CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

09. 1g. Bijlage 4 toelichting ecologisch onderzoek BP_Hogenakker12.pdf

Grave - raadsvergadering 22 juni 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: A- Bestemmingsplan Hogenakker 12 Gassel4.480 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

BURO SRO T.a.v. dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Datum

7 december 2018

Kenmerk

BE/2018/583

Uw kenmerk

Email d.d. 30 oktober 2018

Auteur(s)

M.J. Visschers

Projectleider

C.J. Blom

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Hogenakker 12 te Gassel Aan de hogenakker 12 te Gassel is een is een woonhuis met bijbehorende opstallen, tuin en dierenweide gelegen. De eigenaar van het perceel is voornemens een woning te realisteren op het terrein dat dienstdoet als dierenweide. Het vigerende bestemmingsbeleid voorziet niet in de ontwikkelingsmogelijkheid en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord:  Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)?  Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied?  Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep?  Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Hogenakker 12 te Gassel. Op de westzijde van het perceel is een woonhuis met bijbehorende opstallen en tuin gesitueerd. De eigenlijke planlocatie betreft de dierenweide aan de oostzijde van het perceel. Er worden twee damherten gehouden welke het gras kort afgrazen. Een laag golfplaten hok dat aan één zijde open is biedt de dieren beschutting. Op de zuidoostzijde van de weide is een houtopslag gesitueerd. De dierenweide is omrand met een gevlochten draadhekwerk van ca 1,8 m hoog. Aan de noordzijde van de planlocatie tussen de rijbaan (Hogenakker) en het hekwerk is een smalle grasstrook met een zestal beuken aanwezig. Een houtwal met inheemse bomen en struiken scheidt de planlocatie van het oostelijk gelegen perceel. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen aan de zuidrand van de dorpskern van Gassel. Het gebied ten noorden van de planlocatie wordt gekenmerkt door woonpercelen, woonblokken en bij een dorpskern passende infrastructuur. Ten zuiden van de planlocatie zijn weiden gelegen waarin paarden verblijven. Aan deze zijde is het gebied landelijk met meer agrarische kenmerken. Op een afstand van 0,7 km ten noorden van de planlocatie zijn de Kraaijenbergseplassen gelegen welke in verbinding staan met de Maas.

De afstand van de planlocatie tot de Maas bedraagt 1,45 km.

Figuur 1 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Hogenakker 12 te Gassel (bron: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen de sloop van de huidige bebouwing, nieuwbouw van twee woningen alsmede het verwijderen van (een deel) van het groen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:  verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen;  vergraven terrein en egaliseren; graafwerkzaamheden en grondtransport;  terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.;  realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden;  revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden; Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

2

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 november 2018. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 4/8 bewolkt, 9 Celsius en windkracht 2-3 (Bft.). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rusten voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

3

In een verordening van de provincie Noord-Brabant is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de beschermde vaatplanten niet bekend (Floron Verspreidingsatlas). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft een kleine weide met voornamelijk raaigras welke intensief begraasd wordt door de aanwezige damherten. Daarbij is de locatie gelegen in een gebied dat sterk is beïnvloed door de agrarische activiteiten in de directe omgeving waardoor het aannemelijk een voedselrijke en of verstoorde bodem betreft. Hetgeen wordt gestaafd door de aanzienlijke hoeveelheden grote brandnetel in de weide. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied is in gebruik als dierenweide. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. In het atlashokken (5x5km) waarbinnen de planlocaties zijn gelegen, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, beverrat, bruine rat, bunzing, das, eekhoorn, egel, haas, konijn, mol, muskusrat, ree, steenmarter, vos, wezel en diverse muisachtigen (verspreidingsatlas NDFF, 2010-2018). Enkele zoogdiersoorten zijn door de provincie vrijgesteld van bescherming, in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; WetNb, art 3.10). Voor de in de omgeving voorkomende bever, bunzing, das, eekhoorn, steenmarter, en wezel geldt een dergelijke vrijstelling niet. Deze minder algemene en/of opportunistische soorten zijn erg kritisch ten aanzien van hun omgeving.

Veel grondgebonde zoogdieren prefereren een structuurrijke omgeving (vegetatie, macroreliëf, etc.) waarin voldoende rust en voedsel zijn gewaarborgd. In de bomen aan de noordzijde van de planlocatie zijn geen nestbomen (vaste rust- en verblijfplaatsen) van eekhoorn aangetroffen. De planlocatie bestaat uit een weide zonder relevante groenstructuren die is omheind met een fijnmazig gevlochten hekwerk van 2 meter hoog. Bovendien in de planlocatie gelegen aan de rand van een woonwijk waar veel verstoring door menselijke activiteiten plaatsvindt. Cumulatief maken deze kenmerken de planlocatie per definitie ongeschikt als verblijfplaats of leefgebied voor bovengenoemde beschermde soorten. De ontwikkeling leidt derhalve niet tot afname of verstoring van essentieel

4

functioneel leefgebied of vaste rust- en/of verblijfplaatsen van beschermde, niet vrijgestelde soorten. De planlocatie heeft hooguit een functie voor algemene/ opportunistische soorten waarvoor een vijstelling geldt. Dit betreft met name mol, rat- en muisachtigen. Voor dergelijke soorten is in de directe omgeving voldoende geschikt leefgebied. Essentieel leefgebied en/of vaste ruste en/of verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren zijn niet aanwezig en worden derhalve niet aangetast. Mits enkele maatregelen worden getroffen in het kader van de Algemene zorgplicht leidt de beoogde ontwikkeling leidt niet tot (significant) negatieve effecten voor beschermde zoogdieren. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; verspreidingsatlas NDFF, 2010-2018). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd.

De bomen aan de noordzijde van de planlocatie bevatten geen holten die kunnen dienen als vaste rust- en/of verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Eveneens zijn op de planlocatie geen structuren aanwezig die potentieel geschikt zijn als vaste rust- en/of verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. De ontwikkeling leidt derhalve niet tot aantasting van vaste rust- en/of verblijfplaatsen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie (in beperkte mate) gebruiken als onderdeel van foerageergebied en/of vliegroute. De ontwikkeling leidt echter niet tot (significante) afname van essentiële vliegroutes of foerageergebied. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting.

Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Het voorkomen van inheemse reptielen is niet bekend in deze regio. Tevens worden ze niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Door het ontbreken van geschikt habitat is de aanwezigheid van reptielen op de planlocatie uitgesloten. Amfibieën maken gedurende een jaarcyclus gebruik van twee typen habitat, het overwinteringshabitat en het voortplantings/overzomeringshabitat. Het winterhabitat kan bestaan uit een scala aan vorstvrije plaatsen nabij bebouwing, in bossen, onder takenhopen, holen, sliblaag et cetera. Deze verblijfplaatsen worden ook wel het terrestrische habitat (= land habitat) genoemd. Het voortplantingshabitat (= aquatisch habitat) bestaat uit de aanwezigheid van al dan niet tijdelijke wateren met specifieke karakteristieken voor zeldzame (al dan niet beschermde) soorten. Algemene soorten zoals gewone pad en kleine watersalamander zijn relatief opportunistisch en planten zich in veel typen wateren voort.

Het terrestrische habitat is bij voorkeur structuurrijk en ligt vaak in de directe omgeving van voortplantingswateren. Beschermde amfibieën zijn erg kritisch ten aanzien van het habitat waarin zijn voorkomen. In het atlashok waarin de planlocatie gelegen is, is het voorkomen bekend van beschermde amfibieën waaronder de alpenwatersalamander, poelkikker en kamsalamander (verspreidingsatlas NDFF, 2018). Voor deze beschermde amfibieën ontbreekt functioneel leefgebied op de planlocatie waaronder geschikte voortplantingsplaatsen (poelen, vennen, moerassen en vijvers) en overwinteringslocaties (strooisellagen, dichte vegetatie, afgetrapte slootkanten, vochtige

5

heidelandschappen of vochtige half-natuurlijke graslanden). Eveneens ontbreekt de samenhang van geschikte land-habitats en geschikte watersystemen in de directe omgeving. Deze samenhang tussen elementen is essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van dergelijke bijzondere soorten. Op de planlocatie en in de directe omgeving zijn geen oppervlaktewateren aanwezig wat het voorkomen van dergelijke soorten op de planlocatie gedurende de aquatische periode uitsluit en gedurende de terrestrische periode zeer onwaarschijnlijk maakt. Deze beschermde soorten zijn zeer kritisch ten aanzien van het habitat waarin zijn voorkomen. Het voorkomen van habitatrichtlijnsoorten en bijzondere nationaal beschermde soorten wordt derhalve niet verwacht. Negatieve effecten op (beschermde) amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen In de directe omgeving van en binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Effecten ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep op zowel beschermde als algemene vissen zijn derhalve per definitie uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen.

Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: koolmees en ekster. De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële functie voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie zijn geen (grote, oude) bomen met horsten, holtes en/of oude nesten aanwezig van of die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. Tevens zijn geen overige sporen van uilen of andere roofvogels aangetroffen op de planlocatie die duiden aanwezigheid dan wel functioneel gebruik (o.a. veren, uitwerpselen, braakballen, prooiresten en krijtsporen). De huidige inrichting van de planlocatie is eveneens ongeschikt als essentieel onderdeel van de functioneel leefomgeving van uilen en roofvogels. De gierzwaluw en huismus leven in de directe omgeving van mensen en broeden als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017; BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).

Door het ontbreken van bebouwing biedt de planlocatie geen potentiele nestlocaties voor gebouwbewonende soorten zoals huismus en gierzwaluw. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet (beperkt) in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

6

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 9,0 km ligt het Natura 2000-gebied Sint Jansberg, op een afstand van 10,6 km ligt het Natura 2000-gebied Oeffelter Meent en op een afstand van 11,8 km is het Natura 2000-gebied De Bruuk gelegen (figuur 2). De planlocatie ligt op een afstand van circa 250 m ten westen van het Natuurnetwerk Nederland/Natuurnetwerk Brabant (figuur 3).

Figuur 2 De planlocatie ligt op een afstand van 9,0 km tot het Natura 2000-gebied Sint Jansberg (bron: kaartbank.brabant.nl).

Figuur 2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 250 m tot het Natuurnetwerk Nederland/ Natuurnetwerk Brabant (bron: kaartbank.brabant.nl). De beoogde ontwikkeling betreft de toevoeging van één extra woning, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). Doordat de nieuwe woning aannemelijk gebouwd wordt volgens het bouwbesluit zal sprake zijn van een relatief lage(re) uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de

7

stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare blijft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren.

Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Het is niet bekend of de beuken aan de noordzijde van de planlocatie gekapt worden. Mochten er toch kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatshebben, vallen deze onder type a en b.

Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

8

Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

-

-

-

-

n

n

n

+

-

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat andere soort

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek/ Aerius

Natura 2000

9,8 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

250 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding / vergunning

Struiken

nee

n.v.t.

n.v.t.

Bomen

ja

evt.

n.v.t.

n

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

vleermuizen

- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)

zoogdieren

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda vaatplanten

Tabel 2

n

n

Conclusie De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Hogenakker 12 te Gassel uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

9

Te treffen maatregelen  Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).  Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.  Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.  Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.  De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).  De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

10

Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen.

Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.kaartbank.brabant.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl

11

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.

Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. M.J. Visschers

Bijlage 1 Fotografische impressie

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

12

Bijlage 1 Fotografische impressie

Figuur 1 De planlocatie is gelegen aan de Hogenakker 12 te Soest. De oostzijde van het perceel betreft het eigenlijke plangebied.

Figuur 2 Het plangebied betreft een omheinde dierenweide waarin twee damherten gehouden worden. Aan de noordzijde van de planlocatie is een grasstrook met zes beukenbomen gesitueerd.

13

Figuur 3 De initiatiefnemer is voornemens om een woning te realiseren op het betreffende perceel.

Figuur 4 De planlocatie is gelegen in een woonwijk aan de zuidzijde van het dorp. Ten zuiden van de planlocatie is de omgeving landelijk met agrarische kenmerken.

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=b340f20f-12f3-4084-9d8e-8f48b557878e