper, zwarte roodstaart en geelgors. Daarnaast werden in de omgeving van het plangebied ook verschillende soorten waargenomen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het betreft buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, steenuil en wespendief. Het betreft vooral waarnemingen van overvliegende en foeragerende individuen. Van deze soorten zijn ook een aantal waarnemingen bekend die wijzen op de aanwezigheid van een nest, namelijk een verblijfplaats of waarnemingen van soorten met een vastgesteld territorium of soorten welke nest indicerend gedrag vertonen. Al deze waarnemingen werden gedaan in de omgeving van plangebied afbeelding 5.4.

Afbeelding 5.4 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van beschermde broedvogels in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]

22 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

De biotopeneisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven. Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 8]. Gierzwaluw Voor hun nestgelegenheid zijn gierzwaluwen afhankelijk van beschikbaarheid van gebouwen met geschikte holtes. Ze jagen boven uiteenlopende habitats in dorpen en steden. Al het voedsel wordt gevangen in de lucht, ze zijn gespecialiseerd in het vangen van insecten in volle vlucht. Daarvoor zoeken ze meestal de luchtlagen op die op dat moment de meeste insecten bevatten, en dat kan best een flinke hoogte zijn [lit. 8]. Havik Combinatie van bos met geschikte nestbomen met open land om te jagen. Broedt in naald- en loofbossen, ook in moerasbos, soms in parken Jaagt in het bos, maar ook in tussenliggende weilanden en akkers, in aangrenzende open gebieden (heide en hoogveen, moerassen, boerenland) en steeds vaker ook in de stad. Belangrijk is de aanwezigheid van geschikte prooien. In de winter ook in nog opener terrein te vinden, zoals kwelders [lit. 8]. Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder.

Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft twee tot drie legsels per broedseizoen met elk vier tot zes eieren. Broedduur: elf á twaalf dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten, Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 8]. Steenuil Veelal kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. In grootschalige landbouwgebieden is de steenuil afhankelijk van gevarieerde erven bij boerderijen of vrijstaande huizen. Jachtgebied bestaat uit open terrein met het hele jaar door lage vegetatie (beweiding). Voorts zijn er voldoende zitplaatsen van 1 tot 1,5 meter hoogte (paaltjes bijvoorbeeld) om vanuit te jagen. Er zijn schuilplaatsen en broedholen in oude bomen, schuren, gebouwen en dergelijke [lit. 8]. Wespendief Loofbossen en gemengde bossen, met open plekken, heide, hoogvenen en graslandjes. Ook moerasbos en kleinschalig cultuurland met bos. Op trek overal waar te nemen. Overwintert in bossen en bossavannen in tropisch Afrika. Bouwt jaarlijks een nest, maar knapt ook oude nesten op. Nestelt in kruin van hoge loof- en naaldbomen [lit. 8].

Veldbezoek Het plangebied biedt leefgebied voor vogelsoorten welke hun leefgebied vinden rondom gebouwen. Zo zijn er waarnemingen gedaan van ekster, zwarte kraai, houtduif, koolmees en pimpelmees. Er zijn tijdens het veldbezoek ook nesten waargenomen afbeelding 5.5 van ekster en zwarte kraai.

23 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 5.5 Links, een groot nest met een diameter van ongeveer een halve meter. Rechts een middel groot nest met twee zwarte kraaien roepend naast het nest

De huizen binnen het plangebied kunnen dienen als nestlocatie van enkele soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Het gaat hierbij om huismus en gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek zijn waarnemingen gedaan van huismussen, die nest indicerend gedrag vertoonden. Zo werd er paarvorming waargenomen, en werden er individuen gezien die onder dakpannen kropen (geschikte nestlocaties). De huismussen werden in groepen waargenomen, die luid roepend langs de verschillende potentiële nestlocaties trokken. Deze groepen werden voornamelijk langs het westelijk deel van de N264 waargenomen. Afbeelding 5.6 geeft een aantal huizen weer waar activiteit van huismussen werd waargenomen. Gierzwaluwen werden tijdens het veldbezoek niet waargenomen aangezien deze nog niet in Nederland zijn terug gekeerd. Er zijn wel voldoende geschikte nestgelegenheden aanwezig binnen het plangebied is de vorm van huizen met kapotte of verschoven dakpannen.

24 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 5.6 Daken met geschikte verblijfplaatsen voor huismus. Met een rode pijl is een zingende huismus (man) aangegeven

Zingende huismus

Aan de noordoostelijke zijde van het plangebied is een steenuilenkast aanwezig afbeelding 5.7. Als gevolg van de zeer beperkte afstand tot de weg (< 15 meter) wordt de kast als gevolg van verstoring door de weg niet geschikt geacht als verblijfplaats voor steenuil.

25 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 5.7 Een steenuilenkast in een tuin aan de meest noordoostelijke van het plangebied

Effecten en conclusie De aanwezigheid van broedvogels binnen de contouren van het plangebied is niet uit te sluiten. Voor deze broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied.

Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden. Huismus Verstoring van nesten van huismus door geluid en trillingen kan niet worden uitgesloten. Aantasting van de functionaliteit kan aan de orde zijn als het geschikte habitat voor de huismus in kwantiteit of kwaliteit afneemt, waardoor de plek niet meer de functie van voortplantingsplaats of rustplaats kan vervullen. Een

26 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

leefgebied moet de huismus het hele jaar blijvend voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Om hier een ontheffing voor te krijgen is het nodig om nader soortgericht onderzoek uit te voeren, om in kaart te brengen waar de nesten zich bevinden, wat foerageergebieden zijn en hoe groot de populatie huismussen in het plangebied is. Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisatie moet bij voorkeur onder de volgende omstandigheden plaatsvinden: - goede omstandigheden (bijvoorbeeld geen regen, harde wind en/of kou); - op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied); - op geschikte momenten op de dag (tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend); - met een tussenperiode van minimaal tien dagen. Overigens kan het daadwerkelijke broeden van de huismus ook al in de eerste helft van maart of nog tot en met augustus plaatsvinden, maar het exacte moment is afhankelijk van onder andere de weersomstandigheden.

Het is van belang dat ook in beeld wordt gebracht waar welke elementen van de functionele leefomgeving zich bevinden. Hiertoe behoren vooral de plekken waar gefoerageerd en geslapen wordt, zoals struiken, hagen, klimop en kruidenrijke vegetaties. Het slapen kan gedurende het jaar op wisselende plekken gebeuren. Ook de plekken waar gedronken of gebaad kan worden of waar een stofbad genomen kan worden, behoren hiertoe. Het vaststellen van de locaties van de slaapplekken kan gedurende het gehele jaar het beste rond zonsondergang of zonsopgang plaats vinden [lit. 11]. Gierzwaluw Door de aanwezigheid van geschikt nestgelegenheid voor gierzwaluw, en de recente waarnemingen uit de NDFF, treedt mogelijk verstoring op van nesten van gierzwaluw. Om in kaart te brengen waar nesten van gierzwaluw zich bevinden, en hoeveel dit er zijn, is nader soortgericht onderzoek noodzakelijk. Tijdens dit onderzoek dienen de locaties van de nesten en rustplaatsen en de omvang van de populatie in kaart te worden gebracht.

De afwezigheid van broedende gierzwaluwen kan voldoende aannemelijk gemaakt worden als er geen waarnemingen zijn verricht die duiden op de aanwezigheid van een nest na: - minimaal drie inventarisatiemomenten met een tussenliggende periode van minimaal tien dagen; - waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli (jongen aanwezig); - tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang; - tijdens goede (droge) weersomstandigheden [lit. 12].

5.2.5

Amfibieën

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van de planlocaties waarnemingen bekend van enkele algemeen voorkomende amfibiesoorten (bijlage A van de Wnb) zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Binnen de provincie Noord-Brabant zijn deze soorten echter vrijgesteld. In de omgeving van het plangebied zijn ook waarnemingen gedaan van de niet-vrijgestelde soort alpenwatersalamander afbeelding 5.8. De waarnemingen concentreren zich rondom de vennen op de Molensche heide. Andere beschermde amfibiesoorten werden in de omgeving niet waargenomen.

27 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 5.8 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van alpenwatersalamander in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]

De biotoopeisen van alpenwatersalamander wordt in onderstaand kader beschreven. Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander komt in Nederland in het zuiden en oosten voor, vaak in de buurt van bos en/of houtwallen. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig in verband met zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Alpenwatersalamanders overwinteren op het land. (Er zijn ook waarnemingen van kleine aantallen dieren, die de hele winter in het water verblijven.) In februari trekken ze naar het water [lit. 9]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, amfibieën aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde amfibieën. De aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bruine kikker en gewone pad zijn in en rond het plangebied echter niet uit te sluiten. Effecten en conclusie De aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibiesoorten kan in en rond het plangebied niet worden uitgesloten, voor deze soorten is echter een vrijstelling van kracht. De aanwezigheid van alpenwatersalamander is uit te sluiten.

Er bevindt zich geen geschikt habitat binnen het plangebied (loofbos op zandige leemgronden). De bestaande populatie centreert zich ook op een niet overbrugbare afstand voor de soort (meer dan 500 meter). Tevens is er geen geschikt voortplantingsbiotoop aanwezig binnen het plangebied, gezien oppervlaktewater ontbreekt. Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor andere beschermde amfibiesoorten, kan worden uitgesloten dat niet-vrijgestelde amfibiesoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn

28 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

5.2.6

Reptielen

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van het plangebied geen waarneming bekend van onder de Wnb beschermde reptielsoorten. Deze soorten komen dan ook voor in zeer specifieke biotopen zoals heiden en hoogveengebieden (levendbarende hagedis en adder), houtwallen en (spoor)wegbermen (hazelworm), zon beschenen en oude stenen muren (muurhagedis), natte vegetatierijke wateren (ringslang) en droge heideterreinen (zandhagedis) [lit. 9]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek werden geen, onder de Wnb beschermde, reptielsoorten aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van beschermde reptielsoorten. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor reptielsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

5.2.7

Vissen

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid en de verstoring van beschermde vissoorten is daarmee uit te sluiten. Nader onderzoek en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.

5.2.8

Vlinders, libellen en andere ongewervelden

Bureaustudie Op basis van de NDFF [lit. 4] zijn in de afgelopen tien jaar in de omgeving van de planlocaties waarnemingen bekend van een de nationaal beschermde (bijlage A van de Wnb) dagvlinder grote vos afbeelding 5.9. De waarnemingen van deze soort zijn gedaan op een heideterrein te midden van De Molenheidse bossen ten zuidwesten van het plangebied.

29 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Afbeelding 5.9 Waarnemingen in de afgelopen tien jaar van beschermde ongewervelden in de nabijheid van het plangebied [lit. 4]

De biotoopeisen van grote vos wordt in onderstaand kader beschreven. Grote vos De grote vos vliegt op warme, zonnige plekken in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Waardplanten zijn vooral de iepen maar ook wilgen en soms ook fruitbomen (zoete kers) of meidoorn [lit. 10]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Hierbij wordt opgemerkt dat het veldbezoek, met betrekking tot vlinders, libellen en ongewervelden, niet in de meest geschikte periode van het jaar heeft plaatsgevonden. De plangebieden en de directe omgeving voldoen daarnaast niet aan de (over het algemeen hoge) eisen van beschermde vlinders, libellen en ongewervelden zoals heide, plantenrijke vennen, zuurstofrijke beken, verlandingsvegetaties met krabbescheer, zandstrandjes langs de grote rivieren, bloem- en/of kruidenrijke graslanden, blauwgraslanden, moerassen, bos, stromend water. Daarnaast komen de waardplanten van de soorten niet in het plangebied voor. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn.

Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

30 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

6 SAMENVATTING 6.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000 Het plangebied ligt op grote afstand (meer dan negen kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Ondanks dat het plangebied op minimaal negen kilometer afstand van Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden ligt, is stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Indien stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden optreden, wordt verwacht dat deze door de aard en omvang van de werkzaamheden (en de tijdelijkheid daarvan), in combinatie met de afstand tot het plangebied laag zullen zijn. We adviseren daarom om de omvang en reikwijdte van de eventuele deposities met een AERIUS-berekening inzichtelijk te maken. Natuur netwerk Noord-Brabant Het plangebied ligt buiten het NNB. Voor gronden die grenzen aan het NNB, maar daar zelf buiten liggen, gelden volgens het provinciale NNN-beleid geen beperkingen. Het NNB heeft geen ‘externe werking’ die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt.

Omdat het plangebied geheel buiten het NNN valt, is er geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden.

31 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

6.2

Soortenbescherming

In de onderstaande tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.

Tabel 6.1 Samenvattende tabel soortenbescherming Soortgroep

Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?

vaatplanten

nee

grondgebonden zoogdieren

ja, voorkomen van algemene soorten (bijlage A) zoals egel en andere algemeen voorkomende muissoorten kan niet worden uitgesloten

vleermuizen

Gevolgen

Ontheffing aanvragen?

geen, wel zorgplicht

nee

nee, vrijstelling binnen provincie Noord-Brabant

geen, wel zorgplicht

nee

ja, voorkomen van soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis is niet uit te sluiten

ja, in en rondom het plangebied zijn potentiële verblijfplaatsen aanwezig

ja, nader soortgericht onderzoek is nodig

ja, indien uit het nader onderzoek blijkt dat beschermde waarden binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden aanwezig zijn

vogels

ja, het plangebied is geschikt voor verschillende algemeen voorkomende broedvogels en jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw

ja, kans op verstoren van broedgevallen en jaarrond beschermde nestplaatsen

nader onderzoek is nodig om te bepalen of jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden aanwezig zijn

ja, indien uit het nader onderzoek blijkt dat jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden aanwezig zijn

amfibieën

ja, het plangebied is geschikt voor algemeen voorkomende soorten zoals gewone pad en bruine kikker

nee, geen geschikt water aanwezig binnen het plangebied

geen, wel zorgplicht

nee

reptielen

nee

nee

geen, wel zorgplicht

nee

vissen

nee

nee, geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied

geen, wel zorgplicht

nee

vlinder, libellen, ongewervelden

nee

nee

geen, wel zorgplicht

nee

32 | 33

Witteveen+Bos | 117826/20-017.313 | Definitief

Kans op overtreding Wnb?

7 LITERATUUR 1 2

www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/, geraadpleegd op 11 februari 2020. European Environment Agency (2018). Natura 2000 End 2018 - shapefile, https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/natura-10/natura-2000-spatial-data/natura-2000shapefile-1, geraadpleegd op 11 februari 2020 . 3 https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/, geraadpleegd op 11 februari 2020. 4 NDFF-ecogrid database, geraadpleegd op 11 februari 2020. 5 www.wilde-planten.nl, geraadpleegd op 11 februari 2020. 6 www.Zoogdierenvereniging.nl, geraadpleegd op 11 februari 2020. 7 www.Vleermuis.net, geraadpleegd op 11 februari 2020. 8 www.vogelbescherming.nl; geraadpleegd op 11 februari 2020. 9 www.ravon.nl, geraadpleegd op 11 februari 2020. 10 www.vlinderstichting.nl, geraadpleegd op 11 februari 2020. 11 https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf, geraadpleegd op 11 februari 2020. 12 https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf, geraadpleegd op 11 februari 2020.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=a6150d27-d476-4ae9-b5cb-b18a412c7572