CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

08 bijlage 12 - Natuurtoets.pdf - bijlage 12 - Natuurtoets.pdf

Cuijk - commissie Ruimte 29 november 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: (ter bespreking) Voorstel inzake Ontwerpbestemmingsplan Bedrijvenpark Laarakker Noordwest12.596 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest Toetsing Wet natuurbescherming en NNN

projectnummer 0465477.100 definitief revisie 00 11 maart 2021

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest Toetsing Wet natuurbescherming en NNN projectnummer 0465477.100 definitief revisie 00 11 maart 2021

Auteurs M.A.T.H.I.L.D.E. van den Broek

Opdrachtgever Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V. Louis Jansenplein 1 5431 BV CUIJK

Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus

De informatie in voorliggende rapportage is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

datum vrijgave 2021-03-11

beschrijving revisie 00 definitief

goedkeuring J.M. Kooijman

vrijgave P. Kennes

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Inhoudsopgave

Blz.

1

Inleiding

1

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Planvoornemen Doel en onderzoeksvragen Leeswijzer

1 1 2 2

2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming

3

2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5

Algemeen Soortbescherming Gebiedsbescherming Natura 2000 Natuurnetwerk Brabant Groenblauwe mantel Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Bescherming van houtopstanden

3 3 4 4 4 5 6 6

3

Methodiek

8

3.1 3.2 3.3 3.4

Algemeen Bureauonderzoek Terreinbezoek Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

8 8 9 9

4

Resultaten

10

4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3

Gebiedsbeschrijving Beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek Resultaten terreinbezoek - ecologische bevindingen Samenvatting beschermde soorten Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland Bescherming van houtopstanden

10 11 11 12 15 15 15 16 17

5

Toetsing

18

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3

Effectbepaling plan Toetsing effect op beschermde soorten Vogels Zoogdieren Effecten op beschermde gebieden Effecten op Natura 2000-gebieden Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Houtopstanden

18 18 18 19 19 19 19 19

6

Bronnen

20

Bijlagen Bijlage 1: Wettelijk kader

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving.

Haps

Bron luchtfoto: PDOK Viewer, 2020.

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Conclusies en advies De gemeente Cuijk is voornemens het bestemmingsplan Bedrijvenpark Laarakker Noordwest vast te stellen. Dit plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een deel van bedrijventerrein Laarakker. Deze ontwikkeling is echter in het huidige bestemmingplan niet toegestaan. Om deze reden wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het plan kan worden uitgevoerd als duidelijk is dat het plan niet in strijd is met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland. Daarom is inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het plangebied en de effecten hierop. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. In dit hoofdstuk is het advies gegeven dat voortkomt uit de conclusies van de uitgevoerde Natuurtoets. Tevens is aangegeven of volgens de Nederlandse wetgeving vervolgstappen aan de orde zijn.

Conclusies: Beschermde gebieden In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Ook significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN in de nabijheid van het plan kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling in het plangebied heeft geen effect op de directe omgeving van het plangebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. (Significant) negatieve effecten zijn uitgesloten. Er is daarom geen noodzaak voor vervolgstappen of een uitgebreidere toetsing wat betreft NNN gebieden. Uit de bureaustudie blijkt dat op circa 4,3 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied Natura 2000-gebied ‘Oeffelter Meent’ ligt. Als gevolg van de relatief grote afstand kunnen effecten op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van bijvoorbeeld versnippering, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht en verstoring door trillingen op voorhand worden uitgesloten. Enkel de effecten ten gevolge van vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Er wordt daarom geadviseerd om een AERIUS-berekening uit te voeren. Zie ook Tabel 1. Tabel 1. Overzicht conclusies en vervolgstappen gebiedsbescherming.

Natura 2000

NNN

Aanwezig binnen de invloedssfeer?

Nee

Nee

Effecten? Vereiste vervolgstappen aan de orde? Is het plan uitvoerbaar in het kader van de gebiedsbescherming?

Mogelijk AERIUS berekening,

Nee Nee

Onduidelijk

Ja

Conclusies: Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: Algemene broedvogels (waarschijnlijk nestplaatsen); Das (burcht in invloedssfeer plangebied). In Tabel 2 is aangegeven welke gevolgen de aanwezigheid van (het leefgebied van) deze soorten heeft voor het voorliggende plan. Aangegeven is of er sprake is van een overtreding van de Wet Natuurbescherming en onder welke voorwaarden het plan uitvoerbaar is.

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Tabel 2. Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming.

Soort (groep)

Essentieel leefgebied in plangebied?

Is er sprake van een overtreding?

Mogelijk [algemene broedvogels]

Mogelijk

[Das]

Is een ontheffing noodzakelijk

Is het plan uitvoerbaar?

Mogelijk, indien broedgevallen aanwezig zijn

Nee, mits werken volgens gedragscode// nemen mitigerende maatregelen /// Werken buiten broedseizoen

Ja

Mogelijk, indien de burcht actief is en dus essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de das

Mogelijk, indien de burcht actief is en dus essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de das

Nog onduidelijk

Onlangs is er een dassenburcht aangetroffen aan de rand van het plangebied. Burchten van de das zijn beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Het vernielen of ongeschikt maken van een burcht is in strijd met de verbodsbepalingen van artikel 3.10 van de Wnb. Dassen zijn zeer gevoelig voor verstoring. Als gevolg van de werkzaamheden en de gebruiksfase van het voornemen, kan de burcht ongeschikt raken door verstoring. Om de precieze effecten van het voornemen op de das te onderzoeken, dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de burcht. Aan de hand van dit nader onderzoek zullen vervolgstappen worden bepaald. Dit nader onderzoek is weergegeven in het blauwe kader. Nader onderzoek das Om te kunnen bepalen of eventuele verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden door de voorgenomen ontwikkeling, is nader onderzoek naar het gebruik en de functie van burcht in het plangebied noodzakelijk. Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden met in achtneming van het kennisdocument das (BIJ12). Een nader onderzoek kan jaarrond worden uitgevoerd, maar de meest geschikte periode is van september t/m mei. Om inzicht te verkrijgen in het gebruik van de burcht, wordt er voor 6 weken aaneengesloten onderzoek gedaan, met behulp van cameravallen.

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De gemeente Cuijk is voornemens het bestemmingsplan Bedrijvenpark Laarakker Noordwest vast te stellen. Dit plan maakt de ontwikkeling mogelijk van een deel van bedrijventerrein Laarakker. Ruimtelijke plannen, zoals dergelijke bestemmingsplan, dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er dient onderzocht te worden of het plan effect heeft op beschermde soorten of beschermde gebieden (Wet natuurbescherming; Wnb en Natuurnetwerk Nederland). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. In deze rapportage zijn de resultaten van de Natuurtoets beschreven en wordt antwoord gegeven of het plan uitvoerbaar is. In Figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1. Ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK viewer, 2020.

1.2

Planvoornemen In 2009 is voor het plangebied van het toekomstige bedrijventerrein Laarakker Noordwest het bestemmingsplan “Laarakker” vastgesteld. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied een bedrijfsbestemming. Bij de uitwerking van het bestemmingsplan Laarakker Zuid in 2015 is er voor gekozen om het gebied van Laarakker Noordwest voorlopig als agrarisch te herbestemmen, omdat er anders te veel uitgeef baar bedrijventerrein zou zijn. Vrijwel het gehele bestaande bedrijventerrein is uitgegeven aan verschillende bedrijven. In de ontwikkeling van Laarakker is het een logische volgende stap om het terrein van Laarakker Noordwest opnieuw te bestemmen. Hiervoor is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk.

Blad 1 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

1.3

Doel en onderzoeksvragen Het doel van voorliggende Natuurtoets is het opsporen van strijdigheden van het voorgenomen plan met de beschermde soorten en beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland; NNN) en het bepalen of het plan uitvoerbaar is. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is en zo ja, of deze ontheffing of vergunning kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wet natuurbescherming. Echter, deze vragen zijn ook relevant voor het bestemmingsplan omdat in deze Natuurtoets wordt beoordeeld of ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan het op voorhand in redelijkheid duidelijk is dat de Wet natuurbescherming niet de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan. Het bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld nadat uit een Natuurtoets duidelijk is geworden of voor de activiteiten die volgen uit deze vaststelling de mogelijkheid bestaat tot het verkrijgen van een ontheffing of vergunning.

De volgende onderzoeksvragen zijn van toepassing: Welke in het kader van de Wnb beschermde soorten (en/of vaste rust- en verblijfplaatsen) komen voor in het beïnvloedingsgebied van het plan? Vinden er als gevolg van de ontwikkeling die mogelijk gemaakt worden door het plan effecten plaats op deze soorten en worden daarbij verbodsbepalingen overtreden? Is het plan uitvoerbaar en zijn, zo nodig, aanvullende voorwaarden in het plan aan de orde? Komen in de beïnvloedingszone van het plangebied beschermde natuurgebieden (NNN en/of Natura 2000) voor? Zo ja, welke zijn dit en wat zijn de gevolgen hierop? Dienen vervolgstappen in de vorm van een compensatieplan opgesteld te worden of zijn andere vervolgstappen aan de orde? Op bovenstaande vragen wordt in hoofdstuk 4 en 5 een antwoord gegeven (zie ook de leeswijzer).

1.4

Leeswijzer De Natuurtoets is als volgt opgebouwd: De Natuurtoets begint met de belangrijkste conclusies gedestilleerd uit de resultaten van voorliggende Natuurtoets; Hoofdstuk 1 geeft de aanleiding van de Natuurtoets en het planvoornemen; Hoofdstuk 2 beschrijft beknopt het wettelijk kader; Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de methodiek van de Natuurtoets; Hoofdstuk 4 beschrijft het gebied en gaat in op de ecologische waarden en de beschermde soorten en gebieden in (de omgeving) van het plangebied; Hoofdstuk 5 toetst het plan aan de Wet natuurbescherming en het NNN.

Blad 2 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming Dit hoofdstuk beschrijft het wettelijk kader van de soortenbescherming (paragraaf 2.2) en de gebiedsbescherming (paragraaf 2.3) relevant voor voorliggende Natuurtoets.

2.1

Algemeen De Wet natuurbescherming heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen).

2.2

Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. Bij voorliggende toetsing wordt tevens beoordeeld of soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 5) aanwezig zijn in het plangebied. Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal vogelsoorten, indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt (zie artikel 3.1 in tekstkader in de bijlage).

Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.1 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod op om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet

Blad 3 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.5 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in artikel 3.10, bijlage A en B van de Wnb, zie ook Bijlage tabel B(1 en 2) en C van voorliggende rapportage. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren, opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren. Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan.

Indien bij het voornemen het overtreden van verbodsbepalingen in artikel 3.10 niet kan worden uitgesloten, kan onder bepaalde voorwaarden gewerkt worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het aanvragen van een ontheffing bij de provincie, waarin het voornemen plaatsvindt, noodzakelijk. De grond waarop een ontheffing kan worden verleend, verschilt per categorie. Het voorgaande geldt echter niet indien de soorten zijn vrijgesteld door het bevoegd gezag. natuurbescherming). Het gaat om 24 soorten. Voor deze soorten geldt enkel de zorgplicht. Bij voorliggende toetsing is de provincie Noord-Brabant bevoegd gezag. In de provincie NoordBrabant zijn in tegenstelling tot de landelijke vrijgestelde soorten van artikel 3.10 onderdeel A (zie Regeling Natuurbescherming, Bijlage 13), de bunzing, hermelijn en wezel niet vrijgesteld. Voor deze soorten dient bij een overtreding van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 gewerkt te worden conform een door het ministerie goedgekeurde gedragscode of dient een ontheffing aangevraagd te worden. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Brabant in tegenstelling tot de landelijke (niet-)vrijgestelde soorten, dat het wild zwijn vrijgesteld is. In de provincie geldt voor de overige landelijk vrijgestelde soorten, ook een vrijstelling. Voor deze soorten geldt enkel de zorgplicht.

2.3

Gebiedsbescherming

2.3.1

Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een Passende beoordeling opgesteld te worden.

2.3.2

Natuurnetwerk Brabant Het Natuurnetwerk Nederland (in Noord-Brabant het Natuurnetwerk Brabant genoemd) is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden. Dit is onderdeel van de

Blad 4 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

actieve soortbescherming uit de Wet natuurbescherming; bedreigde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. Om dit te realiseren is in de Wnb art. 1.12, lid 2 vastgelegd dat de provincies zorgen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk Nederland. Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. De Ruimtelijke Verordening (geconsolideerde versie januari 2019) van de provincie Noord Brabant is op 25 oktober 2019 vervangen door de interim omgevingsverordening Noord-Brabant. In de Interim Omgevingsverordening van provincie Noord-Brabant (2019) zijn regels voor het NNN opgenomen in paragraaf 3.2.3 (Artikel 3.15-3.25). Voor de natuurgebieden die behoren tot het NNB geldt het ‘nee, tenzij’-principe1.

Het ‘nee, tenzij’-principe (Artikel 3.19) betekent dat nieuwe plannen en projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een zwaarwegend belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Het compensatiebeleid van provincie Noord-Brabant voor de gebieden die aangewezen zijn als NNN is vastgelegd in Artikel 3.22 van de Interim Omgevingsverordening. Het regime ter bescherming van het NNB kent in de provincie Noord-Brabant externe werking. Dit houdt in dat niet alleen de effecten van activiteiten die gelegen zijn binnen de grenzen van NNB-gebieden beoordeeld en eventueel gecompenseerd moeten worden, maar ook (potentiële) effecten op NNB-gebieden die in de omgeving van het plangebied liggen (externe effecten). Dit laatste is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNB vanwege geluid, licht of betreding (of bijvoorbeeld schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied waardoor migratie niet langer mogelijk is).

Voor zover er externe effecten optreden vanwege de verspreiding van stoffen door de lucht of water vindt een afweging plaats in het kader van andere wet- en regelgeving. Daarom is dit expliciet in de regels uitgesloten (Artikel 3.16, lid 3).

1

Naast een Nee tenzij-afweging kan er sprake zijn van een kleinschalig ontwikkeling of een NNB/EHS-saldobenadering waarbij er geen onderbouwing aan de orde is van het dwingende belang en/of van alternatieven. Indien relevant wordt bekeken of deze van toepassing zijn voor het plan.

Blad 5 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

2.3.3

Groenblauwe mantel Naast het NNB zijn in de provincie Noord-Brabant gebieden aangewezen als groenblauwe mantel (Artikel 3.32 Omgevingsverordening). Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen. Een bestemmingsplan dat van toepassing is op de groenblauwe mantel: a)

strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b) stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c) borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Ontwikkelingen in de groenblauwe mantel zijn mogelijk indien het gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie betreft, met een meer extensief karakter en die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie of/en landbouw passen minder bij het karakter van de Groenblauwe mantel. Daarom gelden binnen de groenblauwe mantel voor deze initiatieven aanvullende regels voor de ontwikkeling van die functies.

2.3.4

Rust- en foerageergebied ganzen en smienten Voor ganzen en smienten zijn in Noord-Brabant een aantal gebieden aangewezen als Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn in Artikel 2.60 regels opgenomen voor activiteiten in deze gebieden. In Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten mogen in de periode 1 november tot 1 april, een aantal soorten niet opzettelijk worden verontrust ( het gaat om brandganzen, grauwe ganzen, kolganzen, rotganzen, taigarietganzen, toendrarietganzen en smienten).

2.3.5

Bescherming van houtopstanden De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft invulling aan de bescherming van houtopstanden die tot aan 1 januari 2017 vielen onder bescherming van de Boswet. De bescherming is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wnb. De Provincie is het bevoegd gezag. De bescherming betreft de houtopstanden die zijn gelegen buiten de bebouwde kom Wnb en die een oppervlakte hebben van meer dan 1.000 m2 (0,1 hectare) of bestaan uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. De Wnb doet geen uitspraken over houtopstanden die zijn gelegen binnen de bebouwde kom of met kleinere oppervlakte dan 1.000 m 2. Bescherming van dergelijke houtopstanden is een taak van de gemeentelijke overheid. De wet geldt niet voor: a) Houtopstanden op erven of in tuinen;

Blad 6 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

b) c) d) e) f) g)

Fruitbomen of windschermen om boomgaarden; Naaldbomen bedoeld als kerstbomen indien niet ouder dan 20 jaar; Kweekgoed; Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; Het dunnen van een houtopstand; Het uit populieren, wilgen, essen of elsen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van biomassa (onder specifieke voorwaarden).

Voor houtopstanden groter dan 1.000 m2 is veelal sprake van overlap met de gemeentelijke Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De mate van overlap kan per gemeente verschillen en is dus maatwerk. Toetsing aan de APV valt buiten de scope van de Natuurtoets. Voor houtopstanden die zijn beschermd in de Wnb geldt een meldingsplicht bij voorgenomen velling, en in principe tevens een herplantplicht. Herplant wordt in principe ter plekke ingevuld. Onder voorwaarden kan herplant ook elders worden gerealiseerd.

Blad 7 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

3

Methodiek Dit hoofdstuk beschrijft de methodiek die gehanteerd wordt tijdens het bureauonderzoek (paragraaf 3.2) en gedurende het terreinbezoek (paragraaf 3.3) van voorliggende Natuurtoets. In paragraaf 3.4 wordt aangeduid hoe deze gegevens leiden tot een conclusie.

3.1

Algemeen Het onderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten en ligging van beschermde gebieden is opgebouwd uit twee onderdelen: 1. 2.

3.2

Bureaustudie naar waarnemingen van beschermde soorten uit het (recente) verleden en ligging van beschermde gebieden in de invloedsfeer van het plan; Terreinbezoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten.

Bureauonderzoek Afbakening beschermde soorten In het bureauonderzoek wordt specifiek gekeken naar soorten uit de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), soorten van de Habitatrichtlijn (artikel 3.5) en ‘andere’ beschermde soorten (artikel 3.10). Bij vogels zal met name speciale aandacht geschonken worden aan soorten die in het plangebied een essentieel leefgebied kunnen hebben. Voorgenoemde soorten zijn in Nederland zeldzaam of hebben een Europese bescherming (Habitatrichtlijn bijlage IV-soorten, bijlage II Verdrag van Bern en bijlage I Verdrag van Bonn) en moeten worden getoetst op voorkomen en het projecteffect. Treden effecten op, of worden verbodsbepalingen overtreden, dan zijn er maatregelen nodig om deze effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wnb. Een aantal soorten is door de provincies vrijgesteld en zijn opgenomen in provinciale vrijstellingen (zie tabel B en C in de bijlage). Deze zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in de provincie dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt bij het voorliggende project. Wel geldt de algemene zorgplicht. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding worden gegarandeerd.

Hierbij kan gedacht worden aan het rekening houden met de kwetsbare seizoenen van deze soorten en de manier van werken (zoals het aanhouden van vaste rijroutes en het zorgen voor vluchtmogelijkheden voor de soorten). Bronnen Om een beeld te krijgen van de verspreiding en (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied, is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Hierbij is nagegaan of er in de periode 2015-2020 beschermde soorten zijn aangetroffen in of nabij het plangebied. Aan de hand van de resultaten van de bureaustudie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen. Naast de bronnen met soortinformatie, is voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het Ministerie van EZK of provinciale digitale atlassen. Om inzicht te krijgen in de ligging van het plangebied t.o.v. van het NNN is de provinciale website geraadpleegd.

Blad 8 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

3.3

Terreinbezoek Naar aanleiding van de uitkomsten van voorgenoemde bureaustudie is middels een terreinbezoek bepaald in hoeverre de aanwezigheid van beschermde soorten aannemelijk gesteld kan worden op basis van aanwezig geschikt habitat. Naast directe waarnemingen kan dan aan de hand van de aangetroffen biotopen een beeld worden geschetst van de verwachte aanwezige beschermde soorten. Dit is noodzakelijk omdat enkele seizoensgebonden soorten flora en fauna mogelijk niet kunnen worden waargenomen. Aan de hand van het aangetroffen biotoop en habitatvoorkeur(en) kunnen echter wel indicaties worden gegeven van het mogelijk voorkomen van deze soorten op de locatie. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten opgetekend. Op 25-11-2020 is vanaf circa 12.30 uur een terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij onbewolkt weer met een temperatuur van circa 12 °C. Tijdens het terreinbezoek is het plangebied te voet belopen en zijn bomen met een verrekijker geïnspecteerd.

3.4

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject Aan de hand van de bevindingen uit het bureauonderzoek en de resultaten van het verkennend terreinbezoek kan worden bepaald of het plan uitvoerbaar is, of een vervolgonderzoek nodig is om beschermde soorten uit te sluiten en om te bepalen wat de effecten zijn. Tevens kan worden geadviseerd over de te volgen procedure inzake de natuurwetgeving.

Blad 9 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

4

Resultaten In paragraaf 4.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 4.2 in gegaan op de resultaten van de in het gebied aanwezige of verwachte beschermde soorten (uiteenzetting van de resultaten van de bureaustudie en het terreinbezoek), waarna in paragraaf 4.3 de ligging van gebieden beschermd in het kader van de Wet natuurbescherming en het NNN in de omgeving van het plangebied aangegeven wordt.

4.1

Gebiedsbeschrijving Het plangebied ligt ten oosten van de Mondsestraat en ten westen van de Cuykseweg te Laarakker (gemeente Haps, Provincie Noord-Brabant). Het plangebied omvat diverse intensief beheerde landbouwpercelen, waaronder grasland, fruitbomen en gecultiveerde spar soorten. Daarnaast is er in het plangebied een zandopslag aanwezig, waar verschillende kruiden groeien. Aan de zuid- en westelijke zijde grenst het plangebied aan een groene corridor met een houtwal en diverse bomen. Aan de noordzijde van het plangebied is een groene corridor met diverse poelen gerealiseerd. In Figuur 4.1 is een impressie gegeven van het projectgebied.

Zandopslag in het plangebied, begroeid met vegetatie.

Gecultiveerde sparsoorten in het plangebied.

Akker met boomgaard in het plangebied.

Begroeide zoom langs de zandopslag.

Figuur 4.1. Impressie van het plangebied.

Blad 10 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

4.2

Beschermde soorten

4.2.1

Resultaten bureauonderzoek Uit de recente verspreidingsinformatie blijkt dat in of nabij het plangebied in het verleden diverse beschermde soorten zijn waargenomen (binnen een straal van 2,5 kilometer). Dit betreft de beschermde soorten genoemd in Habitatrichtlijn (bijlage IV onderdeel a en b) en de nietvrijgestelde ‘andere soorten’ uit bijlage I (onderdeel a en b) van de Wet natuurbescherming alsook vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. De soorten zijn weergegeven in Tabel 4.1. Tabel 4.1. Overzicht van waargenomen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied (met een straal van 2,5km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd. De soorten zijn in te delen in Habitatrichtlijn (HR), lijsten A en B behorende bij artikel 3.10 en vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest (JRB) en zijn aangegeven met een ‘X’ (NDFF, 2015-2020).

Soortgroep

Vogels met een jaarrond beschermd nest*

Zoogdieren

Amfibieën Insecten - Kevers Vissen Planten Overige soortgroepen

Soort

Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Bever Bunzing Damhert Das Eekhoorn Steenmarter Vleermuizen** Wezel Alpenwatersalamander Kamsalamander Vermiljoenkever

JRB

HR

A/B

X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X X

Geen waarnemingen

Drijvende waterweegbree

X

Geen waarnemingen *Categorie 5: de afweging of er sprake is van een jaarrond beschermd nest uit categorie 5 wordt gemaakt bij de beschrijving van de resultaten van het terreinbezoek (paragraaf 4.2.2). **Vleermuizen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger.

Op basis van de verspreidingsgegevens van een soort, in combinatie met kennis van de terreingeschiktheid voor deze soorten, is vervolgens nagegaan of het plangebied een functie

Blad 11 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

vervult voor (onder andere) deze soorten en of effecten aan de orde zijn. De bevindingen worden in paragraaf 4.2.2 uiteengezet.

4.2.2

Resultaten terreinbezoek - ecologische bevindingen Op basis van het bureauonderzoek en het terreinbezoek wordt per soortgroep ingegaan op de eventuele (kans op) aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Aangezien het plangebied een beperkte omvang heeft, grotendeels actief wordt beheerd en gecultiveerd, geen watergangen of poelen bevat, in een verstoorde omgeving ligt, geen open water bevat en het verspreidingsgebied van een aantal soorten niet tot aan [Laarakker] loopt, zijn niet alle biotoop-kritische (sub)soortgroepen relevant. Zo zijn er onder andere op basis van het terreinbezoek geen effecten (overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wnb) aan de orde op de beschermde (sub)soortgroepen: (land/water)zoogdieren (bever), amfibieën, vissen en overige soortgroepen (kreeftachtigen, weekdieren, mieren en slakken). Er is voor deze soort(groep)en geen essentieel leefgebied in het plangebied. Effecten zijn op voorhand uitgesloten. De overige soortgroepen worden hierna beschreven: vogels, zoogdieren (vleermuizen, damhert, bunzing, das, steenmarter, eekhoorn en wezel), insecten (vermiljoenkever) en flora. Vogels Soorten met jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) Dit betreft de soorten: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief.

Tijdens het terreinbezoek zijn geen nesten aangetroffen in het plangebied of binnen de invloedssfeer hiervan. Binnen het plangebied vallen enkel gecultiveerde fruitbomen en sparren, waar enkel kleine soorten (algemene) vogels tot broeden kunnen komen. Jaarrond beschermde nesten van buizerd, havik, oehoe, ooievaar en wespendief kunnen worden uitgesloten. Gierzwaluw en huismus komen tot broeden in bebouwing. Kerkuil komt veelal ook broeden in bebouwing, maar kan ook nesten in boomholten maken. Gezien het plangebied geen bebouwing of bomen met holten bevat, kunnen nestplaatsen van gierzwaluw, huismus en kerkuil worden uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van het planvoornemen op deze soorten kunnen worden uitgesloten. De roek is een koloniale broeder. Tijdens het terreinbezoek zijn er geen koloniale nesten aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van roek binnen het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van het planvoornemen op roek kunnen worden uitgesloten. Specifieke elementen zoals hoge oevers, rotswanden of boomwortels langs het water die nodig zijn voor grote gele kwikstaart ontbreken binnen het plangebied. Ook de slechtvalk stelt specifieke eisen aan een broedplaats, welke zich vaak bevindt op rotswanden/ hoge flatgebouwen of masten.

De boomvalk, ransuil, sperwer en steenuil komen tot broeden in bosschages waarbij soms gebruik wordt gemaakt van oude kraaiennesten of holtes in bomen. Al deze specifieke elementen ontbreken in het plangebied. Negatieve effecten als gevolg van het planvoornemen op grote gele kwikstaart, slechtvalk, boomvalk, ransuil, sperwer en steenuil kunnen worden uitgesloten. Soorten met mogelijk een jaarrond beschermd nest (categorie 5) Daarnaast zijn er categorie 5-vogelsoorten, waarvan de nesten alleen jaarrond zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Tijdens het terreinbezoek is een overvliegende zwarte kraai waargenomen welke onder zwaarwegende

Blad 12 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

feiten of ecologische omstandigheden deze bescherming geniet. Er zijn geen nesten van zwarte kraai aangetroffen. Gezien er in de omgeving van het plangebied voldoende geschikt leefgebied aanwezig is, zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een dergelijke bescherming rechtvaardigen. Algemene vogelsoorten (artikel 3.1) Tijdens het terreinbezoek zijn holenduif, roodborst en staartmees waargenomen. Er zijn geen nesten aangetroffen tijden het terreinbezoek. Roodborst en staartmees zouden tot broeden kunnen komen in de boomgaard. Nesten van holenduif worden niet verwacht binnen het plangebied. Er dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen aangezien de aanwezigheid van nestlocaties niet volledig kan worden uitgesloten. Gevolgen van het plan op algemene broedvogels worden in Hoofdstuk 5 behandeld. Zoogdieren Vleermuizen Bij het amoveren van bebouwing en het kappen van vooral oudere bomen dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. De essentiële functies van vleermuizen worden in de wet uiteengezet in essentiële verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes.

Verblijfplaatsen In het voorliggende plangebied is er geen bebouwing of zijn er bomen met holtes aanwezig. Hierom kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van zowel gebouw- als boombewonende vleermuizen in het plangebied worden uitgesloten. Foerageergebied Het terrein kan gebruikt worden door vleermuizen als foerageergebied. Vleermuizen foerageren in de luwte van bomenrijen. Soorten als de rosse vleermuis jagen hoog in het landschap en kunnen ook boven de landbouwgronden foerageren. Vliegroutes De bomenrijen in de boomgaard worden mogelijk gebruikt als vliegroute voor vleermuizen. Mogelijke effecten op vleermuizen als gevolg van het planvoornemen worden in hoofdstuk 5 behandeld. Overige (land)zoogdieren Bunzing De biotoop van de bunzing kenmerkt zich als waterrijk, waarbij er voldoende dekking aanwezig is van bosschages/ oevervegetatie. Binnen het plangebied zijn geen watergangen, bosschages of vegetatie aanwezig die voldoende dekking kan bieden aan de bunzing. Negatieve effecten op de bunzing als gevolg van het planvoornemen zijn uitgesloten. Das Das komt voor in kleinschalig akkerlandschap en in bosgebied. De das is aanwezig in de omgeving van het plangebied. Op basis van de eerdere ontwikkelingen van Laarakker is er een ontheffing voor das van de Wnb uitgegeven, gecompenseerd voor leefgebied en een dassenmonitoring gerealiseerd.

Buiten de dassenmonitor om, die op 10 september, 18 september en 26 november 2020 heeft plaatsgevonden, is er een nieuwe burcht aangetroffen op de rand van het plangebied. In Figuur

Blad 13 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

4.2 is de locatie van de burcht weergegeven. De functie van deze burcht is nog onbekend maar is mogelijk essentieel.

Figuur 4.2: weergave van de locatie van de burcht van de das, op de rand van het plangebied. Bron luchtfoto: PDOK Viewer, 2021.

Ook wordt verwacht dat de das foerageert in het plangebied. Gevolgen van het planvoornemen op das worden in hoofdstuk 5 behandeld. Damhert Deze soort leeft voornamelijk in bosschages, wisselend met open graslanden. Binnen het plangebied zijn geen bosschages aanwezig. Gezien er wel geschikt foerageergebied voor damhert aanwezig is, kan incidentele aanwezigheid niet worden uitgesloten. Echter, is er voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Negatieve effecten op damhert als gevolg van het planvoornemen zijn uitgesloten. Eekhoorn De eekhoorn heeft verblijfplaatsen en foerageert veelal in bosschages. Binnen het projectgebied zijn enkel gecultiveerde boomsoorten aanwezig, die van onvoldoende omvang zijn voor de eekhoorn om verblijfplaatsen in te hebben. Gezien er wel bomen aanwezig zijn in het plangebied, kan incidentele aanwezigheid van de eekhoorn niet worden uitgesloten. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende geschikter alternatief leefgebied voor de eekhoorn aanwezig. Negatieve effecten op de eekhoorn als gevolg van het planvoornemen zijn uitgesloten. Steenmarter De biotoop van de steenmarter kenmerkt zich als kleinschalig natuurlandschap. Hierbij is het van belang dat er voldoende dekking in de vorm van bosschages, ruigtes, hout- of steenwallen aanwezig is.

Het plangebied voldoet niet aan de biotoopeisen van de steenmarter. In de omgeving van het plangebied is wel kleinschalig natuurlandschap aanwezig. Gezien het oppertunitische karakter van steenmarter kan incidentele aanwezigheid binnen het plangebied niet volledig worden uitgesloten. Echter, het omliggende terrein biedt voldoende geschikt alternatief leefgebied voor deze soort. Negatieve effecten als gevolg van het planvoornemen zijn niet aan de orde. Wezel De wezel maakt gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals houtwallen, bosschages en een ontwikkelde kruidlaag als habitat. Binnen het plangebied ontbreken deze lijnvormige elementen. Om deze reden is de aanwezigheid van de wezel binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten voor de wezel als gevolg van het planvoornemen zijn uitgesloten.

Blad 14 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Keverachtigen Vermiljoenkever De vermiljoenkever leeft achter het schors van dode, rottende bomen. Binnen het plangebied zijn enkel levende, gecultiveerde fruitbomen en sparren aanwezig. Er is dus geen geschikt habitat voor deze soort aanwezig. Aanwezigheid van de vermiljoenkever binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van het planvoornemen op de vermiljoenkever zijn uitgesloten. Flora Tijdens het veldbezoek is er geen beschermde flora aangetroffen. Enkel algemene soorten zoals schapenzuring, akkerdistel, paardenbloem, kamille en diverse grassoorten zijn aangetroffen op het braakliggende zandterrein. De drijvende waterweegbree komt voor in helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water. Dit soort wateren komen voor in laaglandbeken, vennen, kanalen en poelen. Binnen het plangebied zijn geen van deze habitatseisen aanwezig. Negatieve effecten op de drijvende waterweegbree als gevolg van het planvoornemen zijn uitgesloten.

Overige soorten Tijdens het terreinbezoek zijnde ree en haas aangetroffen in het plangebied. De ree maakt gebruik van het plangebied om te foerageren en mogelijk om te rusten. Er zijn geen legers van de haas aangetroffen, verwacht wordt dat de haas gebruikt maakt van het plangebied om te foerageren. Het plangebied staat in verbinding met een groene corridor, waar voldoende geschikt alternatief leefgebied voor de ree en haas aanwezig is. Negatieve effecten voor de ree en haas als gevolg van het planvoornemen zijn niet aan de orde.

4.2.3

Samenvatting beschermde soorten Uit het terreinbezoek is gebleken dat de soorten weergegeven in Tabel 4.2 en die een beschermde status hebben in de Wet natuurbescherming mogelijk voor kunnen komen in het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt nader op deze soorten in gegaan. Tabel 4.2.Mogelijk aanwezige beschermde soorten in het plangebied.

Soort

Beschermingsregime

Aanwezigheid

Algemene broedvogels

Artikel 3.1

Vleermuizen

Artikel 3.5

Nog onduidelijk

Das

Artikel 3.10

Ja, binnen invloedssfeer van het plangebied

Ja

Blad 15 van 21

Toelichting Opgaande vegetatie, struiken en boomgaard bieden geschikte nestlocaties voor algemene broedvogels. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen De bomen in de boomgaard dienen mogelijk als vliegroute en foerageergebied. Burcht van das aanwezig binnen de invloedssfeer van het plangebied.

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

4.3

Beschermde gebieden

4.3.1

Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Oeffelter Meent’ ligt op circa 4,3 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied (zie Figuur 4.3). In dit Natura2000-gebied zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig, namelijk: H6120 – Stroomdalgraslanden; H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden.

Figuur 4.3: Ligging van het plangebied (rood omkaderd), ten opzichte van het dichtstbijzijnde N2000-gebied ‘Oeffelter Meent’ (geel). Bron: PDOK Viewer, 2020.

4.3.2

Natuurnetwerk Nederland In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied grenst direct ten westen aan het plangebied (zie Figuur 4.4). Het gaat hierbij om NNN met beheertype ‘Droog bos met productie’.

Blad 16 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Figuur 4.4: Ligging van het plangebied(rood omkaderd) ten opzichte van de NNN(groen/ turquiose/ blauw). Bron: Provincie Noord-Brabant, 2020

4.3.3

Bescherming van houtopstanden In het plangebied bevindt zich een boomgaard met gecultiveerde sparsoorten en fruitbomen. Gezien het jonge bomen betreft die intensief beheerd worden, zijn er ecologisch gezien geen zwaarwegende feiten om deze bomen te behouden. Tijdens het terreinbezoek zijn er geen holtes of nesten aangetroffen in de bomen. Het is mogelijk dat algemene broedvogels tot broeden komen in de bomen. De bescherming van algemene broedvogels wordt in hoofdstuk 5 behandeld. De bomen binnen het plangebied vallen niet onder de Boswet, gezien fruitbomen en bomen uit een boomkwekerij uitgesloten zijn van deze wet.

Blad 17 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

5

Toetsing In paragraaf 5.1 is de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 5.2 worden de werkzaamheden getoetst aan de soortenbescherming (Wnb). Indien vervolgstappen aan de orde zijn, is dit aangeven in een tekstkader. In paragraaf 5.3 wordt het plan getoetst aan het beschermingsregime van het NNN-gebied en de Wet natuurbescherming (Wnb).

5.1

Effectbepaling plan De volgende biotopen worden beïnvloed door het voornemen: De boomgaarden worden verwijderd; De zandberging zal verwijderd worden; De vegetatie binnen het plangebied zal verwijderd worden; Het veld zal afgegraven worden.

5.2

Toetsing effect op beschermde soorten Uit het terreinbezoek is gebleken dat het plangebied een potentieel geschikt biotoop biedt voor vogels en zoogdieren (zie ook Tabel 4.2). Om deze reden is er enkel op deze soortgroepen een potentieel effect aan de orde. De onderstaande effectbeoordeling richt zich alleen op deze soort(groep)en. Overige beschermde soorten zijn uitgesloten en ondervinden geen effect van het voornemen.

5.2.1

Vogels Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door kapwerkzaamheden niet uit te voeren in de broedtijd (circa maart tot en met juli2) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet Natuurbescherming aan de orde. Zo kunnen in het plangebied nesten gebouwd worden door (algemeen voorkomende) soorten met name in opgaande vegetatie. Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied dan worden locatie specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is.

2

Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.

Blad 18 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

5.2.2

Zoogdieren Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn beschermd en staan vermeld op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn. Verwacht wordt dat het plangebied gebruikt wordt als foerageergebied voor vleermuizen. Het plangebied vormt gezien de geringe (natuurlijke) omvang, het monotone karakter en de afwezigheid van unieke groene/natuurlijke elementen ten opzichte van de omgeving, naar verwachting geen essentieel foerageergebied (d.w.z. van essentieel belang voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaatsen in de omgeving). In de omgeving is voldoende en alternatief foerageergebied aanwezig (zoals verder in het buitengebied). De ontwikkeling van de een nieuw bedrijventerrein zorgt ook niet voor een effect op mogelijke vliegroutes in de omgeving. Hoewel de boomgaard een functie kan hebben als vliegroute, zijn er in de omgeving voldoende aansluitende lijnvormige elementen die als vliegroute kunnen dienen. De voorgenomen ontwikkeling zorgt derhalve niet voor een overtreding van verbodsbepalingen uit de wet. De toekomstige inrichting met groenelementen en gebouwen kan bovendien de foerageer- en verblijfmogelijkheden in het plangebied verhogen. Andere soorten (artikel 3.10) Das De das in aanwezig in het plangebied.

Als gevolg van eerdere ontwikkelingen op het bedrijventerrein Laarakker is er een ontheffing verleend en is er gecompenseerd voor het verlies van het leefgebied van de das. Ook is er een dassenmonitor opgesteld, welke enkele malen per jaar plaatsvind. Buiten deze monitoring om is een extra dassenburcht ontdekt, aan de rand van het plangebied (paragraaf 4.2.2). De functie van deze burcht is niet bekend en dient nader onderzocht te worden. Burchten van de das zijn beschermd volgens artikel 3.10 van de Wnb. Het vernielen of ongeschikt maken van een burcht is in strijd met de verbodsbepalingen van artikel 3.10 van de Wnb. De dassenburcht ligt aan de rand van het plangebied, waardoor er geen sprake is van directe aantasting. Dassen zijn zeer gevoelig voor verstoring. Als gevolg van de werkzaamheden en de gebruiksfase van het voornemen, kan de burcht ongeschikt raken door verstoring. Om de precieze effecten van het voornemen op de das te onderzoeken, dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de functie van de burcht. Dit onderzoek is weergegeven in het blauwe kader. Nader onderzoek das Om te kunnen bepalen of eventuele verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden door de voorgenomen ontwikkeling, is nader onderzoek naar het gebruik en de functie van burcht in het plangebied noodzakelijk.

Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden met in achtneming van het kennisdocument das (BIJ12). Een nader onderzoek kan jaarrond worden uitgevoerd, maar de meest geschikte periode is van september t/m mei. Om inzicht te verkrijgen in het gebruik van de burcht, wordt er voor 6 weken aaneengesloten onderzoek gedaan, met behulp van cameravallen.

Blad 19 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

5.3

Effecten op beschermde gebieden

5.3.1

Effecten op Natura 2000-gebieden Uit de bureaustudie blijkt dat op circa 4,3 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied Natura 2000-gebied ‘Oeffelter Meent’ ligt. Het Natura 2000-gebied ligt buiten het invloedsgebied van het plan wat betreft verdroging of geluid- en lichtverstoring. Enkel negatieve effecten van vermesting en verzuring van stikstofgevoelige habitattypen in ‘Oeffelter Meent’ als gevolg van stikstofdepositie kunnen niet worden uitgesloten. Als gevolg van het voornemen kunnen significante negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Om deze reden dient een (separate) AERIUS-berekening te worden uitgevoerd om deze effecten nader in kaart te brengen.

5.3.2

Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) Voor wat betreft de NNN is bij zowel directe als indirecte aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er bevindt zich geen NNN binnen het plangebied. Er is van directe aantasting van de NNN dan ook geen sprake. In de omgeving van het plangebied liggen wel NNNgebieden. Ook significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN in de nabijheid van het plan kunnen worden uitgesloten. De ontwikkeling in het plangebied heeft geen effect op de directe omgeving van het plangebied. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN geen belemmeringen. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.3.3

Houtopstanden De bomen in het plangebied zijn uitgezonderd van de boswet, gezien deze wet geen houtopstanden beschermd met de functie fruitbomen of bomen uit een boomkwekerij. Beschermding van de houtopstanden in het plangebied is niet aan de orde.

Blad 20 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

6

Bronnen Bos, F.G., Bosveld, M.A., Groenendijk, D.G., Van Swaay, C.A.M. & Wynhoff, I., 2006. De dagvlinders van Nederland - verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EISNederland, in samenwerking met De Vlinderstichting, Wageningen. Creemers, R.C.M. en Delft, J.J.C.W. van (RAVON) (redactie), 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna Deel 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Limpens, H., Regelink, J., en Koelman, R. (2010). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Augustus 2009. Provincie Noord-Brabant, 2020. Natuurbeheerplan. Overig: NDFF BIJ12

Blad 21 van 21

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Bijlagen

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Bijlage 1: Wettelijk kader Een van de doelen van de Wnb is de bescherming van inheemse flora en fauna. Vanuit deze wet is bij ruimtelijke ingrepen de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde soorten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij’ – principe). Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Hieronder wordt uitgelegd welke verbodsbepalingen gelden, welke vrijstellingen er gelden en op welke gronden ontheffingen kunnen worden aangevraagd.

Verbodsbepalingen soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die onder andere zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. In het tekstkader van deze Bijlage (zie volgende pagina) staan de artikelen uitgeschreven. Het gaat om de volgende drie categorieën: -

soorten van de Vogelrichtlijn; soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’), oftewel de Nationale soorten.

Voor soorten vallend onder bovenstaande beschermingsregimes geldt dat ze in principe niet (opzettelijk) gedood en verstoord mogen worden, ook verblijfplaatsen mogen niet vernietigd worden. Bij Vogelrichtlijnsoorten is opgenomen dat verstoring is toegestaan indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Dit geldt echter niet voor Habitatrichtlijnsoorten, inclusief bijlage I en II Bern en bijlage I Bonn (zie Tabel A van deze bijlage voor een uiteenzetting van soorten. Voor de ‘andere soorten’ geldt dat verstoring is toegestaan. Soorten die zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wnb (‘andere soorten’) zijn opgenomen in tabel B en C van deze Bijlage.

Natuurtoets Ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Noordwest projectnummer 0465477.100 11 maart 2021 revisie 00 Regionaal Bedrijvenpark Laarakker C.V.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming artikel 3.1, 3.5 en 3.10 Artikel 3.1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 1. 2. 3. 4. 5.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=de189b93-acd9-46fb-9e46-f96901ad94df