CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

08. Bijlage II Verkennend bodemonderzoek PJ34.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Lange Schoolstraat 2 Sint Hubert23.378 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verkennend bodemonderzoek

Pastoor Jacobsstraat 34, Sint Hubert Rapport

Verkennend bodemonderzoek

Pastoor Jacobsstraat 34, Sint Hubert Rapport

Opdrachtgever Witteveen+Bos Postbus 233 7400 AE Deventer

Verantwoording Documentnummer

3905-20086-04-RAP-MOZ-01-v1.0

Datum document

7 januari 2021

Opgesteld

Gecontroleerd

Vrijgegeven

G.D. Geijer MSc

ing. F. Broertjes

ing. F. Broertjes

Revisiebeheer Versie

Datum

Omschrijving

1.0

7 januari 2021

Eerste uitgave

Het auteursrecht van dit rapport berust bij Unihorn B.V. Het is niet toegestaan dit rapport voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd te gebruiken.

Versie 1.0 7 januari 2021

Inhoudsopgave 1.

2.

Inleiding .................................................................................................................................................... 3 1.1

Aanleiding en doel ....................................................................................................................... 3

1.2

Kwaliteitsborging ......................................................................................................................... 4

1.3

Leeswijzer ................................................................................................................................... 4

Vooronderzoek .......................................................................................................................................... 5 2.1

3.

Samenvatting vooronderzoek ...................................................................................................... 5

Onderzoeksopzet (hypothese en strategie) ............................................................................................... 6 3.1

Hypotheses ................................................................................................................................. 6

3.2

Strategie en opzet ....................................................................................................................... 6 Strategie bodem .......................................................................................................................... 6

4.

Veldwerkzaamheden ................................................................................................................................. 7 Locatie inspectie.......................................................................................................................... 7

5.

4.2

Veldonderzoek ............................................................................................................................ 8

4.3

Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................................... 8

4.4

Opmerkingen en afwijkingen op vigerende protocollen ............................................................... 8

Laboratoriumonderzoek ............................................................................................................................. 9 5.1

Bodem ......................................................................................................................................... 9 Grond .......................................................................................................................................... 9 Grondwater.................................................................................................................................. 9

6.

5.2

Asbest in grond ........................................................................................................................... 9

5.3

Toetsingskader ............................................................................................................................ 9

Analyseresultaten .................................................................................................................................... 10 6.1

Bodem ....................................................................................................................................... 10 Grond ........................................................................................................................................ 10 Grondwater................................................................................................................................ 10

6.2 7.

Asbest in grond ......................................................................................................................... 11

Conclusies en advies............................................................................................................................... 12 7.1

Conclusies ................................................................................................................................. 12 Bodem ....................................................................................................................................... 12 Asbest in grond ......................................................................................................................... 12

7.2

Toetsing hypothese(s) ............................................................................................................... 12 Bodem ....................................................................................................................................... 12

8.

7.3

Advies........................................................................................................................................ 12

7.4

Aanbevelingen m.b.t. Arbo technisch veilig werken (conform CROW 400) ............................... 12

7.5

Resumé onderzoeksresultaten .................................................................................................. 13

Referenties .............................................................................................................................................. 14

Pagina 1 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

Bijlagen A.

Toelichting op toetsingskaders

B.

Regionale ligging en locaties meetpunten

C.

Boorstaten

D.

Toetsingstabellen bodem

E.

Analysecertificaten bodem

F.

Analysecertificaat asbest

Pagina 2 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

1.

Inleiding In november heeft Unihorn B.V. opdracht gekregen van Witteveen+Bos voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van twee percelen nabij Pastoor Jacobsstraat 34, te Sint Hubert. In Figuur 1 is ligging van het projectgebied weergegeven met het rode kader.

Figuur 1

1.1

Ligging projectlocatie.

Aanleiding en doel Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is het in augustus uitgevoerde historisch vooronderzoek [ref 9.] betreffende de projectlocatie uit Figuur 1. Het historisch vooronderzoek werd uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanprocedure en in het kader van beoogde bouwactiviteiten op de locatie, waarbij mogelijk grond vrij zal komen. In het historisch vooronderzoek werd, mede op basis van eerder op de nabijgelegen Pastoor Jacobsstraat uitgevoerd onderzoek [ref 8.], geconcludeerd dat er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden op de projectlocatie. Doel van het onderzoek is om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) ter plaatse vast te leggen. Voor de eventuele afvoer van grond wordt advies gegeven ten aanzien van de hergebruiksmogelijkheden. Daarnaast wordt op basis van de analyseresultaten beoordeeld of conform de CROW 400 [ref 31.] veilig met de grond gewerkt kan worden.

Pagina 3 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

1.2

Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd binnen het kader van ons kwaliteitssysteem. Unihorn B.V. heeft een zorgsysteem dat voldoet aan de volgende normen: 

NEN-EN-ISO 9001;

VGM Checklist Aannemers VCA versie 2008/5.1 (VCA**);

NEN-EN-ISO 14001.

Het veldwerk is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, “Veldwerk bij milieu-hygiënische bodemonderzoek” [ref 25.]. Unihorn B.V. is voor “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” gecertificeerd door KIWA nv op basis van BRL SIKB 2000 en erkend door RWS Leefomgeving voor veldwerk conform de protocollen 2001 [ref 26.], 2002 [ref 27.], 2003 [ref 28.] en 2018 [ref 29.]. Het veldwerk is door erkende medewerkers uitgevoerd, zie Tabel 1. Tabel 1

Protocollen en erkende medewerkers.

Protocol

Werkzaamheden

Medewerker

Erkend

SIKB 1001 SIKB 2001

Monsterneming partijkeuringen sterneming partijkeuringen Plaatsen grondboringen en peilbuizen

SIKB 2018

Asbestgraafgaten

SIKB 2002

Peilbuis bemonsteren

SIKB 2003

Plaatsen slibboringen

M. Kaandorp G. van der Linden M. Kaandorp G. van der Linden M. van ‘t Veer R. Hoek D. Koopman M. Kaandorp G. van der Linden M. van ‘t Veer R. Hoek D. Koopman M. Kaandorp G. van der Linden M. van ‘t Veer R. Hoek D. Koopman M. Kaandorp R. Hoek

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja In opleiding

De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services te Hoogvliet. Dit laboratorium is door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd, conform NEN-EN-ISO\IEC-17025 onder nummer L 028. Inzake het uitgevoerde onderzoek is er tussen Unihorn B.V. en de opdrachtgever op geen enkele juridische, financiële, personele of andere wijze een relatie, die de onafhankelijkheid van het resultaat heeft kunnen beïnvloeden. Onderhavig onderzoek is op zeer zorgvuldige wijze uitgevoerd, maar is gebaseerd op het verrichten van een beperkt aantal grondboringen en het analyseren van een beperkt aantal monsters. Ondanks het feit dat Unihorn B.V. streeft naar een zo groot mogelijke representativiteit van het onderzoek, blijft het mogelijk dat er lokale afwijkingen in het asfalt, fundering en/of de bodem voorkomen.

1.3

Leeswijzer In hoofdstuk 1 is de inleiding weergeven, waartoe ook deze leeswijzer behoort. Hoofdstuk 2 toont de resultaten van het vooronderzoek, met hieruit voortvloeiend de onderzoeksopzet, beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 is een overzicht gegeven van de uitgevoerde werkzaamheden, hoofdstuk 5 beschrijft het laboratoriumonderzoek. In hoofdstuk 6 worden de analyseresultaten besproken en in hoofdstuk 7 zijn de conclusies verwoord, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen. In hoofdstuk 8 zijn ten slotte de voor het onderzoek relevante normen en documenten opgenomen.

Pagina 4 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

2.

Vooronderzoek In augustus is een historisch vooronderzoek uitgevoerd ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 [ref 14.]. De belangrijkste punten zijn hieronder samengevat, het vooronderzoek is in zijn geheel bijgevoegd in bijlage G.

2.1

Samenvatting vooronderzoek In het vooronderzoek is het gebied belicht waarbinnen de onderhavige onderzoekslocatie is gelegen en het gedeelte van de aangrenzende percelen voor zover gelegen binnen 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie. Aanleiding van het historisch vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Huidige situatie De onderzoekslocatie betreft twee percelen, met daarop het adres Pastoor Jacobsstraat 34, te Sint Hubert. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Mill, sectie C, perceel 2019 en 2020, met een gezamenlijk oppervlak van 1948 vierkante meter. De locatie heeft een winkel- en woonfunctie en dient als vestiging voor een juwelier. Een deel van de locatie is verhard met elementen en dient als parkeerplaats. Conclusie In Figuur 2 is met het rode kader de begrenzing van perceel C2020 en C2019 aangegeven (samen 1948 m2). Het groene vlak symboliseert het recentelijk uitgevoerde onderzoek [ref 8.]. Het blauwe kader geeft het deel van de percelen C2020 en C2019 aan dat al eerder onderzocht is (636 m2). Daarbij zijn in het groene vlak twee boringen onder de elementen (151, 152), één peilbuis (152) en één grondboring (153) gezet. Van de percelen C2020 en C2019 is 1312 m2 (niet gekleurde deel) niet onderzocht.

Uit de resultaten blijkt dat de ondergrond (0,80-1,60 m-mv) ter plaatse van het onderzochte deel van de locatie verontreinigd is met diverse zware metalen en PAK, waarbij zink de tussenwaarde overschrijdt. Het grondwater is eveneens licht verontreinigd met zink. Geadviseerd wordt dan ook om het resterende deel van de locatie te onderzoeken middels een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740. Daarbij wordt de locatie ter plaatse van de bebouwing van huisnummer 34 op aangeven van de opdrachtgever buiten beschouwing gelaten, aangezien daar geen graafwerkzaamheden plaats zullen vinden.

Figuur 2

Ligging onderzoekslocatie en eerder uitgevoerd onderzoek.

Pagina 5 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

3.

Onderzoeksopzet (hypothese en strategie)

3.1

Hypotheses De opzet van het onderzoek is gebaseerd op de volgende uit het vooronderzoek naar voren gekomen aspecten. Bodem De ondergrond (0,80-1,60 m-mv) is verdacht op het voorkomen van zware metalen (met name zink) en PAK op basis van eerder uitgevoerd onderzoek. De bovengrond is verder verdacht op het voorkomen van PFAS, vanwege atmosferische depositie. Het grondwater is verdacht op een verontreiniging met zink. Asbest in grond In het eerder uitgevoerde onderzoek zijn geen asbestverdachte (puin)bijmengingen in de grond aangetroffen, de locatie is mede daarom niet verdacht op het voorkomen van asbest. Indien in de bodem toch een puinbijmenging wordt vastgesteld is er alsnog sprake van een verdenking voor een verontreiniging met asbest.

3.2

Strategie en opzet Strategie bodem Voor de opzet van het verkennend bodemonderzoek is uitgegaan van de NEN 5740 [ref 16.] ‘onderzoekstrategie diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming (VED-HE-NL)’, waarbij alle boringen tot de onderzijde van de verdachte laag (max 2,0 m-mv) worden uitgevoerd. Voorts wordt het aantal boringen, analyses en parameters (incl. PFAS) aangevuld zodat minimaal wordt voldaan aan de onderzoekstrategie voor een onverdachte locatie. Indien in de bodem een antropogene bijmenging (puin, etc.) wordt aangetroffen die als asbestverdacht wordt beoordeeld, dan wordt in het veld van deze verdachte bodemlaag een mengmonster samengesteld en wordt deze geanalyseerd op het voorkomen van asbest (NEN 5898 [ref 22.]).

Pagina 6 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

4.

Veldwerkzaamheden Locatie inspectie Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de locatie altijd geïnspecteerd. Bij de locatie inspectie is op de aanwezige schuur asbestverdacht golfplaatmateriaal waargenomen. De locatie van de schuur is opgenomen in Figuur 3. Een foto van de betreffende overhangende dakrand is opgenomen in Figuur 4, waarbij duidelijk een honingraat structuur zichtbaar is. Daar het dak geen regengoot heeft en een deel van de druipzone onder het asbestverdachte dak niet verhard is, is besloten om van de bovenste grondlaag (tot 5 cm-mv) ter plaatse een verzamelmonster samen te stellen. In het verzamelde materiaal is geen asbestverdacht materiaal of puinmateriaal waargenomen.

Figuur 3

Locatie schuur met asbestverdacht dak.

Figuur 4

Overhangende dakrand van de schuur, met zichtbare honingraat structuur.

Pagina 7 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

4.2

Veldonderzoek Verdeeld over de onderzoekslocaties zijn in totaal 10 boorpunten uitgevoerd. De uitgevoerde werkzaamheden zijn opgenomen in Tabel 2. Tabel 2

Overzicht uitgevoerde werkzaamheden.

Grondboring [1,5 m-mv] 01 t/m 05 + 07 + 09

Grondboring [2,0 m-mv] 08

Peilbuis

Verzamelmonster asbest

06

Asb-01

De boringen zijn boven de grondwaterspiegel uitgevoerd met de edelmanboor. In bijlage B is de situatietekening opgenomen met daarop aangegeven de boorlocaties. Het veldwerk is uitgevoerd door de heer M. Kaandorp op 3 december 2020, conform BRL SIKB 2000 en de geldende NEN-voorschriften van het Nederlands Normalisatie Instituut. Op 10 december 2020 is door de heer M. Kaandorp het grondwater uit de geplaatste peilbuis bemonsterd. De peilbuis is direct na plaatsing en voorafgaand aan de grondwatermonstername grondig gereinigd (afgepompt).

4.3

Zintuiglijke waarnemingen Grond Tijdens de uitvoering van het veldwerk is het opgeboorde bodemmateriaal op basis van zintuiglijke waarnemingen en velddetectiemethoden beoordeeld op afwijkingen, zoals de aanwezigheid van aardolieproducten en bodemvreemd materiaal (puin, asbest, kooldelen, e.d.). Er zijn geen bijzonderheden waargenomen. Uit de verrichte boringen blijkt dat de bodemopbouw tot de onderzochte diepte van circa 3,0 m-mv enkel uit zand bestaat. Tot circa een meter minus het maaiveld wordt een bijmenging van grind in het zand aangetroffen. De volledige boorstaten zijn weergegeven in bijlage C. Grondwater Ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden is het grondwater op 1,5 m-mv vastgesteld. In het veld zijn verder de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en de troebelheid bepaald. In Tabel 3 zijn de gegevens van de veldmetingen van het grondwater weergegeven. Tabel 3 Peilfilter 06-1-1

Grondwaterbemonstering. Filterstelling [m-mv] 2,00 - 3,00

Grondwaterstand [m-mv] 1,5

pH 6,5

EC [μS/cm] 470

Troebelheid [NTU] 2,7

De gemeten zuurgraad (pH), elektrische geleidbaarheid (EC) en troebelheid (< 10 NTU) zijn voor grondwater als normaal te beschouwen.

4.4

Opmerkingen en afwijkingen op vigerende protocollen Het asbestonderzoek is indicatief van aard en voldoet niet aan de NEN 5707.

Pagina 8 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

5.

Laboratoriumonderzoek

5.1

Bodem Grond Op basis van de veldwaarnemingen, het vooronderzoek en de onderzoekstrategie zijn van de grond mengmonsters voor het standaardpakket A, inclusief PFAS, samengesteld. In Tabel 4 is de monsterselectie weergegeven. Tabel 4

Monsterselectie grond.

Monstercode

Deelmonster [m-mv]

Traject

Grondsoort

Visuele waarneming

Analysepakket 1)

MM01

06 09 04 01 05 09 07 03 06 08 02 01

0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,06 - 0,50 0,00 - 0,50 0,75 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50

Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand

sporen grind sporen grind sterk grindhoudend zwak grindhoudend sporen grind

A + PFAS

MM02

MM03

1)

A + PFAS

sporen grind zwak grindhoudend sporen roest

A + PFAS

matig grindhoudend

voor nadere informatie over de pakketsamenstellingen wordt verwezen naar het analysecertificaat.

Grondwater In Tabel 5 is de monstercode van het grondwateronderzoek uit de betreffende peilbuis opgenomen. Tabel 5

1)

5.2

Monsterselectie grondwater.

Monstercode

Peilbuis

06-1-1

06

Filterstelling [m-mv] 2,00 - 3,00

Analysepakket 1) B

voor nadere informatie over de pakketsamenstelling wordt verwezen naar het analysecertificaat.

Asbest in grond Vanwege het overhangende asbestverdachte golfplaten dak is de onderliggende onverharde bovengrond mogelijk verdacht voor de aanwezigheid van asbest. Er is een verzamelmonster gemaakt van de toplaag van deze druipzone (bovenste 5 centimeter). In Tabel 6 is het mengschema opgenomen. Tabel 6

Monsterselectie asbest in grond.

Monstercode Asb01 1)

5.3

Deelmonster [m-mv] Asb-01

Grondsoort

Zintuiglijke waarneming

Analyse-pakket 1)

Zand

-

NEN 5898

voor nadere informatie over de pakketsamenstelling wordt verwezen naar het analysecertificaat.

Toetsingskader Voor de bepaling of en in welke mate bodemverontreiniging aanwezig is, zijn toetsingswaarden opgenomen uit de Circulaire bodemsanering (2013). Voor het toetsen van de analyseresultaten aan deze toetswaarden maakt Unihorn B.V. gebruik van het toetsprogramma van Synlab dat is gevalideerd met behulp van de Bodem Toets en Validatie (BoToVa)-service van het ministerie. Een verdere toelichting op het toetsingskader en de toetsingswaarden is opgenomen in bijlage A.

Pagina 9 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

6.

Analyseresultaten

6.1

Bodem Grond In Tabel 7 zijn de analyseresultaten van de grondmonsters opgenomen. De analyseresultaten zijn daarnaast indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit, waarvan het resultaat eveneens in de tabel is opgenomen. De volledig getoetste resultaten, inclusief CROW 400 toetsing, zijn opgenomen in bijlage D, de analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage E. Tabel 7

Analyseresultaten grond.

Mengmonster MM01

Boring 06 09 04 01 05 09 07 03 06 08 02 01

MM02

MM03

1)

Traject [m-mv] 0,00 - 0,50 0,05 - 0,50 0,06 - 0,50 0,00 - 0,50 0,75 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50 1,00 - 1,50

Grondsoort Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand

>AW

>T

BBK 1)

>I

Altijd toepasbaar

PAK

Industrie

Altijd toepasbaar

Besluit bodemkwaliteit

Resultaten De bovengrond ter plaatse van de onderzochte locatie bestaat uit grindhoudend zand. Er zijn in de bovengrond geen achtergrondwaarde overschrijdingen gemeten voor zowel de parameters uit het standaardpakket als uit het PFAS pakket (MM01). De bovengrond is indicatief altijd toepasbaar. Uit de analyse van het mengmonster van de ondergrond tot 1,0 m-mv komt een achtergrondwaarde overschrijding met PAK naar voren (MM02). De ondergrond is daarom indicatief toepasbaar in de klasse industrie. De gemeten waarden PFAS overschrijden de achtergrondwaarde niet. In de diepere ondergrond laag tot 1,50 m-mv zijn geen achtergrondwaarde overschrijdingen gemeten (MM03), de diepere ondergrond is dan ook indicatief altijd toepasbaar. Grondwater De analyseresultaten van de grondwatermonsters zijn opgenomen in Tabel 8. De volledig getoetste resultaten zijn opgenomen in bijlage D, de analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage E. Tabel 8 Peilfilter 06-1-1

Analyseresultaten grondwater. Filterstelling [m-mv] 2,00 - 3,00

>S

>T

>I

Barium

-

-

Uit de analyseresultaten blijkt dat in het grondwater een (lichte) streefwaarde-overschrijding voor barium gemeten is. Licht verhoogde concentraties met barium komen vaker voor in grondwater en de gemeten overschrijding kan in dit geval dan ook als een verhoogde achtergrondwaarde beschouwd worden.

Pagina 10 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

6.2

Asbest in grond In Tabel 9 zijn de resultaten van het asbestonderzoek weergegeven. De volledige resultaten zijn opgenomen in bijlage F. Tabel 9

Analyseresultaten asbest in grond.

Monstercode Asb011) 1)

Boring Asb-01

Diepte [m-mv] 0-0,05

Grondsoort Zand

Gewogen asbestgehalte Serpentijn [mg/kgds] [mg/kgds] <2 <2

Amfibool [mg/kgds] <2

Het aangeleverde analysemonster voldoet niet aan de minimaal vereiste hoeveelheid volgens de NEN5898.

Vanwege de aanwezigheid van een golfplaat dak van asbestverdacht materiaal, is een verzamelmonster genomen van de onbedekte bovengrond in de druipzone van het dak (bovenste 5 centimeter). Uit de analyse van het monster blijkt dat er in de onderzochte grondlaag geen asbest aangetoond is. Opgemerkt moet worden dat de hoeveelheid verzameld monster niet voldoet aan de norm (NEN 5898). Dit is echter onvermijdelijk door het geringe volume van de verdachte grondlaag. Het asbestonderzoek is dan ook indicatief van aard.

Pagina 11 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

7.

Conclusies en advies

7.1

Conclusies Bodem Uit de analyseresultaten blijkt dat de bodem ter plaatse over het algemeen niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Enkel in de ondergrond (0,50-1,0 m-mv) is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond. De oorzaak voor de vastgestelde verontreiniging is vermoedelijk gelegen in het langdurige (menselijke) gebruik van de locatie. Daarnaast zijn de analyses getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit, waaruit blijkt dat de grond van zowel de boven- als diepere ondergrond (1,0-1,5 m-mv) in de klasse Altijd toepasbaar valt. De ondergrond van 0,5 tot 1,0 m-mv valt in de klasse Industrie. Opgemerkt wordt wel dat dit een indicatieve toetsing betreft, aangezien het onderzoek niet conform het Besluit bodemkwaliteit is uitgevoerd. In het grondwater ter plaatse is enkel een licht verhoogde concentratie barium gemeten. Een licht verhoogd gehalte aam barium wordt vaker in grondwater gemeten en kan als verhoogde achtergrondwaarde worden beschouwd. Asbest in grond In de grond is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Opgemerkt moet worden dat de hoeveelheid verzameld monster niet voldoet aan de norm (NEN 5898). Dit is echter onvermijdelijk door het geringe volume van de verdachte grondlaag. Het asbestonderzoek is dan ook indicatief van aard.

7.2

Toetsing hypothese(s) Bodem De hypothese verdachte locatie kan deels gehandhaafd worden. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond. De verwachte verontreinigingen met zware metalen, en dan met name zink, zijn echter niet gemeten. Zink is daarnaast ook niet aangetoond in het grondwater. Er zijn zoals verwacht geen asbestverdachte bijmengingen aangetoond in de bodem. Vanwege een mogelijk uit asbesthoudend materiaal bestaand dak is een deel van de onbedekte bovengrond echter alsnog als asbestverdacht aangemerkt. In het verzamelde grondmonster is analytisch geen asbest aangetoond. Vanwege het analyseresultaat en het ontbreken van asbestverdachte bijmengingen kan de hypothese niet-asbestverdacht gehandhaafd worden.

7.3

Advies Op basis van de resultaten van dit onderzoek is er milieuhygiënisch gezien geen bezwaar tegen de geplande bestemmingsplanprocedure en de beoogde bouwactiviteiten op de locatie.

7.4

Aanbevelingen m.b.t. Arbo technisch veilig werken (conform CROW 400) Op basis van de resultaten van het onderzoek is er bij grondwerkzaamheden geen veiligheidsklasse (CROW 400) van toepassing. Hierover dient een Hoger Veiligheidskundige echter een uitspraak te doen. De verantwoordelijkheid voor het hanteren van de juiste veiligheidsklasse ligt uiteindelijk bij de uitvoerende aannemer.

Pagina 12 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

7.5

Resumé onderzoeksresultaten De resultaten van de tabellen in de voorgaande hoofdstukken zijn in Tabel 10 tekstueel samengevat. Tabel 10

Samenvatting resultaten per deellocatie. Bodem

Asbest in grond

Advies

Hypothese conclusie

Ondergrond verdacht. Hypothese aangenomen, ondergrond licht verontreinigd met PAK.

Onverdacht. Hypothese aangenomen.

Conclusie

Bovengrond niet verontreinigd met onderzochte parameters en indicatief altijd toepasbaar. Ondergrond tot 1,0 m-mv licht verontreinig met PAK en indicatief toepasbaar in klasse industrie. Diepere ondergrond (1,0-1,5 m-mv) niet verontreinigd en indicatief Altijd toepasbaar. Grondwater licht verontreinigd met barium.

Geen asbest aangetoond.

Milieuhygiënisch geen bezwaar tegen de beoogde werkzaamheden. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Pagina 13 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

8.

Referenties Bronnen historisch onderzoek [ref 1.]

ArcGIS Online;

[ref 2.]

Bodemloket;

[ref 3.]

Streetsmart by Cyclomedia;

[ref 4.]

Toptijdreis;

[ref 5.]

Dinoloket;

[ref 6.]

Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG);

[ref 7.]

Bodemkwaliteitskaart: Omgevingdienst Brabant Noord;

[ref 8.]

Milieukundig verhardingsonderzoek, inclusief indicatief funderingsonderzoek, Verkennend bodem- en asbestonderzoek, inclusief PFAS, Unihorn B.V., 14 mei 2020, kenmerk 3905-20086-01-RAP-MOZ-01-v1.0;

[ref 9.]

Historisch onderzoek Pastoor Jacobsstraat 34, Sint Hubert, 11 augustus 2020, kenmerk 3905-20086-02-RAP-MOZ-01-v1.0.

Normatief en wetgevend De volgende documenten zijn onmisbaar voor de leesbaarheid van dit document. Bij gedateerde verwijzingen is alleen de aangehaalde versie van toepassing. Bij ongedateerde verwijzingen is de laatste versie van het document (met inbegrip van wijzigings- en correctiebladen) waarnaar is verwezen van toepassing. [ref 10.] NEN 5104 Geotechniek, Classificatie van onverharde grondmonsters, Nederlands Normalisatie Instituut. [ref 11.] NEN 5707 Bodem — Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 12.] NEN 5717 Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 13.] NEN 5720 Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 14.] NEN 5725 Bodem — Landbodem — Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 15.] NTA 5727 Bodem — Monsterneming en analyse van asbest in waterbodem en baggerspecie, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 16.] NEN 5740 Bodem - Landbodem, Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 17.] NPR 5741 Bodem, Boorsystemen en monsternemingstoestellen

voor grond, sediment en grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 18.] NEN5742 Bodem, Monsterneming van grond en sediment ten behoeve van de bepaling van metalen, anorganische verbindingen, matig-vluchtige organische verbindingen en fysisch-chemische bodemkenmerken, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 19.] NEN 5743 Bodem, Monsterneming van grond en sediment voor de bepaling van vluchtige verbindingen, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 20.] NEN 5896 Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie, Nederlands Normalisatie Instituut; [ref 21.] NEN 5897, Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, Nederlands Normalisatie Instituut [ref 22.] NEN 5898, Bepaling van het gehalte aan asbest in grond, waterbodem, bouw- en sloopafval en granulaat, Nederlands Normalisatie Instituut;

Pagina 14 van 15

Versie 1.0 7 januari 2021

[ref 23.] Het stoffenpakket: https://www.sikb.nl/doc/ongestructureerd-2016-12-03/standaard%20stoffenpakket.pdf [ref 24.] Advieslijst voor PFAS, versie 12 juli 2019: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspecie-pfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/welke-pfas-verbindingen-geanalyseerd/; [ref 25.] Beoordelingsrichtlijn (BRL) 2000 Veldwerk milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 26.] Protocol 2001, Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 27.] Protocol 2002, Het nemen van grondwatermonsters, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 28.] Protocol 2003, Veldwerk bij milieuhygiënisch Waterbodemonderzoek, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 29.] Protocol 2018, Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer; [ref 30.] CROW 210, Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt - teerhoudendheid, onderzoek en selectieve verwijdering, uitgeven door het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek); [ref 31.] CROW 400, Werken in en met verontreinigde bodem, Richtlijn voor veilig, zorgvuldig en

risicogestuurd werken, uitgeven door het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek); [ref 32.] Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant Jaargang 2013 Nr. 16675, 27 juni 2013 [ref 33.] Regeling bodemkwaliteit, Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397 [ref 34.] AS 3000, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer [ref 35.] Activiteitenregeling Milieubeheer; [ref 36.] Activiteitenbesluit Milieubeheer; [ref 37.] Wet bodembescherming; [ref 38.] Besluit bodemkwaliteit; [ref 39.] Besluit asbestwegen milieubeheer, Besluit van 8 september 2000, houdende regels voor wegen waarin asbestbevattend materiaal is verwerkt (Besluit asbestwegen Wms) [ref 40.] Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie; [ref 41.] Bemonstering PFAS-verbindingen in grond en grondwater, Het Expertisecentrum PFAS, juli 2019; Literatuur [ref 42.] Statistische analyse relatie puin in bodem en de aanwezigheid van asbest, TNO rapport 2018 R10825, TNO, 15 augustus 2018

Pagina 15 van 15

Bijlage A Toelichting op toetsingskader

A.1

Toetsing in het kader van de Wet bodembescherming Met de inwerkingtreding van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is binnen de Wet bodembescherming sprake van zogenaamde Achtergrondwaarde (AW-waarde) en Interventiewaarde (I-waarde). De genoemde toetsingswaarden zijn wettelijk vastgesteld voor een zogenaamde standaardbodem en worden per te onderscheiden grondsoort gecorrigeerd op basis van het percentage aan lutum (deeltjes kleiner dan 2 µm) en organische stof. De Achtergrondwaarden geven het concentratieniveau aan waaronder sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Indien de Achtergrondwaarde wordt overschreden, anders dan vanwege natuurlijke oorzaken, is er sprake van een bodemverontreiniging. De Interventiewaarden geven het concentratieniveau aan waarboven, afhankelijk van de omvang van de verontreiniging, sprake kan zijn van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Binnen het kader van de Wet Bodembescherming is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien de gemiddelde concentratie in 25 m3 grond of in 100 m3 grondwater (bodemvolume) de interventiewaarde overschrijdt. Het gemiddelde van de Achtergrondwaarde en de Interventiewaarde (=Tussenwaarde) geeft het concentratieniveau aan, waarbij sprake is van verhoogde, maar in het algemeen niet potentieel onaanvaardbare risico’s voor mens en milieu.

Het betreft een rekenkundig gemiddelde van de Achtergrondwaarde en Interventiewaarde voor grond, dat niet rechtstreeks aan een specifiek risiconiveau is gekoppeld. Overschrijding van deze waarde heeft slechts een indicatieve functie, namelijk het aangeven van de noodzaak om een nader onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uit te voeren. Grond die de Tussenwaarde wel maar de Interventiewaarde niet overschrijdt, wordt aangeduid als matig verontreinigd. Als er sprake blijkt te zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging dient, op grond van artikel 37 Wbb, vastgesteld te worden of de verontreiniging onaanvaardbare risico’s oplevert voor mens, ecosysteem, oppervlaktewater of grondwater. Indien sprake blijkt van een onaanvaardbaar risico dient de sanering met spoed te worden uitgevoerd. Indien de bodem op een locatie is verontreinigd, maar het betreft geen geval van ernstige verontreiniging, hoeft niet te worden bepaald of er (met spoed) dient te worden gesaneerd. Verbeteren van de bodemkwaliteit kan niet worden voorgeschreven op grond van de regels voor bodemsanering, omdat ter plaatse geen sprake is van een (potentieel) risico dat een dergelijke verplichting rechtvaardigt. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.

Bij asbestgehalten in (water)bodem, grond en baggerspecie boven de interventiewaarde wordt alleen gesproken over ‘verontreiniging’.

A.2

Generiek beleid vaststelling bodemkwaliteit Met ingang van 1 juli 2008 zijn het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit van toepassing. Binnen de genoemde wetgeving zal worden gewerkt met een klasseindeling voor de functie en de kwaliteit van de bodem. De bodemfunctieklasse beschrijft (op hoofdlijnen) het gebruik van de bodem in een gebied. De bodemkwaliteitsklasse geeft een maat voor de kwaliteit van de (ontvangende) bodem. Aan de bodemfunctieklassen en de bodemkwaliteitsklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: de Achtergrondwaarden, de Maximale Waarden voor de klasse wonen en de Maximale Waarden voor de klasse industrie. In de volgende figuur is de generieke normstelling schematisch weergegeven.

In onderhavige rapportage is de bodem in onderstaande kwaliteitsklassen ingedeeld: 

Klasse ‘Altijd toepasbaar’ : concentratie onder of gelijk aan de Achtergrondwaarden;

Klasse ‘Wonen’

: concentratie boven de Achtergrondwaarde maar onder of gelijk aan de

Maximale Waarden klasse Wonen; 

Klasse ‘Industrie’

: concentratie boven de Maximale Waarden klasse wonen maar onder of

gelijk aan de Maximale Waarden klasse Industrie; 

Klasse ‘Niet toepasbaar’

: concentratie boven de Maximale Waarden klasse Industrie of interven-

tiewaarde. BoToVa Toetsing van de analyseresultaten aan de bodemnormen vormt één van de meest essentiële schakels in de beoordeling van de (water)bodem en toe te passen grond, bagger en bouwstoffen. Vanaf 1 november 2013 zijn er wijzigingen opgetreden in de toetsing aan de bodemnormen. De Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa) zorgt vanaf 1 november 2013 voor meer uniformiteit in het toetsen van de bodemnormen. BoToVa corrigeert in principe het ‘gemeten gehalte’(= het analyseresultaat) aan de hand van het lutumen organische stofpercentage naar een standaardbodem. De analyseresultaten zijn getoetst met de webapplicatie BoToVa en middels drie toetsingen beoordeeld. De toetsing zijn beschikbaar gesteld door Synlab en betreffen achtereenvolgens: 

T1

T12 : beoordeling kwaliteit van grond volgens de Wbb;

T13 : beoordeling kwaliteit grondwater volgens de Wbb.

: beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem;

Barium De normen voor barium in grond en bagger zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager kan zijn dan het gehalte dat van nature in de bodem kan voorkomen. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s (waterbodem) en de interventiewaarde voor landbodem van 920 mg/kg (landbodem). Barium hoeft dus alleen te worden getoetst als er vanwege antropogene activiteiten verhoogde bariumgehalten kunnen worden aangetroffen ten opzichte van de toetsingswaarde. Omdat dit in de praktijk slechts incidenteel voorkomt, is ervoor gekozen om de toetsing van barium niet in BoToVa op te nemen. Op deze manier bestaat er geen verwarring bij een toetsing op barium indien die niet is veroorzaakt door antropogene activiteiten.

A.2.1

Toepassingsnorm PFAS (grond) Het RIVM heeft recent op het verzoek van de Minister op basis van de beschikbare informatie tijdelijke landelijke achtergrondwaarden afgeleid (RIVM, Juli 2020). Het RIVM adviseert op dit moment voor alle stoffen uit de PFAS-groep (PFOA uitgezonderd) een landelijke achtergrondwaarde van 1,4 μg/kg droge stof. Daar waar lokale achtergrondwaarden bekend zijn, mag grond worden toegepast tot die waarden, met een maximum van 3-7-3 (μg/kg droge stof voor respectievelijk PFOS, PFOA en de andere PFAS-stoffen). Gemeenten zouden deze landelijke achtergrondwaarde van 1,4 conform huidig bodembeleid als minimum waarden moeten gaan hanteren, ook als lokaal lagere waarden zijn gemeten. Specifiek voor PFOA adviseert het RIVM een landelijke achtergrondwaarde van 1,9 μg/kgds. Bij deze waarden is er volgens het RIVM geen sprake van risico’s voor de gezondheid of overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. In overleg met andere overheden heeft de minister deze tijdelijke landelijke achtergrondwaarden opgenomen in het tijdelijk handelingskader (RIVM, Juli 2020). De landelijk (generieke) handelingsopties uit de brief zijn in onderstaande tabel weergegeven. Grond (µg/kgds)

Toepasbaar op land

PFAS < 1,4

PFOA < 1,9

PFOS < 1,4

1,4 <PFAS < 3

1,9 < PFOA <7

1,4 < PFOS < 3

Vrij m.u.v. grondwaterbeschermingsgebieden Wonen en Industrie Landbouw en natuur als PFAS < lokale achtergrondwaarden

PFAS > 3

PFOA > 7

PFOS > 3

Reinigen of storten

In de systematiek van het Besluit bodemkwaliteit worden geen beperkingen opgelegd aan toepassingen op de landbodem van grond en baggerspecie die voldoen aan de achtergrondwaarden. Het RIVM ziet geen aanleiding om hier een voorbehoud te maken.

A.3

Troebelheid grondwater Grondwater stroomt onder invloed van peilverschillen veroorzaakt door aan- en afvoer in de bodem. Zeer kleine vaste gronddeeltjes bewegen met het grondwater mee. Dit is afhankelijk van poriegroottes, eigen grootte en de uitgeoefende krachten. Colloïden en kleine (bijvoorbeeld 10 μm) bolvormige hydrofobe vloeistofbolletjes, kunnen door kleinere poriën met het water mee bewegen. Op basis van het nodige onderzoek wordt aangenomen dat grondwater een natuurlijke troebelheid van 0 tot 10 NTU (Nephelometric Turbidity Units) heeft. Meet men de troebelheid van grondwater dat op de voorheen gebruikelijke manier uit een peilbuis genomen is, dan zal de troebelheid meestal aanzienlijk groter zijn. Onderzoek heeft bevestigd dat een troebel monster hogere waarden aan organische stoffen bevat. Indien vervolgens het grondwatermonster wordt gefiltreerd om de troebelheid te verlagen is aangetoond dat een groot deel van de mobiele PAK’s, pesticiden en andere organische stoffen verwijderd worden De essentie van de wijzigingen in het protocol 2002, volgend uit de NEN 5744:2011, is de troebelheid omlaag te brengen zonder te filtreren. Naast een aantal maatregelen waaronder traag voorpompen dient ook de troebelheid gemeten te worden voor latere interpretatie.

Indien het monster de gewenste lage natuurlijke troebelheid (0 – 10 NTU) heeft, dan is het een werkelijk representatief monster. Het kan echter voorkomen dat de eindtroebelheid beduidend hoger blijft dan de natuurlijke troebelheid. Veldtesten hebben aangetoond dat de nieuwe methode een fors positief effect heeft op het verlagen van de troebelheid, maar

dat niet altijd monsters met een natuurlijke troebelheid verkregen worden. Een hoger dan natuurlijke troebelheid (>10 NTU) hoeft pas consequenties te hebben als bepaalde analyseresultaten boven de gestelde grenswaarden uitkomen. Een eventuele herbemonstering wordt op identieke wijze conform BRL-SIKB protocol 2002 uitgevoerd, alleen met bijvoorbeeld een nog lager debiet of uit een beter geplaatste peilbuis. Het uiteindelijke doel is de eindtroebelheid op een natuurlijk laag niveau te krijgen om zodoende inzicht te krijgen in de werkelijk mobiele fractie organische parameters.

A.4

Generiek Toetsingskader waterbodems Besluit bodemkwaliteit Voor het waterbodemonderzoek zijn de analyseresultaten eveneens getoetst met de webapplicatie BoToVa en middels drie toetsingen beoordeeld. De toetsing zijn beschikbaar gesteld door Synlab en betreffen achtereenvolgens: 

T1 : beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem;

T3 : beoordeling kwaliteit van bagger en ontvangende bodem bij toepassing in een oppervlaktewaterlichaam;

T5 : beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden op aangrenzend perceel.

De milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodem wordt, op basis van een uitgevoerde toetsing, ingedeeld in de klassen beschreven in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Achtereenvolgens zijn dit de klasse Altijd Toepasbaar (AT), klasse A, klasse B en de klasse Nooit Toepasbaar (NoT). De klasseindeling geeft een maat voor de kwaliteit van een partij toe te passen grond of baggerspecie en voor de ontvangende waterbodem. In het generieke kader kan een partij grond of baggerspecie in oppervlaktewater worden toegepast wanneer de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond of baggerspecie gelijk is aan of schoner dan de kwaliteitsklasse van de ontvangende waterbodem. Indien ter plaatse van een te baggeren traject de achtergrondwaarde (of Herverontreinigingsniveau Rijntakken) voor één of meerdere van de onderzochte parameters wordt overschreden, wordt de baggerspecie ingedeeld in de kwaliteitsklasse A (of B). De baggerspecie is dan toepasbaar wanneer de kwaliteitsklasse van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter dan klasse A (of B). Indien ter plaatse van een te baggeren traject voor één of meerdere van de onderzochte parameters de interventiewaarde voor waterbodem wordt overschreden, wordt de baggerspecie ingedeeld in de kwaliteitsklasse N0T en dient de baggerspecie afgevoerd te worden naar een baggerspeciedepot.

Met de invoering van de Waterwet (Wtw) in december 2009, valt de waterbodem niet langer onder de Wet bodembescherming (Wbb). Voor de vergunningverlening en handhaving op het gebied van waterbodems onder de Waterwet gelden de in onderstaande tabel vermelde meldingen/vergunningen. Actie

Geldende regels / toe te passen kaders

Handelingen in waterbodems

Melding Besluit lozen buiten inrichting. Indien I-waarden overschrijdingen aanwezig zijn, is het opstellen van een werkplan vereist

Toepassen/verspreiden in oppervlakte-

Besluit bodemkwaliteit

water of op landbodem Storten van baggerspecie

Wet Milieubeheer (Wm) bij gehalten boven I-waarde

Achterblijvende (water)bodem bij ingreep

Toetsingskader waterkwaliteit (toetsingskader BPRW voor rijkswateren of toetsingskader voor waterschappen

A.5

Toetsingsnormen verspreiding baggerspecie in oppervlaktewater Het toetsingskader voor verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater heeft betrekking op het terugbrengen van baggerspecie in het watersysteem. Hierdoor kan sediment zijn natuurlijke ecologische en (hydro)morfologische functies weer vervullen. Zo is de kraamkamerfunctie van de Waddenzee, de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta afhankelijk van voldoende natuurlijke slibtoevoer. Ook wordt door het verspreiden van baggerspecie de zand- en slibhonger van het water beperkt, hetgeen bijdraagt aan de bescherming van het achterland. Normstelling In het generieke kader is onderscheidt gemaakt tussen verspreiding in zoet en zout oppervlaktewater. De Maximale Waarden voor verspreiding in zoet oppervlaktewater zijn afgeleid van het gemeten herverontreinigingsniveau in de Rijntakken. In onderstaand figuur is de Generieke en Gebiedsspecifieke normstelling voor verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater weergegeven.

Voorwaarden voor verspreiding van baggerspecie in oppervlakte water In het generieke kader mag baggerspecie die voldoet aan de Generieke Maximale Waarden voor verspreiding in oppervlaktewater altijd worden verspreid. Een toets aan de ontvangende waterbodemkwaliteit is dus niet noodzakelijk. Verbod op verspreiding Het verspreiden van baggerspecie is verboden op uiterwaarden, gorzen, slikken, stranden en platen. Op dit verbod geldt een uitzondering voor verspreiding van baggerspecie afkomstig van watergangen die hierbinnen zijn gelegen. Verspreidingsvakken Voor het verspreiden van baggerspecie kan de waterkwaliteitsbeheerder vakken aanwijzen waarbinnen baggerspecie moet worden verspreid. Het aanwijzen van deze vakken is een besluit op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de aangewezen verspreidingsvakken kan ook worden aangegeven hoe veel baggerspecie maximaal mag worden verspreid. Wanneer verspreidingsvakken zijn aangewezen dan mag buiten deze vakken geen baggerspecie worden verspreid en de maximale hoeveelheid mag niet worden overschreden. A.5.1

Toepassingsnorm PFAS (waterbodem) Op het verzoek van de minister heeft Deltares onderzoek gedaan naar de herverontreinigingsniveaus voor PFAS in de waterbodem (Deltares, november 2019). Het herverontreinigingsniveau van een stof geeft aan met welke waarde de waterbodems in de Nederlandse rivieren gemiddeld zijn belast door de instroom vanuit het buitenland. Dit betekent dat die bagger in het oppervlaktewater kan worden toegepast zonder dat de kwaliteit achteruit gaat. Ook hier zijn op basis van de nu beschikbare data voorlopige waarden afgeleid.

Deltares adviseert 0,8 μg/kg droge stof voor PFAS-stoffen. Specifiek voor PFOS geldt 3,7 μg/kg droge stof. De nieuwe waarden bieden vanaf nu ruimte voor de toepassing van bagger in diepe plassen in open verbinding met een rijkswater. Het blijft mogelijk om bagger benedenstrooms binnen hetzelfde watersysteem toe te passen zonder dat de kwaliteit van de bagger wordt getoetst. Daarnaast blijft het nog steeds mogelijk materiaal uit een watergang zonder metingen op de kant en een aanliggend perceel af te zetten. Zodra geen nuttige toepassing kan worden gevonden voor baggerspecie, kan deze worden gestort. De handelingsopties voor bagger zijn in onderstaand schema samengevat. Bagger (µg/kgds) Alle bagger

Toepasbaar Op de kant (zonder metingen). Benedenstrooms in aansluitende oppervlaktewaterlichamen.

0,8 <PFAS < 3

PFOS < 3,7

Diepe plassen in open verbinding met rijkswater.

PFAS > 3

PFOS >3,7

Rijksbaggerdepot. Particuliere baggerdepots.

A.6

Asbest Sinds 1 januari 2003 geldt een interventiewaarde van 100 mg/kgds voor asbest gewogen voor de vaste bodem en waterbodem. Deze interventiewaarde is niet gebaseerd op het Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau (MTR) maar op het veel strengere Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR), gezien de bijzondere eigenschappen van asbest. Bij gehalten beneden de interventiewaarde voor asbest (gewogen) is geen sprake van locatiespecifieke risico’s. Het gewogen gehalte aan asbest wordt berekend door het gehalte aan serpentijn asbest te vermeerderen met 10 maal het gehalte aan amfibool asbest. Chrysotiel (wit asbest) is een serpentijn asbest. Amosiet (bruin asbest), crocidoliet (blauw asbest), anthophylliet (geel asbest), tremoliet (grijs asbest) en actinoliet (groen asbest) behoren tot de groep van amfibool asbest. Amfibool asbest vormt een groter risico voor de gezondheid omdat de asbestvezels van deze soort asbest gemakkelijk in de lengte splijten, waarbij steeds dunnere vezels ontstaan. Om van een geval van ernstige verontreiniging te spreken is het eerder genoemde volume-criterium niet van toepassing. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest indien de gemiddelde concentratie binnen een ruimtelijke eenheid (RE) hoger is dan de interventiewaarde van 100 mg/kgds gewogen.

A.7

Asfalt Voor bouwmaterialen zijn grenswaarden voor PAK vastgelegd in het Besluit bodemkwaliteit. Omdat nog geen adequate uitloogcriteria voorhanden zijn, heeft men de richtlijnen gebaseerd op het PAK-gehalte. Voor de groep van PAK10 in asfalt bedraagt dit 75 mg/kg. Wanneer het gehalte aan PAK10 kleiner of gelijk aan 75 mg/kg is, komt het asfalt in aanmerking voor warm hergebruik. Bij een PAK10 gehalte hoger dan 75 mg/kg, wordt het beschouwd als ‘teerhoudend’ en dient het gereinigd of gestort te worden.

A.8

Fundering Voor de acceptatie van funderingsmateriaal bij een bouwstoffenbank worden de analyseresultaten indicatief getoetst aan het ‘Besluit bodemkwaliteit’. Onderhavige onderzoeksopzet wijkt hiermee af van het onderzoeksprotocol voor partijkeuringen grond en overige bouwstoffen, zoals opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Indien het funderingsmateriaal na bewerking wordt toegepast, dienen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd.

De analyseresultaten zijn getoetst aan de toetsingswaarden van het Besluit Bodemkwaliteit ‘Niet vormgegeven Bouwstoffen’. Voor de uitlogingsparameters zijn de volgende drie klassen te onderscheiden: 

Niet IBC

: het gehalte is kleiner dan de toetsingswaarde voor Niet IBC bouwstof;

IBC

: het gehalte is groter dan de toetsingswaarde voor Niet IBC bouwstof, maar kleiner

dan de maximale waarde voor IBC bouwstof; 

Niet

: het gehalte is hoger dan de maximale waarde voor IBC bouwstof.

Voor de organische parameters zijn de volgende twee klassen te onderscheiden: 

Toepasbaar : het gehalte is kleiner dan de toetswaarde;

Niet

: het gehalte is groter dan de toetswaarde.

Bijlage B Regionale ligging en locaties meetpunten

L e g e n d a 0 1

a sb e stg a t g ro n d b o rin g p e ilb u is

C o n to u re no n d e rzo e k slo ca tie E e rd e ro n d e rzo ch t O n d e rzo e k slo ca tie

0 4 0 3

0 2

0 6

0 5

0 7

A sb -0 1

0 8

V estigingS charw oude P ostbus58 1633Z HA venhorn S charw oude9 1634EAS charw oude

0 9

T el. 022954 7850 Fax. 022954 7851 w w w .unihorn.nl info@ unihorn.nl

O pdrachtgever W IT T EV EEN +B O S

±

P roject

P A S T O O RJA CO B S S T R A A T34

O nderw erp

T EK EN IN GM ETB O O R LO CA T IES

P rojectnum m er T ekennum m er 3905-20086-04 3905-20086-04 G etekenddoor G .G EIJER

G econtroleerddoor G .G EIJER

B esteknum m er S chaal 1:320 G eautoriseerddoor G .G EIJER

B ronachtergrondkaarten ES R IN ED ER LA N D , CO M M U N IT YM A PCO N T R IB U T O R S

Frm B lad D ocum enttype S tatus T EK EN IN G D EFIN IT IEF A 3 1/1 D atum D ocum entnum m er -R A P 22-12-20203905-20086-04

Bijlage C Boorstaten

Pagina 1 / 3

Boring: 01-

Boring: 02-

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp

0

0

tuin

1 50

0

0

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus,zwak grindhoudend, grijsbruin, Edelmanboor

1

20

2

50

2 3 100

100 3

150

150

100

100

Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig grindhoudend, creme, Edelmanboor

4 150

150

Boring: 03-

Boring: 04-

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp

0

0

tuin

1 50

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, sporen grind, bruinbeige, Edelmanboor Zand, zeer fijn, zwak siltig, beigecreme, Edelmanboor

verharding

2 50

50

Zand, zeer fijn, zwak siltig, sterk grindhoudend, grijscreme, Edelmanboor

3 100

3 150

6

Zand, matig fijn, zwak siltig, sporen grind, creme, Edelmanboor

Schep, Klinker

2 100

0

0

Zand, zeer fijn, zwak siltig, matig humeus,zwak grindhoudend, grijsbruin, Edelmanboor

groenstrook

150

100

100

Zand, zeer fijn, zwak siltig, sporen grind, beige, Edelmanboor

4 150

Projectcode: 3905-20086-04

Plaats: St Hubert

Projectnaam: Pastoor jacobsstraat 34

Opdrachtgever: Witteveen en Bos

150

Zand, zeer fijn, matig siltig, sterk grindhoudend, bruinbeige, Edelmanboor Zand, zeer fijn, zwak siltig, zwak grindhoudend, creme, Edelmanboor

Pagina 2 / 3

Boring: 05-

Boring: 06-

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp GWS: 150

0

0

8 2

50

25

3

4 100

100

5 150

150

verharding

0

0

Schep, Klinker Zand, zeer fijn, zwak siltig, sporen grind, beigecreme, Edelmanboor Zand, zeer fijn, matig siltig, zwak humeus, sporen grind, beigebruin, Edelmanboor Zand, zeer fijn, matig siltig, grijsbruin, Edelmanboor

groenstrook Zand, zeer fijn, matig siltig, zwak humeus, sporen grind, Edelmanboor

1 50 2 100

100 3

150

150

Zand, zeer fijn, matig siltig, sporen roest, creme, Edelmanboor Zand, zeer fijn, matig siltig, beigecreme, Edelmanboor

4 200 5 250 6 300

300

Boring: 07-

Boring: 08-

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp GWS: 150

0

0

groenstrook

1 50

0

0

Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, sporen grind, beige, Edelmanboor

1

50

20

2

2 3 100

100 3 150

150

100

100

Zand, zeer fijn, matig siltig, beigecreme, Edelmanboor 150

5

Projectcode: 3905-20086-04

Plaats: St Hubert

Projectnaam: Pastoor jacobsstraat 34

Opdrachtgever: Witteveen en Bos

Zand, matig fijn, zwak siltig, sporen grind, creme, Edelmanboor Zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus, sporen grind, bruinbeige, Edelmanboor Zand, zeer fijn, zwak siltig, beigecreme, Edelmanboor

4

200

gras

200

Pagina 3 / 3

Boring: 09-

Boring: Asb-01-

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp

Datum: 3-12-2020 Monsternemer: Marijn Kaandorp Opmerking: Strook zand 30cm*5mMogelijk asbest van dak in zandVolgens eigenaar geen asbestplaten.

0 5

0

verharding

0

Schep, Klinker 2 50

50

Zand, zeer fijn, matig siltig, sporen grind, beigecreme, Edelmanboor

3 100

100 4 150

150

Zand, zeer fijn, sterk siltig, zwak humeus, beigebruin, Edelmanboor Zand, zeer fijn, matig siltig, beigecreme, Edelmanboor

Projectcode: 3905-20086-04

Plaats: St Hubert

Projectnaam: Pastoor jacobsstraat 34

Opdrachtgever: Witteveen en Bos

1

0 5

tuin Zand, zeer fijn, zwak siltig, grijs, Schep

Bijlage D Toetsingstabellen bodem

Toetsing volgens BoToVa, module T.1-Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem (Toetsversie 3.0.0, toetskader BBK, SIKB versie 13.3.0, toetsingsdatum: 19-12-2020 - 11:54)

Projectcode Projectnaam Monsteromschrijving Monstersoort Monster conclusie (excl PFAS)

3905-20086-04 Pastoor jacobsstraat 34 grond MM01 Grond (AS3000) Altijd toepasbaar

Analyse

Eenheid SR

BT

BC

monster voorbehandeling droge stof gewicht artefacten aard van de artefacten organische stof (gloeiverlies)

% g %

Ja 91.9 91.9 <1 Geen 1 1.0

-

KORRELGROOTTEVERDELING lutum (bodem)

% vd DS <1

METALEN barium+ cadmium kobalt koper kwik° lood molybdeen nikkel zink

mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg

BI

<1

3905-20086-04 Pastoor jacobsstraat 34 grond MM02 Grond (AS3000) Klasse industrie SR

BT

BC

Ja 86.6 86.6 <1 Geen 3.7 3.7

-

2.0

<20 54.2 -<0.2 0.241 <=AW-0.03 1.6 5.62 <=AW-0.05 <5 7.24 <=AW-0.22 <0.05 0.0503<=AW0.00 12 18.9 <=AW-0.06 <0.5 0.35 <=AW-0.01 3.3 9.62 <=AW-0.39 22 52.2 <=AW-0.15

BI

2.0

<20 54.2 -0.26 0.415 <=AW-0.01 <1.5 3.69 <=AW-0.06 6.6 12.9 <=AW-0.18 <0.05 0.0496<=AW0.00 25 38.2 <=AW-0.02 <0.5 0.35 <=AW-0.01 <3 6.12 <=AW-0.44 48 109 <=AW-0.05

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN naftaleen mg/kg <0.01 0.007 fenantreen mg/kg 0.05 0.05 antraceen mg/kg 0.01 0.01 fluoranteen mg/kg 0.11 0.11 benzo(a)antraceen mg/kg 0.06 0.06 chryseen mg/kg 0.05 0.05 benzo(k)fluoranteen mg/kg 0.04 0.04 benzo(a)pyreen mg/kg 0.05 0.05 benzo(ghi)peryleen mg/kg 0.04 0.04 indeno(1,2,3-cd)pyreen mg/kg 0.04 0.04 pak-totaal (10 van VROM) (0.7 factor) mg/kg 0.457 0.457 <=AW-0.03

0.04 0.90 0.21 1.7 1.1 0.95 0.54 0.89 0.61 0.65 7.59

0.04 0.9 0.21 1.7 1.1 0.95 0.54 0.89 0.61 0.65 7.59

IN

0.16

POLYCHLOORBIFENYLEN (PCB) PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 som PCB (7) (0.7 factor)

ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg

<1 <1 <1 <1 <1 <1 <1 4.9

3.5 3.5 3.5 3.5 3.5 3.5 3.5 24.5

<=AW

<1 <1 <1 <1 <1 <1 <1 4.9

1.89 1.89 1.89 1.89 1.89 1.89 1.89 13.2

<=AW

-

MINERALE OLIE fractie C10-C12 fractie C12-C22 fractie C22-C30 fractie C30-C40 totaal olie C10 - C40

mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg

<5 <5 6 6 <20

17.5 17.5 30 30 70

----<=AW-0.02

<5 7 16 12 30

9.46 18.9 43.2 32.4 81.1

----<=AW-0.02

ANALYSES UITGEVOERD DOOR SYNLAB A&S Sweden (Linköping) PFBA (perfluorbutaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFPeA (perfluorpentaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFHxA (perfluorhexaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFHpA (perfluorheptaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFOA lineair (perfluoroctaanzuur) µg/kgds 0.15 0.15 -PFOA vertakt (perfluoroctaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 som PFOA (0.7 factor) µg/kgds 0.22 0.22 ¤ PFNA (perfluornonaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFDA (perfluordecaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFUnDA (perfluorundecaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFDoDA (perfluordodecaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFTrDA (perfluortridecaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFTeDA (perfluortetradecaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 -PFHxDA (perfluorhexadecaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 PFODA (perfluoroctadecaanzuur) µg/kgds <0.1 0.07 PFBS (perfluorbutaansulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 --

-

-toetsing uitgevoerd door SYNLAB <0.1 0.07 -<0.1 0.07 -<0.1 0.07 -<0.1 0.07 -0.33 0.33 -<0.1 0.07 0.4 0.4 ¤ <0.1 0.07 -0.11 0.11 ¤ -<0.1 0.07 -0.12 0.12 ¤ -<0.1 0.07 -<0.1 0.07 -<0.1 0.07 <0.1 0.07 <0.1 0.07 --

PFPeS (perfluorpentaansulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 PFHxS (perfluorhexaansulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 PFHpS (perfluorheptaansulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 PFOS lineair (perfluoroctaansulfonzuur) µg/kgds 0.28 0.28 PFOS vertakt (perfluoroctaansulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 som PFOS (0.7 factor) µg/kgds 0.35 0.35 ¤ PFDS (perfluordecaansulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 4:2 FTS (4:2 fluortelomeer sulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 6:2 FTS (6:2 fluortelomeer sulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 8:2 FTS (8:2 fluortelomeer sulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 10:2 FTS (10:2 fluortelomeer sulfonzuur) µg/kgds <0.1 0.07 MeFOSAA (n-methyl perfluoroctaansulfonamide acetaat) µg/kgds <0.1 0.07 EtFOSAA (n-ethyl perfluoroctaansulfonamide acetaat) µg/kgds <0.1 0.07 PFOSA (perfluoroctaansulfonamide) µg/kgds <0.1 0.07 MeFOSA (n-methyl perfluoroctaansulfonamide) µg/kgds <0.1 0.07 8:2 DiPAP (8:2 fluortelomeer fosfaat diester) µg/kgds <0.1 0.07 Adviespakket PFAS 30 componenten zie bijlage

Monstercode 13366147-001 13366147-002

-----

<0.1 <0.1 <0.1 0.56 0.16 0.72 <0.1 <0.1 <0.1 <0.1 <0.1

-

<0.1 0.07

-

--

<0.1 0.07 <0.1 0.07 <0.1 0.07 <0.1 0.07 zie bijlage

--

-

Monsteromschrijving MM01 MM01 01 (0-50) 04 (6-50) 06 (0-50) 09 (5-50) MM02 MM02 03 (50-100) 05 (75-100) 07 (50-100) 09 (50-100)

0.07 0.07 0.07 0.56 0.16 0.72 ¤ 0.07 0.07 0.07 0.07 0.07

-----

-

Toetsing volgens BoToVa, module T.1-Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem (Toetsversie 3.0.0, toetskader BBK, SIKB versie 13.3.0, toetsingsdatum: 19-12-2020 - 11:54)

Projectcode Projectnaam Monsteromschrijving Monstersoort Monster conclusie (excl PFAS)

3905-20086-04 Pastoor jacobsstraat 34 grond MM03 Grond (AS3000) Altijd toepasbaar

Analyse

Eenheid SR

BT

BC

monster voorbehandeling droge stof gewicht artefacten aard van de artefacten organische stof (gloeiverlies)

Ja 87.5 87.5 <1 Geen 0.9 0.9

-

% g %

KORRELGROOTTEVERDELING lutum (bodem)

% vd DS

<1

<1

METALEN barium+ cadmium kobalt koper kwik° lood molybdeen nikkel zink

mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg

<20 <0.2 <1.5 <5 <0.05 <10 <0.5 <3 <20

54.2 -0.241 <=AW -0.03 3.69 <=AW -0.06 7.24 <=AW -0.22 0.0503 <=AW 0.00 11 <=AW -0.08 0.35 <=AW -0.01 6.12 <=AW -0.44 33.2 <=AW -0.18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=a204b034-0984-4dfb-ab35-7443325ca846