CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

03.14 Bijlagen toelichting_Bijlage 12 Quickscan flora en fauna.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Beerseweg 265.771 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna Beerseweg 26 te Mill Rapportnummer 19-0237

www.starobv.nl

Quickscan flora en fauna

Beerseweg 26 te Mill Januari 2020

Rapportnummer:

P19-0237

Opdrachtgever:

Bureau Verkuylen

Uitgevoerd door:

Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 fax. 0492-450162 www.starobv.nl

Veldonderzoek:

M.A. den Otter

Auteur:

M.A. den Otter

Kwaliteitscontrole: E.J.F. Claassen

Inhoud 1

Inleiding ............................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding .................................................................................................................................3 1.2 Doel ..........................................................................................................................................3 1.3 Zorgplicht ..................................................................................................................................3 1.4 Leeswijzer .................................................................................................................................3

2

Plangebied .......................................................................................................................................5 2.1 Ligging en beschrijving plangebied ..........................................................................................5 2.2 Voorgenomen plannen .............................................................................................................7

3

Methode ............................................................................................................................................8

4

Natuurwaarden ................................................................................................................................9 4.1 Beschermde gebieden ..............................................................................................................9 4.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 10 4.2.1 Flora ................................................................................................................................... 11 4.2.2 Vlinders en libellen ............................................................................................................ 11 4.2.3 Kevers en weekdieren ....................................................................................................... 11 4.2.4 Vissen ................................................................................................................................ 12 4.2.5 Amfibieën en reptielen ....................................................................................................... 12 4.2.6 Vogels ................................................................................................................................ 13 4.2.7 Zoogdieren.........................................................................................................................

14

5

Conclusies .................................................................................................................................... 16 5.1 Beschermde gebieden ........................................................................................................... 16 5.2 Beschermde soorten ............................................................................................................. 16 5.3 Advies en aanbevelingen ...................................................................................................... 17

Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................................... 19

Bijlagen Bijlage 1

Wet- en regelgeving

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen de bestaande opstallen te slopen op de locatie Beerseweg 26 te Mill. Dit betreft voormalige agrarische bebouwing. Hiervoor in de plaats worden drie woningen gerealiseerd. Ten behoeve van de planologische procedure is het noodzakelijk een quickscan flora en fauna uit te voeren. Door middel van de quickscan wordt in beeld gebracht of de ontwikkeling in strijd is met de natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden.

1.2

Doel Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van belang. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). In bijlage 1 wordt deze wet- en regelgeving uitgebreid beschreven. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Tevens heeft het onderzoek tot doel vast te stellen op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. Aanvullend zal worden bepaald of voorgenomen ontwikkelingen effect hebben op de beschermde natuurwaarden van nabijgelegen natuurgebieden.

1.3

Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt de gebruikte onderzoeksmethode besproken. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden en de effecten van de geplande ingrepen op aanwezige beschermde natuurwaarden worden beschreven in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk wordt tevens ingegaan op de mogelijke

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

3

noodzaak tot het treffen van mitigerende maatregelen. In het laatste hoofdstuk zijn de conclusies uiteengezet.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

4

2

Plangebied

2.1

Ligging en beschrijving plangebied Het plangebied ligt aan de Beerseweg 26 ten oosten van de bebouwde kom van Mill. Het betreft een perceel met vier stallen in agrarisch gebied. Het plangebied bestaat naast de bebouwing uit verharding, kleine stukken grasveld en enkele bomen. De ligging van het plangebied in de wijdere omgeving is weergegeven in figuur 1. De globale begrenzing van het onderzoeksgebied is weergegeven in figuur 2. Op pagina 6 is een foto-impressie van het plangebied opgenomen.

Figuur 1. Ligging plangebied (gele lijn) (bron: Google Maps)

Figuur 2. Globale begrenzing plangebied (gele lijn) (bron: Google Maps)

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

5

Foto 1. Gebouw 1

Foto 2. Gebouw 2

Foto 3. Gebouw 3

Foto 4. Gebouw 4

Foto 5. Binnenkant gebouw 1

Foto 6. Binnenkant gebouw 2

Foto 7. Binnenkant gebouw 3

Foto 8. Binnenkant gebouw 4

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

6

2.2

Voorgenomen plannen De initiatiefnemer heeft het voornemen de bestaande opstallen te slopen op de locatie Beerseweg 26 te Mill. Dit betreft voormalige agrarische bebouwing. Hiervoor in de plaats worden drie woningen gerealiseerd, zoals is weergegeven in figuur 3.

Figuur 3. Voorgenomen plannen Beerseweg 26 te Mill (bron: CGM)

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

7

3

Methode

In het kader van deze quickscan heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden waarbij gekeken is naar gebiedsgerichte bescherming en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Voor het soortenonderzoek is gebruikgemaakt van gegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de websites Vlinderstichting.nl, Waarneming.nl, EIS-nederland.nl, Zoogdiervereniging.nl en Verspreidingsatlas.nl en diverse verspreidingsatlassen. Voor de gebiedsgerichte bescherming is gekeken naar de aanwezigheid van relevante natuurterreinen in de omgeving. De ligging van Natura 2000-gebieden (o.a. Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) en het Natuurnetwerk Nederland in de nabijheid van het plangebied zijn onderzocht. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden waarbij alle op de locatie aanwezige habitats zijn opgenomen. De aanwezigheid van deze habitats vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de habitats zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. Dergelijke aanwijzingen zijn bijvoorbeeld het fysiek aantreffen van exemplaren van soorten en het aantreffen van holen, uitwerpselen, prooiresten, vraat-, loop- en veegsporen. Deze waarnemingen zijn bij de beoordeling betrokken. De aanwezige habitats zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde planten- en diersoorten.

Op basis van deze vergelijking en expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Ook is gekeken of binnen het plangebied invasieve exoten voorkomen. Een veldbezoek voor een quickscan flora en fauna is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van het veldbezoek het voorkomen van beschermde soorten niet per definitie is uit te sluiten. De bevindingen van het veldbezoek en het literatuuronderzoek zijn vervolgens gebundeld in deze rapportage. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 13 december 2019 in de middag onder de volgende weersomstandigheden: bewolkt, regenachtig, windkracht 3 en circa 5 ˚C.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

8

4

Natuurwaarden

4.1

Beschermde gebieden Natura 2000 Uit de kaarten van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 10 kilometer afstand ten oosten van het plangebied ligt, zie figuur 4. Dit betreft Natura 2000-gebied Oeffelter Meent.

Figuur 4. Ligging plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (geel) (bron: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000)

Effectbeoordeling Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de kleinschalige aard van de voorgenomen plannen is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebied als gevolg van de voorgenomen plannen. Ook een negatief effect door stikstof-emissie als gevolg van de voorgenomen plannen is vanwege de grote afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de plannen (sloop en bouw van enkele woningen) redelijkerwijs uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; in provincie Noord-Brabant bestaande uit rijksdeel en het provinciaal deel) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

9

Uit de kaart natuurbeheerplan op de website van provincie NoordBrabant, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN provinciaal deel ligt op circa 125 meter ten zuiden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN rijksdeel ligt op circa 640 meter ten westen van het plangebied. De ligging van het NNN in de omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 5.

Figuur 5. Ligging plangebied (zwarte lijn) ten opzichte van het NNN (bron: https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan)

Effectbeoordeling Het plangebied behoort niet tot het NNN, maar ligt er wel relatief dichtbij. Een negatief effect van de werkzaamheden op de kernkwaliteiten van het NNN is uit te sluiten. Het gebied in het zuiden betreft een loofbos, de voorgenomen plannen hebben hierop geen effect. Conclusie Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (10 kilometer) is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op de kernkwaliteiten van het NNN.

4.2

Beschermde soorten Deze paragraaf beschrijft het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Per soortgroep wordt beschreven welke soorten worden verwacht, wat de mogelijke effecten van de ingreep zijn en of het nemen van mitigerende maatregelen nodig is.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

10

4.2.1

Flora Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied glad biggenkruid, knollathyrus (beide §3.3 Wnb) en kruipend moerasscherm (§3.2 Wnb) zijn waargenomen. Op een afstand van één tot vijf kilometer van het plangebied zijn knolspirea (§3.3 Wnb) en drijvende waterweegbree (§3.2 Wnb) waargenomen. Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat voor deze en andere beschermde plantensoorten geschikte habitats ontbreken binnen het plangebied. Het plangebied bestaat uit verharding en voedselrijk, frequent gemaaid gazon. Het voorkomen van beschermde plantensoorten is zodoende uit te sluiten.

4.2.2

Vlinders en libellen Vlinders Volgens gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat op een afstand van één tot vijf kilometer van het plangebied grote vos en sleedoornpage zijn waargenomen (beide §3.3 Wnb). In het plangebied ontbreken het geschikte habitat en de geschikte waardplanten voor deze en andere beschermde vlinders. Hiermee is het voorkomen van beschermde vlindersoorten uitgesloten. Libellen Uit de gegevens van de NDFF en De Vlinderstichting blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied beekrombout is waargenomen (§3.3 Wnb). Op een afstand van één tot vijf kilometer van het plangebied zijn bosbeekjuffer (§3.3 Wnb) en gevlekte witsnuitlibel (§3.2 Wnb) waargenomen. Binnen het plangebied is geen permanent oppervlaktewater aanwezig en daarmee ontbreekt het dus aan geschikt voortplantingshabitat voor libellen. Het voorkomen van essentieel habitat van (beschermde) libellen in het plangebied is uit te sluiten.

4.2.3

Kevers en weekdieren Volgens de gegevens van de NDFF en EIS Nederland komen geen beschermde kevers en weekdieren voor in de omgeving van het plangebied. Voor de beschermde kevers en weekdieren zijn weinig verspreidingsgegevens bekend, daarom wordt in deze paragraaf van alle beschermde kevers en weekdieren beoordeeld of ze in het plangebied kunnen voorkomen. Vliegend hert (§3.3 Wnb) komt voor in (oude) eikenbossen, dit habitat is binnen het plangebied niet aanwezig. Het voorkomen van deze soort in het plangebied is uit te sluiten.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

11

De beschermde houtkevers; vermiljoenkever, heldenbok en juchtleerkever (alle §3.2 Wnb) zijn afhankelijk van oude, holle of vrijstaande bomen of (natte) gebieden met veel dood hout. Deze habitattypen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van deze beschermde houtkevers in het plangebied kan daarom worden uitgesloten. De beschermde waterkevers brede geelrandwaterroofkever en gestreepte waterroofkever (beide §3.2 Wnb) zijn voor het voorkomen afhankelijk van grote wateren. Het ontbreekt binnen het plangebied aan permanent oppervlaktewater en daarom is het voorkomen van beschermde waterkevers in het plangebied uitgesloten. De aquatische slakkensoort platte schijfhoren (§3.2 Wnb) is afhankelijk van de aanwezigheid van heldere, schone wateren met waterplanten. Bataafse stroommossel (§3.2 Wnb) is een soort die voorkomt in stromend water (rivieren of beken). Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater in het plangebied is het voorkomen van platte schijfhoren en Bataafse stroommossel uitgesloten. In het plangebied ontbreken geschikte habitats voor de beschermde soorten kevers en weekdieren. Het voorkomen van deze soorten in het plangebied is derhalve uit te sluiten.

4.2.4

Vissen Uit de gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één tot vijf kilometer afstand van het plangebied de beschermde vissoort grote modderkruiper (§3.3 Wnb) voorkomt. Vanwege het ontbreken van permanent oppervlaktewater is het voorkomen van grote modderkruiper en andere (beschermde) vissoorten in het plangebied uit te sluiten.

4.2.5

Amfibieën en reptielen Amfibieën Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied Alpenwatersalamander, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander (alle §3.3 Wnb) en kamsalamander (§3.2 Wnb) zijn waargenomen. Op een afstand van één tot vijf kilometer van het plangebied zijn bastaardkikker (§3.3 Wnb) en poelkikker (§3.2 Wnb) waargenomen. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en daarmee ontbreekt het aan voortplantingshabitat voor amfibieën. Het plangebied is matig geschikt als land- en overwinteringshabitat voor algemene en niet-kritische soorten.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

12

Alpenwatersalamander, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen zich verschuilen in de stallen 2, 3 en 4. Voor de overige soorten biedt het plangebied geen geschikt habitat. Het voorkomen van kamsalamander, bastaardkikker en poelkikker in het plangebied is uit te sluiten. Reptielen Uit gegevens van RAVON, de NDFF en De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) blijkt dat op een afstand van één tot vijf kilometer van het plangebied levendbarende hagedis (§3.3 Wnb) is waargenomen. Het ontbreekt binnen het plangebied aan geschikt habitat voor deze en andere reptielen. Het voorkomen van beschermde reptielensoorten in het plangebied is derhalve uit te sluiten. Effectbeoordeling Bij het slopen van de stallen 2, 3 en 4 gaan mogelijke verblijfplaatsen van bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en Alpenwatersalamander verloren en worden mogelijk individuen verstoord. Door het aanleggen van tuinen kan het plangebied meer geschikt worden als leefgebied voor amfibieën. Mitigerende maatregelen Voor bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt bij ruimtelijke ingrepen in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.3.

Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van opgeslagen materialen in één richting worden gewerkt, zodat eventueel aanwezige dieren kunnen vluchten. Voor Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet. Onder de Wet Natuurbescherming mag voor Alpenwatersalamander gebruik worden gemaakt van een goedgekeurde gedragscode. In dit geval dient gewerkt te worden volgens de gedragscode flora en fauna voor Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de Vereniging Stadswerk Nederland. Voor het zorgvuldig handelen, dient de volgende periode en werkwijze te worden gehanteerd: + Het slopen van de stallen 2, 3 en 4 vindt plaats in de periode buiten de overwinteringsperiode van deze soort. Dit betekent dat deze werkzaamheden mogen worden uitgevoerd in de periode half april tot half oktober.

4.2.6

Vogels Uit gegevens van de NDFF blijkt dat de volgende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil,

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

13

oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. In het plangebied staan enkele kleine bomen, die nestgelegenheden bieden voor algemene vogels. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten in de bomen aangetroffen. Het plangebied is matig geschikt als foerageergebied voor vogels door de grote hoeveelheid verharding en bebouwing, en de lage hoeveelheid ‘groen’. Voor vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest is het plangebied matig geschikt als foerageergebied, en ongeschikt als nestgelegenheid. De stallen zijn niet geschikt als nestgelegenheid voor gebouwbewonende soorten. Voor huismus zijn de dakranden en -platen niet geschikt als nestgelegenheid, voor gierzwaluw zijn de stallen te laag waardoor ze niet kunnen uitvliegen en voor uilen zijn de openingen in de gebouwen niet groot genoeg. Effectbeoordeling Bij het snoeien of kappen van de bomen kunnen nesten van algemene vogelsoorten worden vernietigd en broedende vogels worden verstoord. Gedurende het broedseizoen zijn nesten strikt beschermd. Door het aanleggen van tuinen kan het plangebied meer geschikt worden als foerageergebied voor vogels Mitigerende maatregelen Het snoeien of kappen van bomen dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli.

In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd.

4.2.7

Zoogdieren Vleermuizen Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997), Korsten en Regelink (2010) en gegevens van de NDFF blijkt dat de soorten baardvleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (alle §3.2 Wnb) voorkomen in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is matig geschikt als foerageergebied voor vleermuizen doordat weinig ‘groen’ aanwezig is en veel verharding en bebouwing. Ook is in het plangebied geen lijnvormige groenstructuur aanwezig die kan functioneren als essentiële vliegroute van vleermuizen. De stallen bieden voor vleermuizen wel geschikte verblijfplaatsen. Tussen de houten platen langs de dakrand van stallen 2, 3 en 4 aan de zuidzijde (bij stal 4 ook aan de noordzijde) is voldoende ruimte voor vleermuizen.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

14

Overige zoogdieren Uit gegevens van de NDFF blijkt dat binnen één kilometer afstand van het plangebied de volgende soorten zijn waargenomen: algemene (spits)muizen, bunzing, das, eekhoorn, egel, haas, konijn, ree, vos, wezel (alle §3.3 Wnb) en bever (§3.2 Wnb). Op een afstand van één tot vijf kilometer van het plangebied zijn damhert en steenmarter waargenomen en op een afstand van vijf tot tien kilometer zijn boommarter en wild zwijn waargenomen (alle §3.3 Wnb). Het plangebied biedt geschikt leefgebied voor algemene (spits)muizen, in de stallen 2, 3 en 4 zijn dode muizen en uitwerpselen van muizen aangetroffen. In stal 4 zijn uitwerpselen van egel aangetroffen. Deze schuur leek tijdens het veldbezoek niet toegankelijk voor egel, mogelijk hebben de deuren van deze stal voor langere tijd open gestaan. Maar gebruikelijk zijn de deuren van de stallen dicht. Voor de overige soorten is het plangebied matig geschikt door de grote hoeveelheid verharding en bebouwing en de lage hoeveelheid aan ‘groen’. Mogelijk doorkruisen soorten als konijn en haas incidenteel het plangebied. Het plangebied vormt voor deze soorten geen essentieel onderdeel van het leefgebied. Voor marterachtigen zijn de gebouwen in het plangebied ongeschikt als verblijfplaatsen doordat ze afgesloten zijn.

Effectbeoordeling Bij het slopen van de gebouwen gaan mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen en van muizen verloren. Door het aanleggen van tuinen kan het plangebied meer geschikt worden als foerageergebied voor vleermuizen en grondgebonden zoogdieren. Mitigerende maatregelen Het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen is een overtreding van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek is nodig om te kunnen aantonen dat verblijfplaatsen aan- of afwezig zijn. Indien verblijfplaatsen afwezig zijn kunnen de gebouwen worden gesloopt. Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn, dient voor de sloop van de gebouwen een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verkregen. Voor algemene (spits)muizen geldt in provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.3. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

15

5

Conclusies

5.1

Beschermde gebieden Gezien de relatief grote afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (10 kilometer) is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. De voorgenomen plannen hebben geen negatief effect op de kernkwaliteiten van het NNN.

5.2

Beschermde soorten In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren, reptielen en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §1.3 van dit rapport. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is matig geschikt als foerageergebied voor vogels. Door de aanleg van tuinen wordt het plangebied mogelijk meer geschikt. In de stallen zijn geen geschikte nestgelegenheden aanwezig voor huismus, gierzwaluw en uilen. De bomen bieden nestgelegenheid voor algemene vogelsoorten. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen, dient het kappen van de bomen te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen en wanneer geen broedgeval aanwezig is. Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is matig geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Door de aanleg van tuinen wordt het plangebied mogelijk meer geschikt. In het plangebied zijn geen vliegroutes voor vleermuizen aanwezig. De dakranden met houten platen zijn voor vleermuizen geschikt als verblijfplaats.

Nader onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen te kunnen vaststellen of uitsluiten. Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Het plangebied is matig geschikt als (onderdeel van het) leegbied voor amfibieën en muizen. Door de aanleg van tuinen wordt het plangebied mogelijk meer geschikt voor deze soorten. Amfibieën en muizen kunnen de gebouwen 2, 3 en 4 gebruiken om zich te verschuilen. Voor deze soorten (behalve Alpenwatersalamander) geldt een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, voor het verstoren is geen ontheffing nodig. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, het verwonden van dieren dient altijd te worden voorkomen. Bij het slopen van gebouwen 2, 3 en 4 dient rekening gehouden te worden met de overwinteringsperiode van Alpenwatersalamander. Het slopen van de stallen dient plaats te vinden buiten de overwinteringsperiode van deze soort. Dit

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

16

betekent dat deze werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd tussen 15 april en 15 oktober.

Tabel 1. Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied Soort(groep)

Bescherming

Functie

Mogelijk

Ontheffing

plangebied

effect

nodig

Maatregelen

Snoeien en §3.1 Wnb Vogels

(nest niet

Nestgelegen-

jaarrond

heden

Ja

beschermd)

Nee, mits

kappen wanneer

maatregelen

geen broedgeval

worden

aanwezig is en

uitgevoerd

buiten broedseizoen Nader

Vleermuizen

§3.2 Wnb

Verblijfplaatsen

Ja

Mogelijk

onderzoek laten uitvoeren

Alpenwatersalamander

§3.3 Wnb

kleine water-

(spits)muizen

5.3

Ja

overwinterings-

maatregelen worden uitgevoerd

Land- en §3.3 Wnb

Slopen uitvoeren tussen 15 april en 15 oktober

Nee, Ja

habitat

salamander Algemene

overwinteringshabitat

Bruine kikker, gewone pad en

Nee, mits

Land- en

algehele

-

vrijstelling Nee,

§3.3 Wnb

Verblijfplaatsen

Ja

algehele

-

vrijstelling

Advies en aanbevelingen Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen plannen niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits: 1. De bomen worden gekapt buiten het broedseizoen en wanneer geen broedgeval aanwezig is. 2. Sloop van de stallen wordt uitgevoerd buiten de overwinteringsperiode van Alpenwatersalamander, dus tussen 15 april en 15 oktober. 3. Nader onderzoek wordt uitgevoerd naar verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in het voorjaar (tussen half mei en half juli) en het najaar (augustus t/m september). Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn dient een ontheffing te worden verkregen voor het slopen van de gebouwen. a. De aanvraag kan pas worden ingediend als het nader onderzoek helemaal is afgerond. De gemeente of Omgevingsdienst heeft 26 weken nodig om uw vergunning in orde te maken, gerekend vanaf het moment dat u uw aanvraag heeft ingestuurd. Als u niet alle gevraagde informatie bij uw aanvraag meestuurt, duurt de afhandeling langer.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

17

b. Voor het aanvragen van een ontheffing dient een mitigatieplan/activiteitenplan te worden opgesteld ten behoeve van de verblijfplaatsen van de beschermde soort(en). c. Daarnaast dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om een ontheffing te kunnen verkrijgen indien noodzakelijk.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

18

Geraadpleegde bronnen

Literatuur

 Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De

     

dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Bouwens, S. Provincie Noord-Brabant, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging - rapport 2017.32. Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden. Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek. Zoogdiervereniging - rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

Internet

 Natura 2000-gebieden, www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx, 6-12-2019  Natuurbeheerplan provincie Noord-Brabant,      

https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan, 6-12-2019 NDFF - quickscanhulp.nl 10-12-2019 11:40:07 www.eis-nederland.nl www.vlinderstichting.nl www.waarneming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.verspreidingsatlas.nl

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

19

Bijlage 1 Wet- en regelgeving

Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2.

Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan:  Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is;  Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid;  Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

20

Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Categorie 1 (§ 3.1 Wnb)

Categorie 2 (§ 3.2 Wnb)

Categorie 3 (§ 3.3 Wnb)

Art 3.1 lid 1

Art 3.5 lid 1

Art 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te

natuurlijke verspreidingsgebied

doden of te vangen

vangen

opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2

Art 3.5 lid 4

Art 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen

vernielen of te beschadigen, of nesten

van dieren te beschadigen of te

van dieren opzettelijk te beschadigen

van vogels weg te nemen

vernielen

of te vernielen

Art 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

-

Het is verboden eieren te rapen en

Het is verboden eieren van dieren in

deze onder zich te hebben

de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

-

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort -

Art 3.5 lid 5

Art 3.10 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun

Het is verboden plantensoorten in hun

natuurlijke verspreidingsgebied

natuurlijke verspreidingsgebied

opzettelijk te plukken en te

opzettelijk te plukken en te

verzamelen, af te snijden, te

verzamelen, af te snijden, te

ontwortelen of te vernielen

ontwortelen of te vernielen

Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.

Natura 2000 (bron: Rijksoverheid) In 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De wet biedt een beschermingskader voor de flora en fauna binnen de aangewezen beschermde gebieden, de zogenaamde Natura 2000gebieden en bijzondere nationale gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Ook plannen moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000gebieden. Dit gebeurt met de habitattoets.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

21

De habitattoets bestaat uit drie onderdelen:  oriëntatiefase (en vooroverleg);  verslechterings- en verstoringstoets;  passende beoordeling. De oriëntatiefase maakt geen deel uit van de in de wet geregelde procedures. In de praktijk is deze stap nodig. Gezamenlijk met het bevoegd gezag wordt bepaald of goedkeuring van het plan nodig is en welke verdere procedure doorlopen moet worden. Afhankelijk van de kans en omvang van de effecten op een Natura 2000-gebied bestaat de vervolgprocedure uit het uitvoeren van een verslechterings- en verstoringstoets, een passende beoordeling of geen enkele toetsing. Indien er geen kans is op negatieve effecten op een Natura 2000-gebied is geen goedkeuring voor de plannen of het project nodig. Als uit de oriëntatiefase is gebleken dat er kans is op significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit de passende beoordeling blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan de volgende criteria worden voldaan:  er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied;  er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang;  er is voorzien in compenserende maatregelen. Alléén als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend.

Indien uit de oriëntatiefase is gebleken dat er een kans is op (niet-significante) negatieve effecten, dient een verslechterings- en verstoringstoets te worden uitgevoerd. Met dit onderzoek wordt bepaald:  of deze kans reëel is en  of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is.

Natuurnetwerk Nederland / Ecologische hoofdstructuur (bron: Rijksoverheid) Natuurgebieden in Nederland zijn erg versnipperd. Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) heeft als doel om natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. Hierdoor zijn deze gebieden beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. In grotere natuurgebieden kunnen bovendien meer soorten planten en dieren leven. Het doel van het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur is om de EHS als netwerk van natuurgebieden te beschermen tegen negatieve effecten van ruimtelijke ingrepen. Dat betekent niet dat ontwikkelingen zoals woningbouw en bedrijvigheid, verboden zijn. Door het doorlopen van het afwegingskader wordt vastgesteld of, en zo ja, onder welke voorwaarden een ontwikkeling in de Ecologische Hoofdstructuur kan worden toegelaten. De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur vindt plaats door het nee-tenzij-regime uit de Nota Ruimte. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in de EHS met een negatief effect op de EHS in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. De beleidsmatige basis voor het afwegingskader voor de Ecologische Hoofdstructuur is de Nota Ruimte.

Daarnaast hebben Rijk en provincies een beleidskader Spelregels EHS opgesteld. Het beleidskader geeft een uitwerking, verduidelijking en aanscherping van de verschillende onderdelen Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

22

van het afwegingskader. De provincies laten de inhoud van de Spelregels EHS doorwerken in het provinciaal ruimtelijk beleid. De bescherming van de EHS gebeurt via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. Het beschermingsregime is onder de Wro door het Rijk vastgelegd in de AMvB Ruimte en werkt via provinciale verordeningen.

Quickscan flora en fauna, Beerseweg 26 te Mill, januari 2020

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=349650d7-22e8-4366-a762-09ca4034f08c