CConstaterende datCastricum
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Ruimtelijke onderbouwing Schouw 1 Akersloot

Raadsplein - Carrousels 24 juni 2021, gemeente CastricumBij agendapunt: Verklaring van Geen Bedenkingen Schouw 1 Akersloot16.533 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Welstandsnota 2013

3.4.4.1 Algemeen De gemeente Castricum beschikt met het vaststellen van de welstandsnota over een bestuurlijk vastgelegd toetsingsinstrument voor welstandsbeleid. De Welstandsnota geeft aan welke zaken in Castricum bescherming verdienen en welke verbeterd kunnen worden. De Welstandsnota is vooral een sturend en stimulerend hulpmiddel bij toekomstige ontwikkelen om de ruimtelijk e kwaliteit te verhogen. De Welstandsnota bevat naast algemene welstandscriteria, ook gebiedsgerichte criteria die aan een samenhangend gebied zijn gekoppeld. Er zijn in Castricum vier gebieden te onderscheiden. 1. 2. 3. 4.

Bijzonder Regulier Luw Welstandsvrij (geen toets)

Het plangebied ligt in de groene zone waar de reguliere welstandscriteria gelden. 3.4.4.2 Reguliere welstandsgebieden Ligging − − − −

de hoofdbebouwing staat aan de straatzijde de rooilijnen van de hoofdmassa’s mogen ten opzichte van elkaar verspringen de bebouwing situeren naar de weg met behoud van doorzichten naar het landschap bedrijfsgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn

Massa − − − − − − −

de bouwmassa en gevelopbouw zijn in balans gebouwen zijn individueel en afwisselend en hebben bij voorkeur een eenvoudige, eenduidige opbouw met een eenvoudige plattegrond woningen hebben bij voorkeur een onderbouw van één laag met een duidelijke en nadrukkelijke kap (een zadeldak, piramidedak of mansardekap) bedrijfsgebouwen hebben één laag met zadeldak de nok is in beginsel evenwijdig aan of haaks op de verkavelingsrichting of weg uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en eenvoudig van vorm

Architectonische uitwerking − − − − −

de architectonische uitwerking en detaillering zijn nauwkeurig, afwisselend, evenwichtig en onopvallend of dragen bij aan het landschap bedrijfsgebouwen eenvoudig detailleren elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen kozijnen, dakgoten en dergelijke zorgvuldig detailleren wijzigingen en toevoegingen afstemmen op hoofdvolume

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Materiaal en kleur − − − −

materialen en kleuren zijn bij voorkeur terughoudend en afgestemd op de omgeving gevels van bebouwing in hoofdzaak uitvoeren in baksteen hellende daken dekken met keramische pannen, sedum of riet aanbouwen en bijgebouwen in materiaal en kleur afstemmen op de hoofdmassa

3.4.4.2 Toetsing plan aan de welstandsnota Het projectgebied ligt in regulier welstandsgebied, daarom dient het bouwplan dan ook getoetst te worden door de welstandscommissie. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen zal de aanvraag getoetst worden door de commissie. Tijdens het vooroverleg is reeds kenbaar gemaakt dat het voorliggend ontwerp passend is binnen de welstandsnota. 3.4.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, besluit milieueffectrapportage en water.

4.1

Geluid

4.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. 4.1.2

Situatie projectgebied

Met het realiseren van de 10 appartementen worden in het projectgebied per saldo 10 nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. In voorliggend geval zijn de aspecten railverkeerslawaai en industrielawaai niet van belang aangezien in de omgeving van het plangebied zich geen spoorlijn of gezoneerd bedrijventerrein bevindt. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid in de omgeving woningen wordt verwezen naar paragraaf 4.5 (milieuzonering). Wegverkeerslawaai is wel van belang, hieronder wordt hier nader op ingegaan. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 m

250 m

3 of 4 rijstroken

350 m

400 m

5 of meer rijstroken

350 m

600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied (binnenstedelijk gebied of buitenstedelijk gebied). Het plangebied ligt in ‘buitenstedelijk’ gebied binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone, als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder, van de Schouw en de Westdijk. De voorkeurswaarde voor de geluidbelasting op de gevels van een woning ten gevolge van een weg bedraagt 48 dB. Gelet op de locatie van

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing het projectgebied is door BJZ.nu een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In de bijlage 2 is de volledige rapportage opgenomen. Hieronder staan de belangrijkste conclusies. 4.1.2.1 Situatie plangebied Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van het 30 km/uur deel van de Schouw hoogstens 57 dB bedraagt. Hiermee wordt niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan. Aangezien het betreffende wegdeel ter plaatse een 30 km/uur weg betreft is een hogere waarde formeel niet mogelijk. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van de Westdijk/N244 hoogstens 53 dB (voorgevels appartementen 3, 4, 6, 7, 8 en 9) bedraagt. Hiermee wordt niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB voldaan. Wel wordt voldaan aan de maximaal toegestane ontheffingswaarde van 53 dB. Voor de Westdijk/N244 is hiermee een hogere waarde van maximaal 53 dB benodigd. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig en financieel haalbaar. Om ter plaatse van alle appartementen een binnen niveau van 33 dB te realiseren is een geluidwering van hoogstens 30 dB benodigd.

Standaard dubbele HR++ beglazing zorgt voor een geluidwering van circa 28-29 dB. Indien wordt gekozen voor HR++ beglazing, kan op de meerderheid van de toetspunten worden voldaan aan een binnenwaarde van 33 dB. Voor een aantal toetspunten (voorgevels appartementen 2 en 4) dienen aanvullende geluidswerende maatregelen aan de gevel te worden getroffen (30 dB). In het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen dient een gevelweringonderzoek te worden bijgevoegd. Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er ter plaatse de nieuwe appartementen, na het verlenen van een hogere waarde en het treffen van de noodzakelijke (gevel)maatregelen, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect wegverkeerslawaai te waarborgen is. 4.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt na het verlenen van een hogere waarde en het treffen van de noodzakelijke (gevel)maatregelen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2

Situatie projectgebied

In voorliggend geval is door een bodemonderzoeksbureau een verkennend, aanvullend en nader bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Hierna wordt kort op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 3 van deze onderbouwing. Onderzoeksresultaten De bovengrond is heterogeen verontreinigd met zware metalen en PAK. De matige tot sterke verontreinigingen met koper, lood en zink in boring 28 gaven aanleiding voor nader bodemonderzoek (zie hoofdstukken 5, 6 en 7 van het rapport). Uit de analyseresultaten blijkt dat de horizontale afperking van de verontreiniging met lood en zink, binnen de onderzoekslocatie, in voldoende mate heeft plaatsgevonden. De omvang van de lood- en zinkverontreiniging (binnen de onderzoekslocatie) hoger dan de tussenwaarde wordt geschat op circa 90 m3 (circa 90 m2 x 1.0 meter), waarvan circa 60 m3 (circa 60 m2 x 1.0 meter) sterk verontreinigd is. De geschatte omvang van de sterke verontreiniging is weergegeven in het boorplan. Tevens is

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing de geschatte tussenwaardecontour weergegeven. Omdat plaatselijk de bovengrond elders op het terrein licht verontreinigd is met lood en zink is geen achtergrondwaardecontour weergegeven. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging, aangezien het omvangscriterium van 25 m3 sterk verontreinigde grond wordt overschreden. Sanering is noodzakelijk om het terrein geschikt te maken voor toekomstig gebruik (wonen). Aangezien de verontreiniging zich deels binnen een dijklichaam bevindt wordt geadviseerd de saneringswerkzaamheden af te stemmen met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Voorafgaande aan de sanering dient een BUS-melding te worden opgesteld en te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (provincie Noord Holland). Een bodemsanering mag alleen door erkende bedrijven worden uitgevoerd. 4.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit in voldoende mate inzichtelijk gemaakt is. Na sanering is het projectgebied geschikt voor de beoogde functie.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2

Situatie projectgebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen' Tot slot wordt opgemerkt dat de functie in het projectgebied niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart met daarop middels de blauwe stippenlijn de locatie van het projectgebied indicatief weergegeven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 4.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het projectgebied bevindt zich op circa 60 meter afstand van een transportroute voor gevaarlijke stoffen over de weg. Het betreft de Provinciale weg N244. Er is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Hierna zijn de conclusies uit het rapport opgenomen. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 4 van deze onderbouwing. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de realisatie van de tien appartementen. In zowel de huidige als toekomstige situatie ligt het groepsrisico onder 0.1 keer de oriëntatiewaarde. De verdere verantwoording van het groepsrisico kan daarom achterwege blijven. Opgemerkt wordt dat de veiligheidsregio Noord-Holland Noord een advies heeft uitgebracht ten aanzien van voorliggend project. In het advies staat dat het project de omvang van een eventuele invloed in geringe mate beïnvloedt. De veiligheidsregio kan de gevolgen van een eventuele ramp in het plangebied en de omgeving bestrijden. Daarnaast is de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid op orde en zijn de personen binnen het plangebied in beginsel aan te merken als zelfredzaam. Voor het volledige advies wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. 4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing 4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen aan de rand van de plaats Akersloot, waar sprake geen sprake is van sterke functiemenging. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing 4.5.3

Situatie projectgebied

4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Vanwege het wegvallen van de horecafunctie met bijbehorende geluid-, geur- en verkeershinder kan juist een verbetering van het woon- en leefklimaat van omwonenden worden verwacht. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe milieugevoelige functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. In de omgeving van het projectgebied is een bedrijfsbestemming aanwezig waar op basis van het bestemmingsplan een bedrijf in de milieucategorie 1 of 2 gevestigd mag zijn. Voor dergelijke bedrijven geldt, uitgaand van omgevingstype rustige woonwijk, een grootste richtafstand van 30 meter voor eventuele geluidshinder.

Het projectgebied is gelegen op circa 18 meter van een bedrijfsbestemming, waarmee niet voldaan wordt aan de genoemde richtafstand van 30 meter. Echter gelet op het feit dat er dichterbij de bedrijfsbestemming al maatgevende milieugevoelige functies aanwezig zijn (woningen Schouw nr. 2 en nr. 3) wordt het bedrijf voor voorliggende ontwikkeling niet (verder) belemmerd in haar bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden. Verder zorgt de tussenliggende woonbebouwing voor een afschermde werking en wordt ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. In de omgeving van het projectgebied zijn daarnaast enkele agrarische bedrijven aanwezig. Het agrarische bedrijf aan de Westdijk 34 ligt op circa 180 meter afstand, het agrarische bedrijf Westdijk 32 ligt op circa 300 meter afstand en het agrarische bedrijf aan de Hoogegeest 39 ligt ook op circa 300 meter afstand. Gelet op de ruime afstand tot deze agrarische bedrijven wordt geconcludeerd dat de bedrijven met de voorliggende ontwikkeling niet (verder) belemmerd worden in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden en wordt ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht. 4.5.4

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing 4.6

Spuitzone

4.6.1

Algemeen

Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van fruitbomen wordt in de bestemmingsplanpraktijk een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen een fruitboomgaard en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de fruitteler niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van omwonenden. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand en hangt onder meer af van het soort teelt ter plaatse en de plaatselijke omstandigheden. Drift in bijvoorbeeld de fruitteelt is door de aard van de bespuiting, met name op- en zijwaarts gericht spuiten, hoger dan bij neerwaartse bespuitingen zoals in de bomenteelt. 4.6.2

Situatie projectgebied

Aan de noordzijde van het projectgebied zijn agrarische cultuurgronden aanwezig. Op basis van het geldende bestemmingsplan ter plaatse van deze gronden (‘Buitengebied Castricum’), is ter plaatse van deze gronden de volgende vorm van teelt toegestaan: •

wisselteelt (Een gebruik van agrarische gronden ten behoeve van bollenteelt gedurende maximaal één jaar en met tussenpozen van minimaal 4 jaar)

Bij de vorenstaande vorm van teelt is, door (maar ook afhankelijk van de) aard van de bespuiten sprake van een hogere mate van drift. De afstand tussen de tuin en de agrarische cultuurgronden bedraagt 10 meter en ten opzichte van het woongebouw 30 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierna wordt een nadere onderbouwing gegeven van dit aspect. Driftreducerende spuitmethoden Omdat er een watertoevoerende sloot ligt tussen de agrarische gronden en het projectgebied, is de teler verplicht driftbeperkende spuitmethoden toe te passen. De bepalingen met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de openlucht staan opgenomen in het Activiteitenbesluit en zijn bedoeld om de reductie van gewasbeschermingsmiddelen in het water verder te stimuleren. Het Hoogheemraadschap is hierbij het bevoegde gezag. Het gebruik van driftbeperkende spuitdoppen is bij een watertoevoerende sloot om of naastgelegen aan het perceel verplicht. Ook zijn op aanpalende percelen reeds verblijfsobjecten (o.a. woningen) aanwezig, waarmee rekening dient te worden gehouden. Overheersende windrichting In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is tevens de overheersende windrichting van belang. De meest voorkomende windrichting in Nederland is de zuidwestelijke richting.

Het vorenstaande betekend dat hoofdzakelijk het agrarisch perceel ten noorden van het plangebied kan resulteren eventuele driftrichting het projectgebied. Afscherming In het noordwesten van het projectgebied zal sprake zijn van een opgaande groenstrook dat in het erfinrichtingsplan ook in stand gehouden wordt. Feitelijke situatie In de feitelijke situatie worden de agrarische gronden rondom het projectgebied al jaar en dag gebruikt als grasland. Ter plaatse van de agrarische gronden vinden daarom geen activiteiten plaats waarbij sprake is van het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Resumé In theorie kan ter plaatse van de agrarische gronden ten noordwesten van het projectgebied de grond worden gebruikt voor incidentele bollenteelt, waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet is uitgesloten. Door de overheersende windrichting in Nederland (zuidwesten), vormt het ten noordwesten van het projectgebied aanwezige agrarische gebied geen bedreiging. Theoretische drift van bestrijdingsmiddelen vindt niet plaats in de richting van het projectgebied. Tevens dient hier door de agrariër (degene die de bestrijdingsmiddelen gebruikt) rekening te worden gehouden met de watergang tussen het projectgebied en de agrarische gronden. Hiertoe dienen driftreducerende spuitmethoden te worden gebruikt. Ten aanzien van de agrarische gronden ten noordwesten van het projectgebied, kan door de overheersende windrichting in Nederland niet worden uitgesloten dat het theoretisch gebruik van bestrijdingsmiddelen van invloed is op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied. Echter, ook aan deze zijde dient rekening te worden gehouden met de watergang en zijn driftreducerende spuitmethoden een vereiste. Tevens bevindt zich aan deze zijde van het projectgebied een groenstrook. Deze wordt ter plaatse gerealiseerd en in stand gehouden.

Een dergelijke grondstrook houdt drift tegen. Bij het gebruik van driftreducerende technieken (wat is vereist vanwege de watergang) en de dichte groenstrook tussen de agrarische gronden en het projectgebied, is bij een afstand van 10 meter geen sprake van een overschrijding van de blootstelling1. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Al met al wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden er geen agrariërs belemmerd als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Dit temeer op de aanpalende percelen verblijfsobjecten (o.a. woningen) aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden.

4.7

Ecologie

4.7.1

Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De locatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. In de wijdere omgeving rondom het projectgebied bevinden zich verschillende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft het Eilandspolder en is gelegen op circa 3,2 kilometer afstand van het projectgebied. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebieden is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. BJZ.nu heeft via de AERIUS-calculator een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase van het project. Uit de berekening is naar voren gekomen dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten

1 J.C. van de Zande e.a. , Onderzoek naar driftblootstelling van recreatieterrein Rutjensland door bespuitingen in de laanboomteelt (2012)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. De rapportage is opgenomen in bijlage 6. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De locatie is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het dichtstbijzijnde NNN/ecologische verbindingszone is gelegen op 65 meter afstand ten zuiden van het projectgebied. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling en lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteit wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.7.3

Soortenbescherming

4.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.7.3.2 Situatie projectgebied Door Natuurbank Overijssel is een QuickScan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies weergegeven. De volledige rapportages zijn opgenomen in bijlage 7 en 8 bij deze ruimtelijke onderbouwing. QuickScan flora en fauna De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een grondgebonden zoogdiersoort er een rust- en/of voortplantingsplaats, nestelen er vogels, bezetten vleermuizen er een verblijfplaats en benutten amfibieën de buitenruimte als foerageergebied.

Er nestelen vogels in het plangebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet de nestplaats, maar ook huismussen. Van de huismus is het nest jaarrond beschermd en deze mag alleen met een ontheffing vernield worden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek, kan de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de bebouwing niet uitgesloten worden. Omdat vleermuizen en hun verblijfplaatsen strikt beschermd zijn, mogen ze alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Nader onderzoek is vereist om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te stellen. Voor grondgebonden zoogdieren, die vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste rust -en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren niet aangetast.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermd (natuur)gebied en de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Nader vleermuizenonderzoek Als gevolg van het slopen van de bebouwing in het plangebied wordt geen vleermuis gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een vleermuis verstoord, beschadigd of vernield. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied en maakt geen onderdeel uit van een vliegroute. 4.7.4

Conclusie

Het gebied zal nog aanvullend onderzocht worden in relatie tot de water- en meervleermuis. Ter plaatse van het plangebied zelf is geen sprake van verblijfsplaatsen en is een ontheffing niet noodzakelijk voor deze soorten. Wat betreft huismus zal na een aanvullend bezoek de noodzakelijke ontheffing worden aangevraagd en mitigerende maatregelen getroffen worden indien deze noodzakelijk zijn.

4.8

Archeologie & Cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie projectgebied Op grond van de Erfgoedwet moet in bestemmingsplannen rekening worden gehouden met archeologische waarden. De gemeente Castricum heeft de archeologische verwachtings- en advieskaart doorvertaald in geldende bestemmingsplannen. Ter plaatse van het projectgebied geldt een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”. Bij werkzaamheden groter dan 500 m2 en dieper dan 0,4 meter dient een archeologisch onderzoek plaats te vinden. Met de voorliggende ontwikkeling worden deze grenzen niet overschreden. Daarnaast heeft de bestaande bebouwing ter plaatse reeds de bodem heeft verstoord waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. 4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. De cultuurhistorische waarde van de locatie wordt de gekozen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing bouwstijlen (veerhuis en stolpboerderij) versterkt. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

4.9

Besluit Milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of omgevingsvergunning kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1.

2.

3.

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. In deze paragraaf vindt deze vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats. 4.9.2

Situatie plangebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op circa 3,2 kilometer vanaf het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden namelijk de Eilandspolder. Uit de AERIUS-berekening is gebleken dat er zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is,

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Indien het project wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarmee tevens geen m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a. 2000 of meer woningen) wordt vergeleken met de omvang van de ontwikkeling, het bouwen van 10 woningen, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk en bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 4.9.3

Conclusie

Dit initiatief is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van het verlenen van de omgevingsvergunning.

4.10

Wateraspecten

4.10.1 Vigerend beleid 4.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.10.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 4.10.1.3 Provinciaal beleid De Watervisie 2021 zoekt de koppeling van wateropgaven met ruimte, economie en natuur. Alleen door water goed mee te nemen kunnen duurzame integrale afwegingen gemaakt worden. Zo is er op en aan het water rust, maar ook ruimte voor vertier en activiteiten. Waar water en natuur zijn, ontstaat vaak als vanzelf recreatie. En die combinatie biedt weer kansen voor economische ontwikkeling. Met de Watervisie 2021 als zelfbindend document worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Het lange termijn doel is om heel Noord-Holland in 2050 voor zover redelijkerwijs haalbaar waterrobuust te hebben ingericht. Het gaat hierbij om het zoveel mogelijk: 1. 2. 3.

beperken van het slachtofferrisico als gevolg van overstromingen; voorkomen van grote economische schade; voorkomen van maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van vitale functies en/of het vrijkomen van milieugevaarlijke stoffen.

4.10.1.4 Hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier 4.10.1.4.1

Waterbeleid

Hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels (https://www.hhnk.nl/keur/).

4.10.2 Waterparagraaf 4.10.2.1 Planspecifiek In het kader van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt de waterhuishoudkundige staat van het projectgebied in beeld gebracht. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Watertoets. Hieruit komt naar voren dat de normale procedure gevolgd moet worden. Met de ontwikkeling wordt het perceel opnieuw ingericht. De verharding neemt op het perceel licht toe. Oppervlaktewater Binnen het projectgebied bevinden zich geen grootschalige oppervlaktewaterlichamen. Waterkeringen Het projectgebied ligt binnen de zonering van een regionale waterkering. Om die reden geeft het Hoogheemraadschap Hollands Noordenkwartier een advies over het plan. Waterbeschermingsgebied Het projectgebied valt buiten de grondwaterbeschermingsgebieden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing 4.10.2.1 Advies Hoogheemraadschap Hollands Noordenkwartier De watertoets is doorlopen daaruit komt naar voren dat de normale procedure gevolgd dient te worden. Het Hoogheemraadschap Hollands Noordenkwartier heeft advies gegeven over de voorliggende ontwikkeling. In bijlage 9 staat het volledige advies:

Verharding en compenserende maatregelen Op basis van de watertoets blijkt dat er slechts in zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat we voor de nieuwe ontwikkeling adviseren om een gescheiden stelsel aan te leggen. Waterkering Op verzoek van het Hoogheemraadschap is er een tekening opgesteld, waarbij het bouwplan ingetekend is in het PVVR (profiel van vrije ruimte). Hieruit is gebleken dat het bouwplan buiten het profiel blijft.

Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven dat een watervergunning noodzakelijk is, maar dat dit – gezien het feit dat het bouwplan buiten het profiel wordt gerealiseerd – geen probleem moet zijn. Bovendien wordt de bebouwing wat naar achteren gesitueerd ten opzichte van de bestaande situatie. Door deze verplaatsing komt de bebouwing buiten de kernzone van de dijk te staan wat positief is. 4.10.3 Conclusie Het voornemen heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Een watervergunning wordt aangevraagd.

4.11

Duurzaamheid

4.11.1 Wetgevend kader De wettelijke eisen zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Per 1 januari 2015 is het bouwbesluit gewijzigd en zijn de eisen ten aanzien van duurzaamheid aangescherpt. Deze zijn als volgt: • • • •

Minimale isolatiewaarden (Rc) voor dichte uitwendige scheidingsconstructies, per onderdeel van de schil - 4,5 voor gevel, 6 voor het dak en 3,5 voor de vloer; Een gemiddelde U-waarde van 1,65 voor ramen (glas en kozijn) en deuren, maximaal 2,2; Een maximale EPC waarde afhankelijk van het type gebouw. De EPC dient berekent te worden middels de EPG methodiek. Voor woningen is dit 0,4; Een Milieuprestatie Gebouw (MPG). Deze verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m².

4.11.2 Milieuprestatie Gebouw (MPG): Vanaf 2015 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m². De initiatiefnemer kan op twee manieren aantonen te voldoen aan het Bouwbesluit: •

Zelf documenten aanleveren waarmee aangetoond wordt dat voldaan is aan het Bouwbesluit.

•

Het aanleveren van een SBK-bewijs MPG, hetgeen voldoende bewijs is dat voldaan is aan het Bouwbesluit.

De Stichting Bouwkwaliteit (SBK) geeft op de website www.milieuprestatiebewijs.nl informatie over het aanvragen van een SBK-bewijs. Voor het aanvragen moet een berekening worden aangeleverd, voor maken van een berekening is een gratis licentie beschikbaar bij de Omgevingsdienst voor de software van GPR Gebouw. 4.11.3 Het plan Met het voorliggend ruimtelijke onderbouwing wordt een appartementencomplex gerealiseerd. Het appartementencomplex zal energieneutraal worden gerealiseerd. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal daarnaast aangetoond worden dat het gebouw voldoet aan het MPG. 4.11.4 Conclusie Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er voldaan kan worden aan de wet- en regelgeving.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 5

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzondering. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6 6.1

VOOROVERLEG

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.2

Provincie Noord-Holland

Deze paragraaf wordt nader ingevuld nadat het vooroverleg met de provincie Noord-Holland heeft plaatsgevonden.

6.2

Veiligheidsregio Noord-Holland Noord

De veiligheidsregio heeft ten aanzien van voorliggend project een advies uitgebracht. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 waar een en ander nader beschreven is. Uit het advies zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen.

6.4

Hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier

Gedurende het proces is meerdere malen met het Hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier contact geweest. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 4.10.2. Het Hoogheemraadschap is akkoord met de plannen, met dien verstande dat er wel een watervergunning aangevraagd dient te worden.

6.5

Vooroverleg omwonende

Op 30 juni 2020 heeft vooroverleg plaatsgevonden over de voorliggende ontwikkeling met de direct omwonenden en bedrijven. Dit heeft ertoe geleid dat enkele aanpassingen in het plan zijn doorgevoerd. Zo is er aan de kant van de schouw een voetpad ingetekend en wordt bij de groeninrichting rekening gehouden met de hoogte van de beplanting, zodat het zicht bij het uitrijden niet belemmerd wordt.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1

Inrichtingstekening Schouw 1, Akersloot

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 2

Onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 3

Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 4

Onderzoek externe veiligheid

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 5

Advies veiligheidsregio

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 6

Stikstofberekening

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 7

Quickscan flora en fauna

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 8

Nader onderzoek vleermuizen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Ruimtelijke onderbouwing, Omgevingsvergunning, Schouw 1, Akersloot Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 9

Wateradvies

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10274783/1