CConstaterende datCastricum
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Bijlage 2 Bestemmingsplan Raadhuisplein 3 Castricum - Toelichting

Raadsplein - Carrousels 20 mei 2021, gemeente CastricumBij agendapunt: Bestemmingsplan Raadhuisplein 3 te Castricum (Eerste Kwartier)13.288 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Raadhuisplein 3

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding & doelstelling 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer

4 4 4 5 7

Hoofdstuk2

Huidige situatie plangebied

8

Hoofdstuk3

Toekomstige situatie plangebied

9

Hoofdstuk4 Ruimtelijk beleid 4.1 Algemeen 4.2 Rijksbeleid 4.3 Provinciaal beleid 4.4 Regionaal beleid 4.5 Gemeentelijk beleid

11 11 11 13 16 17

Hoofdstuk5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Algemeen 5.2 Bodem 5.3 Ecologie 5.4 Water 5.5 Archeologie 5.6 Geluid 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 Externe veiligheid 5.9 Bedrijven- en milieuzonering 5.10 Parkeren 5.11 M.e.r.-beoordeling 5.12 Conclusie

22 22 22 23 24 26 27 28 29 30 31 32 39

Hoofdstuk6 Juridische planbeschrijving 6.1 Opzet bestemmingsplan 6.2 Bestemmingsregeling: artikelsgewijze toelichting

40 40 40

Hoofdstuk7 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 7.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2 Economische uitvoerbaarheid

42 42 42

Raadhuisplein 3 Pagina 2 van 42

Toelichting

Raadhuisplein 3 Pagina 3 van 42

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding & doelstelling

Van Vliet Beheer ontwikkelt aan het Raadhuisplein in Castricum een woongebouw bestaande uit 24 appartementen, genaamd Eerste Kwartier. De realisatie van een woongebouw is juridisch-planologisch niet mogelijk op grond van het vigerende bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld met als doelstelling de ontwikkeling van het woongebouw juridisch-planologisch mogelijk te maken. Van Vliet Beheer hecht waarde aan een plan dat door de omgeving wordt gedragen. Tijdens de totstandkoming van het plan voor de ontwikkeling van het Eerste Kwartier heeft er dan ook op meerdere momenten participatie met belanghebbenden uit de directe omgeving van het plangebied plaatsgevonden. Er hebben sinds het eerste idee voor herontwikkeling in 2016 de afgelopen jaren diverse ontmoetingen en bijeenkomsten met belanghebbenden plaatsgevonden. Er is een aantal inloopavonden georganiseerd, waar onder andere omwonenden, het buurtcomité, de winkeliersvereniging Geesterduin, de vereniging van eigenaren Geesterduin, Vomar en Hoorne Vastgoed als eigenaar van van een deel van winkelcentrum Geesterduin waaronder het pand van Vomar. Ook buiten de plenaire inloopavonden om heeft er meerdere malen afstemming plaatsgevonden met Hoorne Vastgoed over de plannen voor de herontwikkeling aan het Raadhuisplein.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen op de hoek van het Raadhuisplein en de Soomerwegh in Castricum.

Raadhuisplein 3 Pagina 4 van 42

Ligging plangebied In de voorgaande figuur is de omgeving van het Raadhuisplein weergegeven. Het plangebied bevindt zich binnen de rode cirkel en omvat de locatie van het bestaande pand en een groot deel van het omliggende terrein. Voor de exachte ligging en begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de digitale verbeelding van dit bestemmingsplan, welke is te raadplegen via de website Ruimtelijkeplannen.nl.

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bestemmingsplan 'Centrum' met identificatienummer NL.IMRO.0383.BPC12Centrum-VS01 van toepassing, dat is vastgesteld op 23 mei 2013. De gronden in het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn in het vigerende bestemmingsplan bestemd met de enkelbestemming 'Centrum - 3' ter plaatse van het bestaande gebouw en met de enkelbestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' ter plaatse van het het parkeerterrein en de openbare weg. Tevens is er een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing, waarmee de bescherming van archeologische waarden planologisch is geregeld.

Raadhuisplein 3 Pagina 5 van 42

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Centrum' ter plaatse van het plangebied aan het Raadhuisplein. De enkelbestemming 'Centrum - 3' voorziet ter plaatse in gebruik van de gronden ten behoeve van detailhandel, al dan niet in combinatie met een ondergeschikte horecavoorziening, dienstverlenende bedrijven en/ of instellingen, bestaande horecavoorzieningen met bijbehorende terrassen en uitstallingen. Gebouwen ten behoeve van dit gebruik mogen enkel ter plaatse van het bouwvlak worden gebouwd, waarbij ter plaatse een maximale bouwhoogte van 4 meter van toepassing is. De enkelbestemming 'Verkeer - verblijfsgebied' voorziet ter plaatse in gebruik van de gronden ten behoeve van onder andere wegen, straten, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' wordt de bescherming en veiligstelling van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden geregeld. Hiertoe voorziet deze dubbelbestemming in afwijkende bouwregels en een aanlegvergunningstelsel, die gelden in aanvulling op het bepaalde in de enkelbestemmingen 'Centrum - 3' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Het beoogde woongebouw is niet te realiseren binnen de planologische kaders die het vigerende bestemmingsplan biedt. De bestemmingen en bebouwingsmogelijkheden voldoen niet om het beoogde woongebouw te realiseren.

Onderhavig bestemmingsplan is daarom opgesteld ter vervanging van een deel van het bestemmingsplan 'Centrum', om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.

Raadhuisplein 3 Pagina 6 van 42

1.4

Leeswijzer

Na hoofdstuk 1, inleiding, staat hoofdstuk 2 in het teken van de huidige situatie in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt een ingegaan op de toekomstige situatie in het plangebied, waarbij een beschrijving wordt gegeven van het planvoornemen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het relevant ruimtelijk beleid op zoweel nationaal, proviciaal als lokaal niveau. In hoofdstuk 5 wordt, mede aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan, zowel economisch als maatschappelijk.

Raadhuisplein 3 Pagina 7 van 42

Hoofdstuk 2

Huidige situatie plangebied

Ter plaatse van het plangebied bevinden zich in de bestaande situatie een sportschool en parkeerterrein. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich onder andere het gemeentehuis van de gemeente Castricum, winkelcentrum Geesterduin en een tankstation. Aan het Raadhuisplein bevinden zich ook diverse woongebouwen.

Impressie bestaande situatie omgeving plangebied

Raadhuisplein 3 Pagina 8 van 42

Hoofdstuk 3

Toekomstige situatie plangebied

Van Vliet Beheer is voornemens om aan het Raadhuisplein 3 in Castricum een woongebouw te realiseren op de locatie van de bestaande fitnesschool. De bestaande fitnessschool zal plaatsmaken voor een appartementengebouw met 24 appartementen. Het woningbouwprogramma bestaat uit 7 sociale koopappartementen, 12 middeldure koopappartementen en 5 dure koopappartementen. Het plan heeft een sterkte ambitie qua duurzaamheid. Er wordt zowel bij de statische elementen van het gebouw, gebouw-gebonden technische installaties en regeltechnieken rekening gehouden met duurzaamheid. Er is sprake van een volledig gasloos appartementengebouw, dat goed is geïsoleerd en geventileerd, waarbij de energieconsumptie zoveel mogelijk wordt teruggebracht door goed beheer van apparaten aangesloten op het elektriciteitsnetwerk. Los van het aardgasvrij bouwen en het plaatsen van zonnepanelen, worden deelauto's ter beschikking gesteld aan de bewoners van de appartementen. Het buitenterrein rondom het pand wordt opnieuw ingedeeld, waarbij er nieuwe parkeerplaatsen worden toegevoegd om te voldoen aan de parkeerbehoefte. De binnen het plangebied aanwezige bomen worden zoveel als mogelijk behouden. Indien een boom niet behouden kan worden, dan zal bij afronding van de werkzaamheden eenzelfde type boom worden teruggeplant. Onderstaand is een aantal schetsen van de toekomstige situatie weergegeven

Raadhuisplein 3 Pagina 9 van 42

Schetsen toekomstige situatie plangebied

Raadhuisplein 3 Pagina 10 van 42

Hoofdstuk 4

Ruimtelijk beleid

4.1

Algemeen

4.2

Rijksbeleid

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 13 maart 2012 is de “Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte” (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft het integrale kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Het Rijk zet in op topsectoren zoals logistiek, water, hightech, creatieve industrie, chemie en voedsel en tuinbouw, waar de kracht van Nederland ligt ten opzichte van internationale concurrenten. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie doelen uitgewerkt: Vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Verbeteren van de bereikbaarheid. Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Met bovengenoemde doelen zijn dertien nationale belangen aan de orde die in de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio’s. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid gekregen op het terrein van de ruimtelijke ordening.

De reden hiervoor is dat het kabinet van mening is dat provincies en gemeenten beter op de hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke) ingrepen in een gebied nodig zijn. Betekenis voor dit bestemmingsplan Vanwege de aard en schaal van de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van strijd met het SVIR. Het SVIR wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Anderzijds draagt de ontwikkeling ook niet bij aan het verwezenlijken van dit beleid. 4.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Op 1 oktober 2012 is aan het Barro een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat om de Ecologische Hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming Raadhuisplein 3 Pagina 11 van 42

van de Maastakken. Betekenis voor dit bestemmingsplan Vanwege de aard en schaal van de voorgenomen ontwikkeling is er geen sprake van strijd met het Barro. Voorliggend plan betreft de realisatie van een woongebouw bestaande uit 24 appartementen. Het plan raakt niet aan nationale belangen waarvoor in het Barro (beschermende) regels zijn opgenomen. Anderzijds draagt de ontwikkeling ook niet bij aan het verwezenlijken van dit beleid. 4.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en op 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. Het Bro bepaalt dat voor onder meer ruimtelijke plannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de behoefte moet worden beschreven. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering.

Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' verstaat het Bro een 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Artikel 3.1.6 van het Bro: 1.

lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. 2. Lid 3: indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. 3. Lid 4: een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische Raadhuisplein 3 Pagina 12 van 42

behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Betekenis voor dit bestemmingsplan De regio Alkmaar heeft in 2016/2017 haar Regionaal Actie Programma wonen (RAP) vastgesteld. Met dit RAP willen de gemeenten komen tot een optimale ontwikkeling van de woningmarkt in de regio Alkmaar. In het RAP is aangegeven dat voor de regio Alkmaar tot 2026 een behoefte is aan 9.626 woningen. In 2017 heeft de provincie Noord-Holland een nieuwe prognoseberekening gemaakt. Hieruit blijkt een vraag van 5.000 woningen in de periode 2017-2020 en 12.100 voor 2017-2030. In 2019 zijn de afspraken woningbouwafspraken en programmering uit het RAP voor de regio Alkmaar geactualiseerd op basis van woningmarktondezoek. Het blijkt dat de krapte op de woningmarkt in de regio groot is en groeit; zowel vanuit regionale woningvragers, als vanuit woningvragers vanuit bijvoorbeeld de Amsterdamse agglomeratie. Het bouwtempo in de regio moet stevig omhoog om huidige druk op de markt het hoofd te bieden. In 2018 was er al sprake van een tekort van 2000 tot 2.600 woningen in de regio Alkmaar. Voor de gemeente Castricum geldt daarnaast dat er tot 2023 sprake is van een jaarlijkse productie van 150 tot 200 woningen.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 24 appartementen. Deze appartementen dragen bij aan het invullen van de woningbehoefte en inlopen van het woningtekort in de regio en de behoefte aan 150 tot 200 woningen per jaar in de gemeente Castricum. Derhalve kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in de kwantitatieve behoefte. Op basis van de woningbouw Factsheet gemeente Castricum blijkt dat op de korte termijn vooral starters op zoek zijn naar een appartement, maar dat ook jonge ouderen een stap maken naar een levensloopgeschikte woning, vaak in de vorm van een appartement. Op de langere termijn zal de vraag in Castricum zich bijna volledig concentreren op appartementen. Derhalve kan worden gesteld dat de beoogde ontwikkeling ook bijdraagt aan een kwalitatieve behoefte aan appartementen. Het realiseren van 24 appartementen binnen het bestaand stedelijk gebied is op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking goed gemotiveerd. De ontwikkeling passend is binnen de regionale en lokale behoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met de ladder.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Omgevingsvisie NH2050

Op 19 november 2018 is de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld door Provinciale Staten. Met de Omgevingsvisie richt de provincie zich op lange termijn ambities en doelen, met oog voor kwaliteiten die de provincie langjarig willen koesteren en die probeert in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. In het Visiedeel zijn de ambities uitgewerkt in zogenaamde samenhangende bewegingen naar de toekomst. Uitgangspunt is dat wonen en werken zoveel mogelijk binnenstedelijk worden gerealiseerd en geconcentreerd. Hierbij wordt nadrukkelijk ingezet op het stimuleren van knooppuntontwikkeling in de stationsgebieden. De provincie geeft in de Omgevingsvisie aan dat de metropool zich snel ontwikkelt. De vraag naar woningen en ruimte voor bedrijven houdt aan, evenals de ruimtevraag voor recreatie en andere functies. Tegelijkertijd wil de provincie de landschappen in de metropool sparen. De bebouwingsopgave moet dan ook zoveel mogelijk binnen de bestaande kernen plaatsvinden. Verdichting vraagt steeds meer inventiviteit en bestuurskracht. De bebouwde omgeving wordt steeds intensiever gebruikt, de plancapaciteit binnenstedelijk blijkt door een andere kijk op stad en stedelijkheid een stuk groter te zijn dan gedacht. En zowel bij bestaande bouw als nieuwbouw wil de provincie inzetten op besparing van energie, een klimaatadaptieve Raadhuisplein 3 Pagina 13 van 42

ruimtelijke inrichting en bij nieuwbouw ook op circulair bouwen. Dit alles moet samengaan met de verdere verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving in bestaande en nieuwe gebieden. De provincie houdt ook een vinger aan de pols voor wat betreft de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van de vraag. Regionale afspraken over stedelijke ontwikkelingen moeten bij de vraag blijven aansluiten. De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Betekenis voor dit bestemmingsplan De voorgenomen nieuwbouw van appartementen binnen het bestaande stedelijke gebied van Castricum, past in het algemene beleidsvoornemen om de natuurgebieden vrij te houden van bebouwing en binnenstedelijk een aantrekkelijke woonomgeving te faciliteren. Onderstaande visiekaart geeft onder andere het bestaand stedelijk gebied van de provincie Noord-Holland weer.

Visiekaart Omgevingsvisie NH2050 - Noord-Holland in beweging 4.3.2

Omgevingsverordening NH2020

Op 22 oktober 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld door Provinciale Staten. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels voor de fysieke leefomgeving samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. De provincie Noord-Holland wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw Raadhuisplein 3 Pagina 14 van 42

en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. Hierbij wordt gezocht naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De ambities voor Noord-Holland, zoals die zijn Omgevingsvisie NH2050, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening NH2020. Zo zijn er in de Omgevingsverordening NH2020 onder andere instructieregels opgenomen voor het realiseren van stedelijke functies, zoals die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Deze regels zijn bijvoorbeeld gericht op het het actief stimuleren van de regionale afstemming. Regionale afstemming staat centraal bij het realiseren van stedelijke functies. De gemeenten in de regio moeten het gezamenlijk eens worden over de nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Duurzaam ruimtegebruik en het voorkomen van overprogrammering zijn hierbij belangrijke aspecten. Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingaplan. De ontwikkeling van het beoogde aantal woningen is namelijk in lijn met de gemaakte afspraken, er is geen sprake van overprogrammering.

Betekenis voor dit bestemmingsplan Voorliggend plan is opgesteld met inachtneming van de instructieregels uit de Omgevingsverordening NH2020. Vanuit deze instructieregels zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Het plan maakt een ontwikkeling mogelijk welke voldoet aan de afspraken die in regionaal verband zijn gemaakt.

4.3.3

Provinciale woonvisie 2010-2020

Op 25 mei 2010 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Provinciale woonvisie 2010-2020 'Goed Wonen in Noord-Holland' vastgesteld. De woonvisie is een verdere uitwerking van de structuurvisie, waarin de kwaliteit van wonen centraal staat. De doelstelling voor 2020 is dat de inwoners van Noord-Holland beschikken over voldoende woningen met een passende kwaliteit en in een aantrekkelijk woonmilieu. Om hiertoe te komen zijn de volgende drie speerpunten benoemd: 1. betere afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten en vooral voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning; 2. betere afstemming van voorzieningen in de woonomgeving op de vraag van bewoners; 3. verbetering van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving. De provincie zet zich hierbij vooral in op de rol van procesleider, aanjager en expert. Vanuit deze rol stuurt de provincie aan op het maken van bestuurlijke afspraken in de Regionale Actie Programma's (RAP's) . In deze actieprogramma's worden de speerpunten en opgaven uit de woonvisie nader uitgewerkt. Het doel van de RAP's is om te komen tot regionale woningbouwprogrammering, waarbij op regionaal niveau de afstemming tussen vraag en aanbod centraal staat. Een regionaal programma biedt een robuust kader voor lokale differentiatie in woonproducten, doelgroepen en locatietypen.

Als gemeenten en regio's van elkaar weten wat de plannen zijn en daar afspraken over maken, kunnen unieke lokale kansen beter benut worden, zonder dat er ongewenste concurrentie ontstaat. Betekenis voor dit bestemmingsplan Het project is in lijn met de provinciale woonvisie. Het planvoornemen draagt bij aan het voldoen aan de opgave in de regio, zoals die in regionaal verband is afgestemd door de gemeenten in de regio Alkmaar.

Raadhuisplein 3 Pagina 15 van 42

4.4

Regionaal beleid

4.4.1

Regionale Woonvisie Regio Alkmaar 2013-2020

De regio Alkmaar bestaat uit de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Graft-De Rijp, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk en Schermer. Het gebied kent een rijke schakering aan woningen en woonmilieus. Op gemeentelijk niveau is een dergelijke variëteit niet haalbaar en daarom is het van belang de omvang en invulling van het nieuwbouwprogramma, het aanbod aan woonmilieus en de omgang met de bestaande voorraad op elkaar af te stemmen in een Regionale Woonvisie. De Woonvisie legt kaders vast voor de lokale woonvisies en geeft richting voor afspraken met marktpartijen. In de regio is geen sprake van krimp. Tot 2040 groeit de bevolking. Daarnaast zal het aantal huishoudens verder toenemen als gevolg van de trend dat steeds meer mensen alleen gaan wonen en minder in gezinsverband. Ook verdubbelt het aandeel senioren (75+), dit leidt tot een specifieke vraag naar nultredenwoningen en wonen met zorg. Betekenis voor dit bestemmingsplan Het voornemen betreft de realisatie van 24 appartementen in Castricum. Hiermee wordt invulling gegeven aan de regionale woonvisie en een bijdrage geleverd aan het huisvesten van de groeiende bevolking binnen afwisselende woonmilieus. 4.4.2

RAP regio Alkmaar

De regio Alkmaar heeft in 2017 afspraken gemaakt over de woningbouwprogrammering: Een flexibel, licht en gericht RAP Een woningaanbod dat aansluit bij de vraag Plannen die een ruimtelijke versterking van de regio betekenen Werken in de geest van de ladder voor duurzame verstedelijking Streven naar een duurzame voorraad Versterking van woonsegmenten waar een tekort aan is Niet meer bouwen dan het gemeentelijk aandeel in de prognose Monitoren ontwikkelingen Het aantal huishoudens neemt volgens het RAP nog fors toe. De meeste woningen worden op OV-locaties gepland. Uit het RAP blijkt ook dat veruit de meeste mensen binnen de regio en binnen de gemeente Alkmaar verhuizen. Verder wordt prioriteit gegeven aan inbreidingslocaties. In het woningbouwprogramma is in alle kernen ruimte voor sterke initiatieven die iets toevoegen aan de voorraad (niet meer van hetzelfde). In 2019 zijn de afspraken woningbouwafspraken en programmering uit het RAP voor de regio Alkmaar geactualiseerd op basis van woningmarktondezoek. Het blijkt dat de krapte op de woningmarkt in de regio groot is en groeit; zowel vanuit regionale woningvragers, als vanuit woningvragers vanuit bijvoorbeeld de Amsterdamse agglomeratie. Het bouwtempo in de regio moet stevig omhoog om huidige druk op de markt het hoofd te bieden. In 2018 was er al sprake van een tekort van 2000 tot 2.600 woningen in de regio Alkmaar.

Voor de gemeente Castricum geldt daarnaast dat er tot 2023 behoefte is aan een jaarlijkse productie van 150 tot 200 woningen. In oktober 2020 is het de regionale woningprogrammering geactualiseerd. In deze programmering is de realisatie van woningen aan het Raadhuisplein in Castricum al verwerkt. Betekenis voor dit bestemmingsplan Het planvoornemen voldoet aan de (geactualiseerde) regionale woningbouwafspraken, waarbij in de programmering reeds rekening is gehouden met de realisatie van woningen aan het Raadhuisplein in Castricum.

Raadhuisplein 3 Pagina 16 van 42

4.5

Gemeentelijk beleid

4.5.1

Castricum op weg naar 2030; Structuurvisie Buitengewoon Castricum

Op 4 december 2014 heeft de gemeenteraad een geactualiseerde structuurvisie vastgesteld. De structuurvisie brengt alle beleidsterreinen bijeen waarop de gemeente actief is. In de structuurvisie wordt een beeld gegeven van wie de gemeente is en waar zij wil staan in 2030. Bijna 10 jaar geleden begon de gemeente met de toekomstdiscussie onder de noemer Buiten Gewoon Castricum. Op drukbezochte bijeenkomsten discussieerden vele inwoners mee over de vraagstukken van de toekomst en de opgaven van nu. Dat leidde tot de strategische visie Buiten Gewoon Castricum, die in 2010 is geactualiseerd. Intussen staat de wereld niet stil en ook de Castricumse samenleving blijft in beweging. Daarom is het nodig om van tijd tot tijd stil te staan bij de keuzes die gemaakt zijn: passen ze nog bij de actuele situatie of de gemeentelijke verwachtingen van de toekomst? Daarom worden iedere vier jaar de keuzes opnieuw tegen het licht gehouden. Niet om telkens een drastische ommezwaai te maken, wel om waar nodig bij te sturen als de tijd daarom vraagt. In de structuurvisie zijn speerpunten en beleidscriteria geformuleerd. De speerpunten bestaan uit: een open en gevarieerd landschap; een stabiel inwonertal; het bevorderen van recreatie en toerisme. Betekenis voor dit bestemmingsplan Op de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied naar woningbouw is met name het tweede speerpunt van toepassing.

Het aantal inwoners in de gemeente daalt trendmatig. Daarnaast neemt het gemiddelde aantal personen in een woning verder af (huishoudensverdunning). Als er geen nieuwe woningen worden gebouwd, neemt het aantal inwoners in de gemeente af. De gemeente streeft er echter naar om het inwonertal stabiel te houden op 35.000 inwoners en te komen tot een evenwichtige leeftijdsopbouw van de bevolking. Het bouwprogramma is gericht op woningbouw binnen de bestaande bebouwing van de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden. De voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van appartementen binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Castricum, is in lijn met het gestelde in de structuurvisie. Binnen de bestaande kern mogen woningen worden toegevoegd om de woningvoorraad met de demografische ontwikkelingen en ontwikkelingen in de huishoudensamenstelling in de pas te laten lopen.

Raadhuisplein 3 Pagina 17 van 42

Structuurvisiekaart met plangebied binnen paarse cirkel 4.5.2

Woonvisie Castricum 2020 - 2025

Met de Woonvisie Castricum schetst de gemeente haar visie op het wonen in de gemeente Castricum. Deze woonvisie houdt rekening met de kaders van het landelijk, provinciaal en regionaal woonbeleid. Er is een grote vraag naar woningen, koopprijzen lopen verder op en het woningaanbod daalt. Het zijn niet alleen starters die het moeilijk hebben door stijgende huizenprijzen en strengere leennormen, maar ook doorstromers zien minder mogelijkheden. Het is daarom belangrijk te zorgen voor een woningproductie die gelijke tred houdt met de demografische groei en dat we in woningtypen en prijssegmenten vraaggericht zijn voor alle inwoners uit Castricum: starters, doorstromers, gezinnen, senioren, en inwoners met een zorgvraag. Om de woningbehoefte op de korte en middellange termijn tegemoet te komen, moeten er de komende jaren meer woningen worden gebouwd en bestaande plannen worden versneld. Om dit waar te kunnen maken heeft de gemeente Castricum samen met de gemeenten in Regio Alkmaar en de Woningmakers de 'Woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaar' gemaakt. Hierin zijn de ambities en opgaven, programmering- en woningbouwafspraken uit het Regionaal Actie Programma nader uitgewerkt. Met deze nieuwe woningbouwafspraken gaan de gemeenten in Regio Alkmaar zich richten op realisatiecapaciteit.

Hierbij wordt steeds gebruikgemaakt van de meest recente marktinformatie en huishoudensprognoses. Regio Alkmaar ziet een vijftal opgaven: 1. Het bouwtempo moet stevig omhoog om de huidige druk op de markt het hoofd te bieden; 2. Flexibiliteit creëren in planvoorraad door adaptief te programmeren; 3. Inzet op de diversiteit in woonmilieus, waarbij drie subregio's op basis van de verscheidenheid aan woonmilieus wordt gehanteerd: Alkmaar, Heerhugowaard/Langedijk en de BUCH gemeenten; 4. Voorkomen van verdringing; 5. Inspelen op de langetermijnbehoefte. Op basis van woningbehoefteonderzoek worden in de woonvisie onderstaande globale aanbevelingen gedaan voor nieuwbouw:

Raadhuisplein 3 Pagina 18 van 42

Op de langere termijn verschuift de vraag van grondgebonden woningen naar appartementen (of levensloopbestendige woningen); Op de korte termijn is er nog een lichte behoefte aan sociale huurwoningen (vooral omdat er nu sprake is van grote krapte op de woningmarkt). Op de langere termijn neemt deze vraag af; Op de korte termijn is er behoefte aan duurdere grondgebonden woningen om te zorgen voor voldoende doorstroming en woningen vrij te maken in het middensegment; Op de korte termijn en lange termijn is er een behoefte aan vrije sector woningen (koop en huur). Vooral bij inbreidingslocaties wordt in de woonvsie voorgesteld om in te zetten op appartementen. Bij uitbreidingslocaties of grote locaties verdient een mix van grondgebonden en appartementen de voorkeur. Betekenis voor dit bestemmingsplan Het plan ziet toe op een kleinschalige inbreiding doormiddel van een appartementengebouw in bestaand stedelijk gebied. Dit sluit aan op de woonvisie, waarin wordt aangegeven dat de vraag op langere termijn verschuift naar appartementen, die men vooral op inbreidingslocaties wil realiseren. 4.5.3

Welstandsnota Castricum 2013

Het welstandsbeleid van de gemeente Castricum is verwoord in de Welstandsnota 2013. Voor het krijgen van een positief welstandsadvies moeten bouwplannen aan bepaalde criteria voldoen. Deels gaat het om algemene eisen die voor alle bouwwerken in de hele gemeente gelden, deels zijn de criteria steeds per gebied bepaald. Toetsing aan de welstandsnota vindt plaats aan de hand van gebiedscriteria. In dit kader worden de volgende gebieden onderscheiden: 1. 2. 3. 4.

welstandsvrij (blauw, geen toets); luw welstandsgebied (oranje); regulier welstandsgebied (groen); bijzonder welstandsgebied (rood).

De volgende afbeelding toont een fragment van de Niveaukaart uit de welstandsnota.

Raadhuisplein 3 Pagina 19 van 42

Het plangebied ligt in een luw welstandsgebied. Dit is een gebied waar slechts beperkt op welstand wordt getoetst. In een gebied met een luw welstandsbeleid heeft de welstandstoets tot doel dat vooraf getoetst wordt dat in ieder geval geen excessen ontstaan. De welstandtoets is hier ruimhartig zonder daarbij te letten op verfijning van het bouwwerk op zich. In het luwe welstandsgebied gelden de volgende gebiedscriteria: Ligging gebouwen oriënteren op de belangrijkste openbare ruimte; rooilijnen van de hoofdgebouwen volgen de weg en kunnen verspringen; bijgebouwen staan achter de voorgevelrooilijn; Massa gebouwen zijn in beginsel individueel en afwisselend; uitbreidingen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element (geen zichtbare aanbouwen aan aanbouwen); appartementengebouwen en vrijstaande woningen kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw en vorm; geen dichte gevels aan de straat; Architectonische uitwerking de architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig en in balans; gevelelementen in een logische verhouding plaatsen; wijzigingen en toevoegingen afstemmen op hoofdvolume; vrijstaande woningen hebben een individuele uitstraling; Materiaal en kleur materialen en kleuren zijn afgestemd op de bestaande bebouwing; gevels van het hoofdgebouw uitvoeren in baksteen, hellende daken dekken met pannen of riet.

Raadhuisplein 3 Pagina 20 van 42

Betekenis voor dit bestemmingsplan Uit de toets aan de Welstandsnota Castricum 2013 is gebleken dat het bouwplan, zoals dat mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan, voldoet aan de redelijke eisen van welstand. 4.5.4

Masterplan Inbreidingen

Het Masterplan Inbreidingen uit 2009 geeft een overzicht van locaties waar binnen de bebouwde kom van Akersloot, Bakkum, Castricum en Limmen, nog woningbouw mogelijk is. Op 5 maart 2020 heeft de gemeenteraad de ‘Oplegnotitie actualisatie van het masterplan inbreidingen’ vastgesteld. De oplegnotitie is een actualisatie van het Masterplan Inbreidingen uit 2009. De wijzigingen ten opzichte van het Masterplan Inbreidingen 2009 zijn zeer beperkt. De uitgangspunten uit 2009 zijn ongewijzigd, er zijn enkel gerealiseerde locaties verwijderd en er zijn enkele nieuwe locaties toegevoegd waar woningbouw mogelijk is. Betekenis voor dit bestemmingsplan Het plangebied van onderhavig bestemmingsplan is in het Masterplan Inbreidingen aangewezen als locatie waar middels inbreiding woningbouw mogelijk is. Vanuit het masterplan zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, dat invulling geeft aan inbreiding aan het Raadhuisplein. 4.5.5

Nota Parkeernormen 2020 Gemeente Castricum

Deze Nota Parkeernormen 2020 Gemeente Castricum vervult een rol in het ruimtelijk toetsingskader voor nieuwbouw- en transformatieontwikkelingen. Aan de hand van de nota wordt het aantal parkeerplaatsen voor auto’s bepaald dat aangelegd en in stand gehouden moet worden. Aan te leggen parkeerplaatsen moeten voldoen aan kwalitatieve eisen die de bruikbaarheid van de parkeerplaatsen waarborgen. Ten aanzien van haar parkeernormenbeleid hanteert de gemeente Castricum de volgende uitgangspunten: In iedere nieuwbouw- of transformatieontwikkeling is sprake van een bepaalde behoefte aan parkeerplaatsen. Aan de hand van de nota parkeernormen wordt de omvang van deze behoefte bepaald. Nieuwbouw- en transformatieontwikkelingen mogen niet leiden tot een dusdanige verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte waardoor bewoners hun auto niet meer kunnen parkeren. De gemeente Castricum streeft naar een flexibel parkeernormenbeleid. Deze flexibiliteit uit zich in de wijze waarop de parkeernormen worden toegepast en niet in de hoogte van de parkeernormen. Bedachte parkeeroplossingen zijn toekomstbestendig en leiden niet tot parkeeroverlast in de toekomst. De nota geeft invulling aan de genoemde uitgangspunten. Betekenis voor dit bestemmingsplan De Nota parkeernormen 2020 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid conform de nota. In paragraaf 5.10 wordt meer uitgebreid op het aspect parkeren ingegaan.

Raadhuisplein 3 Pagina 21 van 42

Hoofdstuk 5

5.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de milieu- en omgevingsaspecten de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onderbouwd. Achtereenvolgens wordt in gegaan op de aspecten bodem, ecologie, water, archeologie, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een pargraaf over de m.e.r.-beoordeling.

5.2

Bodem

5.2.1

Relevant kader

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn. 5.2.2

Onderzoek

Aanleiding voor het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen herinrichting van de locatie en uitgifte met de bestemming wonen. In verband hiermee inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) noodzakelijk. Op basis van vooronderzoek is voor het verkennend bodemonderzoek de hypothese onverdacht gekozen. De boven- en ondergrond zijn onderzocht op het standaardpakket + PFAS. Het grondwater is onderzocht op het standaardpakket. De boven- en ondergrond bestaan uit zintuiglijk schoon zand. Ter plaatse van de groenstrook is in de bovengrond een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. De bodem voldoet hier aan bodemkwaliteitsklasse Industrie. Onder de klinkerverharding van het voetpad en het parkeerterrein zijn in zowel boven- als ondergrond geen verontreinigingen aangetoond. De bodem voldoet hier aan bodemkwaliteitsklasse Het grondwater is niet verontreinigd. 5.2.3

Betekenis voor het bestemmingsplan

Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 1). Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Gezien resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’, strikt genomen niet juist is. Gezien de relatief lage gehalten is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met aangepaste hypothese. Indien grond van de locatie vrijkomt en wordt toegepast gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor is mogelijk een generiek of gebiedsspecifiek beleidskader kracht voor het toepassen van grond. Op basis van toetsing van de aangetoonde chemische parameters aan de CROW 400 worden geconcludeerd dat er geen veiligheidsklasse van toepassing is voor werkzaamheden in het onderzoeksgebied. Raadhuisplein 3 Pagina 22 van 42

Op basis van historisch onderzoek en zintuiglijke waarnemingen bestaat er geen reden aan te nemen dat er asbest verontreinigingen aanwezig op de onderzoekslocatie.

5.3

Ecologie

5.3.1

Relevant kader

Bescherming van natuurwaarden vindt plaats conform de Wet Natuurbescherming 2017. Handelingen of projecten dienen worden getoetst aan de volgende kaders: Gebiedsbescherming Soortenbescherming Natuurnetwerk Nederland 5.3.2

Onderzoek

Ten behoeve van de ontwikkeling is een natuurtoets uitgevoerd (Bijlage 11). Voor soortenbescherming blijkt dat: Het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de grondgebonden zoogdieren alleen 'vrijgestelde' soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Gierzwaluw en Sperwer), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

Tijdens een aanvullend scan voor vleermuizen zijn geen verblijvende vleermuizen, sporen van vleermuizen of geschikte ruimtes aangetroffen. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk-baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Voor gebiedsbescherming blijkt dat: Vanwege de locatie van het plangebied en aard van voorgenomen ontwikkeling op voorhand is uit te sluiten dat effecten op beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Uitzondering hierop zijn de mogelijke indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie. In de volgende paragraaf wordt hier verder op ingegaan.

Raadhuisplein 3 Pagina 23 van 42

5.3.3

Stikstofdepositie

Met de Wet Natuurbescherming (Wnb) worden soorten en habitattypen van Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting met stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een probleem met de realisatie van de instandhoudings-doelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten. Nieuwe ontwikkelingen waarbij emissies van stikstof plaatsvinden kunnen hierdoor al snel significante negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Deze overbelaste situatie in de natuurgebieden belemmert de vergunningverlening voor nieuwe ontwikkelingen waarbij emissies van stikstof plaatsvinden. Ten behoeve van de ontwikkeling zijn stikstofdepositie-berekeningen uitgevoerd (Bijlage 12). Het woningbouwproject Eerste Kwartier in Castricum leidt in de aanlegfase tot een stikstofdepositie van 0,02 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat. In de gebruiksfase is de berekende stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jaar.

Rijk en provincies hebben recent een beleidslijn afgesproken dat projecten met tijdelijke stikstofdeposities van transport en mobiele werktuigen in de aanlegfase kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar niet vergunningplichtig zijn voor de Wet natuurbescherming. Op basis van deze beleidslijn is dit project niet vergunningplichtig voor de aanlegfase. Ook voor de gebruiksfase geldt dat er geen vergunning nodig is. 5.3.4

Betekenis voor het bestemmingsplan

Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Beschermde soorten en gebieden worden niet geschaad door de voorgenomen ontwikkeling. Stikstofdepositie in de gebruiksfase bedraagt 0,00 mol/ha/jaar. De stikstofdepositie in de aanlegfase voldoet aan de recent afgesproken beleidslijn van het rijk en de provincies.

5.4

Water

5.4.1

Relevant kader

De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. 5.4.2

Watertoets

Ten behoeve van de ontwikkeling is een watertoets opgesteld (Bijlage 10). Tevens is de digitale watertoets doorlopen. De uitkomst van de digitale watertoets is toegevoegd achteraan Bijlage 10. Veiligheid / Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in of in de invloedsferen van een regionale en/of primaire waterkering. Wateroverlast Watercompensatie Bij (een toename van) verhard oppervlak wordt het regenwater versneld afgevoerd, waardoor de werking van het ontvangende oppervlaktewatersysteem negatief kan worden beïnvloed met snellere en hogere peilstijgingen en afvoer. Om een goed functionerend watersysteem te garanderen en te behouden bij nieuwe ontwikkelingen is er een compensatieplicht voor de Raadhuisplein 3 Pagina 24 van 42

toename van het verhard oppervlak. In het plan is geen water aanwezig en in de toekomstige situatie wordt er ook geen oppervlaktewater in het plangebied aangebracht. Uit het stedenbouwkundige plan en de verhardingsanalyse volgt dat de toename van het verhard oppervlak circa 40 m2 bedraagt. Daar dit < 800m2 is er geen extra watercompensatie benodigd op basis van verhardingstoename. Goed functionerend watersysteem Oppervlaktewater en watersysteem Er is geen oppervlaktewater aanwezig in de huidige en toekomstige situatie. Regen afvoer op maaiveld In de huidige en toekomstige situatie verandert de hemelwaterafvoer niet. Klimaatadaptatie Bij de ontwikkeling van het appartementen complex wordt tevens het parkeerterrein opnieuw ingericht. Gezien de bodemopbouw (zand) en de grondwaterstand ontstaat hier de kans/ mogelijkheid om eventueel water te laten infiltreren in plaats van direct via het hemelwaterstelsel af te voeren. Riolering Aan de oostkant in het plangebied, in de bestaande weg, is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Binnen het plan wordt een gescheiden stelsel aangelegd en wordt er aangesloten op dit bestaande systeem. De afvoer van het hemelwater van verhard oppervlak (daken en wegen) wordt gescheiden van huishoudelijk afvalwater. Het huishoudelijke afvalwater wordt aangesloten op het aanwezige DWA-riool.

Door de nieuwe ontwikkeling ontstaat een toename van huishoudelijk afvalwater. Uitgegaan wordt van 24 nieuwe woningen (appartementen). De totale geprognotiseerde afvalwaterproductie bedraagt 3.0 i.e.’s * 24 woningen * 12 liter/uur = 864 liter/uur = 0.86 m³/uur. In de huidige situatie wordt door de bestaande sportschool ook afvalwater geproduceerd. Vanwege de geringe toename van het afvalwater en de capaciteit van het aanwezige gemeentelijk riool worden er geen problemen verwacht. Bodem en grondwater Er is geen sprake van een bodembeschermingsgebied, grondwaterbeschermingsgebied en/of drinkwaterwingebied. Beheer en onderhoud Onderhoud van watergangen is voor dit plangebied niet aan de orde. Schoon water Goede oppervlaktewaterkwaliteit en goed omgaan met hemelwater. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt. Voor de waterhuishoudkundige kunstwerken worden alleen milieuvriendelijke en niet-uitlogende materialen gebruikt. Het hemelwater binnen het plangebied wordt conform huidig toekomstig plan enkel afgevoerd via het bestaande gescheiden stelsel naar het oppervlaktewater. Deze voorkeur wordt gebaseerd op het feit dat deze waterstromen in principe geen of geringe verontreinigingen bevatten, zodat ze zonder maatregelen direct in het milieu kunnen worden geloosd.

Daarnaast zijn voor deze lozingen geen individuele vergunningen of ontheffingen noodzakelijk. Benodigde vergunningen Eventueel benodigde vergunningen worden niet met de onderhavige watertoets aangevraagd en dienen via de daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Naar verwachting dienen de volgende onderdelen van het plan door middel van een aanvraag watervergunning vergund te worden: Aanleggen riolering; Aanbrengen van verhard oppervlak.

Raadhuisplein 3 Pagina 25 van 42

5.4.3

Betekenis voor het bestemmingsplan

Er wordt geen water gedempt en er is geen verhardingstoename welke leidt tot benodigde watercompensatie conform de keurregels van HHNK. Ook worden er geen kelders en of ondergrondse parkeergarages mogelijk gemaakt met het bestemmingsplan. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan wordt watercompensatie dan ook niet juridisch geborgd.

5.5

Archeologie

5.5.1

Relevant kader

Gemeenten hebben op grond van de Monumentenwet de taak om bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden. 5.5.2

Onderzoek

Ten behoeve van de ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). Naar aanleiding van het bureauronderzoek is een verkennend booronderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). Vanwege de vormingsgeschiedenis van het landschap geldt op basis van het bureauonderzoek een lage archeologische verwachting tot aan de IJzertijd. Voor de periode IJzertijd t/m Late Middeleeuwen geldt een hoge archeologische verwachting. Met name resten en vindplaatsen uit de Romeinse Tijd zijn uit de omgeving bekend. Deze resten worden verwacht binnen 1 m -mv. Op basis van de geplande ingrepen en de archeologische verwachting is besloten dat er een verkennend booronderzoek dient plaats te vinden met als doel de mate van verstoring en de bodemopbouw in kaart te brengen. Tijdens het verkennend booronderzoek zijn er in de boringen geen archeologische indicatoren en/of vondsten aangetroffen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting voor alle periode worden bijgesteld naar laag. Er zijn geen aanwijzingen voor intacte archeologische (sporen)niveau’s aangetroffen. 5.5.3

Betekenis voor het bestemmingsplan

Op basis van het verkennend booronderzoek is het plangebied archeologisch vrijgegeven. Er is geen noodzaak meer tot het opnemen van een dubbelbestemming ter bescherming van mogelijke archeologische waarden in het plangebied. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de bevoegde overheid).

Raadhuisplein 3 Pagina 26 van 42

5.6

Geluid

5.6.1

Relevant kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht of na realisatie van het plan sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. Op basis van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van ruimtelijke plannen: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. De Wgh benoemt situaties wanneer onderzoek nodig is naar geluidhinder en bevat normen voor de voorkeurswaarde en maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van woningen. Daarnaast kan het ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening nodig zijn inzicht te geven in de indirecte akoestische gevolgen van het plan bij omliggende bestaande woningen, zoals de akoestische gevolgen van eventueel verkeersaantrekkende werking. 5.6.2

Onderzoek

Ten behoeve van de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (Bijlage 2). Uit het onderzoek blijkt dat de berekende geluidbelasting ten gevolge van de C.F. Smeetslaan voldoet aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de Soomerwegh voldoet met 57 dB Lden niet aan de voorkeursgrenswaarde uit de de Wet geluidhinder. Maatregelen aan de bron of overdrachtsmaatregelen zijn onwenselijk of onvoldoende treffend om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Een hogere waarde besluit is nodig. De maximaal toelaatbare waarde op basis van een hogere waarde besluit 63 dB Lden. De geluidbelasting ten gevolge van het Raadhuisplein is vanuit goede ruimtelijke ordening toelaatbaar. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de weerkaatsing van het geluid via het te realiseren gebouw naar omwonenden toe. Er is een vergelijking gemaakt van de bestaande situatie en de situatie met het te realiseren gebouw. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet voor een relevante toename zorgt van de geluidbelastingen ter plaatse van de bestaande woningen. Ten behoeve van de ontwikkeling is tevens een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar geluid vanwege het nabijgelegen winkelcentrum Geesterduin (Bijlage 2).

De appartementen worden namelijk gerealiseerd op korte afstand tot de inrit van een parkeergarage, de oprit van een parkeerdek, een supermarkt en de laad- en losplaats van een supermarkt. Voor de parkeergarage gelden formeel geen eisen aan de geluidniveaus ten gevolge van het verkeer van en naar de parkeergarage. Toetsing aan de normen uit de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" wijst uit dat aan deze normen wordt voldaan. Ook voor het parkeerdek gelden formeel geen eisen aan de geluidniveaus ten behoeve van verkeer op het parkeerdek. Uit de toetsing aan de normen uit de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" blijkt echter dat deze waarden licht worden overschreden. De overschrijdingen treden op in de avond- en nachtperiode ten gevolge van het verkeer dat over de inrit naar boven rijdt. De overschrijding is ten hoogste 7 dB. In de woningen zal hiervan echter geen hinder worden ondervonden. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen is namelijk onderzoek uitgevoerd naar de geluidwering van de gevels. Hierbij is uitgegaan van een geluidbelasting van 63 dB op de gevel en waarbij een eis gehaald moet worden van 33 dB binnen in de woningen. De geluidwering bedraagt hiermee 30 dB, wat 10 dB beter is dan waarvan volgens het bouwbesluit minimaal uitgegaan moet worden.

In de woningen zal hierdoor geen hinder worden ervaringen van het verkeer van en naar het parkeerdek. Voor de supermarkt geldt dat uit het onderzoek blijkt dat de berekende geluidniveaus voldoen aan zowel de normen uit de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" als aan de formele eisen uit het activiteitenbesluit.

Raadhuisplein 3 Pagina 27 van 42

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het winkelcentrum (parkeergarage, parkeerdek en supermarkt) geen belemmering vormen voor de ontwikkeling van de woningen. Ook blijkt dat de nieuwe woonbestemming die met dit bestemmingsplan wordt gecreëerd geen belemmering vormt voor de activiteiten van het winkelcentrum. Er kan derhalve worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening, met een aanvaardbare woon- en leefsituatie. 5.6.3

Betekenis voor het bestemmingsplan

Een besluit hogere waarde van 57 dB voor de geluidbelasting ten gevolge van de Soomerwegh is noodzakelijk om het bestemmingsplan uitvoerbaar te maken. Deze hogere waarde zal door de gemeente vastgesteld en gepubliceerd worden tegelijkertijd met het ontwerp-bestemmingsplan. Met een hogere waarde besluit zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan vanwege verkeerslawaai. Ook de geluidsaspecten van een ligging op korte afstand tot de inrit van een parkeergarage, de oprit van een parkeerdek, een supermarkt en de laad- en losplaats van een supermarkt levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1

Relevant kader

In de Wet Milieubeheer (Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Op grond van artikel 5.16 Wm verlenen college van burgemeester en wethouders alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wanneer aannemelijk is dat gemaakt dat: Het vergunde plan niet leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of; De luchtkwaliteit als gevolg van het vergunde plan per saldo verbetert of ten minste gelijkt blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of; Het vergunde plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of; De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Een bijdrage is "niet in betekenende mate" als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg; Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 woningen en twee ontsluitingswoningen; Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg; Kantoorlocaties met een bruto oppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en één ontsluitingsweg. Verder is een bepaalde combinatie van woningen en kantoren zonder nader onderzoek mogelijk en is er voor sommige inrichtingen geen onderzoeksplicht.

Raadhuisplein 3 Pagina 28 van 42

5.7.2

Onderzoek

Voor de ontwikkeling is een toetsing NIBM uitgevoerd. Woningbouwlocaties behoren tot één van de categorieën van projecten waarvoor in de Regeling NIBM getalsmatige grenzen zijn opgenomen waarbinnen een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. NIBM-grens woningbouwlocaties: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg of; 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het onderhavige plan omvat de realisatie van 24 woningen met minimaal 1 ontsluitingsweg. Hiermee valt het plan ruimschoots binnen de getalsmatige begrenzing uit de Regeling. 5.7.3

Betekenis voor het bestemmingsplan

Het plan draagt hiermee niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en voldoet daarmee aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.

5.8

Externe veiligheid

5.8.1

Relevant kader

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt; Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10159413/1