CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

06 2018.0629 R.O.Hapsebaan 33 Vianen_3.pdf - 2018.0629 R.O.Hapsebaan 33 Vianen_3.pdf

Cuijk - commissie Ruimte 1 maart 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: (ter advisering) Voorstel tot vaststelling Verklaring van geen bezwaar ontwikkeling zonnepark Hapsebaan 33 te Vianen12.736 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een maximale bouwhoogte van 2 meter, tenzij kan worden aangetoond dat een grotere hoogte ter plekke passend is en gecombineerd kan worden met andere landgebruiksvormen zoals natuurontwikkeling (bijvoorbeeld bloemrijk grasland) of extensieve begrazing (bijvoorbeeld door schapen of het houden van kippen); 2. Om de overgang geleidelijk te maken, wordt een afstand van minimaal 10 meter tot de rand van een perceel (perceelgrens) aangehouden. Aan beide randvoorwaarden wordt voldaan. Afstand tot woonbebouwing Met name in het buitengebied is regelmatig sprake van een redelijk vrij zichtveld vanuit aanwezige woningen. Dit geeft bewoners een gevoel van vrijheid. Om voldoende rekening te houden met de belangen van omwonenden en een gevoel van insluiting te voorkomen, wordt tot woningen niet zijnde deelnemers of initiatiefnemers in een zonnepark project, een minimale afstand tot woonbebouwing aangehouden van 100 meter tussen de rand van het zonnepark en de gevel van de woning. Deze afstandseis geldt niet, wanneer in de huidige situatie geen sprake is van een vrij uitzicht op de planlocatie, bijvoorbeeld doordat reeds sprake is van afscherming door aanwezige bebouwing, erfscheiding of dichte bosschages. Bovendien mag een woning niet worden ingesloten door een zonnepark.

Dit betekent dat slechts aan één zijde van de woning een zonnepark zichtbaar mag zijn binnen 100 meter afstand, tenzij de bewoner en eigenaar akkoord gaat met het ontwerp. Beveiliging Beveiliging van een zonnepark is noodzakelijk. Enerzijds is dit nodig ter bescherming van de eigendommen van de initiatiefnemer. Anderzijds om te voorkomen dat onbevoegden gevaarlijke situaties laten ontstaan door betreding van het terrein. De

27

spanningsniveaus op de installatie zijn substantieel (> 1.000 volt). Deze beveiliging kan op meerdere manieren worden gerealiseerd. Om de landschappelijke impact te beperken wordt dit bij voorkeur gerealiseerd door (in volgorde van voorkeur): 1. Het aanleggen van landschapselementen rond het zonnepark. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan hagen, houtwallen of –singels, grondlichamen of haha’s; 2. Het aanleggen van een watergang rond het zonnepark. Om voldoende beveiliging te bieden dienen deze wel voldoende breed te zijn (> 3 meter), aangezien het anders te eenvoudig is om deze over te steken; 3. Indien een watergang of het toepassen van landschapselementen niet mogelijk of ongewenst is, kan een hekwerk worden geplaatst, waarbij dit hekwerk wordt afgestemd op de lokale situatie en een zo open en landelijk mogelijk karakter krijgt (bijvoorbeeld door toepassing van een grotere maaswijdte gaas en houten palen). Combinaties van bovenstaande maatregelen zijn ook denkbaar, afhankelijk van de (bestaande) landschappelijke situatie ter plaatse van het voorgenomen zonne-energie initiatief. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Motiveringsplicht Overkoepelend aan de voorgenoemde randvoorwaarden geldt dat een project landschappelijk passend moet zijn.

Dit betekent feitelijk dat gemotiveerd wordt waarom deze locatie geschikt is, hoe een project eruit gaat zien, waarom dit passend is in de omgeving en hoe rekening wordt gehouden met landschappelijke en cultuurhistorische waarden die lokaal van toepassing zijn. Er heeft een zorgvuldig proces plaatsgevonden tussen gemeente, initiatiefnemers en netbeheerder. Dit proces en daarmee ook de zoektocht naar een alternatieve functie op deze plek heeft geleid tot onderliggend plan. de motivering hiervan is in hoofdstuk 1 t/m 3 opgenomen. Landschappelijke inpassingsstudie Van initiatiefnemers wordt verwacht dat zij een landschappelijke inpassingstudie opstellen, waarin in ieder geval aandacht wordt besteed aan: 1. Cultuurhistorische waarden van het plangebied en de omgeving; 2. De inpassing van een zonnepark op de het schaalniveau van de omgeving (inpassing en zichtlijnen) en op de locatie zelf (vormgeving van de opstelling) 3. Lokale flora- en fauna en de effecten van het project hierop (zowel in positieve als negatieve zin); 4. De benodigde infrastructuur en beveiliging uitwerken; 5. Enkele visualisaties, waaruit in ieder geval vanuit de directe omgeving de huidige en toekomstige situatie in beeld wordt gebracht. Deze visualisaties moeten een goed beeld geven van de daadwerkelijke situatie (bij voorkeur middels waarheidsgetrouwe fotovisualisaties vanaf maaiveld).

Deze inpassingsstudie maakt deel uit van de ruimtelijke onderbouwing en vergunningaanvraag. De in hoofdstuk 5 genoemde beleidsdocumenten bieden handvatten voor het opstellen van dergelijke inpassingsstudies. In hoofdstuk 3 is de landschappelijke inpassing weergegeven. Zoals te lezen is, voldoet deze aan de voorwaarden zoals hierboven genoemd.

28

Een belangrijke maatschappelijk doel dat aan de grondslag ligt van deze ontwikkeling, is de beëindiging van de varkenshouderij ter plaatse. Door perspectief te bieden op een nieuw verdienmodel, verdwijnt een flinke impact op de omgeving en ontstaat er ook een maatschappelijke meerwaarde. Conclusie Het plan geeft invulling aan het energiebeleid en draagt bij aan de doelstelling van de gemeente Cuijk om te komen tot een energieneutrale gemeente in 2045. Het plan past binnen het gemeentelijk beleid. Doordat de beëindiging van de varkenshouderij het uitgangspunt is, wordt geen maagdelijke grond ingezet voor de zonneweide. In samenhang met de beëindiging van de varkenshouderij wordt een flinke kwaliteitsslag voor deze specifieke locatie m.b.t. woon- en leefklimaat behaald en is daardoor in overeenstemming met het gemeentelijke beleid

29

HOOFDSTUK 5.1

5 Omgevingsaspecten

Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.

5.1.1

M.e.r. plicht Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt een zonneweide met bijbehorende voorzieningen mogelijk gemaakt ten opzichte van de bestaande situatie. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.beoordelingsbesluit genomen worden. Doorwerking plangebied Voor onderhavig initiatief is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is terug te vinden in de bijlagen. In deze ruimtelijke onderbouwing worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele motivering wordt verwezen naar de bijlagen. Aanbevolen wordt - na nadere kennisname van deze beoordeling - een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van de ruimtelijke onderbouwing ‘Vergunning zonneweide Vianen’ geen milieueffectrapportage wordt vereis

5.1.2

Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de realisatie van een nieuwe functie en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijziging. Beoordeling van dit aspect kan achterwege blijven in een aantal situaties. Bij het wijzigen van het gebruik van een bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit minder kritische gebruik kennen, is beoordeling van dit aspect niet aan de orde.

PM Bodemonderzoek

30

5.1.3

Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of ter plaatse van de planlocatie de grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide wordt overschreden, zijn de concentratie- en depositiekaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu geraadpleegd. Deze kaarten hebben betrekking op de huidige situatie. Na de beëindiging en sanering van het huidig aanwezige varkensbedrijf, zal de uitstoot van fijnstof en stikstofdioxide afkomstig van de planlocatie verminderen.

Fijnstof Voor fijnstof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie en 50 μg/m3 voor de daggemiddelde concentratie. De waarde voor fijnstof (PM10) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 17,84 μg/m3. Daarnaast heeft het aantal verkeersbewegingen invloed op de hoeveelheid fijnstof in de lucht en daarmee tevens op het woon- en leefklimaat. Door de beëindiging van de veehouderij vinden er geen verkeersbewegingen meer plaats ten behoeve van de bedrijfsvoering (aan- en afvoer van dieren, voer, etc.). Er is een afname van het aantal verkeersbewegingen waardoor de hoeveelheid fijnstof in de lucht zelfs verder zal afnemen. Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO2) geldt een grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie en 200 μg/m3 voor de uurgemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 14,62 μg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een bijdrage aan een verbetering van het woon- en leefklimaat. Conclusie In de huidige situatie is reeds sprake van een aanvaardbare situatie omtrent het woonen leefklimaat. Een zonneweide heeft geen (extra) uitstoot tot gevolg, waardoor het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.

31

5.1.4

Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen. Deze wet geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Met name de handreiking wet geurhinder en veehouderij geeft nadere invulling in het gebruik van de wet. Een zonneweide is geen gevoelig object in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij, noch is sprake van een veehouderij, waardoor het aspect geur niet relevant is voor de voorgestane ontwikkeling.

5.1.5

Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien het besluitgebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (weg)verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning. In dit geval is geen sprake van een geluidsgevoelige functie waardoor het aspect akoestiek niet relevant is en geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.

5.1.6

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Omdat er geen gevaarlijke inrichting mogelijk wordt gemaakt, noch sprake is van een gevoelige functie is het aspect externe veiligheid niet relevant en vormt dan ook geen belemmering ten aanzien van de voorgestane ontwikkeling.

5.1.7

Kabels en leidingen Op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan is te zien dat er geen kabels of leidingen door het besluitgebied lopen. Daarnaast wordt geen nieuwe bebouwing opgericht waarvoor rekening moet worden gehouden met aanwezige kabels en/of leidingen. Op een afstand van 220 meter van het besluitgebied is een hoogspanningsverbinding gelegen. Echter is deze afstand dusdanig groot dat dit geen invloed heeft op de ontwikkeling. Ten aanzien van de aansluiting op het landelijke netwerk, zal een nieuwe kabel worden aangelegd.

5.1.8

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is aangegeven wat de afstand tot een

32

gevoelige functie dient te zijn. De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Omdat geen sprake is van een gevoelige functie, noch van een functie waarvoor een milieucategorie van toepassing is, is dit aspect niet relevant en vormt het geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichtring en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het volgens het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

5.2.1

Beleid Het besluitgebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het Waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht en aangegeven dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Het streven is daarbij om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Brabant Keur In de Brabant Keur is in artikel 3.6 het verbod opgenomen om zonder vergunning neerslag versneld tot afvoer naar het oppervlaktewater te laten komen. Dit artikel maakt het mogelijk om het hydrologisch neutraal inrichten van een gebied af te dwingen.

In de Algemene regels van de Keur wordt vrijstelling van deze vergunningplicht verleend voor zover: • Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; • De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m 2 is, of; • De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak, of; • De toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m 2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan.

33

Met betrekking tot de toename van verhard oppervlak wordt onderscheid gemaakt in: ongewijzigde situaties, nieuwbouw, herbouw en verbouw en uitbreiding. Voor een ongewijzigde situatie wordt in dit geval geen waterberging geëist. Ook niet als een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is vanwege een functiewijziging. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Cuijk 2019-2023 De gemeente Cuijk heeft het beleid omtrent water vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Cuijk 2019-2013. Voor de toename van het verhard oppervlak van nieuwe ontwikkelingen eist de gemeente de aanleg van een waterbergingsvoorziening van 60 mm per vierkante meter nieuw verhard oppervlak op eigen terrein. Ook bij ingrepen in bestaande gebieden probeert de gemeente particuliere verharding zoveel mogelijk af te koppelen. 5.2.2

Ontwikkeling Hieronder is voor afvalwater en hemelwater gekeken of al dan niet maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. Afvalwater Er is met de nieuwe ontwikkeling geen sprake van afvalwater. Dit onderdeel is daardoor niet relevant Hemelwater In artikel 15 van de Keur wordt het volgende over deze toename van verhard oppervlak vermeld ‘Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover … b. De toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is.’ De te realiseren zonnepanelen leiden niet tot een verharding van het oppervlakte. Het hemelwater wat op de zonnepanelen terecht komt kan er gemakkelijk afstromen en infiltreren in de bodem. De zonnepanelen worden boven de grond op een frame geplaatst. De bodem blijft onverhard (grasland). Het hemelwater dat op de installatie valt kan daarmee vrij het weiland inzijgen. Het plan voorziet wel in de realisatie van enkele ondersteunende gebouwen (trafo’s) in het plangebied. De toename zal niet meer zijn dan 2.000 m², waardoor compensatie voor de afvoer van hemelwater niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan voldoet aan de eisen die gesteld worden aan de waterhuishouding.

Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB).

34

Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde floraen faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen en grenst tevens niet aan een van deze gebieden. De dichtstbijzijnde gebieden behorende bij Natura 2000 zijn de Oeffelter Meent op een afstand van circa 4,85 kilometer en Sint Jansberg op een afstand van circa 5,10 kilometer. Gezien de ontwikkeling geen uitstoot tot gevolg heeft, zal de ontwikkeling geen negatief effect hebben op de Natura 2000-gebieden.

In de bijlagen (bijlage V) van deze ruimtelijke onderbouwing is de berekening weergegeven waar met behulp van Aerius is aangetoond dat geen sprake is van een negatief effect op Natura2000 gebieden met betrekking tot stikstofdepositie. Natuurnetwerk Brabant Het besluitgebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant, maar grenst ten oosten van het perceel wel aan gronden behorende bij het Natuurnetwerk Brabant. Met de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de aanwezigheid van Natuurnetwerk Brabant. 5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In gevallen waarbij sprake is van bijvoorbeeld sloop van bebouwing of het kappen van bomen, is het van belang om rekening te houden met eventuele aanwezige soorten planten en dieren. Op de locatie worden de varkensstallen geheel gesloopt. Voor het slopen van de bebouwing is een sloopvergunning noodzakelijk. De bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, maar de wijzigingsvoorwaarden geven niet aan dat de bedrijfsbebouwing gesloopt moet zijn voordat de procedure wordt opgestart. Sloopwerkzaamheden zouden in principe daarom altijd kunnen plaatsvinden al dan niet na het nemen van maatregelen. Daardoor staat de haalbaarheid van het wijzigingsplan niet ter discussie. Gelijktijdig met het doorlopen van de wijzigingsprocedure wordt een vergunning aangevraagd voor de realisatie van en tijdelijk zonnepark ter plaatse. In dat kader is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten van dat flora- en

35

faunaonderzoek opgenomen. De rapporten waarin de onderzoeken zijn beschreven, zijn als bijlage VI aan dit plan toegevoegd. In deze paragraaf zijn uitsluitend de conclusies weergegeven. Conclusie In het kader van de sloop van de bebouwing heeft er uitgebreid flora- en faunaonderzoek plaatsgevonden. Op basis daarvan is de sloop uitgevoerd en is bekeken welke elementen behouden blijven na sloop van de stallen (bomenrijen etc.). Behoudens het transformatorhuisje en de vrijstaande varkensschuur is bij nadere beschouwing op voorhand gebleken dat geen van de overige opstallen een functie heeft voor beschermde fauna. In de toekomstige situatie is sprake van agrarische grond met daarop stellingen met zonnepanelen. Ter plaatse van de agrarische grond bevinden zich geen noemenswaardige flora- en faunawaarden. Ten aanzien van de te behouden elementen (bomenrijen etc.) zijn de volgende conclusies uit het onderzoek naar voren gekomen: •

•

•

•

Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bomen geen nesten bieden voor de buizerd, kerkuil en steenuil en dat er geen sprake is van een vaste rustplaats. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van het functioneel habitat. Er hoeft voor de buizerd, kerkuil en steenuil geen ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd alvorens de beoogde ingreep uitgevoerd kan worden. Ransuil: Ten tijde van het onderzoek zijn er geen geluidswaarnemingen of sporen van de ransuil aangetroffen. enkele keren is een waarneming van aannemelijk een overvliegende ransuil aangetroffen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het essentieel leefgebied van de ransuil, tevens zijn er geen nest- of rustplaatsen van de soort aangetroffen. Vleermuizen: Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de bomenlaan aan de noordzijde van het plangebied onderdeel uitmaakt van een essentiële vliegroute. De lineaire structuur van deze bomenlaan dient behouden te worden, dit houdt in dat één enkele boom gekapt kan worden. Indien de kap van de volledige bomenlaan is beoogd dient er een ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de beoogde ingreep uitgevoerd kan worden. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op het plangebied.

Er is één actief nest van een ekster en enkele slaapplaatsen van duiven en kauwen aangetroffen binnen het plangebied. Het is echter zeer aannemelijk dat er een ruime hoeveelheid actieve nesten zijn in de struiken en bomen op en rond het plangebied. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden.

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling geen negatieve effecten hebben op natuurwaarden ter plaatse.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe

36

met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan te worden dient aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op eventueel aanwezige de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In dit bestemmingsplan is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar zijn in de omgeving. De gemeente Cuijk heeft de bescherming uit haar archeologisch beleid verankerd in het ‘Archeologisch Beleidsplan Gemeente Cuijk’ en tevens in het bestemmingsplan door middel van dubbelbestemmingen. Conform deze beleidsstukken is de locatie gelegen grotendeels gelegen binnen het gebied ‘Waarde – archeologie 5’ en voor een klein deel binnen het ‘Gebied met lage archeologische verwachting. Voor dit laatste gebied geldt geen onderzoeksplicht. Voor het gebied ‘Waarde – archeologie 5’ geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsoppervlakte van minimaal 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van 50 centimeter. Conclusie De oppervlakte aan zonnepanelen is weliswaar circa 8 hectare, maar deze wordt niet in zijn gehaal afgegraven of verstoord.

De oppervlakte blijft daardoor in principe ruim onder de 2.500 m² De kans op het aantreffen van archeologische resten is daardoor uiterst gering en kan met enige zekerheid worden gesteld dat de aantasting van archeologische resten uitgesloten kan worden. Mochten er bij graafwerkzaamheden toch archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan geldt een meldingsplicht conform artikel 53 van de Monumentenwet.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Om te bepalen of de planlocatie is gelegen binnen een gebied welke van cultuurhistorisch belang is, is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Uit de Cultuurhistorische Waardenkaart blijkt dat de planlocatie niet binnen een cultuurhistorisch gebied is gelegen. Met onderhavige ontwikkeling worden dan ook geen cultuurhistorische kenmerken aangetast. Met de landschappelijke inpassing (zie hoofdstuk 3) is rekening gehouden met gebiedskenmerken en karakteristieken, waardoor met de ontwikkeling de huidige landschapskenmerken worden gerespecteerd en juist wordt bijgedragen aan de bestaande landschappelijke waarden.

37

5.6

Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit De realisatie van een zonneweide heeft een minimale verkeersaantrekkende werking tot gevolg. Wanneer dit wordt vergeleken met de huidige varkenshouderij vindt er zelfs een flink afname plaats van verkeersbewegingen, waardoor het aspect mobiliteit geen belemmering vormt.

5.6.2

Parkeren De parkeernormen zijn opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen auto en fiets Gemeente Cuijk’, behorende bij de ‘Parkeernota gemeente Cuijk 2016-2023’ welke op 3 augustus 2019 in werking is getreden. Uit deze nota volgt dat voor zonneweides geen parkeeropgave geldt. Sporadisch zullen controle en onderhoudswerkzaamheden plaatsvinden. Het terrein heeft voldoende ruimte om te kunnen voorzien in parkeerruimte voor één of een aantal auto’s. Conclusie In de nieuwe situatie heeft tot gevolg dat het aantal verkeersbewegingen sterk verminderd. Het aspect Verkeer levert geen belemmeringen op voor voorgestane ontwikkeling.

38

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van de omgevingsvergunningsaanvraag aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Er wordt een planschadeovereenkomst afgesloten en de sanering van de locatie (na 25 jkaar) wordt geregeld.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid De omgevingsvergunning wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken te inzage gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Omgevingsdialoog Op 11 oktober 2018 heeft er een informatiebijeenkomst plaatsgevonden waarin de plannen voor de locatie aan de Hapsebaan 33 te Vianen zijn toegelicht. In bijlage VII is de uitnodiging voor deze informatiebijeenkomst en de presentatie weergegeven. Tijdens deze bijeenkomst is een dialoog gevoerd met de dorpsraad en alle betrokkenen. In gemeenteraad in samenhang met nemen van voorbereidingsbesluit. Er zit een groot tijdsverloop in, maar dat zijn vooral praktische redenen (sloop, onderzoeken, verkrijgen van subsidie, afspraken met netbeheerder). Het uiteindelijke doel bleef onveranderd, waardoor geen wijzigingen zijn plaatsgevonden Daarnaast heeft er op 8-7-2019 en 29-10-2019 een overleg plaatsgevonden met de initiatiefnemers en de gemeente Cuijk. Tijdens dit overleg is de planvorming, planning, procedures en het proces m.b.t. de herontwikkeling van de varkenshouderij aan Hapsebaan 33 te Vianen besproken. De verslagen van deze twee bijeenkomsten zijn weergegeven in bijlagen VIII en IX.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=9042ad4f-ff93-4571-b641-9f12ae83334e