CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

05. Toelichting BP Kruising N264 Sint Hubert.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Kruising N264-Lange Schoolstraat sint Hubert9.632 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Kruising N264-Lange Schoolstraat, Sint Hubert Toelichting bestemmingsplan

Provincie Noord-Brabant 10 mei 2021

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Kruising N264-Lange Schoolstraat, Sint Hubert Provincie Noord-Brabant

Toelichting bestemmingsplan Definitief 02 10 mei 2021 117826/21-007.391

117826 dhr. ir. R.F. Vromans dhr. ir. A.S. Van Beinum

dhr. M.A.H. Storms MSc, dhr. ing. P.A.E. Adriaansen mw. M.J. Janssen MSc, mw J.B. Oegema MSc dhr. ir. R.F. Vromans

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Stationsweg 5 Postbus 3465 4800 DL Breda +31 (0)76 523 33 33 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toest emming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding en doel

5

1.2

Plangebied

5

1.3

Geldend bestemmingsplan

6

1.4

Leeswijzer

7

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

8

2.1

Huidige situatie

8

2.2

Gewenste situatie

8

3

BELEIDSKADER

10

3.1

Rijksbeleid

10

3.1.1 3.1.2 3.1.3

10 10 11

3.2

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Besluit ruimtelijke ordening

Provinciaal beleid

11

3.2.1 3.2.2

11 12

Brabantse omgevingsvisie Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

3.3

Gemeentelijke beleid

13

4

OMGEVINGSASPECTEN

14

4.1

Milieueffectrapportage en m.e.r.-beoordeling

14

4.2

Bodem

14

4.3

Verkeer en parkeren

15

4.4

Geluid

15

4.5

Luchtkwaliteit

16

4.6

Externe veiligheid

17

4.7

Kabels en leidingen

18

4.8

Archeologie

19

4.9

Natuur

20

4.9.1 4.9.2

Gebiedsbescherming Soortenbescherming

20 21

4.10

Waterhuishouding en riolering

22

5

JURIDISCHE PLANOPZET

23

5.1

Algemeen

23

5.2

Toelichting op de verbeelding

23

5.3

Toelichting op de regels

23

5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4

24 24 24 25

Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en Slotregels

6

UITVOERBAARHEID

26

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

26

6.2

Economische aspecten

27

6.3

Handhaafbaarheid

27

7

PROCEDURE

28

7.1

Ontwerpfase

28

7.1.1 7.1.2

28 28

7.2

Vooroverleg Ontwerpbestemmingsplan

Vaststellingsfase

28

Laatste pagina

29

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Verkennend bodemonderzoek

659

II

Akoestisch onderzoek N264

173

III

Archeologisch vooronderzoek

40

IV

Archeologische verwachtings- en advieskaart

14

V

Quickscan Wet natuurbescherming

45

VI

Soortgericht onderzoek naar vleermuis. Huismus, gierzwaluw

31

VII

Effectbeoordeling natuur stikstof

70

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding en doel

De provinciale weg N264 loopt door de kom van Sint Hubert. Voor de herinrichting van de N264 in de kom van Sint Hubert is het noodzakelijk de kruising tussen de Pastoor Jacobsstraat (N264) en de Lange Schoolstraat opnieuw in te richten. Om de verkeerssituatie te verbeteren wordt een deel van de aangrenzende parkeerplaats gebruikt voor de herinrichting van het kruispunt. Deze herinrichting van de weg past niet binnen het huidige bestemmingsplan Kom Sint Hubert. Om de herinrichting mogelijk te maken is besloten het bestemmingsplan voor de kruising te wijzingen ter plekke van de huidige parkeerplaats.

1.2

Plangebied

Het plangebied, gelegen binnen de kern Sint Hubert, is weergegeven op afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1 Locatie plangebied (indicatief) in Sint Hubert in rood omlijnd

5 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan Kom Sint Hubert, dat is vastgesteld op 27 september 2012. Een deel van het ontwerp van de nieuwe kruising ligt binnen de bestemming ‘Detailhandel’ en is strijdig met het vigerende bestemmingsplan. De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: - detailhandel; - één bedrijfswoning per bouwvlak. Met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. In deze bestemming is detailhandel de hoofdfunctie en zijn wegen, parkeer- en groenvoorzieningen toegestaan mits deze bijbehorend zijn aan de hoofdfunctie. De herstructurering van de kruising behoort niet tot de functie detailhandel waardoor deze strijdig is met het vigerende bestemmingsplan. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede uit het bestemmingsplan Kom Sint Hubert weergegeven. De strijdigheden vinden plaats binnen de blauwe lijnen. Dit nieuwe bestemmingsplan voorziet in het omzetten van de bestemming detailhandel (gedeelte binnen de blauwe lijnen) in de bestemming verkeer, zodat de planologische strijdigheid wordt opgelost.

Afbeelding 1.2 Bestemmingsplankaart Kom Sint Hubert

6 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk 1, wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plangebied gegeven en wordt de gewenste situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de relevante beleidskaders en in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische planbeschrijving en hoofdstuk 6 beschrijft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en de handhaafbaarheid hiervan. Hoofdstuk 7 beschrijft de procedure die dit bestemmingsplan heeft doorlopen.

7 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED 2.1

Huidige situatie

De Pastoor Jacobsstraat is de doorgaande weg door Sint Hubert en heeft een belangrijk regionale verkeersfunctie voor zowel auto- als vrachtverkeer. De Lange Schoolstraat ligt aan beiden kanten van de Pastoor Jacobsstraat. De kruising is een ongelijkwaardige kruising waarbij gemotoriseerd verkeer en fietsers op de Pastoor Jacobsstraat voorrang genieten. Door middel van twee zebrapaden kunnen voetgangers op de kruising de Pastoor Jacobsstraat oversteken. Daarnaast bevindt zich ten westen van de kruising een bushalte. Rondom de kruising zijn verschillende functies aanwezig. Aan de zuidwestkant van de kruising bevindt zich detailhandel met bijbehorende parkeergelegenheid. Ten noorden van de kruising zijn woningen en twee horecagelegenheden met parkeerplaatsen gevestigd. Aan de zuidoostkant zijn voornamelijk woningen gesitueerd.

2.2

Gewenste situatie

Als onderdeel van de herinrichting van de volledige Pastoor Jacobsstraat in de kom van Sint Hubert wordt de kruising tussen de Pastoor Jabobsstraat en de Lange Schoolstraat opnieuw ingericht. Leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid van langzaam verkeer zijn belangrijke aandachtspunten bij deze herinrichting. Vanuit de omgeving is de wens meegegeven om met de inrichting van de weg een dorpser karakter te creëren. De herinrichting zorgt ervoor dat de kruising meer de structuur van een plein krijgt. Voor fietsers en voetgangers wordt een centrale gecombineerde oversteek gecreëerd. Deze centrale gecombineerde oversteek zorgt ervoor dat er minder conflictpunten tussen gemotoriseerd- en langzaam verkeer ontstaan. Voor de herinrichting van de kruising wordt een deel van het parkeerterrein aan de zuidwestkant van de kruising onderdeel van de kruising. Binnen de huidige verkeersbestemming is onvoldoende ruimte voor de nieuwe kruising. Het uitbreiden van de verkeersbestemming ter plekke van het parkeerterrein is noodzakelijk om de oversteek te realiseren en hiermee de leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid te verbeteren. Binnen deze verkeersbestemming worden de parkeerplaatsen teruggebracht in de toekomstige situatie. De rijbaan van de Pastoor Jacobsstraat wordt uitgevoerd in geluidsreducerend asfalt.

Ter plaatse van de kruising krijgt deze een andere uitstraling om het plein (ten behoeve van het dorpse karakter) te benadrukken. Het fietspad wordt uitgevoerd in elementenverharding met een dorps karakter. Om op het plein toch onderscheid te maken tussen de rijbanen en de fietspaden, wordt de scheiding tussenbeide gemarkeerd. De nieuwe inrichting van de kruising is opgenomen op afbeelding 2.1.

8 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Afbeelding 2.1 Ontwerp herinrichting kruising (locatie nieuw bestemmingsplan rood omlijnd)

9 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

3 BELEIDSKADER 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen (H3 NOVI), zoals het waarborgen en realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. Conclusie Het voorliggend bestemmingsplan betreft een kruising in het stedelijk gebied van de kern Sint Hubert. Het plan is onderdeel van de herinrichting van de kom van Sint Hubert.

Het plan verbetert de veiligheid en ruimtelijke kwaliteit van N264 en draagt hiermee bij aan een veilige leefomgeving en robuust mobiliteitssysteem. Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan de Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de SVIR ten aanzien van de dertien daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Voor onderhavig bestemmingsplan is het nationale ruimtelijke belang ‘defensie’ van belang in verband met de nabijheid van het militaire luchtvaartterrein ‘Vliegbasis Volkel’ ten westen van de kern Mill. In het Barro zijn ter bescherming van het nationale ruimtelijke belang ‘defensie’ regels opgenomen ter borging van de Rijksbelangen die zijn opgenomen in het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen. Het gaat hier om zaken als obstakelvrije vlakken in het verlengde van de start en landingsbaan, hoogtebeperkingen, voorkomen van verstoring van het landingssysteem, het radarverstoringsgebied en geluidsgevoelige bebouwing.

10 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

De herinrichting van de kruising in Sint Hubert bevat geen objecten die door hun hoogte van invloed zijn op de vliegbasis Volkel. Conclusie Het bestemmingsplan is niet in strijd zijn met het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2). Er is geen sprake van belemmering van de nationale belangen.

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.

Voorliggend bestemmingsplan betreft het mogelijk maken van herstructurering van de kruising van de Pastoor Jacobsstraat met de Lange Schoolstraat. Deze aanpassing van een kruising is geen stedelijke ontwikkeling en hoeft daarom niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie De laddertoets is voor dit bestemmingsplan niet van toepassing.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Brabantse omgevingsvisie

Conform de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet heeft de provincie in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De Brabantse Omgevingsvisie benoemd onder andere dat de afgelopen decennia het op zorgvuldige wijze accommoderen van de groei van de bevolking, de economie en de mobiliteit centraal stond. In de komende decennia is de kernopgave het toekomstbestendig maken van de dorpen en steden. Transformatie van het stedelijk gebied wordt een belangrijke opgave. Het up-to-date houden van het bestaand stedelijk gebied is essentieel voor een duurzame, sociale en economische ontwikkeling van de steden en dorpen van Brabant. In de Brabantse Omgevingsvisie streeft de provincie naar een veilig mobiliteitssysteem. Als wegbeheerder zorgt de provincie voor veilige provinciale wegen.

11 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Conclusie De herinrichting van de N264, waar de kruising van dit bestemmingsplan onderdeel van uitmaakt, draagt bij aan veilige provinciale wegen binnen Brabant en het up-to-date houden van het bestaand stedelijk gebied. Hiermee is het bestemmingsplan in lijn met de Brabantse Omgevingsvisie.

3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is een eerste opmaat naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. Het bevat regels die betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. Op het plangebied zijn vier zaken uit de Interim omgevingsverordening van toepassing: - provinciale weg (artikel 2.50 Verbod veranderen Provinciale weg); - diep grondwaterlichaam (artikel 2.20 verbod onconventionele koolwaterstofwinning diep grondwaterlichaam; - stalderingsgebied (artikel 2.74 stalderen); - stedelijke gebied (artikel 2.72 verbod uitbreiding veehouderij). Artikel 2.50 stelt dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten de provinciale weg te veranderen. Echter is een uitzondering hierop wanneer het veranderen van de provinciale weg door of in opdracht van de provincie tijdens het uitvoeren van de zorgplicht wordt gedaan. Artikel 2.20 en 2.74 zijn niet van toepassing op het project omdat er geen onconventionele winning van koolwaterstoffen en uitbreiding van stallen plaatsvinden. Daarnaast worden er geen veehouderijen uitgebreid binnen stedelijk gebied zoals bedoeld in artikel 2.72.

Daarnaast is dit bestemmingsplan getoetst aan hoofdstuk 3 (instructieregels aan gemeenten) van de Interim omgevingsverordening. Voor de herinrichting van de kruising tussen de Pastoor Jacobsstraat en de Lange Schoolstraat zijn artikel 3.5 (zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit) en artikel 3.6 (zorgvuldig ruimtegebruik) van belang. Leefbaarheid, verkeersveiligheid en oversteekbaarheid langzaam verkeer zijn belangrijke aandachtspunten bij de herinrichting van de kruising. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving dient volgens artikel 3.4 lid 2 rekening gehouden te worden met: 1 zorgvuldig ruimtegebruik; 2 de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3 meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dit geval in (aangezien geen sprake is van bouwwerken) dat toepassing is gegeven aan de Ladder Duurzame Verstedelijking. In paragraaf 3.1.3. is echter geconcludeerd dat de laddertoets niet aan de orde is. Hiermee is de herinrichting van de kruising niet in strijd met zorgvuldig ruimtegebruik. De lagenbenadering houdt in dat rekening is gehouden met effecten op zowel de ondergrond, infrastructuur in de bodem en bovengrondse waarden. In hoofdstuk 4 zijn effecten diverse lagen onderbouwd. Hiermee is de herinrichting van de kruising niet in strijd met de lagenbenadering.

Van meerwaardecreatie is sprake aangezien de herinrichting bijdraagt aan een veilige kruising met een dorps karakter. Hiermee zorgt de herinrichting ook voor meerwaarde voor de omgeving.

12 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Conclusie De herinrichting van de kruising voldoet aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik. De herinrichting van de kruising tussen de Lange Schoolstraat en de Pastoor Jacobsstraat is daarom niet in strijd met de regels uit de Interim omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijke beleid

De gemeenteraad van Mill en Sint Hubert heeft op 29 september 2011 de Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ gemeente Mill en Sint Hubert vastgesteld. Met de structuurvisie wil de gemeente duidelijk richting geven aan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gehele gemeentelijk grondgebied. In de structuurvisie wordt ingegaan op de brede visie op de toekomst. Deze wordt samengevat in het volgende missiestatement: De gemeente Mill en Sint Hubert wil zich ontwikkelen tot een eigentijdse en authentieke woon-, werk- en leefgemeente van hoogwaardige en duurzame kwaliteit, waar mensen thuis zijn in een gastvrije gemeenschap gelegen in een aangename landelijke en dorpse omgeving, die is geïnspireerd op de grote diversiteit aan natuur, landschap en cultuurhistorie. Voor het thema infrastructuur benoemd de gemeentelijke structuurvisie dat de strategie van de gemeente erop is gericht de bestaande infrastructuur te handhaven en alleen nieuwe infrastructuur toe te voegen als die strikt noodzakelijk is. Het in stand houden van de hoofdverbindingen is van essentieel belang voor de bereikbaarheid van de kernen. Aanpassingen aan de infrastructuur die noodzakelijk zijn voor een goede verkeersafwikkeling of die de verkeersveiligheid ten goede komen, zijn toegestaan.

Conclusie De herinrichting van de N264, waar de kruising van dit bestemmingsplan onderdeel van uitmaakt, draagt bij aan het in stand houden van de hoofdverbinding N264 en de bereikbaarheid van de kern Sint Hubert. De wijziging van de kruising verbetert de verkeersveiligheid. Hiermee is de herinrichting van de kruising in lijn met de gemeentelijke structuurvisie.

13 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

4 OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.

4.1

Milieueffectrapportage en m.e.r.-beoordeling

Op grond van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) en op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) geldt dat activiteiten, plannen of besluiten waarvoor een MER noodzakelijk is, zijn opgenomen in de bijlage bij het Besluit m.e.r., onderdeel C. De gevallen waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt zijn opgenomen in onderdeel D van deze bijlage. Voor de herinrichting van de N264 in Sint Hubert geldt geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht. De voorgenomen activiteit kwalificeert namelijk niet als een activiteit zoals beschreven in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

4.2

Bodem

Toetsingskader De gemeente streeft naar een duurzaam bodembeheer. Een goede afstemming tussen het bodemgebruik en de aanwezige bodemeigenschappen en bodemkwaliteit is de basis van duurzaam bodembeheer. In het kader van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden vastgesteld of de voorgenomen vorm van bodemgebruik, vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, ter plaatse mogelijk is en welke vervolgacties eventueel noodzakelijk zijn om dit mogelijk te maken. In de Wet bodembescherming (Wbb) is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Resultaten Voor het plangebied van de gehele herinrichting van de N264 in Sint Hubert is een milieukundig verhardingsonderzoek, inclusief indicatief funderingsonderzoek en verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage I). Uit het verhardingsonderzoek blijkt dat het asfalt bij de kruising tot 76 mm diepte geschikt is voor warm hergebruik. Het overige asfalt is deels teerhoudend, waardoor voor eventueel hergebruik een freesplan dient te worden opgesteld. Het asfaltgranulaat (BRAC) en grind fundering zijn indicatief niet toepasbaar.

De puinfundering kan (zonder bewerking) op locatie worden hergebruikt.

14 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Uit het verkennend bodem- en asbestonderzoek blijken geen aanvullende maatregelen voor de bodem noodzakelijk te zijn. Conform de CROW 400 dient alleen de basishygiëne in acht te worden genomen. Conclusie Op basis van de resultaten van het milieukundig verhardingsonderzoek, indicatief funderingsonderzoek en verkennend bodem- en asbestonderzoek kan de herinrichting van de kruising van de Lange Schoolstraat en de Pastoor Jabobsstraat worden uitgevoerd. Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.3

Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de mogelijke verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de bestaande functies in beeld worden gebracht. Toetsingskader Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ op grond van artikel 3.1 Wro. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet het bevoegd gezag de diverse belangen voor de lokale situatie dus onderling afwegen. Resultaten Ten behoeve van de herinrichting van de kruising wordt een verkeerskundige analyse niet noodzakelijk geacht, omdat de wijzigingen geen uitbreiding van verkeerscapaciteit met zich meebrengt. Hierdoor heeft de herinrichting geen verkeersaantrekkende werking op gemotoriseerd (auto)verkeer. Het aantal rijstroken in de toekomstige situatie blijft gelijk aan de huidige situatie. Daarnaast verdwijnen er geen parkeerplaatsen in de openbare ruimte en blijft de parkeercapaciteit gelijk aan de huidige situatie. De herinrichting van de kruising heeft als doel de verkeerssituatie te verbeteren. Vanuit de omgeving is de wens meegegeven om met de inrichting van de weg een dorpser karakter te creëren. De herinrichting zorgt ervoor dat de kruising meer de uitstraling van een plein krijgt.

Voor fietsers en voetgangers wordt een centrale gecombineerde oversteek gecreëerd. Deze centrale gecombineerde oversteek zorgt ervoor dat er minder conflictpunten tussen gemotoriseerd- en langzaam verkeer ontstaat. Conclusie Door de herinrichting van de kruising verbetert de verkeersituatie. Daarnaast zorgt de herinrichting van de kruising niet voor gewijzigde verkeersstromen in en rondom het plangebied. Vanuit verkeerskundig perspectief zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.4

Geluid

Wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Deze paragraaf is een verkorte weergave van het akoestisch onderzoek. Het volledige akoestisch onderzoek is opgenomen in Bijlage II. Toetsingskader De Wet geluidhinder is van toepassing bij de aanleg en/of wijziging van de volgende geluidsbronnen: - gezoneerde bedrijventerreinen; - spoorwegen (geen hoofdspoorwegen); - wegen (hoofdwegen én 30 km wegen of woonerven).

15 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

In verband met de fysieke wijziging van de kruising dient in het kader van de Wet geluidhinder de akoestische effecten te worden beoordeeld. Vanwege de aanwezigheid van geluidgevoelige bestemmingen binnen de invloedssfeer (wettelijke geluidzone) van de te wijzigen wegen dient in het kader van de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Het uit te voeren akoestisch onderzoek zal moeten voldoen aan het Reken- en Meetvoorschrift 2012. Bij wijzigingen op of aan een weg moet binnen het afgebakende onderzoeksgebied onderzocht worden of er sprake is van ‘reconstructie’ van die weg zoals dat is gedefinieerd in de Wgh. Er is sprake van ‘reconstructie’ als aan de volgende twee voorwaarden voldaan wordt: - er moet sprake zijn van een fysieke wijziging op of aan de weg. Het gaat dan bijvoorbeeld om een wijziging van het profiel, de wegbreedte, de hoogteligging, het wegdek, het aantal rijstroken, de aanleg van kruispunten, de aanleg van aansluitingen, op- en afritten, wijzigingen van de maximumsnelheid, en dergelijke; - ten gevolge van deze wijziging en de verwachte groei van het verkeer in de eerste tien jaar na de wijziging moet er sprake zijn van een toename van de geluidbelasting met (afgerond) 2 dB of meer. Om dit te kunnen bepalen moet dus eerst voor elke geluidgevoelige bestemming de geldende ‘grenswaarde’ worden bepaald.

Vervolgens wordt bezien of deze grenswaarde in de toekomstige situatie, doorgaans het 10e jaar na openstelling van de gewijzigde weg, met 1,50 dB of meer overschreden wordt. Resultaten In opdracht van provincie Noord-Brabant heeft Witteveen+Bos een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de voorgenomen fysieke wijziging van de N264, te Sint Hubert. De wijzigingen bestaan onder andere uit een verschuiving van de wegas en aanpassingen van kruisingen. Het doel van dit onderzoek is het bepalen of er al dan niet sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder door het wijzigen van de N264. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de wijziging aan de N264 afgerond maximaal 1 dB toeneemt. Omdat er niet wordt voldaan aan de twee voorwaarden die in de Wgh worden gesteld, is er geen sprake van reconstructie van de weg in de zin van de Wgh. Conclusie Dit bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk. Daarnaast worden geen inrichtingen mogelijk gemaakt die moeten voldoen aan de Wet milieubeheer. Uit het akoestische onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een reconstructie van een weg en daarom geen verdere onderzoeksplicht in het kader van de Wgh nodig is. Daarnaast wordt voldaan aan een 'goede ruimtelijke ordening' omdat van significante geluidstoename geen sprake is.

Vanuit het aspect geluid zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.5

Luchtkwaliteit

Bepaalde bestemmingen in een ruimtelijk plan kunnen (extra) gevoelig zijn voor luchtverontreiniging. Daarom moeten de nieuwe planologische mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt beoordeeld worden op de effecten op de luchtkwaliteit. Dit volgt enerzijds uit luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden) en anderzijds is de ‘goede ruimtelijke ordening’ een randvoorwaarde. Er moet sprake zijn van een ruimtelijk aanvaardbare situatie. Toetsingskader In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. In artikel 5.16 is vastgelegd dat bestuursorganen bevoegdheden, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan, mogen uitoefenen wanneer sprake is van één van de volgende gevallen: - er is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden; - de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht verbetert of blijft ten minste gelijk; - het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de concentratie van de desbetreffende stoffen in de buitenlucht; - de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

16 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en in ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. Voor ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. Resultaten Voor de herinrichting van de kruising is voor luchtkwaliteit enkel het aspect verkeer relevant. In de regel is het van belang om na te gaan of de realisatie van het project gevolgen heeft voor de hoeveelheid (motorisch) verkeer in het projectgebied en de gevolgen voor luchtconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het aantal verkeersbewegingen blijft na de herinrichting van de kruising gelijk aan de huidige situatie (de autonome verkeersgroei buiten beschouwing latende). De voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. Conclusie De herinrichting van de kruising leidt niet tot meer verkeersbewegingen. Er is geen sprake van nieuwe verkeersaantrekkende functies. De concentratie van luchtverontreinigende stoffen ten gevolge van de vaststelling van dit bestemmingsplan zal niet wijzigen. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden in de Wet milieubeheer.

Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken in de leefomgeving. De gemeenten in het Land van Cuijk, waar gemeente Mill en Sint Hubert ook onder valt, hebben in de Beleidsvisie Externe veiligheid afgesproken om veiligheidsrisico’s te toetsen aan de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RNVGS). Toetsingskader Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10 -5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10 -6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.

17 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Resultaten Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Binnen het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. Daarnaast zijn er in de directe omgeving geen risicobronnen aanwezig waarvan de plaatsgebonden risicocontour of de risicocontour van het groepsrisico tot in het plangebied reiken. De N246 is een lokale transportroute voor gevaarlijke stoffen. Onderhavig bestemmingsplan maakt geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk. De kruising is daarnaast zelf geen risicobron en herinrichting leidt niet tot een toename in het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Hiermee treedt er geen wijziging op wat betreft externe veiligheid. Dit plan vereist dan ook geen nader onderzoek op het gebied van externe veiligheid. Conclusie Onderhavig bestemmingsplan maakt geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk. De kruising is daarnaast zelf geen risicobron en herinrichting leidt niet tot een toename in het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Hiermee treedt er geen wijziging op wat betreft externe veiligheid. Vanuit de aspect externe veiligheid zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.7

Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: 1 buisleidingen met een externe veiligheidszone; 2 bovengrondse hoogspanningslijnen; 3 overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Voorbeelden van planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: - gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; - defensiebrandstoffen; - warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Toetsingskader Voor elk van de drie typen leidingen en verbindingen is het wettelijk gezien anders geregeld: 1 voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang; 2 voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk.

Hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen heeft het rijk aangegeven in haar ‘Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ uit 2005 met kenmerk SAS/2005183118; 3 voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt. Resultaten Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.

18 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Conclusie Vanuit het aspect planologische kavels en leidingen zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.8

Archeologie

Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Toetsingskader De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Resultaten archeologisch onderzoek Voor de herinrichting van de N264 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (zie bijlage III).

Samengevat wordt in het archeologisch vooronderzoek het volgende geconcludeerd: Voor het plangebied (kruising tussen de Lange Schoolstraat en de Pastoor Jabobsstraat) geldt op basis van de aardwetenschappelijke waarden, de ligging in/nabij het oude centrum van Sint Hubert en de aanwezigheid van een laatmiddeleeuws dijklichaam een hoge archeologische verwachting. Deze hoge archeologische verwachting geldt vanaf het maaiveld tot 1,25 m-mv (hoge zwarte enkeerdgronden in het oosten van het plangebied). Door sub-recente activiteiten, met nam de aanleg van bestaande kabels en leidingen, kan de ondergrond in delen van het plangebied verstoord zijn geraakt. Het is echter niet exact bekend waar en tot hoe diep, en of dit eventuele archeologische sporen of vondsten in de ondergrond heeft aangetast. Op basis van het archeologisch vooronderzoek is door Vestigia een memo opgesteld met een gedetailleerde verwachtings- en advieskaart1 (bijlage IV). De parkeerplaats die onderdeel is van het plangebied is hierin aangeduid als relatief onverstoord. Voor de herinrichting van de N264 zijn er twee soorten werkzaamheden in de ondergrond die mogelijk verstorend zijn voor de hoge archeologische verwachting vanaf maaiveld tot 1,25 m-mv: 1 de aanleg van een nieuw riool; 2 het rooien en aanleggen van bomen. Binnen het plangebied wordt geen riool aangelegd of bomen gerooid of geplant.

De overige werkzaamheden bij de herinrichting van de weg zullen slechts oppervlakkig zijn (zoals het frezen van het bestaande wegdek). Hierbij zullen geen onderliggende, nog onverstoorde, lagen worden bereikt die onderdeel uitmaken van de hoge archeologische verwachting vanaf maaiveld tot 1,25 m-mv. De werkzaamheden leiden hiermee niet tot verstoring van de archeologische waarden. Vervolgstappen in het kader van archeologie zijn niet nodig. 1

Verwachtings- en advieskaart bevat zowel herinrichting kom Sint Hubert als de ontwikkeling van twee woningen aan de Pastoor Jacobsstraat 34. De ontwikkeling van deze woningen heeft geen betrekking op dit bestemmingsplan voor de kruising Pastoor Jacobsstraat - Lange Schoolstraat.

19 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Conclusie In het plangebied van dit bestemmingsplan worden geen werkzaamheden uitgevoerd die kunnen leiden tot verstoring van de archeologische waarden. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.9

Natuur

De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Het gaat hierbij om gebiedsbescherming (Natura 2000), soortenbescherming en houtopstanden (buiten de bebouwde kom voormalige Boswet). De gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland volgt uit het Barro en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom geldt de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het gemeentelijk bomenbeleid als (wettelijk) kader. Voor het onderdeel natuur is een quickscan Wet natuurbescherming (hierna: quickscan) uitgevoerd om de mogelijke effecten van de herinrichting van de N264 te bepalen op: - beschermde gebieden (Natura 2000) in het kader van de Wet natuurbescherming; - beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming; - het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in Noord-Brabant het Natuurnetwerk Noord-Brabant (NNB). De quickscan is te vinden in bijlage V en gaat tevens in op wat de consequenties van deze mogelijke effecten van de herinrichting van de N264 zijn in het kader van de natuurwetgeving en het natuurbeleid (ontheffingsen/of vergunningaanvraag in combinatie met mitigerende/compenserende maatregelen). Voor uitvoering van dit bestemmingsplan worden geen houtopstanden gekapt. Op dit aspect wordt daarom ook niet verder ingegaan.

In de quickscan is geconcludeerd dat stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet op voorhand is uit te sluiten. Om de omvang en reikwijdte van de eventuele stikstofdepositie inzichtelijk te maken, zijn stikstofdepositieberekeningen uitgevoerd. Daarnaast zijn voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluw mogelijk beschermde waarden in en rond het plangebied aanwezig. Om dit te bepalen is een soortgericht onderzoek uitgevoerd (bijlage VI). De conclusies van de verschillende onderzoeken zijn hieronder opgenomen.

4.9.1

Gebiedsbescherming

Natura 2000 Het plangebied ligt op grote afstand (meer dan negen kilometer) van omliggende Natura 2000-gebieden. Als gevolg van deze afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Stikstofdepositie In de gebruiksfase blijft de stikstofemissie en -depositie gelijk aan de huidige situatie, omdat na de afronding van de werkzaamheden de oorspronkelijke routering gevolgd wordt en het project geen verkeersaantrekkend of -afstotend effect heeft. Voor de aanlegfase is in opdracht van provincie Noord-Brabant een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd naar de realisatie van de herinrichting van de kom van Sint Hubert. Uit de berekeningen blijkt dat tijdens de aanlegfase sprake is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Indien er gebruik wordt gemaakt van STAGE-klasse IIIb werktuigen, wordt de hoogste depositie van 0,04 mol N/ha/jaar berekend op Natura 2000-gebied Oeffelter Meent.

Verder blijkt uit de berekeningen dat tijdens de aanlegfase ook sprake is van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden indien er gebruik wordt gemaakt van STAGE-klasse IV werktuigen, waarvan een depositie van 0,03 mol N/ha/jaar wordt berekend op Natura 2000-

20 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

gebied Oeffelter Meent. De stikstofdepositie wordt voornamelijk veroorzaakt door omleiden van het verkeer tijdens de werkzaamheden over en route die deels over de A73 gaat binnen 5 km van Natura 2000-gebied Oeffelter Meent. Sinds kort biedt de provincie de mogelijkheid om projecten met kleine tijdelijke deposities (kleiner of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar, of een equivalent hiervan) zonder vergunning toe te staan. Middels een voortoets dient dan te worden onderbouwd, dat de tijdelijke stikstofdepositie niet leidt tot significante negatieve gevolgen, waarmee het project in beginsel niet vergunning plichtig zou zijn met betrekking tot stikstofdepositie. Deze voortoets is opgenomen in Bijlage VII. Uit de voortoets blijkt dat dergelijke lage toenames in stikstofdepositie nooit leiden tot directe schade aan planten of tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling. Daarnaast vormen deposities van dit formaat een verwaarloosbare bijdrage aan de totale depositie. In de gebruiksfase treedt geen toename van depositie op. Significant negatieve gevolgen op Natura 2000 gebieden als gevolg van de stikstofdepositie zijn uitgesloten. Een Wnb-vergunning is niet aan de orde. Natuurnetwerk Noord-Brabant Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.

Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. Het Noord-Brabantse deel van dit natuurnetwerk wordt in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant aangeduid als Natuur Netwerk Brabant (NNB). Bij de beoordeling van effecten op het NNB dient op grond van artikel 3.16 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ook te worden gekeken naar effecten van ingrepen buiten het NNB (‘externe werking’), maar dan alleen voor zover het effecten betreft die niet het gevolg zijn van de verspreiding van stoffen in de lucht of het water. Het gaat hierbij dan ook enkel om directe effecten die een negatief effect kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB (geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring. Het plangebied grenst niet aan een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde perceel waarop de beheertypen droog bos met productie (N16.03), dennen-, eiken- en beukenbos (N15.02), beek en bron (N03.01), zand- en kalklandschap (N01.04) en vochtig bos met productie (N16.04) aanwezig zijn, ligt op 110 m ten zuidwesten van het plangebied.

Aangezien het plangebied echter ruim buiten de grenzen van het NNN ligt, is er geen sprake van directe negatieve effecten (geluid, licht, trillingen of optische verstoring) op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vervolgstappen in het kader van NNN zijn daardoor niet nodig. Conclusie Als gevolg van de afstand minimaal 9 km tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden kan worden uitgesloten dat effecten zoals oppervlakteverlies en verstoring door geluid, licht (’s avonds en ’s nachts werken), trilling of optische verstoring optreden binnen de betreffende Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen. Daarnaast blijkt uit de voortoets dat significant negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden als gevolg van de stikstofdepositie uit te sluiten is. Een Wnb-vergunning is niet aan de orde. Aangezien het plangebied echter ruim buiten de grenzen van het NNN ligt, is er geen sprake van directe negatieve effecten (geluid, licht, trillingen of optische verstoring) op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. Vervolgstappen in het kader van NNN zijn daardoor niet nodig.

4.9.2

Soortenbescherming

Uit de quickscan blijkt dat als gevolg van de herinrichting van de kruising geen effecten te verwachten zijn op vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en vlinders, libellen en ongewervelde. Voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluw zijn mogelijk beschermde waarden in en rond het plangebied aanwezig. In het voor- en najaar van 2020 is soortgericht onderzoek uitgevoerd naar deze soorten om de gevolgen van de herinrichting te bepalen. Uit dit onderzoek blijkt dat nesten van huismus en gierzwaluw niet voorkomen binnen het plangebied. Ook bevinden zich in het plangebied geen

21 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

verblijfplaatsen voor vleermuizen en wordt het plangebied niet gebruikt als foerageergebied. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van (essentiële) vliegroutes. Conclusie Dit bestemmingsplan heeft geen effect op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Vanuit het aspect beschermde soorten zijn er geen bezwaren welke de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan in de weg staan.

4.10

Waterhuishouding en riolering

De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. Toetsingskader Sint Hubert ligt binnen het beheersgebied van waterschap Aa en Maas. Het waterschap Aa en Maas is zowel waterkwantiteit- als waterkwaliteitbeheerder. Voor de uitwerking van een watertoets heeft waterschap Aa en Maas 8 onderwerpen geformuleerd die als uitgangspunten voor de watertoets dienen: 1 voorkomen van vervuiling; 2 wateroverlastvrij bestemmen; 3 Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen (HNO); 4 vuil water en hemelwater scheiden; 5 hergebruik, infiltratie, buffering, afvoer; 6 waterschapsbelangen; 7 meervoudig ruimtegebruik; 8 water als kans. Resultaten Na beoordeling van de uitgangspunten kan het volgende worden geconcludeerd. Algemeen De herinrichting van de kruising leidt niet tot een toename in verhard oppervlakte. In de huidige situatie is al sprake van een verharde parkeerplaats, in de nieuwe situatie ligt er op deze plek een verharde weg. Ook wordt de grondwaterstand door de herinrichting niet veranderd.

Vuil water en hemelwater scheiden Als onderdeel van de herinrichting van de gehele N264 in Sint Hubert wordt de riolering vernieuwd. Hiervoor wordt het hemelwater van het verhard oppervlakte afgekoppeld. Het hemelwaterriool loost op een nabijgelegen oppervlaktewater. Voor het afkoppelen van het verharde oppervlakte wordt een watervergunning aangevraagd bij het waterschap. Waterschapsbelangen Met de herinrichting van de kruising zijn geen waterschapsbelangen in het geding. In het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren en waterkeringen. Tevens liggen er geen ruimteclaims voor waterberging, de afvalwaterketen of aanleg van natte ecologische verbindingszones en beekherstel. Conclusie Als gevolg van de herinrichting van de kruising zijn geen negatieve effecten te verwachten op de waterhuishouding of de riolering. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

22 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

5 JURIDISCHE PLANOPZET 5.1

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en de gemeentelijke standaarden (Handboek digitale bestemmingsplannen gemeenten Land van Cuijk 2010).

5.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Alle gronden binnen het plangebied hebben op de verbeelding een bestemming gekregen. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - enkelbestemming ‘Verkeer’; - dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Voor de benamingen van de bestemmingen is aangesloten bij het bestemmingsplan Kom Sint Hubert. De gronden binnen het plangebied hadden in het vigerende bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Detailhandel’. Door de uitbreiding van de kruising is de bestemming van deze gronden omgezet naar de enkelbestemming ‘Verkeer’. De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ en bijbehorend vergunningstelsel is in onderhavig bestemmingsplan ongewijzigd overgenomen.

5.3

Toelichting op de regels

De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: - hoofdstuk 1: Inleidende regels; - hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; - hoofdstuk 3: Algemene regels; - hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.

23 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

5.3.1

Inleidende regels

De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een omschrijving gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 Wijze van meten In artikel 2 is een omschrijving gegeven van de te gebruiken wijze van meten.

5.3.2

Bestemmingsregels

De bestemmingsregels kennen een gelijke opbouw (voor zover van toepassing): een bestemmingsomschrijving, bouwregels, afwijking van de bouwregels, specifieke gebruiksregels en afwijking van de gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen om omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Artikel 3 Verkeer De wegen binnen het plangebied worden bestemd als ‘Verkeer’, waarbij het gebruik is afgestemd op verkeersafwikkelingen en verblijfsgebied.

De gronden mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speel- en ontmoetingsvoorzieningen, straatmeubilair en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 4 Waarde - Archeologie 2 Deze gronden zijn behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de (te verwachten archeologische) waarden van de gronden. Er geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2.

5.3.3

Algemene regels

In de algemene regels zijn een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels en de algemene nadere eisen. Artikel 5 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

24 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

Artikel 6 Algemene bouwregels In deze bepaling wordt, bij de toepassing van bepalingen van het bestemmingsplan, de aanvullende werking van de bouwverordening uitgesloten. Verder wordt in deze bepaling een opsomming gegeven van onderwerpen, waarop de bouwverordening wel van toepassing is. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In deze bepaling is aangegeven wat onder strijdig gebruik van het bestemmingsplan wordt verstaan. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Artikel 9 Algemene nadere eisen In deze bepaling is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om nadere eisen te stellen aan de plaats en de afmeting van de bebouwing. Het gaat hierbij om nadere eisen ten behoeve van een samenhangend stedenbouwkundig beeld, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de milieusituatie.

5.3.4

Overgangs- en Slotregels

Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Artikel 10 Overgangsrecht Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestaande bebouwing en bestaand gebruik, welke afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen regels, te kunnen worden voortgezet. In deze bepaling geldt dit niet voor reeds met de vorige bestemmingsplannen strijdige situaties. De tekst van de bepaling is voorgeschreven in artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 11 Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Kruising N264 Lange Schoolstraat Sint Hubert.

25 | 29

Witteveen+Bos | 117826/21-007.391 | Definitief 02

6 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid van het plan. Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet onderzoek worden gedaan naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. Dit wil zeggen dat voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt door dit bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden en maatschappelijk uitvoerbaar zijn. Omdat de Pastoor Jacobsstraat veel aanwonenden raakt is de omgeving nauw betrokken bij het uitwerken van het principeplan voor herstructurering van de N264. In een vroeg stadium zijn de individuele wensen uit de omgeving geïnventariseerd met als doel tot een breed gedragen principeplan te komen voor de herinrichting. De volgende bijeenkomsten zijn hiervoor georganiseerd: - oktober 2018: Voorlichtingsbijeenkomst over de keuze voor een herinrichting en uitleg over het participatieproces dat gaat starten t.b.v. het ontwerp voor de herinrichting; - periode januari – september 2019: 4 ontwerpsessies met een ‘brede werkgroep’ voor de herinrichting van de kom; - september 2019: principeplan met voorkeursvariant incl. reconstructie van de Lange Schoolstraat wordt vastgesteld door de stuurgroep; - oktober 2019: Voorlichtingsbijeenkomst over principeplan met de voorkeursvariant incl. reconstructie van de Lange Schoolstraat (in deze gehele periode zijn ook meerder nieuwbrieven verspreid). Vervolgens is het principeplan uitgewerkt tot een gedetailleerd ontwerp. Ook hierbij is de omgeving betrokken.

Dit is gedaan met zogenoemde ‘keukentafelgesprekken’ en via een online participatieplatform. Alle opgehaalde wensen zijn op diverse thema’s getoetst en tegen elkaar afgewogen. Uiteindelijk zijn er voor de gehele N264, 76 wensen gehonoreerd en meegenomen in het ontwerp. Na het ophalen van de wensen zijn er tijdens de uitwerking van het referentieontwerp twee ontwerpateliers gehouden met de werkgroep en dorpsraad. Zij hebben het ontwerpteam voorzien van de nodige feedback. De volgende bijeenkomsten zijn hiervoor georganiseerd: - januari 2020: dorpsraad en werkgroep worden geïnformeerd over de aanpak van de voorbereidingsfase; - periode maart – mei: keukentafelgesprekken met betrokkenen; - periode april-mei 2020: 2 digitale werksessies met de werkgroep t.a.v. de uitdetaillering van het principeplan; - juni 2020: vaststelling uitgewerkt plan door stuurgroep; - augustus 2020: informatiefolder ‘uitgewerkt principeplan’ wordt van huis-tot-huis verspreid in Sint Hubert (daarvoor al diverse digitale nieuwsbrieven). Reconstructie van de aansluiting N264/Lange Schoolstraat had de unanieme voorkeur van de brede klankbordgroep, omdat hierdoor de verkeersveiligheid en oversteekbaarheid voor fietsers en voetgangers verbetert en een dorpser karakter verkregen wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=12d9c8f9-d9d0-446a-b4bf-6a275f7c9680