07 Bijlage 6p - Bijlage 16 Nader onderzoek vleermuizen Merletcollege.pdf
Tekst van het document
Nader onderzoek vleermuizen
Grotestraat 144 Cuijk
Arnhem, 25 september 2019
Pagina |2
Colofon Titel Subtitel
: Nader onderzoek vleermuizen : Grotestraat 144 Cuijk
Projectnummer Datum
: 19.085 : 25 september 2019
Veldonderzoek Auteur(s)
: S. Nelissen, T. van de Zilver : S. Nelissen
Collegiale toets
: S. Klein Brinke
Opdrachtgever Contactpersoon
: Gemeente Cuijk : Dhr. T. Hendriks
Bezoekadres Postcode Telefoon
: Snelliusweg 40-18 : 6827 DH Arnhem : 026-2001900
info@ekoza.nl www.ekoza.nl
Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
Pagina |3
Inhoudsopgave 1. 2.
Inleiding ............................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ..................................................................................................................... 5 2.1 Soorten ......................................................................................................................... 5 3. Gebiedsbeschrijving .............................................................................................................. 8 3.1 Gebiedsbeschrijving....................................................................................................... 8 3.2 Voorgenomen ingreep ................................................................................................... 9 4. Onderzoeksmethode ........................................................................................................... 10 4.1 Vleermuizen ................................................................................................................ 10 4.2 Uitwerking en rapportage ............................................................................................ 12 5. Resultaten ..........................................................................................................................
13 5.1 Vleermuizen ................................................................................................................ 13 6. Conclusies........................................................................................................................... 16 6.1 Vleermuizen ................................................................................................................ 16 Bronnen ..................................................................................................................................... 17 Literatuur ............................................................................................................................... 17 Websites ................................................................................................................................ 17
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
Pagina |4
1.
Inleiding Het voormalige Merletcollege aan de Grotestraat 144 te Cuijk zal gesloopt worden. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden zal rekening gehouden moeten worden met beschermde soorten. Uit de quickscan uitgevoerd door Bureau Waardenburg B.V. is gebleken dat onderzoek naar vleermuizen plaats moet vinden. Om te bepalen of beschermde soorten aanwezig zijn en gebruik maken van de bebouwing is onderzoek noodzakelijk. Het gaat hierbij om gebouwbewonende vleermuizen. Indien vleermuizen voorkomen zullen de effecten van de werkzaamheden op deze soorten beoordeeld worden. Als er negatieve effecten te verwachten zijn, dient bepaald te worden of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 2 staat het wettelijke kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het onderzoeksgebied en de voorgenomen ingrepen. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethodes die gebruikt zijn. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek besproken en getoetst aan de Wet natuurbescherming. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen gegeven.
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
Pagina |5
2.
Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag komt bij de provincies te liggen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij etc. De Wet natuurbescherming is gericht op de bescherming van: • Natura 2000-gebieden • Soorten • Houtopstanden Dit onderzoek heeft enkel betrekking op soorten, in dit geval vleermuizen. In dit hoofdstuk zal daarom ook alleen de soortenbescherming besproken worden.
2.1 Soorten Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes • soorten van de Vogelrichtlijn • soorten van de Habitatrichtlijn • overige soorten Vogelrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Ingevolge artikel 3.1 is het verboden om: 1. Opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.5 (Bern bijl. II, Bonn bijl. I) verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Opzettelijk dieren te verstoren; 3. Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; 4.
Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 5. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
Pagina |6
Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.6 (Bern bijl. I en II, Bonn bijl. I) verboden om dieren of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om gefokte of gekweekte dieren of planten. Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. In dit geval gaat het om de provincie Noord-Brabant. Ingevolge Wet natuurbescherming artikel 3.10 is het verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Zorgplicht Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Het betreft bovendien niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht zelfstandig betekenis. Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
Pagina |7
Jaarrond beschermde nesten Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
Pagina |8
3.
Gebiedsbeschrijving
3.1 Gebiedsbeschrijving Het plangebied betreft een voormalige schoolgebouw met omliggend plein. Momenteel wordt het pand gebruikt als tijdelijke woonruimte. Het betreft een gebouw van 1 tot 2 verdiepingen met bakstenen muur en plat dak. Het gebouw heeft een spouw. Op het terrein zijn enkele bomen en struiken aanwezig, maar het overgrote deel is verhard. In Figuur 1 is de globale ligging van het plangebied weergegeven. Het onderzoeksgebied bevindt zich aan de rand van de bebouwde kom van Cuijk. Het wordt grotendeels omringd door bebouwing. Ten westen bevindt zich een begraafplaats en ten noorden een klein grasveld. Figuur 2 geeft een impressie van het plangebied.
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied.
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
Pagina |9
Figuur 2. Impressie van het plangebied.
3.2 Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens de bebouwing te slopen. De planning van de sloop is nog niet bekend. Verder is ook niet bekend of de beplanting op het terrein verwijderd zal worden. Er zal een nieuw gebouw worden gerealiseerd op het terrein.
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
P a g i n a | 10
4.
Onderzoeksmethode Iedere dier- en plantengroep behoeft zijn eigen methode van inventarisatie om een zo goed mogelijk beeld te verkrijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soorten of groepen. Vleermuizen zijn zwaar beschermde soorten die onder Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en Bijlage II van het Verdrag van Bern vallen.
4.1 Vleermuizen De vleermuizen kunnen over het algemeen worden ingedeeld in gebouwbewonende en boombewonende soorten, gedurende het jaar kan hier een verschuiving in plaatsvinden. Soorten die kunnen worden aangemerkt als gebouwbewoners zijn onder andere laatvlieger, meervleermuis en gewone dwergvleermuis. Deze soorten verblijven meestal in de spouwmuren van woonhuizen. Soorten die kunnen worden aangemerkt als boombewoners zijn rosse vleermuis en watervleermuis. Deze soorten verblijven meestal in verlaten spechtenholten of in holten die zijn ontstaan door rotting na het afbreken van een tak. In de winter maken vleermuizen van meerdere objecten gebruik die als verblijfplaatsen kunnen dienen, deze plekken moeten koel en vorstvrij zijn. Watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis overwinteren in mergelgroeven, forten, bunkers en ijskelders. Gewone dwergvleermuizen en laatvliegers zijn meestal te vinden in droge plekken in gebouwen. Rosse vleermuizen gebruiken holle bomen als winterslaapplaats. De vrouwtjes wonen in de zomer in kraamverblijfplaatsen. Hier brengen ze hun jongen groot. De laatvlieger, meervleermuis en de gewone dwergvleermuis leven hierbij meestal in groepen (kolonies) in de spouwmuren van gebouwen. Een soort als gewone grootoorvleermuis heeft een voorkeur voor grote open ruimtes zoals een kerkzolder.
De kolonies van de watervleermuis en de rosse vleermuis zijn tijdens de kraamtijd vaak te vinden in verlaten spechtenholten of holen die door rotting bij een afgebroken tak ontstaan zijn.
Inventarisatie Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd op basis van het vleermuisprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (waarbij Ekoza is aangesloten). Onderzoek uitgevoerd volgens het protocol geeft de meeste zekerheid op voldoende onderbouwing van een eventuele ontheffingsaanvraag. Het bevoegd gezag toetst hierop. In dit protocol staat beschreven dat 75% van het plangebied overzien moet kunnen worden bij avond/nachtbezoeken in de kraam/zomerperiode. Omdat de dieren bij het uitvliegen meteen wegvliegen is deze richtlijn opgesteld zodat het uitvliegen zoveel mogelijk in kaart gebracht wordt. Tijdens de ochtend blijven vleermuizen een tijdje zwermen voor hun verblijfplaats voordat ze naar binnen gaan. Omdat het zwermen meer tijd in beslag neemt dan het uitvliegen in de avond, kan een waarnemer in de nanacht een groter gebied overzien door rond te lopen of te fietsen. In de ochtend kan het plangebied voor één waarnemer dan Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
P a g i n a | 11
ook een groter gebied betreffen. In dit geval was het plangebied voor één waarnemer tijdens het ochtendbezoek ook groter dan bij de avondbezoeken. Volgens het vleermuisprotocol zijn in de kraamperiode 2 veldbezoeken noodzakelijk. Om een goed overzicht te krijgen van de kraam- en zomerverblijfplaatsen zijn twee avondbezoeken en één ochtendbezoek voor het plangebied uitgevoerd, waarbij het plangebied tijdens de avondronde in kleinere gebieden is opgedeeld dan bij de ochtendronde. In de paarperiode wordt er niet gezocht naar uitvliegende vleermuizen, maar wordt er wanneer het al donker is, vanaf een uur na zonsondergang, gezocht naar roepende vleermuizen die de hele nacht door roepen om vrouwtjes te lokken. Gewone dwergvleermuizen vliegen hierbij rondjes bij de verblijfplaats, terwijl ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis vaak vanuit hun verblijfplaats roepen. Een roepende vleermuis betekent een paarverblijfplaats in de woning waar de vleermuis de hele tijd voor vliegt of vanuit roept. In deze periode wordt er ook gezocht naar massawinterverblijven van gewone dwergvleermuis. Gewone dwergvleermuizen zwermen gedurende de nachtelijke uren nabij hun massawinterverblijfplaats. Het veldwerk is te voet uitgevoerd waarbij het gehele plangebied binnen 5-15 minuten voor 100% bekeken kon worden.
Voor de inventarisatie van de vleermuizen is gebruik gemaakt van een batdetector met time-expansion (Petterson D240x). De veldbezoeken zijn uitgevoerd bij goed vleermuisweer: weinig wind, geen regen en een temperatuur van boven de 10 graden Celsius. Het onderzoek naar verblijfplaatsen is uitgevoerd door middel van 5 veldbezoeken. De onderzoeken in mei tot en met juli zijn gericht op het vinden van kraam- en zomerverblijfplaatsen. De onderzoeken die in augustus en september zijn uitgevoerd zijn gericht op het opsporen van paarverblijfplaatsen en massawinterverblijven. Alle veldbezoeken gedurende de avond in de zomerperiode zijn uitgevoerd door 2 personen om een zo groot mogelijk gebied van het plangebied te overzien. In Tabel 1 zijn de weersomstandigheden ten tijde van het veldonderzoek weergegeven.
Tabel 1. Bezoekdata en weersomstandigheden. Bezoek
Datum
Tijd
1
16-5-2019
21:10-23:25
Zonsondergang/ zonsopkomst 21:24
2
4-6-2019
3:20-5:25
5:21
3
20-6-2019
21:40-0:00
21:58
overwegend bewolkt-licht bewolkt, wind 1 Bft, 14°C licht bewolkt-helder, 1 Bft, 17-16°C
4
16-8-2019
0:00-2:00
20:58
helder-bewolkt, 1-2 Bft, 16-14°C
5
5-9-2019
0:00-2:00
20:17
half bewolkt-helder, 1-2 Bft, 13°C
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
Weersomstandigheden bewolkt, wind 3 Bft, 12-10°C
P a g i n a | 12
4.2 Uitwerking en rapportage Onderzocht wordt of de verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming worden overtreden, een ontheffing noodzakelijk is en of daaruit voortvloeiende verplichtingen in de vorm van mitigatie of compensatie noodzakelijk zijn.
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
P a g i n a | 13
5.
Resultaten
5.1 Vleermuizen Kraamperiode In de kraamperiode is één zomerverblijfplaats van gewone dwergvleermuis vastgesteld (Figuur 3). De zomerverblijfplaats bevindt zich in de spouwmuur van de gymzaal. Daarnaast zijn enkele foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen en laatvliegers waargenomen waargenomen. De gewone dwergvleermuizen foerageerden voornamelijk op het binnenplein aan de zuidkant van het terrein, de fietsenstalling aan de zuidwestkant van het plangebied en op de begraafplaats ten westen van het plangebied. De tweede avond is een foeragerende laatvlieger ten noorden van het plangebied boven het grasveld waargenomen. Enkele laatvliegers passeerden gedurende de avond langs de rand van de begraafplaats. Over het gehele plangebied passeerden enkele gewone dwergvleermuizen per bezoek.
Figuur 3. Zomerverblijfplaats gewone dwergvleermuis (rode stip).
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
P a g i n a | 14
Paarperiode Gewone dwergvleermuizen brengen hun sociale (paar)roep meestal vliegend ten gehore en niet vanuit hun verblijfplaats, maar blijven meestal binnen een straal van 200 meter van de verblijfplaats. Tijdens de paarperiode zijn 4 paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld (Figuur 4), waarvan één een gecombineerde zomer- en paarverblijfplaats is. Alle vier de verblijfplaatsen bevinden zich in de spouwmuur. Twee paarverblijfplaatsen bevinden zich in de spouwmuur van de gymzaal. Eén paarverblijfplaats bevindt zich aan de noordzijde van het gebouw en één aan de zuidoostzijde van het gebouw. Er zijn geen zwermende gewone dwergvleermuizen tijdens de nachtelijke uren waargenomen, waardoor een massawinterverblijfplaats kan worden uitgesloten. Daarnaast zijn enkele foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Ook is er één passerende ruige dwergvleermuis en één passerende laatvlieger waargenomen. De gewone dwergvleermuizen foerageerden aan de noordwestkant van het plangebied, de fietsenstalling aan de zuidwestkant van het plangebied en het tuintje aan de zuidoostkant van het plangebied. De laatvlieger passeerde aan de noordzijde van het plangebied. De ruige dwergvleermuis passeerde aan de zuidzijde van het plangebied. Enkele passerende gewone dwergvleermuizen zijn over het gehele plangebied waargenomen.
Ten opzichte van de kraamperiode zijn er minder laatvliegers waargenomen. Ook zijn er minder foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen ten opzichte van de kraamperiode.
Figuur 4. Paarverblijfplaatsen gewone dwergvleermuis. Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
P a g i n a | 15
Effectenbeoordeling Er zijn één gecombineerde zomer- en paarverblijfplaats en drie paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld binnen het plangebied. Zomerverblijfplaatsen worden gebruikt van april t/m november en paarverblijfplaatsen van half juli t/m oktober. Er is geen massawinterverblijfplaats of kraamverblijfplaats vastgesteld binnen het plangebied. Wat betreft de foeragerende en passerende vleermuizen; het gaat slechts om enkele foeragerende dieren wat doet vermoeden dat er geen grote kolonie vleermuizen in de buurt aanwezig is. Omdat het grootste deel van het plangebied verhard is en er slechts enkele dieren foerageerden, is het plangebied geen (essentieel) foerageergebied. Daarnaast gaat het ook om slechts enkele passerende vleermuizen rondom het gebouw, waardoor het terrein geen (essentiële) vliegroute voor vleermuizen is.
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
P a g i n a | 16
6.
Conclusies De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet.
6.1 Vleermuizen Er zijn één gecombineerde zomer- en paarverblijfplaats en drie paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld binnen het plangebied. Er is geen massawinterverblijfplaats of kraamverblijfplaats aanwezig binnen het plangebied. Aangezien de bebouwing binnen het plangebied gesloopt gaat worden, wordt daarmee schade gebracht aan de gecombineerde zomer- en paarverblijfplaats alsmede aan de paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis. Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is nodig.
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk
P a g i n a | 17
Bronnen Literatuur • • • • • • • • •
Kapteyn, K. 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co, Haarlem. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12. Kennisdocument Gewone grootvleermuis Plecotus auritus. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12. Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12. Kennisdocument Watervleermuis Myotis daubentonii. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12. Limpens, H., Mosterd, K. & Bongers, W. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV, Utrecht. Ministeries van LNV en VROM en de provincies, 2006. Spelregels EHS, Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl
Websites • •
www.google.nl/maps www.ndff.nl
Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk