04n. Quckscan flora en fauna 29 okt. 2019.pdf
Tekst van het document
Notitie
: Quickscan flora en fauna ‘Woningbouwlocatie Mill, ’t Kavelt’
Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:
: 29 oktober 2019 : Gemeente Mill en Sint-Hubert : P02086 : MvdS : NL
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging voor de realisatie van 56 woonkavels ten behoeve van fase 1 van de woningbouwlocatie ’t Kavelt, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd.
Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 31 oktober 2019 tussen 15.00-17.00 uur door twee ecologen van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 13°C, licht bewolkt, zonder neerslag, met een zuidenwind van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke 1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen aan de Wanroijseweg en Van den Bogaardweg aan de zuidoostzijde van de kern Mill, in de Gemeente Mill en Sint Hubert. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit grasland. Het plangebied grenst in noord- en westelijke richting aan enkele woonpercelen. Daarnaast grenst het plangebied oost- en zuidelijke richting aan een bosschage. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Toekomstige situatie De gewenste ontwikkeling bestaat vooralsnog uit de realisatie van in totaal 56 woningen. Er worden vier type woningen gerealiseerd, namelijk starterswoningen (8), halfvrijstaande woningen (4), een vrijstaande woning (1) en huurwoningen (5). Het plangebied wordt tevens voorzien in de realisatie van drie
2
parkeerkoffers. Daarnaast worden binnen het plangebied verschillende groenstroken gerealiseerd, welke voornamelijk in het midden van het plangebied zijn geprojecteerd. Al het verkeer binnen het plangebied wordt hoofdzakelijk ontsloten op Wanroijseweg en van den Boogaardweg. Tot slot wordt ten noordoosten van het plangebied een waterberging gerealiseerd. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
Figuur 3. Concept toekomstige situatie plangebied
3
Figuur 4. Westelijke hoek plangebied
Figuur 5. Oostelijke hoek plangebied, langs bosrand
Figuur 6. Zuidelijk deel plangebied, langs bosrand
Figuur 7. Centrale weiland plangebied
Figuur 8. Een van de faunatunnels onder de N264
Figuur 9. Bos ten zuiden van plangebied
4
Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Oeffelter Meent”, bevindt zich op circa 10,2 kilometer afstand ten noordoosten van het projectgebied (zie figuur 10). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 56 woningkavels betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten.
Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening dient uit te wijzen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt aansluitend ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zijn indirecte en externe effecten niet uit te sluiten. Om in beeld te brengen of de realisatie van de woonwijk negatieve effecten heeft op de NNB, en zo ja welke effecten dit zijn, is een effectenonderzoek NNB uitgevoerd, welke hieronder is ingevoegd.
5
Figuur 10. Ligging NNB (groen) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Effectenanalyse Natuurnetwerk Brabant Gezien de ligging van het plangebied direct tegen de NNB aan, is het mede vanuit de Gemeente Mill en Sint Hubert gewenst om een uitgebreide effectenanalyse uit te voeren, welke het volgende inzichtelijk maakt: Leidt de realisatie van een woonwijk op locatie ‘t Kavetl te Mill tot aantasting van het naastgelegen NNB, en hoe kan eventuele aantasting worden voorkomen? Het effectenonderzoek NNB zal in beeld brengen of, en zo ja welke negatieve effecten een dergelijke woonwijk heeft op het aangrenzende NNB. Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen, moeten de gebieden groot genoeg zijn en de mogelijkheid bieden voor migratie tussen de gebieden.
Om het NNB als zo`n netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de wegenstructuur. Als de omstandigheden in een bepaald gebied (tijdelijk) verslechteren, dan kan een soort uitwijken naar een
6
ander geschikt gebied. In het licht van de klimaatveranderingen is dit van toenemend belang. De ecologische verbindingszones zijn (vaak) langgerekte landschapselementen die als groene schakels de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden. Het Natuur Netwerk Brabant hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Het NNB bestaat uit: bestaande natuur- en bosgebieden; gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen; nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig; ecologische verbindingszones. Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben.
Dit wordt in het algemeen bereikt door: het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen ( bepalen ); voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer ( deelname ); inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden ( inrichting ); realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid ( uitvoering ). Ondanks afnemende rijksmiddelen kiest Brabant ervoor om samen met de zogenaamde regionale 'Manifestpartners' het hele NNB in Brabant realiseren. De provincie nodigt particuliere eigenaren en ondernemers uit om delen van het NNB te ontwikkelen. Natuur en landschap wordt meer vanuit de regio en dichter bij de samenleving gerealiseerd. De provincie biedt daarbij de ruimte om economische ontwikkeling te koppelen aan investeringen in natuur. Voor het ruimtelijk beleid heeft dit met name gevolgen voor het compensatiebeleid. De mogelijkheden voor financiële compensatie worden verruimd, fysieke compensatie is in beginsel alleen nog mogelijk binnen de nog niet gerealiseerde delen van het NNB.
Een uitzondering op de verplichte compensatie in het NNB is in het geval van gebiedsontwikkelingen waarbij een aantasting van het NNB plaatsvindt en waarbij via de saldobenadering compensatie wordt voorgesteld. Doordat het rijk nog wel uitvoering geeft aan die delen van het NNB die vanwege Europese verplichtingen gerealiseerd moeten worden, ontstaat er een tweedeling in het rijks- en het provinciale Natuurnetwerk. Voor het rijks-natuurnetwerk geldt op basis van het rijksbeleid (Nota ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied in stand te houden en te beschermen. Niet alleen het behouden, herstellen en beschermen van bestaande
7
waarden in het natuurnetwerk is belangrijk: er moet ook ruimte zijn voor ontwikkelingen. Juist daarmee ontstaan ook kansen voor de realisering en versterking van het natuurnetwerk. Hiertoe zijn in het Rijksbeleid (nota Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) instrumenten ontwikkeld. Deze instrumenten zijn vastgelegd in het door Rijk en provincies opgestelde document “Spelregels EHS beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS” (20 augustus 2007). Deze spelregels zijn in de Verordening nader uitgewerkt. Het betreft het zogenoemde 'nee, tenzij-principe': (nieuwe) plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Wezenlijke actuele en potentiële waarden van het gebied zijn bijvoorbeeld: natuurdoelen en -kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid en de landschapsstructuur.
Indien er inderdaad sprake is van een significant effect op deze waarden, is een ingreep alleen toegestaan indien er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven beschikbaar zijn (bij individuele ingrepen); De provincie hanteert dezelfde uitgangspunten voor die delen van het NNB die niet tot het rijks natuurnetwerk gerekend worden, het zogenaamde provinciale natuurnetwerk. Op de kaarten van de verordening is daarom geen verschil gemaakt tussen het rijks- of het provinciale natuurnetwerk; beide zijn aangeduid als NNB. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander (ruimtelijk) beleid of regelgeving. Daarnaast bestaat binnen de provincie Noord-Brabant de Groenblauwe Mantel. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw uit de Structuurvisie RO (het Natuur Netwerk Brabant) en het landelijk gebied, alsook het stedelijk gebied. De mantel beschermt het kerngebied groenblauw en zorgt voor verbinding met het omliggende gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.
Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. Voor het water wordt vooral ingezet op kwantitatief en kwalitatief herstel van kwelstromen, zoals het 'Wijstverschijnsel' (het opstuwen van grondwater) op de Peelrandbreuk in Oost-Brabant, in de beekdalen en op de overgangen van zand/veen naar klei in de 'Naad van Brabant'. De groenblauwe mantel biedt daarbij ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de 'ja-mitsbenadering'. Het is in eerste instantie aan de gemeenten om te beoordelen welke huidige waarden er in een gebied aanwezig zijn en of de beoogde ontwikkeling een bijdrage levert aan de kwaliteit daarvan. Daarbij is vooral de versterking van leefgebieden voor plant- en diersoorten in de groenblauwe mantel van belang. De groenblauwe mantel biedt in beginsel geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal-)intensieve vormen van recreatie en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties). In een aantal specifiek afgewogen gebieden is de aanduiding integratie stad-land (artikel 9) over de
8
groenblauwe mantel gelegd. In die gebieden is onder voorwaarden een beperkte stedelijke ontwikkeling mogelijk mits dit tevens bijdraagt aan de ontwikkeling van groene waarden in het gebied. Ligging NNB en Groenblauwe mantel Het plangebied is gelegen direct tegen de NNB (zie figuur 11). Het gehele perceel zal ingericht worden als woonwijk, langs de NNB komt deels de achtertuin van een rij van 4 vrijstaande woningen, en deels komt hier een weg tegenaan te liggen. Een effectenanalyse is uitgevoerd om de mogelijke effecten in detail te beoordelen.
Figuur 11. Ligging NNB (groen) en faunapassages (rood omcirkeld) ten opzichte van perceel plangebied (geel omlijnd)
Provincie Noord-Brabant heeft de ecologische kenmerken en waarden vastgelegd in de bijlage van het natuurbeheerplan Noord-Brabant. Deze omschrijvingen zijn sinds 2010 onderdeel het onderdeel ecologische kenmerken en waarden van de Verordening Ruimte (Provincie Noord-Brabant, 2017). Historische en actuele kenmerken en waarden De Molenheide bestaat momenteel voornamelijk uit naaldbos. Van de voormalige heidevelden komen langs bospaden nog enkele relicten voor. De Molenheide is leefgebied van de heikikker. Natuur- en landschapsdoelstellingen Voor de bossen wordt de omvorming naar natuurbos (voornamelijk Berken-Eikenbos en plaatselijk ook Beuken-Eiken- en Elzenbroekbos) nagestreefd. Op de landbouwgronden wordt de ontwikkeling
9
van droge heischrale graslanden en heide voorgesteld. Beheertypen Het aansluitend deel van de NNB is aangeduid met het beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos.
N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos
Figuur 12. Ligging van het plangebied (geel omlijnd) ten opzichte van het NNB (gekleurde delen). Bron: website Provincie NoordBrabant (http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/).
Dennen-, eiken-, of beukenbos omvat bossen met dennen, eiken, beuken en/of berken en zijn vaak eenvoudig van structuur. Veel van deze bossen komen voor op zure, droge en zandige bodems. Wanneer de bodem meer leem bevat, kennen de bossen een grotere floristische rijkdom. Ook vochtiger typen van deze bossen met pijpenstrootje in de ondergroei behoren hiertoe. De betekenis voor de biodiversiteit is met name gelegen in grote aantallen (vaak bedreigde) paddenstoelen, blad- en korstmossen en enkele vaatplanten. Structuurrijke bossen met enige buffering in de bodem, bossen met een hoge luchtvochtigheid en bossen met oude bomen kennen vaak een hogere biodiversiteit.
10
Actuele waarden van het plangebied In de huidige situatie bestaat deze natuur uit vrij jong gemengd bos, met onder andere Amerikaanse eik, grove den, berk en enkele lijsterbessen (figuur 9). Ondergroei is echter vrijwel niet aanwezig, en er werden, ondanks het geschikte seizoen, geen paddenstoelen waargenomen tijdens het veldbezoek. Het bos is verbonden met de Molenheide via twee faunapassages onder de N264, richting het westen is er nog een aanwezig (figuur 8 & 11). Het dunne deel van de NNB waar het plangebied direct aan grenst bevat relatief veel reliëf, hier loopt ook een pad doorheen wat vrij veel gebruikt lijkt te worden. De NNB binnen 150 meter van het plangebied bevat in ieder geval geen dassenburchten. Het plangebied kan in de huidige situatie wel (in beperkte mate) gebruikt worden door meerdere soorten broedvogels (bosvogels), grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en amfibieën. Afbakening van de effecten Het uitbreidingsgebied is direct tegen het NNB gesitueerd. Er gaat geen oppervlakte aan NNB verloren, er vinden geen werkzaamheden binnen de NNB plaats. Op basis van ecologische kenmerken en waarden dit gebied treden wel mogelijk negatieve effecten op als gevolg van verstoring (door een toename van verkeersgeluid en licht nabij het NNB, en betreding van het NNB). Deze potentiële effecten worden hieropvolgend nader uitgewerkt.
Effectenanalyse Ondanks dat de huidige ecologische kenmerken en waarden laag zijn, zullen factoren als areaal, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid en de landschapsstructuur, worden nagelopen om af te bakenen of eventuele veranderingen van deze factoren kan leiden tot significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB ter plaatse. Areaal Het areaal aan NNB zal niet verminderen door de voorgenomen plannen. Het betreffende bosdeel blijft toegankelijk voor de lokale fauna, zover aanwezig, en er is geen sprake van versnippering of doorsnijding van een migratieroutes of verbindingszone. Areaalverlies in de letterlijke zin is hierbij niet aan de orde. Geomorfologische en aardkundige waarden en processen Op de geomorfologische kaart is het plangebied gelegen in een gebied dat gekarteerd is als Plateauachtige horst met bovengrond van (grof)zandige rivierafzetting. Het dunne stuk NNB bestaat uit Dalvormige laagte, welke hoofdzakelijk ontstaan tijdens een geologisch tijdperk met periglaciale omstandigheden. Doordat de voorgenomen plannen enkel aan de “oppervlakte” plaatsvinden zal er geen verandering plaatsvinden met betrekking tot de huidige geomorfologische en aardkundige waarden en processen
11
Waterhuishouding en kwaliteit van de bodem Het gebied ligt binnen het vlak “Beschermde gebieden waterhuishouding”. Dit zijn gebieden waar verplaatsen van grondwateronttrekking naar of binnen het gebied verboden is. Hier geldt een vergunningsplicht voor grondwateronttrekking vanaf nul kubieke meter per uur. Binnen het bosgebied is de gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand gelegen tussen de 100 en 200 cm onder maaiveld. Wel wordt er veel verharding toegevoegd direct naast het NNB. In de planvorming wordt echter rekening gehouden met waterhuishouding, door bijvoorbeeld het toevoegen van wadi’s, waardoor de netto hoeveelheid water die opgenomen wordt door de bodem vergelijkbaar blijft. Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van het aantasten van de huidige waterhuishouding door onttrekking of vernatting. Een negatief effect op de waterhuishouding is daarmee uitgesloten. De bodem binnen het plangebied en in de dunne strook NNB bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden met leemarm en zwak lemig fijn zand. Het grotere bosgebied van de NNB bestaat uit holtpodzolgronden met grof zand. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt geen grond binnen de NNB vergraven. Daarnaast zal door de toenemende betreding door recreatie wel verdichting van de bodem plaats kunnen vinden. Een verdichte bodem heeft minder poriën en kan zo minder water en lucht bevatten.
Dit verlaagt de infiltratiesnelheid en de doorwortelbaarheid van de bovenste bodemlagen. Dit kan in het ergste geval tot gevolg hebben dat water onvoldoende in de bodem weg kan zakken en bomen ter plaatse kunnen verdrogen. Nu is het redelijkerwijs niet te verwachten dat bijvoorbeeld spelende kinderen en wandelende mensen, mede gezien de ervaring met bestaande gebieden met hoge recratiedruk, zo’n desastreus effect zullen hebben, en zijn essentiële effecten op de kwaliteit van de bodem redelijkerwijs uitgesloten. Water en lucht Binnen de NNB is geen oppervlaktewater aanwezig. De waardes van de luchtkwaliteit zullen mogelijk licht aangetast worden door de verkeersaantrekkende werking. Daarentegen is de N264 direct aansluitend aanwezig, welke veel door vrachtverkeer wordt gebruikt. Hierdoor zal de toename van enkele personenauto’s redelijkerwijs geen significant effect veroorzaken op de luchtkwaliteit. Significante effecten op de water- en luchtkwaliteit zijn redelijkerwijs uitgesloten. Rust en stilte In de huidige situatie is het bosgebied een vrij rustig gebied, met weinig bezoekers. Er zijn echter wel lokale bewoners die hier regelmatig wandelen, gezien de redelijk uitgesleten wandelpaden. Ook is er een grote boomhut in het bos aangetroffen. Verder wordt er binnen het plangebied geen geluid geproduceerd.
Tijdens het veldbezoek is echter wel waargenomen dat het geluid van het verkeer van de N264 veelvuldig te horen is, wat de rust en stilte niet bevordert. De voorgenomen ontwikkeling zal ervoor zorgen dat dit deel van het bos meer betreed zal worden dan in de huidige situatie het geval is. Hierdoor zal de rust en stilte van deze NNB afnemen. Dichtheden van met name het aantal broedvogels zouden iets af kunnen nemen hierdoor. Betreding in het donker zal waarschijnlijk vrijwel niet voorkomen, dit zou echter wel het grootst effect hebben op de lokale fauna, omdat de rust en stilte in de nacht het grootst is. Geadviseerd wordt betreding van de NNB van zonsondergang tot zonsopkomst te verbieden.
12
Donkerte In de huidige situatie wordt het bos veelvuldig en onregelmatig verlicht door wegverkeer van de Rijksweg, welke in directe lijn staan met de andere zijde van de bosrand. Gezien het bos niet erg dik is en met weinig ondergroei is de huidige hoeveelheid verlichting vrij veel. Het bos zal grenzen aan enkele achtertuinen, en waar geen huizen tussen het wegverkeer en de NNB staan zullen de auto’s enkel langs het bos af rijden zodat er geen lichtinschijning plaatsvindt. Daarnaast wordt in verband met een mogelijke vliegroute en foerageergebied van vleermuizen geen licht gericht of uitgeschenen op de bosrand. Hierdoor zal de fysieke toestand van het terrein met betrekking tot donkerte (ecologisch gezien) onveranderd blijven. De donkerte van het NNB zal niet worden aangetast. Openheid en geslotenheid De open- en geslotenheid van de bomen blijft onveranderd. Het huidige beheer zal behouden blijven. Hierdoor blijft het aanbod aan schuil- en nestgelegenheid voor met name kleine zangvogels en grondgebonden zoogdieren nagenoeg gelijk, en is er geen sprake van aantasting van de open- en geslotenheid. Landschapsstructuur en belevingswaarde Het bosgebied blijft gehandhaafd, enkel worden tegen de bosrand aan percelen gerealiseerd. Dit zal geen noemenswaardig effect hebben op de landschapsstructuur van het bosgebied op zich.
In de huidige situatie is dit deel van het NNB echter niet bedoeld om te recreëren. De belevingswaarde van de NNB zal daardoor niet worden aangetast. Conclusie effectenbeoordeling Daar de aangrenzende NNB is gelegen in een gebied wat reeds veel verstoring ondervindt en daarnaast, en wanneer aan onderstaande eisen wordt voldaan om effecten op de donkerte en rust te voorkomen, zal er geen significant effect optreden op de wezenlijke waarde en kenmerken van het NNB ter plaatse: Licht gericht en uitschijnend op de bosrand dient te worden vermeden, waar er een noodzaak is tot het plaatsen van verlichting in die richting dient deze door aanpassingen in armaturen en kleur natuurvriendelijk te worden gerealiseerd; Betreding van de NNB tussen zonsondergang en zonsopkomst dient te worden vermeden.
13
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Voor zover bekend worden er geen (onderdelen van) houtopstanden gekapt, hierdoor is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Wel staan er twee beeldbepalende bomen binnen en aan de rand van het plangebied waar men rekening mee moet houden. Het betreft een zomereik aan de van den Bogaardweg, en een zomereik aan de rand van het bos aan de oostzijde van het plangebied. Voor kap van deze bomen is een omgevingsvergunning benodigd.
Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming)
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven.
14
Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten
Nationaal beschermde soorten
(artikel 3.5 Wnb)
(artikel 3.10 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
-
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
15
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend.
Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Op het terrein is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil waargenomen. Het is echter niet geheel uitgesloten dat in de aanliggende bossen een nestlocatie van een soort met jaarrond beschermd nest aanwezig is. Ook kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning, grasmus, tjiftjaf en houtduif tot broeden komen. Als leefgebied is het plangebied weinig tot niet geschikt, aangezien het een regelmatig gemaaid grasland betreft. Daarnaast is in de omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Het is echter niet bekend of in de directe omgeving nestlocaties aanwezig zijn van soorten met jaarrond beschermd nest, welke verstoord kunnen worden door de werkzaamheden.
De bosgebieden binnen 75 meter van de werkzaamheden dienen gecontroleerd te worden op aanwezigheid van (roofvogel)nestlocaties. Ondanks dat dit bos reeds gecontroleerd is, heeft hier geen gebiedsdekkende controle naar roofvogelnesten plaatsgevonden, met name gezien er blad aan de bomen zat. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent
16
zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis en watervleermuis. Binnen het plangebied bevinden zich geen gebouwen of bomen met holtes die kunnen dienen als geschikte rust- en verblijfplaatsen voor een vleermuizensoort. De bosrand kan gebruikt worden als foerageergebied en/of vliegroute door vleermuizen. Wanneer er geen licht uitschijnt of gericht wordt op het opgaand groen vindt hier bij voorbaat geen verstoring plaats. Toetsing Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageerhabitat voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel, konijn, haas en veldmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen.
Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten wezel, bunzing, steenmarter, eekhoorn, das en bever voor. Gezien het plangebied enkel uit grasland bestaat, betreft het hier geen essentieel habitat voor wezel, bunzing en steenmarter. Er zijn geen holen in de grond aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze soorten. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen.
Ook zijn er geen burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. De gemeente gaf aan dat er in aangrenzende bossen das is waargenomen. De bossen binnen 100 meter van het plangebied zijn gecontroleerd, hier zijn echter geen dassenburchten aangetroffen. Wel zijn er enkele konijnenholen aanwezig, welke dermate vervallen waren dat deze niet recentelijk in gebruik zijn geweest. Verstoring van een dassenburcht door de werkzaamheden of door betreding is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Voor de bever is geen ge-
17
schikt leefgebied aanwezig. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander.
Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, heikikker, vinpootsalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Wel is er een poel aanwezig buiten het plangebied, in het bos langs de Wanroijseweg, deze stond droog tijdens het veldbezoek en is door de vele bomen rondom eveneens niet geschikt voor de meeste soorten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
18
Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos, kommavlinder, gevlekte witsnuitlibel en beekrombout. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als glad biggenkruid, kruipend moerasscherm, knollathyrus, knolspirea en drijvende waterweegbree. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
19
Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Met betrekking tot roofvogelnesten dient duidelijk te worden of binnen 75 meter van de werkzaamheden nesten van soorten als buizerd, sperwer of ransuil aanwezig zijn. Hiervoor dient, wanneer het blad van de bomen is, een controle te worden uitgevoerd of er potentiele nestlocaties van een dergelijke soort aanwezig zijn. Is dit het geval dan dient volgens protocollair onderzoek tijdens het broedseizoen het gebruik van het nest te worden getoetst; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Met betrekking tot de gebiedsbescherming dient het uitvoeren van de volgende werkzaamheden in acht te worden genomen: Een AERIUS-berekening dient te worden uitgevoerd om effecten met betrekking tot stikstofuitstoot op Natura 2000-gebieden te toetsen; Licht gericht en uitschijnend op de bosrand dient te worden vermeden, waar er een noodzaak is tot het plaatsen van verlichting in die richting dient deze door aanpassingen in armaturen en kleur natuurvriendelijk te worden gerealiseerd; Betreding van de NNB tussen zonsondergang en zonsopkomst dient te worden vermeden. Aanbevelingen Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rusten verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort.
Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochure-verschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/).
20
Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 2. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden / opmerkin-
aanwezig
overtreding
gelen
gen
Ja
Te voorkomen
Nestgelegenheid buiten Algemeen
broedseizoen verwijderen of controle vooraf
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Broedvogels Jaarrond
Ja
beschermd Verblijfplaatsen Vleermuizen
Foerageerhabitat
Mogelijk
Nestcontrole in winter, bij
Werkzaamheden kunnen ver-
aanwezigheid gebruik
storing veroorzaken bij een
toetsen in broedseizoen
dichtbijzijnde broedlocatie
Nee
Nee
-
-
Ja
Te voorkomen
Licht gericht en uit-
Licht kan een verstorend effect
schijnend op opgaand
hebben op foerageer- en vliegroutefuncties
Vliegroutes
Ja
Te voorkomen
groen vermijden
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Reptielen
Nee
Nee
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand tot
Sprake van
gebied
aantasting
Natura 2000
ca. 10,2 km
Mogelijk
AERIUS-berekening
Natuurnetwerk Nederland
ca. 0 m
Nee
-
Houtopstanden
-
Nee
-
Gebiedsbescherming
Vervolgtraject
Heeft betrekking op een soort als de egel Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Bijzonderheden / opmerkingen Enkel doorgang bij geen toename stikstofdepositie Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing
21
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur
Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbe-
Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Uitgevers, Utrecht.
scherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Algemene websites
Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)
Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)
Floron.nl (soortgegevens planten)
Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)
Sovon.nl (soortgegevens vogels)
Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)
Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)
Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)
Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Bronnen Noord-Brabant
Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortbescherming. Provincie Noord-Brabant
Brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
Dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)
Kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank (grenzen beschermde gebieden)
22