03. Bijlage 1 Overzicht voorgestelde wijzigingen met toelichting APV Grave.docx
Tekst van het document
Bijlage 1. Overzicht voorgestelde wijzigingen met toelichting APV GRAVE Voorstel Inhoudelijke artikelwijzigingen APV 2021 (conform VNG-model 2020 en ouder) Huidige APV artikel
Voorgestelde APV artikel
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie.
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats.
5. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voorzover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voorzover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Motivering met kanttekeningen en argumenten De titel van het artikel is tekstueel aangepast. Vijfde lid: De burgemeester wordt in artikel 156 van de Gemeentewet niet genoemd als mogelijke delegataris van regelgevende bevoegdheid. Algemeen wordt aangenomen dat hij hooguit gebiedsaanwijzingen mag doen of aanwijzingen van categorieën inrichtingen waarvoor een vergunningplicht geldt (dat zijn besluiten van algemene strekking die op regelgeving lijken, maar het niet zijn) en dat hij geen zelfstandige normstelling mag plegen. Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften. Dus alleen het college kan hier worden genoemd, ook voor de gevallen waarvoor burgemeester bevoegd gezag is. Immers, de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 174 van de Gemeentewet betreft toezicht en uitvoering van verordeningen, niet het vaststellen van regelgeving. Achtste lid: Redactionele verbetering. In dit onderdeel worden het tweede en derde lid (nieuw) toegevoegd aan artikel 2:26. Het Openbaar Ministerie heeft bij de rechter civiele verboden gevraagd en gekregen tegen enkele motorclubs. Een groot aantal leden is gedurende een reeks van jaren betrokken bij tal van verboden en grotendeels ook ernstig verwijtbare criminele gedragingen. Deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde ontwrichten de samenleving of kunnen deze ontwrichten.
Ze vormen een wezenlijke aantasting van de veiligheid van de samenleving en de vrijheid van burgers om naar eigen inzicht deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Door de frequentie van de (criminele) gedragingen van een groot aantal leden van deze organisaties, en als gevolg van de intimidatie die van het optreden door leden van een duidelijk herkenbare groep als deze uitgaat, is sprake van uitstraling van deze gedragingen naar een wijdere kring van niet-betrokken burgers.
Het is vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid niet acceptabel dat in de publieke ruimte nog uiterlijk vertoon plaatsvindt dat verband houdt met dergelijke verboden en ontbonden organisaties, gelet op de intimidatie die daarvan uitgaat of uit kan gaan. Deelneming aan de voortzetting van dergelijke organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog openstaan en niet zijn afgewikkeld, kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Dit ondanks het feit dat een civielrechtelijk verbod al wel in werking kan zijn getreden middels uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de uitspraak. Om toch te kunnen optreden tegen de aanwezigheid van dit uiterlijk vertoon in de publieke ruimte, vanwege de impact die dat heeft op de openbare orde, wordt een verbodsbepaling opgenomen in de APV.
Deze bepaling houdt in dat het verboden is om bij evenementen zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of ontbonden is vanwege strijd met de openbare orde. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, logo’s, spreuken, kleding en andere aanduiding op motoren. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een anti-samenloopbepaling (derde lid). Door strafbaarstelling in de APV kan daartegen handhavend worden opgetreden. Vanuit een oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot een onherroepelijk vonnis voorhanden is.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
8. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
8. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: c. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
15. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en de vrijstelling.
15. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:57 Loslopende honden, eerste lid, onder a
Artikel 2:57 Loslopende honden, eerste lid, onder a
a. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;
a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Achtste lid: De toegevoegde weigeringsgrond is aan de gemeentelijke praktijk ontleend. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Wel is het noodzakelijk dat de burgemeester beleidsregels vaststelt, waaruit voldoende duidelijk blijkt hoe hij deze weigeringsgrond invult. Vijftiende lid: Redactionele verbetering.
Volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet aangelijnd. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor nietaangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over ‘aangewezen plaatsen’. In dit onderdeel wordt na artikel 2:50 ingevoegd artikel 2:50a (nieuw). Zie hiervoor de toelichting op het tweede en derde lid van artikel 2:26. In artikel 2:50a wordt een verbod ingesteld voor openbare plaatsen en in voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht (met name relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak) is voorzien in een antisamenloopbepaling (tweede lid).
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie:
Artikel 6:1 Sanctiebepaling Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie: Artikel 2:50a
Het komt ons voor dat het verbod ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen zou moeten gelden. Uit onze toelichting in artikel 1:1 op openbare plaats: het verblijf op die plaats [mag] niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden zijn. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats. In dit onderdeel wordt artikelnummer 2:50a aan de opsomming in artikel 6:1, toegevoegd. Artikel 2:26 kende al een verbodsbepaling en wordt dus al genoemd in de bestaande tekst van artikel 6:1.