CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

06. Toelichting BP Bijlage I verkennend bodemonderzoek.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Kruising N264-Lange Schoolstraat sint Hubert40.249 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Boring

Dikte asfaltkern (mm)

Fluorescentie*

1. Rijbaan noord

01

196

Nee

02

190

03

170

04

170

Ja

2. Rijbaan zuid

3. Doorsteken

Vanaf (mm)

Tot (mm)

Ja

120

190

Ja

115

127

147

170

96

108

140

170

109

130

133

150

172

200

05

342

Nee

06

314

Nee

07

162

Nee

08

205

Nee

09

181

Nee

10

174

Nee

11

184

Nee

12

347

Ja

13

325

Nee

14

187

Nee

15

192

Nee

16

200

Ja

17

198

Nee

18

189

Nee

19

202

Nee

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 26 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020 Deellocatie

4. Aansluitingen

Boring

Dikte asfaltkern (mm)

Fluorescentie*

Vanaf (mm)

Tot (mm)

20

382

Ja

156

172

21

390

Ja

145

295

22

150

Nee

23

143

Nee

24

161

Nee

25

160

Nee

26

143

Nee

27

150

Nee

28

171

Nee

29

174

Nee

30

174

Nee

34

158

Nee

35

174

Nee

* De waarnemingsgrens bij het PAK-detectoronderzoek bedraagt ongeveer ≥250 mg/kg PAK10. Wanneer geen fluorescentie waargenomen is, betekent dit dat er minder dan 250 mg/kgds PAK in het asfalt aanwezig is. fluorescentie betekent een gehalte PAK > 250 mg/kgds.

Tabel 15. Resultaten PAK analyse (GCMS). Deellocatie

(meng)Monster

Onderzochte kern (mm)

1. Rijbaan noord

S-01

Kern 1

47-196

S-02

Kern 2 Kern 4 Kern 6 Kern 5 Kern 6 Kern 8 Kern 5 Kern 9 Kern 7 Kern 8 Kern 9 Kern 10 Kern 12 Kern 14 Kern 11 Kern 13 Kern 15 Kern 12 Kern 13 Kern 14 Kern 17

0-100 0-76 0-112 190-342 210-314 145-205 49-190 111-181 12-112 13-145 10-111 0-110 0-89 0-102 109-184 106-122 96-192 150-347 122-322 102-187 108-198

S-03

S-04 S-05

2. Rijbaan zuid

S-06

S-07

S-08 S-09

Gehalte PAK (mg/kgds) <10 <10

<10

<10 <10

<10

14

<10 <10

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 27 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020 Deellocatie

(meng)Monster

Onderzochte kern (mm)

Gehalte PAK (mg/kgds)

Kern 18 113-189 S-10

3. Doorsteken

0-104 0-108 0-113 0-131

<10

S-11

Kern 16 Kern 17 Kern 18 Kern 19

S-12

Kern 20 0-136

<10

S-13

Kern 21 0-92

<10

S-14

Kern 19 Kern 21 Kern 22 Kern 20 Kern 21 Kern 23 Kern 24 Kern 25 Kern 26 Kern 27 Kern 28 Kern 29 Kern 30 Kern 34 Kern 35

<10

S-15 4. Aansluitingen

S-16 S-17 S-18 S-19 S-20

131-202 92-125 0-150 192-382 315-390 0-143 0-161 0-160 0-143 0-150 0-171 0-174 0-174 0-158 0-174

<10

<10 <10 <10 <10 <10 <10

Bespreking resultaten asfalt Laagbeschrijving van de kernen heeft aangetoond dat het asfalt van Pastoor Jacobsstraat een heterogene opbouw heeft. Ook qua teerhoudendheid is het asfalt heterogeen. Op basis van het PAK-marker onderzoek is het asfalt deels teerhoudend in een gehalte boven 250 mg/kgds, zie boorkernen in bijlage J en Tabel 14. In 7 van de 32 asfaltkernen is een teerhoudende laag asfalt aangetroffen vanaf (minstens) 96 mm diepte. Teneinde het PAK-markeronderzoek te verifiëren zijn GCMS analyses uitgevoerd op het niet-teerverdachte asfalt. In Tabel 15 zijn de gegevens van de betreffende mengmonsters, deellocatie en toetsingsresultaten opgenomen. Het certificaat van de GCMS analyse is opgenomen in bijlage J. De GCMS analyses hebben aangetoond dat de op basis van het PAK-marker onderzoek niet-teerverdachte asfalt lagen als teervrij beschouwd mogen worden (<50 mg/kgds PAK10). De teerhoudende asfaltlagen van de beide rijbanen en de doorsteken zijn niet te relateren aan een bepaald type asfalt, aan de diepte in de constructie of aan een bepaalde locatie of deellocatie. Wel is het teerhoudende asfalt altijd aangetoond vanaf ten minste 96 mm diepte in de constructie. Het asfalt moet daarom, met inachtneming van een veilige marge van 20 mm, vanaf 76 mm diepte en lager als teerhoudend beschouwd worden.

De bovenste asfaltlagen tot circa 76 mm kunnen beschouwd worden als niet teerhoudend. Het asfalt van de aansluitingen kan geheel als niet teerhoudend beschouwd worden.

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 28 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020

5.4

Funderingsmaterialen Chemisch (samenstelling/uitloging) Er bevindt zich op deze onderzoekslocatie een fundering onder de rijbanen, doorsteken en aansluitingen. De resultaten van het chemische samenstellingsonderzoek (niet conform AP 04) en het asbestonderzoek op funderingsmateriaal, inclusief de toetsing, zijn weergegeven in Tabel 16. Het samenstellingsonderzoek heeft bestaan uit de analyse op de parameters uit het standaardpakket A. De uitlogingsproef vond plaats middels een ‘cascadeproef’. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage H, de toetsing is te vinden in bijlage I. Tabel 16. Resultaten onderzoek fundering.

Monster Boring Traject Materiaal type Analyse code (m-mv) Deellocatie 1, 2 en 3, rijbaan noord en zuid en doorsteken MM58 001 0,21 - 0,52 volledig brac S+U 008 0,22 - 0,50 volledig brac 010 0,18 - 0,51 volledig brac 014 0,20 - 0,52 volledig brac 017 0,20 - 0,50 volledig brac 018 0,20 - 0,50 volledig brac MM59 002 0,18 - 0,25 volledig grind S+U 0,40 - 0,75 volledig grind 003 0,18 - 0,25 volledig grind 004 0,18 - 0,25 volledig grind 015 0,45 - 0,55 sterk grind, sterk silexhoudend 016 0,20 - 0,35 volledig grind MM60 002 0,25 - 0,40 volledig slakken S+U 003 0,25 - 0,34 volledig slakken 004 0,25 - 0,38 volledig slakken 016 0,35 - 0,45 volledig slakken MM67 009 0,19 - 0,50 volledig puin S+U 011 0,19 - 0,51 volledig puin 022 0,16 - 0,40 volledig puin Deellocatie 4, aansluitingen MM61 024 0,17 - 0,50 volledig puin S+U MM62 025 0,17 - 0,67 volledig puin S+U 0,67 - 1,00 volledig puin MM63 027 0,16 - 0,40 volledig puin S+U MM64 029 0,18 - 0,50 volledig puin S+U MM65 031 0,15 - 0,45 volledig puin S+U MM66 035 0,18 - 0,52 volledig puin S+U S : Samenstelling U : Uitloging, eluaat geanalyseerd op 15 metalen en 4 anionen : Niet Toepasbaar

Parameter

Gehalte mg/kgds

Conclusie (indicatief)

Toepassing (indicatief)

PAK Olie

330 2200

>Samenstellingswaarde

Niet toepasbaar

PAK

330

>Samenstellingswaarde

Niet toepasbaar

Toepasbaar

Toepasbaar

PAK

130

>Samenstellingswaarde

Niet toepasbaar Toepasbaar Toepasbaar Toepasbaar Toepasbaar Toepasbaar

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 29 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020

Asbest in fundering De samenstelling van de (meng)monsters, het traject van de deelmonsters, de materiaalsoort, de zintuigelijke waarnemingen, het analysepakket behorende bij ieder (meng)monster en de analyseresultaten zijn weergegeven in Tabel 17. Per deellocatie / puinhoudend gebied is het berekend asbestgehalte gegeven en is aangegeven of er sprake is van een geval van bodemverontreiniging met asbest. Tabel 17. Resultaten asbest in materialen. Monster

Boring

Traject (cm-mv) Deellocatie 1a. PG 009/011/022

Materiaalsoort

Analyse

Gehalte serpentijn

Gehalte amfibool

Berekend gewogen Conclusie gehalte mg/kg ds

Geval van bodemverontreiniging met asbest (er geldt geen volume criterium)

MM47

009A 009B 022C

19-50 19-50 19-50

Volledig puin Volledig puin Volledig puin

NEN 5898 NEN 5896

9,2

0,9

19,0

< NAOZ

-

MM48

011A 011B 022A 022B

19-51 19-51 16-40 16-40

Volledig puin Volledig puin Volledig puin Volledig puin

NEN 5898

0,3

0,0

0,3

< NAOZ

-

Volledig puin Volledig puin Volledig puin

NEN 5898

4,9

0,0

4,9

< NAOZ

-

Volledig puin Volledig puin Volledig puin

NEN 5898

4,2

0,0

4,2

< NAOZ

-

Volledig puin Volledig puin Volledig puin Volledig puin

NEN 5898

0,0

0,0

<0,3

Geen asbest aangetoond

-

Volledig puin Volledig puin Volledig puin

NEN 5898

0,0

0,0

<0,3

Geen asbest aangetoond

-

Volledig puin Volledig puin Volledig puin

NEN 5898

0,0

0,0

<0,3

Geen asbest aangetoond

-

Deellocatie 4a. PG 024 MM49

024A 024B 024C

0-50 0-50 0-50

Deellocatie 4b. PG 025 MM50

025A 025B 025C

17-85 17-45 17-55

Deellocatie 4c. PG 027 MM51

027A 027B 027C 027D

16-30 16-40 16-40 16-40

Deellocatie 4d. PG 029 MM52

029A 029B 029C

18-50 18-50 18-50

Deellocatie 4. PG 031/032 MM53

031A 031B 032A

15-45 15-45 15-40

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 30 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020 032B

15-45

Volledig puin

Deellocatie 4f. PG 035 MM54

< NAOZ

035A 035B 035C

18-52 18-52 18-52

Volledig puin Volledig puin Volledig puin

NEN 5898

0,0

0,0

<0,4

Geen asbest aangetoond

-

: < Nader onderzoekswaarde voor asbest (<50mg/kgds) : > Nader onderzoekswaarde asbest (>50mg/kgds) : > Interventiewaarde asbest (100 mg/kgds)

Bespreking resultaten fundering Deellocatie 1, 2 en 3, rijbaan noord en zuid en doorsteken Onder de beide rijbanen en de doorsteken tussen de beide rijbanen van de Pastoor Jacobsstraat zijn diverse funderingsmaterialen aangetroffen, waaronder BRAC, slakken, grind, klinkers en puin. Uit de chemische analyses (samenstelling en uitloging) blijkt dat het BRAC materiaal indicatief niet toepasbaar is vanwege een te hoge samenstellingswaarde van PAK en olie (MM58). Het grind is eveneens niet toepasbaar, vanwege een te hoge samenstellingswaarde voor PAK (MM59). Het onder een deel van de weg gevonden puinmateriaal is op basis van zowel het chemische als het asbestonderzoek indicatief toepasbaar (MM67, MM47, MM48). Er is analytisch in de twee mengmonsters asbest vastgesteld, waarbij in MM47 ook niet-hechtgebonden asbest aangetoond is. De waarde die aanleiding geeft tot het uitvoeren van een nader onderzoek wordt echter niet overschreden. Deellocatie 4, aansluitingen Ter plaatse van zes van de zeven aansluitingen is een puinfundering direct onder de verharding aangetroffen. Van iedere aansluiting is het materiaal separaat chemisch en op asbest onderzocht. Het puinmateriaal van de aansluiting naar de Kievitsdwarsweg noord (boring 023 en 024) is indicatief niet toepasbaar vanwege een te hoge samenstellingswaarde voor PAK (MM61).

Er is tevens analytisch asbest vastgesteld, de nader onderzoekswaarde is daarbij niet overschreden (MM49). Een vergelijkbaar gehalte asbest is bij aansluiting 2 aangetoond (MM50), het materiaal is hier echter wel indicatief toepasbaar op basis van het chemisch onderzoek (MM62). Het puinmateriaal van de overige aansluitingen is indicatief toepasbaar (MM63-MM66) en er is analytisch verder geen asbest aangetoond (MM51-MM54).

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 31 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020

6. Resumé resultaten met conclusie en advies De resultaten van de tabellen in de voorgaande hoofdstukken zijn in de onderstaande tabel tekstueel samengevat. Tabel 18. Samenvatting resultaten verhardingsonderzoek per deellocatie. Asfalt Deellocatie 1. Rijbaan noord Asfalt deels teerhoudend vanaf 96 mm diepte (PAK-marker). Niet-teerverdachte lagen teervrij op basis van GCMS analyse.

Fundering

Asbest in puin

BRAC indicatief niet toepasbaar (PAK, olie). Asbest aangetoond in puinfundering, Grind indicatief niet toepasbaar (PAK). waaronder < 1 mg/kgds amfibool asbest. Puin indicatief toepasbaar. Waarde die aanleiding geeft tot nader onderzoek niet overschreden.

Conclusie en Advies

Asfalt tot 76 mm diepte geschikt voor warm hergebruik. Het overige asfalt is deels teerhoudend, voor eventueel hergebruik dient een freesplan te worden opgesteld. BRAC en grind fundering indicatief niet toepasbaar, puinfundering kan (zonder bewerking) op locatie worden hergebruikt.

Deellocatie 2. Rijbaan zuid Asfalt deels teerhoudend vanaf 96 mm diepte (PAK-marker). Niet-teerverdachte lagen teervrij op basis van GCMS analyse.

BRAC indicatief niet toepasbaar (PAK, olie). Asbest aangetoond in puinfundering, Grind indicatief niet toepasbaar (PAK). waaronder < 1 mg/kgds amfibool asbest. Puin indicatief toepasbaar. Waarde die aanleiding geeft tot nader onderzoek niet overschreden.

Asfalt tot 76 mm diepte geschikt voor warm hergebruik. Het overige asfalt is deels teerhoudend, voor eventueel hergebruik dient een freesplan te worden opgesteld. BRAC en grind fundering indicatief niet toepasbaar, puinfundering kan (zonder bewerking) op locatie worden hergebruikt.

Deellocatie 3. Doorsteken Asfalt deels teerhoudend vanaf 96 mm diepte (PAK-marker). Niet-teerverdachte lagen teervrij op basis van GCMS analyse.

BRAC indicatief niet toepasbaar (PAK, olie). Asbest aangetoond in puinfundering, Grind indicatief niet toepasbaar (PAK). waaronder < 1 mg/kgds amfibool asbest. Puin indicatief toepasbaar. Waarde die aanleiding geeft tot nader onderzoek niet overschreden.

Asfalt tot 76 mm diepte geschikt voor warm hergebruik. Het overige asfalt is deels teerhoudend, voor eventueel hergebruik dient een freesplan te worden opgesteld. BRAC en grind fundering indicatief niet toepasbaar, puinfundering kan (zonder bewerking) op locatie worden hergebruikt.

Deellocatie 4. Aansluitingen Asfalt teervrij op basis van het PAK-marker onderzoek en aanvullende GCMS analyses.

Puinmateriaal onder zes van de zeven aansluitingen. Puin van de aansluiting naar de Kievitsdwarsweg noord indicatief niet toepasbaar (PAK). Overig puin chemisch indicatief toepasbaar.

In het puinmateriaal van de diverse aansluitingen wordt plaatselijk een zeer laag gehalte asbest aangetoond. Waarde die aanleiding geeft tot nader onderzoek niet overschreden.

Asfalt teervrij en geschikt voor warm hergebruik. Puinfundering aansluiting Kievitsdwarsweg noord niet toepasbaar, overig puinmateriaal kan (zonder bewerking) op locatie worden hergebruikt.

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 32 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020

Tabel 19. Samenvatting resultaten verkennend bodem- en asbest in bodem onderzoek per deellocatie. Bovengrond

Ondergrond

Asbest in grond

Grondwater

Conclusie en Advies

Deellocatie 4. Aansluitingen Zand met puinmateriaal uit de fundering. Licht verontreinigd met kwik en PAK, indicatief altijd toepasbaar.

n.v.t.

Geen asbest aangetoond.

n.v.t.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Deellocatie 5. Ondergrond rijbaan Direct onder de fundering wordt zand aangetroffen, soms met grind. Het zand met grind is indicatief toepasbaar in de klasse industrie, het zand met een puinbijmenging is niet toepasbaar wegens het gehalte olie dat groter is dan de maximale waarde voor industrie. Deellocatie 6. Noord berm Sporen grind of kiezelhoudend zand, licht verontreinigd met PAK en olie, indicatief toepasbaar in klasse industrie.

Deellocatie 7. Zuid berm Baksteenhoudend zand licht verontreinigd met PAK. Sporen grind of kiezelhoudend zand niet verontreinigd. Indicatief altijd toepasbaar. Deellocatie 8. Middenberm Zand met bijmengingen van asfalt, baksteen en grind. Zand met asfalt licht verontreinigd met PAK en olie, zand met baksteen licht verontreinigd met PAK. Licht verontreinigd met PFOS. Indicatieve klasse industrie. Deellocatie 9. Naast huisnr 49a Grind of kiezelhoudend zand, niet verontreinigd met de onderzochte parameters, indicatieve klasse altijd toepasbaar.

De ondergrond vanaf één meter onder het maaiveld bestaat uit zintuigelijke en analytisch schoon zand. Indicatief altijd toepasbaar.

Niet onderzocht, puinbijmenging in grond werd bij asbestonderzoek niet teruggevonden.

n.v.t.

Sporen grind of kiezelhoudend zand, licht verontreinigd met zink, cadmium, kwik, PAK en olie, indicatief toepasbaar in klasse industrie.

Zintuigelijk geen asbestverdachte bijmengingen vastgesteld.

Streefwaarde overschrijdingen met molybdeen en barium.

Sporen grind of kiezelhoudend zand, licht verontreinigd met PAK. Indicatief altijd toepasbaar.

Geen asbest aangetoond.

Streefwaarde overschrijding met barium.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Grind of kiezelhoudend zand, licht Geen asbest verontreinigd met PCB en PAK, aangetoond. indicatief toepasbaar klasse wonen.

Streefwaarde overschrijdingen met molybdeen, barium en minerale olie.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem.

Grind of kiezelhoudend zand, niet verontreinigd met de onderzochte parameters, indicatieve klasse altijd toepasbaar.

Streefwaarde overschrijdingen met zink, cadmium, barium en tetrachlooretheen (Per).

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem.

Zintuigelijk geen asbestverdachte bijmengingen vastgesteld.

Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 33 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020 Bovengrond Deellocatie 10. Naast huisnr 34 Zand met grind of kiezels, niet verontreinigd met onderzochte parameters, indicatief altijd toepasbaar.

Ondergrond

Asbest in grond

Grondwater

Conclusie en Advies

Grind of kiezelhoudend zand, licht verontreinigd met koper, cadmium, kwik, lood en PAK. Matig verontreinigd met zink. Interventiewaarde wordt niet overschreden. Indicatief toepasbaar klasse industrie.

Zintuigelijk geen asbestverdachte bijmengingen vastgesteld.

Streefwaarde overschrijdingen met zink.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem.

Geen asbest aangetoond.

Geen streefwaarde overschrijdingen.

Deellocatie 11. Perceel west Kievitsweg Sporen baksteen, plastic en Grindhoudend zand, licht grindhoudend zand, licht verontreinigd verontreinigd met PAK, indicatief met zink, cadmium, kwik, PAK en altijd toepasbaar. PFOS. Indicatief toepasbaar klasse wonen. Deellocatie 12. Perceel oost Kievitsweg Grind en sporen baksteenhoudend Grindhoudend zand, niet zand, licht verontreinigd met PAK. verontreinigd met de onderzochte Indicatief altijd toepasbaar. parameters. Indicatief altijd toepasbaar. Deellocatie 13. Greppel west Grindig zand, niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Indicatief altijd toepasbaar.

n.v.t.

Deellocatie 14. Greppel oost Grindig zand, niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Indicatief altijd toepasbaar.

n.v.t.

Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Geen asbest aangetoond.

Geen streefwaarde overschrijdingen.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Zintuigelijk geen asbestverdachte bijmengingen.

n.v.t.

Zintuigelijk geen asbestverdachte bijmengingen.

n.v.t.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

Geen aanvullende maatregelen voor de bodem. Basishygiëne in acht nemen conform de CROW 400.

3905-20086-01RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 34 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020

7. Referenties 7.1

Bronnen historie [ref 1.]

Bodemloket, raadpleging 12 maart 2020;

[ref 2.]

Omgevingsrapportage Noord-Brabant: https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/, raadpleging 12 maart 2020

[ref 3.]

Cyclomedia, raadpleging 17 maart 2020;

[ref 4.]

Toptijdreis, raadpleging 17 maart 2020;

[ref 5.]

Dinoloket, raadpleging 17 maart 2020;

[ref 6.]

Basisadministratie Adressen en Gebouwen (BAG), raadpleging 17 maart 2020;

[ref 7.]

Actueel Hoogtebestand Nederland: https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/;

[ref 8.]

Bodemkwaliteitskaart:http://bodemloket.odbn.nl/item3/bodemkwaliteits-kaarten raadpleging 12 maart 2020;

[ref 9.]

Legger oppervlaktewater Waterschap Aa en Maas: https://maps.aaenmaas.nl/portaal/legger_oppervlaktewater/;

[ref 10.]

Kaartbank

Brabant,

geohydrologie

(grondwatermeetnetten

en

-onttrekking)

https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank. 7.2

Normatief en wetgevend De volgende documenten waarnaar is verwezen zijn onmisbaar voor de leesbaarheid van dit document. Bij gedateerde verwijzingen is alleen de aangehaalde versie van toepassing. Bij ongedateerde verwijzingen is de laatste versie van het document (met inbegrip van wijzigings- en correctiebladen) waarnaar is verwezen van toepassing. Normen [ref 11.]

NEN 5707 Bodem — Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, Nederlands Normalisatie Instituut;

[ref 12.]

NEN 5717 Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek;

[ref 13.]

NEN 5720 Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek;

[ref 14.]

NEN 5725 Bodem — Landbodem — Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, Nederlands Normalisatie Instituut;

[ref 15.]

NTA 5727 Bodem — Monsterneming en analyse van asbest in waterbodem en baggerspecie, Nederlands Normalisatie Instituut;

[ref 16.]

NEN 5740 Bodem — Landbodem — Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek — Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, Nederlands Normalisatie Instituut;

[ref 17.]

NEN 5896 Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie, Nederlands Normalisatie Instituut;

[ref 18.]

NEN 5897 Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, Nederlands Normalisatie Instituut;

[ref 19.]

NEN 5898 Bepaling van het gehalte aan asbest in grond, waterbodem, bouw- en sloopafval en granulaat, Nederlands Normalisatie Instituut;

[ref 20.]

Het stoffenpakket: https://www.sikb.nl/doc/ongestructureerd-2016-1203/standaard%20stoffenpakket.pdf

3905-20086-01-RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 35 van 36

N264 Sint Hubert, Versie 1.0 14 mei 2020

[ref 21.]

Protocol 2001 Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer;

[ref 22.]

Protocol 2018 Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer

[ref 23.]

CROW 210, Richtlijn omgaan met vrijgekomen asfalt - teerhoudendheid, onderzoek en selectieve verwijdering, uitgeven door het CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek);

[ref 24.]

AS 3000 Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer;

[ref 25.]

CROW 400, Werken in en met verontreinigde bodem, Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek.

[ref 26.]

Bemonstering PFAS-verbindingen in grond en grondwater, Het Expertisecentrum PFAS, juli 2019;

Wetgeving [ref 27.]

website: wetten.overheid.nl; activiteitenregeling Milieubeheer, Geldend van 14-05-2019 t/m heden, hoofdstuk 2, 9 november 2007;

[ref 28.]

website, wetten.overheid, nl; Activiteitenbesluit Milieubeheer 02-05-2019 t/m heden, 19 oktober 2007;

[ref 29.]

website: wetten.overheid.nl; Wet bodembescherming, Geldend van 01-01-2017 t/m heden,

[ref 30.]

Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant Jaargang 2013 Nr. 16675, 27 juni 2013

[ref 31.]

website, https://wetten.overheid.nl. Besluit Bodemkwaliteit, Geldend van 24-05-2016 t/m heden

[ref 32.]

Regeling bodemkwaliteit, Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397

[ref 33.]

Besluit asbestwegen milieubeheer, Besluit van 8 september 2000, houdende regels voor wegen waarin asbestbevattend materiaal is verwerkt (Besluit asbestwegen Wms)

[ref 34.]

Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kamerstuk met kenmerk IENW/BSK-2019/131399 Minister van IenW, 8 juli 2019.

Literatuur [ref 35.]

Statistische analyse, relatie puin in bodem, en de aanwezigheid van asbest, TNO rapport 2018 - R10825, TNO, 15 augustus 2018

[ref 36.]

Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico’s inzichtelijk’, Kenmerk 3BODM0704, SenterNovem, Bodem+,1 september 2007;

[ref 37.]

SV-611, Raamplan voor bodembeheer bij van nature verhoogde arseengehalten, SKB, november 2003;

[ref 38.]

Bestrijdingsmiddelen in grondwater bij drinkwaterwinningen: huidige belasting en mogelijke maatregelen RIVM-Rapport 2016-0083, F.A. Swartjes│A.M.A. van der Linden│N.G.F.M. van der Aa, RIVM 2016

[ref 39.]

Grondwater in Nederland wordt zuurder : RIVM voltooit inrichting meetnet grondwaterkwaliteit.

H

twee

O

:

tijdschrift

voor

watervoorziening

en

afvalwaterbehandeling, deel 18 nummer 9, 1985. [ref 40.]

Achtergrondconcentraties en kwaliteitscriteria grondwater; gegevens voor antimoon, arseen, barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink. RIVM Briefrapport 2017-0125, W. Verweij et al.

3905-20086-01-RAP-MOZ-01-v1.0

Pagina 36 van 36

Bijlage

bijlage A Uitgangspunten en toetsingskaders onderzoek

Bijlage

bijlage A.1

Onderzoek Asfalt, CROW publicatie 210

Voor onderhavig project is een onderzoeksopzet conform de CROW publicatie 210 [ref 23.]. gehanteerd. Deze richtlijn bepaalt het aantal uit te voeren asfaltboringen en PAK analyses (DLC). In onderstaande tabellen 2 en 3 is de richtlijn kort omschreven. Tabel 20. Aantal uit te voeren asfaltboringen conform CROW publicatie 210. Oppervlakte (m2)

Uit te voeren boringen

< 100 > 100 / < 500 > 500

1 2 1 boring per 500 m2 extra

Tabel 21. Aantal uit te voeren PAK analyses (DLC) conform CROW publicatie 210. Hoeveelheid vrijkomend potentieel teervrij asfalt per onderzoeksvak [ton]

Minimum aantal uit te voeren analyses

0 – 25 25 – 200 200 – 1000 1000 – 2000 Elke 2000 ton meer

PAK marker onderzoek volstaat 1 analyse* 2 analyses* 3 analyses* 1 analyse* extra

*Dunne Laag Chromatografie (DLC) wordt beschouwd als minimaal vereiste analysetechniek. PAK-detectoronderzoek Met behulp van zogenaamd PAK-detectoronderzoek kan de waarschijnlijkheid van het voorkomen van PAK in de asfaltlagen worden beoordeeld. PAK kunnen in hoge gehaltes voorkomen in teerhoudend asfalt. De PAK-detectorspray wordt over de gehele lengte van de kern aangebracht. Bij een teerhoudende laag wordt onder Uv-licht fluorescentie waargenomen. De waarnemingsgrens van deze methode ligt op 250 mg/kg PAK10. PAK analyses (DLC) Het aantal uit te voeren PAK analyses is afhankelijk van de hoeveelheid vrijkomend niet-teerverdacht asfalt. Op basis van de resultaten van de boorkernbeschrijvingen uit onderhavig onderzoek kan de hoeveelheid vrijkomend asfalt worden vastgesteld. Op basis van dit resultaat wordt beoordeeld of en hoeveel PAK analyses noodzakelijk zijn ten behoeve van de afvoer van vrijkomend asfalt. Eventuele PAK analyses worden ingezet op (meng)monsters welke zijn samengesteld uit niet-teerverdacht asfalt. Bij het samenstellen van de (meng)monsters wordt rekening gehouden met een veiligheidsmarge van 20 mm onder c.q. boven een teerverdachte laag in verband met emissie van PAK.

Daarnaast wordt rekening gehouden met de volgende eisen vanuit de CROW 210: niet meer dan drie asfaltlagen/soorten, niet meer dan drie asfaltkernen en niet meer dan 20 cm per kern in één mengmonster. Hoewel het milieukundig onderzoek met de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt uitgevoerd, blijft asfaltonderzoek, en dan met name het uitzetten van boringen, een steekproef. Omdat het voorkomen van teer (en daarmee PAK) in asfalt kan variëren, bestaat altijd de mogelijkheid dat er een onder- of overschatting van het totale teergehalte wordt gemaakt

Bijlage

bijlage A.2

Strategie en methode asbest- onderzoek Asbestverdacht of niet

Recent is in een rechtszaak tussen de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en een onderzoeksbureau gesteld dat er in die specifieke casus onvoldoende aandacht is besteed aan onderzoek naar asbest terwijl puin in de partij is aangetroffen. Onder andere naar aanleiding daarvan heeft TNO een onderzoek [ref 39] gedaan naar deze relatie, geconcludeerd werd samengevat : De aanwezigheid van asbest is gerelateerd aan: BSA, gemengd puin, betonpuin en metselpuin. Asfaltpuin en straatstenen/klinkers zijn niet gerelateerd aan asbest. Voor overig puin (slakken, glas, plastic, hout, kolen, grind, e.d.) kan geen relatie worden vastgesteld vanwege te weinig data en/of een mogelijk verkeerde interpretatie van de categorie “overig bodemvreemd materiaal” Ook op locaties met sporen puin (<1%) wordt vaker asbest aangetroffen dan op onverdachte locaties In landelijke gebieden wordt meer asbest aangetroffen dan in stedelijke gebieden. In beide gebieden is een duidelijke relatie tussen asbest en BSA, gemengd puin, betonpuin en metselpuin aanwezig. gecertificeerd recyclinggranulaat van na 2005 is onverdacht: sinds 2005 wordt bij de ingangscontrole bij brekers structureel naar asbest gekeken, dus dit ‘recente’ puingranulaat maakt een (deel)locatie niet of minder verdacht. Op basis van deze resultaten en op basis van ervaringen gedaan in projecten hanteren we de volgende uitgangspunten m.b.t.

de asbestverdachtheid van materiaal: Een bodemvreemde bijmenging is altijd in een bepaalde mate asbestverdacht behalve wanneer duidelijk blijkt dat het materiaal homogeen van samenstelling is, als product is toegepast met een herleidbare onverdachte herkomst, hierbij zijn bijvoorbeeld materialen zoals grind (wanneer duidelijk geen dakgrind), klinkers en asfaltbrokken in beginsel onverdacht. Fasering asbest- onderzoek In de onderstaande figuur is de fasering in het asbestonderzoek gevisualiseerd;

Bijlage

NEN 5897

Figuur 2. fasering asbest – onderzoek. Bodem of bodemvreemd op kantoor maar uiteindelijk ook in het veld (locatie- inspectie) wordt beoordeeld of het als bodem/grond of als (bewerkt) BSA (bouw en sloop afval) moet worden onderzocht (afhankelijk van het percentage bijmenging); Deellocatie en bijstellen hypothese vervolgens vindt er een maaiveld- inspectie plaatst en vindt de definitieve indeling in deellocaties plaats. Hierbij worden eventuele nesten / puntbronnen als dusdanig separaat onderzocht en worden de verschillende soorten van bijmenging in verschillende deellocaties / lagen onderzocht; Boringen, gaten en of sleuven met de (eventueel nieuwe) strategie wordt dan de toplaag en bodem met boringen en gaten onderzocht; inspectie grove fractie en bemonstering fijne fractie; door het zeven en/of harken wordt de grove fractie (> 20 mm) beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal en wordt de fijne fractie en den eventuele asbestverdachte materialen verzameld en aangeleverd aan het laboratorium voor ; Identificatie en gehalte asbest in Laboratorium de grond of BSA- monsters van de fijne fractie (< 20 mm) worden conform NEN 5898 op het gehalte aan asbest, en het eventueel aanwezige asbest in de asbestverdachte materialen wordt geïdentificeerd (NEN 5896); Toets op homogeniteit / deellocatie met de zintuigelijke waarnemingen (bodemvreemde bestanddelen), en de analyse-

resultaten wordt beoordeeld of de gehanteerde onderverdeling in lagen en deellocaties klopt; beoordeling mogelijk geval van bodemverontreiniging Aan de hand van de resultaten in het laboratorium wordt het gehalte per RE (ruimtelijke eenheid) berekend (grof + fijne fractie, gerelateerd aan het onderzochte volume); Verwerking resultaten asbest – onderzoek Binnen het asbest in bodem (of BSA) onderzoek worden de gegevens die op verschillende momenten zijn verzameld uiteindelijk gebruikt bij de verwerking van deze gegevens. De mate van (on) zekerheid omtrent de aard van een mogelijk aanwezige verontreiniging met asbest speelt een rol bij een beschrijving van het

Bijlage

uiteindelijke resultaat. Na de hypothesevorming 1 vinden in de uitvoering de volgende afwegingen en registraties plaats: A.

Percentage bodemvreemd (gewicht twee fracties; < en > dan 20 mm2) en grootste korrel (D100) in een weegproef, t.b.v. :

Onderzoek als bodem / grond of als (bewerkt) BSA ;

D100 voor Greep en monstergrootte;

Gewicht beide fracties t.b.v. berekening over totale hoeveelheid geïnspecteerd materiaal;

B.

Wat is het oppervlak dat is geïnspecteerd en hoe efficiënt gebeurde dit;

Berekeningen aan, vaststelling van gehalte aan asbest in de contactzone 3 (maaiveld);

C.

Aantal asbestdeeltjes (in asbestverzamelmonster uit de fractie > 20 mm, of geregistreerd in het veld);

D.

Het geïdentificeerd percentage aan asbestsoorten per type verzameld materiaal conform NEN 5896 [[ref 11.]] (op basis van de asbestverzamelmonsters en de monsters van de fijne fractie (gerapporteerd in het NEN 5898 [ref 19.] – certificaat bijgesloten in de bijlage));

E.

Op basis van de aard van het monster (grond of BSA) moet er een minimale hoeveelheid materiaal (kg. droge stof) worden aangeleverd bij de analyse van de fijne fractie 4 (conform NEN 5898 [ref 19.]), hiervoor worden in veld deze massa’s geregistreerd, en kan men ook het droge stof – gehalte bepalen t.b.v. een eventuele correctie;

F.

Het droge stof gehalte, de aantal deeltjes per asbest-soort en het gehalte asbest in mg/kg d.s. en de boven en ondergrens op basis van Poisson afgelezen van het NEN 5898 – certificaat.

bijlage A.3

Toetsing Bouwstof in verharding Asfalt

Voor bouwmaterialen zijn grenswaarden voor PAK vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit [ref 32.]. Omdat nog geen adequate uitloogcriteria voorhanden zijn, heeft men de richtlijnen gebaseerd op het PAK gehalte. Voor de groep van PAK 10 in asfalt bedraagt dit 75 mg/kg droge stof (ds.). Wanneer het gehalte aan PAK zich onder de 75 mg/kg ds. bevindt, komt het asfalt in aanmerking voor warm hergebruik. Bij een PAK gehalte hoger dan 75 mg/kg ds., wordt het beschouwd als ‘teerhoudend’ en dient het gereinigd of gestort te worden.

1

waarbij bijvoorbeeld is gesteld dat het uiteindelijke resultaat door de aanwezigheid van bijvoorbeeld een gesloten verharding, slechts een indicatieve uitspraak over de aanwezigheid van asbest zal zijn (& 6.5.3.2 van de NEN 5897 [ref 18.]) 2 Bij voorbehandeling door middel van zeven heeft het gehalte in het analysemonster alleen betrekking op de fractie < 20 mm, terwijl het gehalte representatief moet zijn voor het totale monster, dat wil zeggen de fijne fractie < 20 mm vermeerderd met de grove fractie >20 mm. Bij de correctie wordt het gehalte in het analysemonster < 20 mm herberekend naar een gehalte over het totale monster (fractie < 20 mm + fractie > 20 mm). Zonder correctie wordt het gehalte overschat; deze overschatting loopt op naarmate er meer grof (bodemvreemd) materiaal in de grond aanwezig is. 3 Bij berekeningen aan het gehalte in de gaten wordt er uitgegaan van 100 % inspectie- efficiëntie 4 Bij onderzoek in het kader van NEN 5707 [ref 11.]], NTA 5726 [[ref 15.]], en NEN 5897 [ref 18.] is een minimale monstergrootte verplicht. Voor bodem en grond (volgens NEN 5707) en sediment en baggerspecie (met minder dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal (waaronder puin) is de minimaal vereiste monsterhoeveelheid 10 kg ds.

Voor matrices met meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal en voor bewerkt bouw- en sloopafval, recyclinggranulaat en daarmee vergelijkbare materialen (volgens NEN 5897) is de minimale monsterhoeveelheid 25 kg ds.

Bijlage

Fundering Het vrijgekomen funderingsmateriaal is geanalyseerd en indicatief getoetst aan tabel 1 en 2 uit bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit [ref 32.]. Hieruit blijkt of de fundering indicatief kan worden bestempeld als Toepasbaar/Niet toepasbaar en of dit met isolatie-, beheers- en controle- (IBC) maatregelen dient te gebeuren. Voor de uitlogingsparameters zijn 3 klassen te onderscheiden: NIET

IBC

(zonder

IBC

maatregelen)

Het gehalte is kleiner de toetsingswaarde voor NIET IBC bouwstof; Het gehalte is groter dan de toetsingswaarde voor NIET IBC bouwstof maar kleiner dat de maximale waarde voor

Met IBC

IBC bouwstof; Het gehalte is hoger dan de maximale waarde voor IBC

NIET toepasbaar

bouwstof.

Voor de organische parameters (PAK, PBC en minerale olie) zijn 2 klassen te onderscheiden: Het Toepasbaar

Het NIET toepasbaar

bijlage A.4

gehalte

is

kleiner

dan

de

is

groter

dan

de

toetsingswaarde; gehalte

toetsingswaarde.

Bodem

Voor de beoordeling van de bodemkwaliteit worden de resultaten van de chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters getoetst aan de bodemnormen die zijn vastgesteld in de vigerende weten regelgeving, inclusief richtlijnen opgesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Unihorn B.V. maakt gebruik van het toetsprogramma van het laboratorium en Terra Index, beide gevalideerd met behulp van de Bodem Toets en Validatie (BoToVa)-service van het ministerie. Voor eventuele verontreinigingen in grond en/of grondwater worden de volgende categorieën onderscheiden; 

AW (grond) / S (grondwater): gestandaardiseerd gehalte groter dan de achtergrond/streefwaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;

T: gestandaardiseerd gehalte groter dan de tussenwaarde ( (AW + I) / 2) en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (matig verontreinigd);

I: gestandaardiseerd gehalte groter dan de interventiewaarde (sterk verontreinigd).

In grove lijnen zijn er twee wetgevende kaders van toepassing bij het toetsen van de geconstateerde gehalten in bodem (c.q. grond en grondwater). Namelijk: 

De Wet BodemBescherming (is de bodem geschikt voor de functie (bijvoorbeeld bewoning)) hieronder valt dan de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 waarin de normen zijn gegeven;

Het Besluit- en de Regeling- Bodemkwaliteit (waarbij de vraag is onder welke voorwaarden kan ik de grond of bouwstof hergebruiken)

De regionale en lokale overheden hebben ruimte om binnen deze nationale (generieke normen) lokaal beleid te formuleren (beleid t.a.v. ‘geschikt verklaren’ voor de functie, hergebruik en geschikt maken (saneren) zie onderstaand figuur). Binnen de circulaire bodemsanering 2013 kennen we daarbij de volgende normen:

Bijlage

AW (grond) / S (grondwater): gestandaardiseerd gehalte groter dan de achtergrond/streefwaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde;

T: gestandaardiseerd gehalte groter dan de tussenwaarde ( (AW + I) / 2) en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (matig verontreinigd);

I: gestandaardiseerd gehalte groter dan de interventiewaarde / saneringscriterium (sterk verontreinigd).

Binnen het besluit bodemkwaliteit: 

Klasse achtergrondwaarde;

Klasse wonen;

Klasse industrie;

Categorie groter dan Industrie;

Groter dan interventiewaarde / saneringscriterium (WBB-kader)

Figuur 3. Overzicht bodemnormen [ref 36.] (bijlage). De index Bij de toetsing wordt sinds de introductie van BoToVa ook ‘de index’ gehanteerd. De Index bij de toetsing geeft aan in welke mate er een overschrijding is of niet. Deze index wordt op de volgende manier berekend: (GSSD – S) / (I – S). Dit met de volgende afkortingen: 

GSSD = Gestandaardiseerde waarde van BoToVa (gehalte gecorrigeerd voor OS en LU)

S = Streefwaarde (of Achtergrondwaarde bij Grond)

I = Interventiewaarde Wanneer de index:

Hierbij kan men de index als volgt lezen: 

Index < 0

0 < Index <= 0,5 ==> De toetsing zit tussen de S of AW en de (oude) Tussenwaarde

0,5 < Index <= 1 ==> De toetsing zit tussen de (oude) Tussenwaarde en de Interventiewaarde

Index > 1

==> De toetsing zit onder de S of AW

==> De interventiewaarde is overschreden

Deze index wordt getoond om op die manier aan te kunnen duiden of een stof de oude Tussenwaarde overschrijdt. Dit is gedaan aangezien BoToVa niet meer aan de Tussenwaarde toetst, en veel adviseurs

Bijlage

wel nog deze informatie willen hebben. Dit ook omdat sinds de invoering van de BoToVa-service, de tussenwaarde als triggerwaarde gehanteerd wordt. Afhankelijk van het doel van het onderzoek wordt beoordeeld (o.b.v. bodemkwaliteitskaart, historisch onderzoek, etc.) in hoeverre het uitvoeren van nader onderzoek zinvol wordt geacht. Asbest in grond of BSA In de circulaire bodemsanering 2013 [ref 30.] is geregeld wanneer er voor een bodemverontreiniging met asbest sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor een bodemverontreiniging met asbest is het volumecriterium voor het vaststellen van de ernst van het geval niet van toepassing. Het protocol is alleen van toepassing indien er sprake is van een bodemverontreiniging met asbest, waarbij asbest aanwezig is in een gehalte boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. gewogen (gehalte serpentijn + 10 x gehalte amfibool). Opgemerkt wordt dat bij asbest in (water)bodem, grond en baggerspecie alleen over ‘verontreiniging’ wordt gesproken als de interventiewaarde wordt overschreden. Het protocol is alleen van toepassing op historische asbest verontreinigingen (die zijn voor 1993 ontstaan) in (water)bodem, grond en baggerspecie die niet op basis van de zorgplicht gesaneerd dienen te worden.

De onderzoeksresultaten van het onderzoek naar asbest in de bodem en het BSA toegepast als funderingsmateriaal of halfverharding wordt getoetst aan drie wetgevende kaders. Voor bodem en BSA gelden de hergebruikseisen die zijn gesteld in het besluit en de regeling Bodemkwaliteit [ref 32.]. Voor bodem gelden de eisen zoals geformuleerd in de Circulaire bodemsanering 2013 [ref 30.]. En voor funderingsmateriaal en halverhardingen geldt het Besluit Asbestwegen Milieubeheer [ref 33.]. Naast deze drie wetgevende kaders worden de criteria gehanteerd zoals ze zijn gegeven in de CROW 400. In de CROW wordt voor grond / bodem en voor bouwstoffen een toetsingskader gegeven voor veilig werken met asbestverdacht materiaal. Bij het hanteren van de resultaten van een NEN 5707 [ref 11.] of NEN 5897 [ref 18.] – onderzoek onder verhardingen (zie ook [ref 19.]) gelden intrinsieke beperkingen, het blijft namelijk een inschatting wat er nou daadwerkelijk aanwezig is. Het moet dan ook duidelijk zijn dat met deze resultaten niets anders dan kan worden geadviseerd over de eventuele consequenties van vervolgstappen. Wanneer er geen asbest werd aangetoond betekent dit niet dat het aanwezig is, wanneer er wel asbest werd aangetoond betekent dit niet dat het daadwerkelijk in het aangetoonde gehalte aanwezig is, het kan ook hoger zijn.

Bij het toetsen van asbestresultaten wordt er niet getoetst aan een volume – criterium, wel geldt er bij een bodemonderzoek de eis dat het moet zijn uitgevoerd conform de NEN 5707 [ref 11.]] wil men toetsen aan de interventiewaarde. PFAS in grond of BSA Grond (en baggerspecie) toepassen op landbodem boven grondwaterniveau In Tabel 22 zijn de toepassingsnormen PFOS, PFOA en Overige PFAS in grond en baggerspecie boven grondwaterniveau (ten hoogste 1 m onder maaiveld) uit het op 29-11-2019 aangepaste tijdelijk handelingskader opgenomen. Tabel 22. Toepassingsnormen tijdelijke handelingskader. Functieklasse in de zin van het Besluit Bodemkwaliteit

PFOS

PFOA

Overige PFAS

Landbouw / natuur (µg/ kg ds)

0,9

0,8

0,8

Landbouw / natuur, bij hogere achtergrondwaarde dan 0,1 (µg/ kg ds) Wonen (µg/ kg ds) Industrie (µg/ kg ds)

De gemeten achtergrondwaarde, ten hoogste 3,0 3,0 3,0

De gemeten achtergrondwaarde, ten hoogste 7,0 7,0 7,0

De gemeten achtergrondwaarde, ten hoogste 3,0 3,0 3,0

Bijlage

bijlage B Vooronderzoek NEN 5725

Bijlage

Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is een vooronderzoek op basisniveau conform de NEN 5725 'Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek' [ref 14.] uitgevoerd.

bijlage B.1

Opdrachtverlening, aanvraagmails en opdrachtgever

In de aanvraag wordt beschreven waar de werkzaamheden uit moeten bestaan, te weten: ‘117826 Uitvraag PNB - N264 Kom Sint. Hubert Het bestaande profiel van de N264 moet worden aangepast om het verkeer inderdaad tot de voorgeschreven maximale snelheid te krijgen en de oversteekbaarheid voor voetgangers en fietsers te verbeteren en veiliger te maken. Voor de conditionerende onderzoeken is verhardingsonderzoek van de bestaande weg met aanliggende voet en fietspaden (boringen, asbest in asfalt en funderingslagen en milieuhygiënisch bodemonderzoek van bermen en waterbodems nodig.’ Tekening bij de aanvraag

Figuur 4. Tekening geleverd bij de aanvraag. Toekomstplannen De opdrachtgever zond een korte beschrijving van de werkzaamheden ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoeken vinden plaats in het kader van een geplande reconstructie van de weg.

Bijlage

bijlage B.2

Geohydrologische situatie

Conform de NEN 5725 [ref 14.] is men bij het vooronderzoek verplicht in kaart te brengen wat de geohydrologische situatie is ter plaatse. In deze bijlage wordt hier een beschrijving van gegeven. Grondwater en oppervlaktewater Op basis van gegevens van het Dinoloket wordt het grondwater verwacht rond 3,0 meter minus het maaiveld. Er vindt geen grondwateronttrekking plaats in de nabijheid van de onderzoekslocatie [ref 10.]. Er zijn geen grote oppervlaktewateren aanwezig nabij de onderzoekslocatie. Hoogteprofiel, Actueel Hoogtebestand Nederland [ref 7.] De hoogte van de locatie ligt tussen de 11,40 en 12,30 meter boven NAP.

Figuur 5. Maaiveldhoogte locatie t.o.v. NAP (circa 2,0 m t.o.v. N.A.P.) [ref 7.].

Bijlage

Geohydrologie De geohydrologische situatie ter hoogte van de locatie zijn in de onderstaande figuur weergegeven (Dinoloket, Geotop v1.3). Omdat er geen gegevens bekend zijn van de onderzoekslocatie, is het meetpunt dat het dichtst bij het onderzoekstracé gelegen is beschouwd. Uit de gegevens van het Dinoloket komt naar voren dat de bodem gemiddeld tot circa 50 meter minus het maaiveld uit zand bestaat, enkel tussen circa 8 en 11,50 meter gescheiden door een door de rivier de Maas afgezette grindlaag.

Figuur 6. Geohydrologie [ref 5.]. Lithostratigrafie: 0.00 m - 4.00 m: Formatie van Boxtel 4.00 m - 8.00 m: Formatie van Kreftenheye 08.00 m - 11.50 m: Formatie van Beegden 11.50 m - 51.00 m: Formatie van Breda

Bijlage

bijlage B.3

Topografische kaarten

Binnen deze paragraaf geven we een eenvoudige visuele samenvatting van bekende relevante informatie afkomstig van deze bron [ref 4.]. Deze bron is relevant bij de inschatting van het historische gebruik van de locatie en de omgeving van de locatie. Relevante informatie uit Figuur 7 is: De Pastoor Jacobsstraat en de diverse aansluitingen zijn al zeker sinds 1901 zichtbaar. Het asfalt is vermoedelijk ouder dan 1995, een criterium uit de CROW 210. De locatie ligt in gebied dat al langere tijd een agrarische functie heeft.

1901

1925

1945

1965

1995 1985 Figuur 7. Topografische kaarten, onderzoekslocatie aangegeven met rode kaders [ref 4.].

Bijlage

bijlage B.4

Luchtfoto’s Gebruik omgeving in Cyclomedia Streetsmart [ref 3.]

Binnen deze paragraaf geven we een eenvoudige visuele samenvatting van bekende relevante informatie afkomstig van deze bron. Deze bron is relevant bij de inschatting van het huidige gebruik van de locatie en de omgeving van de locatie.

Figuur 8. Informatie luchtfoto, ligging onderzoekslocatie. Relevante informatie na bestudering van de luchtfoto’s (Figuur 8) uit Cyclomedia is: De onderzoekslocatie bevindt zich deels in stedelijk en deels in agrarisch gebied; De weg bestaat uit een tweebaans-asfaltverharding (meestal gescheiden door een verhoogde middenberm), langs de weg liggen wisselend elementen en bermen en een fietspad van beton of elementen (zie Figuur 9 en Figuur 10).

Figuur 9. Foto genomen op straatniveau. Pastoor Jacobsstraat.

Bijlage

Figuur 10. Foto genomen op straatniveau. Rechts de Pastoor Jacobsstraat, links de Lange Schoolstraat ten zuiden van de Pastoor Jacobsstraat.

Bijlage

bijlage B.5

Bodemloket en omgevingsrapportage Noord-Brabant

Binnen deze paragraaf wordt een eenvoudige visuele samenvatting van bekende relevante informatie afkomstig van het bodemloket [ref 1.]. Het bodemloket verwijst voor deze locatie door naar de website van de Omgevingsdienst Brabant Noord [ref 2.]. Van de voor dit onderzoek relevante percelen zijn vijf omgevingsrapportages aangevraagd en ontvangen. Een samenvatting van de relevante ontvangen informatie is hieronder weergegeven, de volledige omgevingsrapportages zijn opgenomen in bijlage L N264 west Tabel 23. Omgevingsrapportage N264 west. Locatienaam

Locatiecode

‘N264 west’ Pastoor AA081500160 Jacobsstraat 2A

Uitgevoerd onderzoek

Resultaten

Relevant?

Verkennend onderzoek NVN 5740 29-08-2008

Zintuiglijke waarnemingen: geen relevante afwijkingen waargenomen Bovengrond: kobalt>S Ondergrond: geen verhoogde concentraties Grondwater: xylenen Grondwaterstromingsrichting: niet gemeten Conclusie Gemeente: onbekend Circa 950 kuub ernstig verontreinigde grond. Geen spoed. Geen analyses ingevoerd wegens ernstige verontreiniging. categorie I bouwstof toepassingshoogte vrij

Nee, onderzocht adres is op ruime afstand (>100 meter) van onderhavige onderzoeklocatie gelegen.

Wanroijseweg 91

AA081500164

Verkennend onderzoek NVN 5740 12-12-2006

rotonde Erica N264-N602

AA081500212

Bouwstoffenbesluit Overig 22-04-2004

Wanroijseweg 95

AA081500252

Verkennend onderzoek NVN 5740 23-02-2007

Wanroijseweg 91

AA081500280

2x Verkennend en nader onderzoek NVN 12-12-2006 en 0410-2007 Saneringsplan 24-01-2008 Saneringsevalutatie 14-05-2009

Zintuiglijke waarnemingen: geen relevante afwijkingen waargenomen Bovengrond: geen verhoogde concentraties Ondergrond: geen verhoogde concentraties Grondwater: geen verhoogde concentraties Conclusie: Er bestaat geen belemmering Algemeen (onverdacht) terrein: Bg: minerale olie en PAK>S; Og: -; Gw: cadmium, zink en xylenen>S Bijmenging in toplaag paardenloopbak met kabelgranulaat en puin. Deze laag bevat pak en minerale olie>S en koper>I, lood>T. EOX en PCB sterk verhoogt. Betreft twee voormalige Paardenrijbakken verontreinigd met kabelgranulaat. Verontreinigde grond is herschikt en met een leeflaag afgedekt. Sanering uitgevoerd conform beschikking (kenmerk 1386735, d.d. 06-03-2008).

Nee, onderzochte locatie is op ruime afstand (>100 meter) van onderhavige onderzoeklocatie gelegen. Nee, onderzochte locatie is op ruime afstand (>100 meter) van onderhavige onderzoeklocatie gelegen. Nee, onderzocht adres is op ruime afstand (>100 meter) van onderhavige onderzoeklocatie gelegen.

Nee, onderzochte locatie is op ruime afstand (>100 meter) van onderhavige onderzoeklocatie gelegen.

Bijlage

Figuur 11. Afbeelding omgevingsrapportage ‘N264 west’. Er is voor zo ver bekend op de onderzoekslocatie (deel ‘N264 west’) niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd. In de directe omgeving, tot op minimaal 25 strekkende meters afstand, zijn verder geen onderzoeken geregistreerd en/of beschikbaar. Van de onderzoekslocatie (deel ‘N264 west’) zijn geen relevante gegevens van de omgevingsrapportage beschikbaar. Percelen Kievtisdwarsweg Zoals in onderstaande figuur te zien is bevinden drie met een locatiecode aangeduide locaties zich in de omgeving van de Percelen Kievitsdwarsweg (>50 meter afstand). In de omgevingsrapportage wordt echter het volgende aangegeven: “Binnen het aangegeven zoekgebied is geen informatie aangetroffen.”

Figuur 12. Afbeelding omgevingsrapportage Percelen Kievtisdwarsweg. Er is voor zo ver bekend op de onderzoekslocatie (deel ‘Percelen Kievitsdwarsweg’) niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd. In de directe omgeving, tot op minimaal 25 strekkende meters afstand, zijn verder geen onderzoeken geregistreerd en/of beschikbaar. Van de onderzoekslocatie (deel ‘Percelen Kievitsdwarsweg’) zijn geen relevante gegevens van de omgevingsrapportage beschikbaar.

Bijlage

N264 Sint Hubert centraal

Figuur 13. Afbeelding omgevingsrapportage bijlage N264 Sint Hubert centraal.

Tabel 24. Omgevingsrapportage N264 Sint Hubert centraal. Locatienaam

Locatiecode

N264 Sint Hubert centraal Pastoor AA081500632 Jacobsstraat 24

Pastoor AA081500633 Jacobsstraat 30

Verontreinigende activiteiten

Van- tot

Relevant?

burgerlijk- en utiliteitsbouwbedrijf dieseltank (bovengronds) Timmerwerkplaats benzinepompinstallatie

Onbekend – onbekend

Beperkt, er zijn mogelijk beperkt bodembedreigende activiteiten binnen 25 meter van onderhavige onderzoekslocatie geweest. Beperkt, mogelijk is er een benzinepompinstallatie op deze locatie aanwezig geweest. Beperkt, mogelijk is er een benzinepompinstallatie op deze locatie aanwezig geweest. Beperkt, mogelijk is er een hbo-tank op deze locatie aanwezig geweest.

1981 – onbekend 1973 – onbekend 1938 – onbekend

Pastoor Jacobsstraat 35

AA081500634

benzinepompinstallatie

1954 – onbekend

Pastoor Jacobsstraat 57

AA081500635

hbo-tank (ondergronds)

Onbekend - 1991

Er is voor zo ver bekend op de onderzoekslocatie (deel ‘N264 Sint Hubert centraal’) niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd. In de directe omgeving, tot op minimaal 25 strekkende meters afstand, zijn verder geen onderzoeken geregistreerd en/of beschikbaar. Van de onderzoekslocatie (deel ‘N264 Sint Hubert centraal’) zijn beperkt relevante gegevens van de omgevingsrapportage

beschikbaar.

Er

staan

benzinepominstallaties

geregistreerd

bij

Pastoor

Jacobsstraat 30 en 35 en een ondergrondse hbo-tank bij nummer 57. Het is echter onduidelijk of de installaties/tank aanwezig zijn geweest, waar dit precies was en wanneer dit was.

Bijlage

N264 Pastoor Jacobsstraat 34

Figuur 14. Afbeelding omgevingsrapportage N264 Pastoor Jacobsstraat 34.

Tabel 25. Omgevingsrapportage N264 Pastoor Jacobsstraat 34. Locatienaam

Locatiecode

N264 Pastoor Jacobsstraat 34 Pastoor Jacobsstraat / AA081500040 Lange Schoolstraat

Lange Schoolstraat 6

AA081500179

Uitgevoerd onderzoek

Resultaten

Relevant?

Verkennend onderzoek NVN 5740 27-02-1996

Zintuiglijke waarnemingen: in 1 boring: van 1-1.5m-mv een opvullaag met glasscherven en overig afwijkend materiaal. Is later apart onderzocht (NVNpakket bovengrond). Hieruit blijkt: zink, PAK, minerale olie >S Bovengrond: PAK >S Ondergron (tekst afgebroken) Zintuiglijke waarnemingen: Tijdens het uitvoeren van de Veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen relevante Bijzonderheden waargenomen Bovengrond: geen verontreinigingen Ondergrond: geen verontreinigingen Grondwater: chroom, nikkel, zink.

Beperkt, rapport is verouderd (meer dan 20 jaar oud). De gerapporteerde opvullaag kan relevant zijn voor de voorgenomen werkzaamheden. Geen verdere verdachte activiteit gerapporteerd. Beperkt, rapport is verouderd (meer dan 20 jaar oud).

Verkennend onderzoek NVN 5740 18-12-1995

Er is op of nabij de onderzoekslocatie (deel ‘N264 Pastoor Jacobsstraat 34’) eerder bodemonderzoek uitgevoerd. Van de onderzoekslocatie (deel ‘N264 Pastoor Jacobsstraat 34’) zijn beperkt relevante gegevens van de omgevingsrapportage beschikbaar. De geregistreerde rapportages zijn strek verouderd en daarom maar beperkt bruikbaar. De gerapporteerde aangetroffen opvullaag (circa 1 tot 1,5 m-mv) kan wel relevant zijn voor onderhavig onderzoek.

Bijlage

N264 oost

Figuur 15. Afbeelding omgevingsrapportage N264 oost.

Tabel 26. Omgevingsrapportage N264 oost. Locatienaam

Locatiecode

Uitgevoerd onderzoek

Conclusies en status

Relevant?

N264 oost Wegbermen N264 (Uden-Gennep)

AA081500770

Verkennend onderzoek NEN 5740 18-03-2009 Nader onderzoek 14-05-2009 Saneringsplan 30-06-2010 Saneringsevaluatie 31-07-2012

Sterk verontreinigde grond (parameter onbekend). Wegfundering/wegfundering met puin. Sanering uitgevoerd, niet beschreven wat en waar. Geen nazorg en status is ‘voldoende gesaneerd’.

Beperkt/onbekend, de (onbekende) verontreiniging is gesaneerd, niet beschreven is hoe dit is gedaan. Onbekend is de exacte locatie van de verontreiniging en of dit relevant is voor onderhavig onderzoek. Relevant kan zijn dat er een puinfundering gevonden is onder de N264.

Er is op of nabij de onderzoekslocatie (deel ‘N264 Oost’) eerder bodemonderzoek uitgevoerd. Van

de

onderzoekslocatie

(deel

‘N264

Oost’)

zijn

beperkt

relevante

gegevens

van

de

omgevingsrapportage beschikbaar. De geregistreerde rapportages zijn niet beschikbaar. Onbekend is daarom wat er gesaneerd is, hoe dit gedaan is en bovenal waar deze verontreiniging zich bevond. De relevantie van de gesaneerde verontreiniging is daarom onbekend. Wel relevant kan zijn dat er in eerder onderzoek een puinfundering aangetroffen is onder de N264.

Bijlage

bijlage B.6

Bodembeleid en BKK

Binnen deze paragraaf wordt een eenvoudige visuele samenvatting van bekende relevante informatie afkomstig van deze bron gegeven [ref 8.]. Bodemkwaliteitskaart (BKK)

Figuur 16. Bodemkwaliteitskaart bovengrond [ref 8.].

Figuur 17. Bodemkwaliteitskaart ondergrond [ref 8.]. In Figuur 16 en Figuur 17 is het deel van de bodemkwaliteitskaart weergegeven waarop enkel de contour van de bebouwing van Sint Hubert zichtbaar is. De N264 is in Figuur 16 aangegeven als ‘witte vlek’, in het midden onderbroken door de bebouwing van Sint Hubert. De kwaliteit van zowel de boven- als de ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie is volgens de bodemkwaliteitskaart gemiddeld Natuur en landbouw (AW2000) De kwaliteit van zowel de boven- als de ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie is volgens de bodemkwaliteitskaart gemiddeld Natuur en landbouw.

Bijlage

Mogelijke aanwezigheid PFAS In de onderstaande tabel is het resultaat gegeven van de korte controle op de aanwezigheid van mogelijke bronnen voor een PFAS – verontreiniging op de locatie (op basis van de checklist in het Handelingskader [ref 34.]. Het meest verdacht voor PFAS in het milieu zijn die locaties waar PFAS worden geproduceerd. Ook de brandweeroefenplaatsen (met beperkte of ontbrekende bodembeschermende voorzieningen en/ of opvangbassins) waar met grote regelmaat brandblusschuim is toegepast, zijn verdacht. Er zijn echter ook vele andere toepassingen van PFAS die kunnen leiden tot een grond- of grondwaterverontreiniging. Tabel 27. Check op potentiele bronnen PFAS op en nabij de locatie.

Potentiele bron Productie en verwerking fluor polymeren Galvanische industrie (Vooral in chroom verwerkende industrie (maar ook andere metalen) Textiel industrie (Behandelen / waterafstotend maken textiel en leer) Halfgeleider- en foto industrie (Gebruik bij printplaatproductie en ontwikkelvloeistof gebruikt.) Papier (Water- en vetafstotend papier en verpakkingen) Lak- en Verfindustrie Hydraulische vloeistoffen (Voornaamste gebruik bij vliegtuigbouw en onderhoud) Cosmetica en reinigingsmiddelen Blusschuim (Opslaan, oefenen met, en toepassen van blusschuim) Vliegvelden (Vooral gerelateerd aan toepassing blusschuim) Afvalverwerking (Waterzuiveringsinstallaties (slib), vuilstorten en afvalverbrandingsinstallaties) Landbouw/(glas)tuinbouw (Vermoeden dat PFAS is gebruikt in bestrijdingsmiddelen)

Aanwezig of nabij? Onbekend Onbekend

Toelichting

Onbekend Onbekend Onbekend Onbekend Onbekend Onbekend Onbekend Mogelijk

Aandachtspunt bij bemonstering Diffuus homogeen verspreid over Nederland

Nee Mogelijk

Locatie ligt in agrarisch gebied

Grond, bagger maar ook funderingsmateriaal (met een grondfractie) moet worden onderzocht op de aanwezigheid van PFAS wil het toegepast of afgevoerd kunnen worden. Wat betreft de dubbele toets die bij het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem volgens het Besluit bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd, wordt opgemerkt dat het bepalen voor PFAS van de kwaliteit van de bodem waarop PFAS-houdende grond of baggerspecie wordt toegepast (de ontvangende bodem), alleen noodzakelijk is voor landbodems die zijn ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur en/of de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. We adviseren een verkenning op de aanwezigheid van PFAS in de bovengrond. Wanneer er dan grondverzet plaatsvindt, kan men met deze verkenning van de bodemkwaliteit eventueel grondverzet faciliteren.

Bijlage

bijlage B.7

Waterbodem

Het vooronderzoek voor het verkennend waterbodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5717:2017 ‘onderzoeksstrategie voor lintvormig water, normale onderzoeksinspanning’. De kenmerken van de betreffende watergang zijn weergegeven in Tabel 28. Tabel 28. Kenmerken watergangen/greppels. Locatie

Lengte

Aanleiding

Type watergang

Watergang west Watergang oost

<500

Herinrichting

Lintvormig

<500

Herinrichting

Lintvormig

Resultaten Bijzonderheden Locatieinspectie De watergang is droog en betreft in werkelijkheid een greppel. De watergang is droog en betreft in werkelijkheid een greppel.

De watergangen/greppels betreffen kleine regionale (voormalig) lintvormige oppervlaktewateren die dienst doen als greppels. Ze zijn niet doorgaand en niet direct langs een weg gelegen. Voor zo ver bekend is er niet eerder een waterbodem of bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie. Er is geen informatie beschikbaar in de legger oppervlaktewater van het Waterschap Aa en Maas [ref 9.]. Op kaartmateriaal [ref 10.] staan de structuren aangegeven als type water: greppel, droge sloot. Op basis van het vooronderzoek is de hypothese voor de waterbodem van zowel de westelijke als de oostelijke watergang onverdacht, kleinschalig.

Bijlage

bijlage C Toetsingstabellen grond en grondwater

Toetsing volgens BoToVa, module T.1-Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem (Toetsversie 3.0.0, toetskader BBK, SIKB versie 13.3.0, toetsingsdatum: 24-04-2020 - 07:52)

Projectcode Projectnaam

3905-20086-01 Sint Hubert N264 Twee percelen NEN en PFAS MM01 Grond (AS3000) Klasse wonen

Monsteromschrijving Monstersoort Monster conclusie (excl PFAS) Analyse

Eenheid SR

droge stof gewicht artefacten aard van de artefacten organische stof (gloeiverlies)

% g %

BT

BC

BI

86.1 86.1 <1 Geen 3.9 3.9

3905-20086-01 Sint Hubert N264 Twee percelen NEN en PFAS MM03 Grond (AS3000) Altijd toepasbaar

3905-20086-01 Sint Hubert N264 Twee percelen NEN en PFAS MM04p Grond (AS3000)

SR

SR

BT

BC

BI

85.0 85 <1 Geen 2.6 2.6

85.9 85.9 <1 Geen 10

2.8

25

KORRELGROOTTEVERDELING lutum (bodem) % vd DS 1.3

1.3

2.8

METALEN barium+ cadmium kobalt koper kwik° lood molybdeen nikkel zink

120 -0.617 WO 0.00 3.69 <=AW -0.06 23.3 <=AW -0.11 0.212 WO 0.00 42.6 <=AW -0.02 0.35 <=AW -0.01 6.12 <=AW -0.44 140 WO 0.00

<20 49.3 -0.27 0.447 <=AW -0.01 <1.5 3.39 <=AW -0.07 6.3 12.4 <=AW -0.18 <0.05 0.0494 <=AW 0.00 23 15 <=AW -0.06 <0.5 0.35 <=AW -0.01 <3 5.74 <=AW -0.45 44 98.9 <=AW -0.07

mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg

31 0.39 <1.5 12 0.15 28 <0.5 <3 62

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN naftaleen mg/kg <0.01 0.007 fenantreen mg/kg 0.41 0.41 antraceen mg/kg 0.14 0.14 fluoranteen mg/kg 1.1 1.1 benzo(a)antraceen mg/kg 0.56 0.56 chryseen mg/kg 0.52 0.52 benzo(k)fluoranteen mg/kg 0.34 0.34 benzo(a)pyreen mg/kg 0.53 0.53 benzo(ghi)peryleen mg/kg 0.42 0.42 indeno(1,2,3-cd)pyreen mg/kg 0.41 0.41 pak-totaal (10 van VROM) (0.7 factor) mg/kg 4.437 4.44 WO 0.08 POLYCHLOORBIFENYLEN (PCB) PCB 28 ug/kg PCB 52 ug/kg PCB 101 ug/kg PCB 118 ug/kg PCB 138 ug/kg PCB 153 ug/kg PCB 180 ug/kg som PCB (7) (0.7 factor) ug/kg

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=d3acda62-5cd5-4633-af8d-0aa57b111be3