CConstaterende datCapelle aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

692961.03 - Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs 2022 693046

Commissie Samenleving en Economie 15 februari 2022, gemeente Capelle aan den IJsselBij agendapunt: Strategisch Huisvestingsplan Onderwijs (SHO)21.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

47

Een SHO in wettelijke perspectief Zoals in hoofdstuk 4 vermeld is een SHO niet in de onderwijswetgeving verankerd. Daardoor heeft het SHO geen wettelijke status; schoolbesturen kunnen er derhalve geen rechten aan ontlenen. Dit is bevestigd in jurisprudentie van de Raad van State (uitspraak LJN: BZ1635, Raad van State, 201205547/1/A2). De Raad van State stelt dat -in dit geval een Integraal Huisvestingsplan- en de daarin vermelde keuzes moeten worden aangemerkt als voorbereiding op een besluitvormingsprocedure. Die voorbereiding is zelf niet gericht op rechtsgevolg. Een rechtsgevolg ontstaat wanneer een schoolbestuur een huisvestingsvoorziening aanvraagt en die voorziening door burgemeester en wethouders op het programma (inwilliging) of op het overzicht (afwijzing) wordt geplaatst. Tegen dat besluit kan het schoolbestuur bezwaar en beroep aantekenen. Verantwoordelijkheid schoolbesturen onderhoud Met de doordecentralisatie van het groot onderhoud per 2015 hebben de schoolbesturen een grotere autonomie gekregen en ligt al het onderhoud in één hand. Schoolbesturen hebben meer invloed op hun schoolgebouwen, hebben ook meer verantwoordelijkheid en zijn minder afhankelijk van gemeenten.

Er is bij de overdracht echter geen 0-meting of een serieuze overgangsregeling geweest, waardoor de financiële risico’s voor sommige schoolbesturen aanzienlijk verhoogd zijn, mede omdat gemeenten geen plicht meer hebben om in het kader van onderhoud ‘bij te springen’. De wetgever heeft daarbij renovatie niet als voorziening voor onderwijshuisvesting in de wet opgenomen. Indien hier op lokaal niveau niets voor geregeld wordt, valt renovatie onder onderhoud en hiervoor zijn de schoolbesturen formeel verantwoordelijk. Ook zijn er beperkingen als het gaat om asbestverwijdering en investeringen in duurzaamheid. Landelijk is er brede overeenstemming dat het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting nog niet klaar is, maar juist nog versterkt moet worden. Deze algemene conclusie wordt gedeeld door bijvoorbeeld de PO-Raad, de Algemene Rekenkamer en de VNG. De laatstgenoemde partij heeft aanbevelingen gedaan betreffende: • • • • • • •

De verbinding van onderwijshuisvesting met het sociaal domein. Verhoging van het macrobudget voor de bekostiging van nieuwe schoolgebouwen. Sturen op verduurzaming van schoolgebouwen. Regionaal spreidingsplan voorzieningen onderwijs. Strategisch voorraadbeheer. Vervanging van een jaarlijkse planning voor onderwijshuisvesting door een lange termijnplanning. Inzetten op behoud van deskundigheid bij gemeenten.

Landelijke wet- en regelgeving is in de afgelopen jaren in concept opgemaakt, maar het is niet tot besluitvorming gekomen. Hierdoor zijn de aanbevelingen ook nog niet uitgewerkt in bijvoorbeeld een door de VNG en schoolbesturen gedragen modelverordening. Met name verdeling van kosten blijft een heikel punt, waarbij het totale budget voor vernieuwing en verduurzaming als te laag wordt beschouwd. Hierdoor worden steeds vaker lokale maatwerk-afspraken gemaakt tussen schoolbesturen en gemeenten, die worden vastgelegd in beleidsdocumenten, zoals dit SHO. Asbest in schoolgebouwen Schoolgebouwen die voor 1994 gebouwd zijn kunnen asbest bevatten. Schoolbesturen zijn volledig verantwoordelijk voor de gezondheid en veiligheid van de leerlingen en leerkrachten. Vanuit het (aansprakelijkheids)risico is het voor hen dan ook belangrijk te weten of, en zo ja waar, in de gebouwen asbest is verwerkt. De wet bepaalt bovendien dat de juridisch eigenaar van het gebouw verantwoordelijk is voor het opstellen van asbestinventarisaties en de daaruit voortvloeiende maatregelen. Alle schoolgebouwen die voor 1994 gebouwd zijn, 48

hebben het schoolbestuur als juridisch eigenaar. Hierom hebben de schoolbesturen voor alle schoolgebouwen in Capelle asbestonderzoeken laten opstellen. Het schoolbestuur moet vanuit haar verantwoordelijkheid als werkgever actie ondernemen als zij het vermoeden heeft dat er iets mis is met het schoolgebouw. In het Op Overeenstemming Gericht Overleg is door alle schoolbesturen toegezegd dat er geen gevaarlijke situaties zijn omtrent asbest in de schoolgebouwen en dat er momenteel geen maatregelen noodzakelijk zijn. In het OOGO is afgestemd om in 2018 te trachten gezamenlijk een lokale ‘handreiking asbest in schoolgebouwen’ op te stellen, om de aanpak van asbest in de toekomst te structureren. Tot aan die tijd worden de wettelijke kaders als uitgangspunt gehanteerd. De kosten die te maken hebben met het noodzakelijk verwijderen van het asbest (asbest dat direct verwijderd dient te worden omdat het een gevaar voor de gezondheid betreft) kan worden gezien als constructiefout en daarmee voor rekening van de gemeente komen11. Waar het onderhoud betreft is het schoolbestuur verantwoordelijk. Renovatie is geen voorziening in de onderwijshuisvesting en valt formeel onder onderhoud. Criteria voor vervangende bouw In Bijlage I, Deel A, artikel A.2 van de verordening staan de criteria op grond waarvan een bevoegd gezag voor vervangende nieuwbouw voor een school in aanmerking kan komen.

De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als: a. op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of renovatie niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van tenminste 20 jaar; b. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter beoordeling van het college; c. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als gevolg van een herschikkingsoperatie; d. vervanging in verband met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvoorziening zal een schoolbestuur, conform de Huisvestingsverordening onderwijs, een aanvraag in moeten dienen, waarover het college separaat zal besluiten. Voor de onderbouwing van zo´n besluit is het wenselijk dat de prioritering die ten behoeve van het opstellen van het SHO wordt gehanteerd in overeenstemming is met de in de Huisvestingsverordening onderwijs gehanteerde prioriteitsstelling, die de rangorde bepaalt voor het inwilligen van de ingediende aanvragen. In de door de raad vastgestelde Huisvestingsverordening onderwijs wordt op deze criteria de volgende toelichting gegeven: Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn van een tweetal situaties: 1. als gevolg vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw. 2. als gevolg van een herschikkingsoperatie. Ad.

1 Als gevolg vanwege de slechte conditie van een gebouw Voor het vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en om verschillen in de bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis gesteld een rapportage op grond van NEN 2767. Uitgangspunt van deze methode is dat de onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en bevindingen worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten) essentieel. Uitgangspunt van de methode van conditiemeting 11 Uitspraak Rechtbank Arnhem LJN AA5055, 98/2205, uitspraak Rechtbank Zwolle van 20 februari

2004. 49

NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van de condities wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen een vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord op de vraag of activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het onderhoud in aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score, de zgn. 'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van het totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld In de volgende conditieschalen: Conditie 1 Conditie 2 Conditie 3 Conditie 4 Conditie 5 Conditie 6

Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit; Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende veroudering; Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen; Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar; Het verouderingsproces is niet meer te keren; De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5 kan worden gerangschikt.

Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is. Ad. 2. Als gevolg van een herschikkingsoperatie (inclusief toelichting op budgettaire neutraliteit) Vervangende nieuwbouw kan ten tweede het gevolg zijn een herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen: - bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere schoolgebouw een tekort aan capaciteit.

Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten; - fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan worden afgestoten; - vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, als gevolg van bijvoorbeeld stadsvernieuwing, of het herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen wordt/worden. Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is, dus voor de gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw kan worden gefinancierd uit de {grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande (te vervangen) locatie.

Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming is bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van het Rijk ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als medefinanciering worden ingezet. Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor activiteiten met een 50

kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent dat als sprake is van een bouwkundige rapportage met of conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of in de afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt over het bekostigen van de totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te zetten. Wettelijke stichting- en opheffingsnormen Voor het stichten en opheffen van basisscholen zijn door het Rijk normen vastgesteld. De opheffingsnorm voor het primair onderwijs in Capelle aan den IJssel is bepaald op 196 leerlingen. De opheffingsnorm wordt vanaf 1 augustus 2023 opnieuw voor 5 jaar vastgesteld. Mogelijk zal de norm iets wijzigen. Een bestaande school voor primair onderwijs komt voor bekostiging in aanmerking als haar leerlingenaantal gelijk is de opheffingsnorm ], of meer is dan de opheffingsnorm van de gemeente waarin zij gevestigd is.

De opheffingsnorm betekent niet letterlijk dat de school opgeheven moet worden, het is een norm die gerelateerd is aan de bekostiging van het onderwijs. De bekostiging van een school voor primair onderwijs wordt, cf. artikel 153 lid 1 van de WPO, beëindigd indien het aantal leerlingen van de school gedurende drie achtereenvolgende schooljaren lager is dan de opheffingsnorm. De beëindiging van de bekostiging vindt plaats per 1 augustus volgend op de drie achtereenvolgende schooljaren waarin sprake is van een te laag leerlingental. Deze opheffingsnorm geldt niet voor scholen voor speciaal (basis)onderwijs en scholen voor Voortgezet Onderwijs. Er gelden drie uitzonderingen op toepassing van de opheffingsnorm: • • •

er is sprake van de enige openbare school voor primair onderwijs binnen een straal van 10 kilometer (over de weg gemeten); in Capelle is hiervan overigens geen sprake; er is sprake van de laatste school van de richting binnen een straal van 5 kilometer, met tenminste 50 leerlingen; een schoolbestuur past het systeem van gemiddelde schoolgrootte toe. Dit kan alleen als het bestuur meerdere scholen heeft die wel ruim boven de opheffingsnorm zitten. De school of scholen die niet meer voldoen aan de voorwaarden van lid 1 artikel 153 WPO, blijven voor bekostiging in aanmerking komen indien de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van het bestuur tenminste 10/6 maal het gewogen gemiddelde telt van de opheffingsnormen van de gemeenten waarin een bestuur scholen heeft. Hierbij wordt het gewogen gemiddelde vastgesteld door alle opheffingsnormen die gelden voor de scholen bij elkaar op te tellen en vervolgens de uitkomst te delen door het aantal scholen. De gemiddelde schoolgrootte moet vervolgens groter of gelijk zijn aan: 10/6 * som van alle opheffingsnormen die gelden voor de scholen/aantal scholen. Gemiddelde schoolgrootte = aantal leerlingen/aantal scholen. De school die in stand wordt gehouden moet op basis van de gemiddelde schoolgrootte dan wel minimaal 23 leerlingen tellen.

Leerlingenprognoses De huisvestingsbehoefte voor het onderwijs wordt mede bepaald op basis van de prognose van de aantallen leerlingen. De criteria voor het opstellen van een prognose en de regels voor het berekenen van de ruimtebehoefte zijn opgenomen in respectievelijk bijlage II en III van de Huisvestingsverordening onderwijs. Als basis voor de prognose geldt onder andere de leerlingentelling, die op 1 oktober van elk jaar plaatsvindt. De meest recente prognose voor de gemeente Capelle aan den IJssel is opgesteld op basis van de leerlingenaantallen van 1 oktober 2021. De ontwikkelingen van de leerlingenaantallen laat zich op grond van objectieve demografische ontwikkelingen redelijk voorspellen. Op schoolniveau kunnen (aanzienlijke) afwijkingen optreden door subjectieve factoren, zoals schoolkeuzegedrag, die in een 51

prognosemodel niet kunnen worden verwerkt. Voor wat betreft het voortgezet onderwijs geldt daarnaast dat het schoolkeuzegedrag, veel meer dan in het primair onderwijs, gemeenteoverstijgend is en daardoor minder eenduidig af te leiden is uit demografische gegevens. Om die reden worden de prognoses van de leerlingenaantallen op schoolniveau minstens één maal per twee jaar geactualiseerd. Medegebruik en verhuur Uitgangspunt van de onderwijswetgeving is dat de eigendom van het schoolgebouw ligt bij het schoolbestuur. Het schoolbestuur is juridisch eigenaar. Dit houdt in dat het schoolbestuur de verantwoordelijkheid draagt voor het beheer en het onderhoud en juridisch aansprakelijk is. Dit impliceert in principe dat het schoolbestuur ook het recht heeft volledig over zijn eigendom te beschikken en dus te beslissen wie incidenteel of structureel gebruik maakt van dit eigendom. Dit volgt uit de wijze waarop het eigendomsrecht in het algemeen in ons land is geregeld. Op het hiervoor bedoelde volledige beschikkingsrecht is op grond van de onderwijswetgeving een inbreuk gemaakt. Zo behoeft de verhuur voorafgaande toestemming van het college, dit op straffe van nietigheid (artikel 108 Wo) en kan een schoolbestuur het gebouw niet vervreemden of er zakelijke rechten op vestigen.

Bij het beëindigen van het onderwijsgebruik door het schoolbestuur vervalt het schoolgebouw automatisch terug aan de gemeente (artikel 110 Wo). Dit wordt ook wel aangeduid als het economisch claimrecht dat de gemeente heeft. In de onderwijswetgeving is bepaald dat het college niet gebruikte onderwijsruimte kan vorderen (artikel 107 Wo) voor ander onderwijs en maatschappelijke organisaties en deze ruimte vervolgens in medegebruik kan geven. Wanneer sprake is van leegstaande ruimte in een schoolgebouw kan een schoolbestuur een gedeelte van het schoolgebouw en/of het terrein aan derden in gebruik geven of verhuren (artikel 108 Wo). Dit kan alleen wanneer het college de leegstand niet vordert voor medegebruik (artikel 107 Wo). De wetgeving maakt een onderscheid tussen medegebruik en verhuur. Medegebruik Medegebruik gaat om het gebruik door ‘uit de openbare kas bekostigd onderwijs of door andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden’. De wet onderscheidt twee typen medegebruik: 1. Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie. Dit heeft betrekking op medegebruik ‘voor een andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs’. Dit medegebruik is dus gekoppeld aan door de overheid bekostigd onderwijs. 2.

Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. De wetgever geeft aan dit type medegebruik geen nadere invulling. De VNG zegt hierover: ‘Bij (mede-)gebruik gaat het om niet-commerciële activiteiten zoals bijvoorbeeld het peuterspeelzaalwerk, een amateurtoneelvereniging, een sportvereniging etc. Voor medegebruik is geen toestemming nodig van het college. Het is echter wel wenselijk dat het schoolbestuur aan het college meedeelt dat een gedeelte van het gebouw in gebruik is gegeven en dat een medegebruiksovereenkomst wordt opgesteld. Als het college niet van de ingebruikgeving op de hoogte is, is het voor het college namelijk niet mogelijk te beoordelen of toestemming voor het gebruik (wegens verhuur) nodig is en of deze toestemming moet worden onthouden. Schoolbesturen dienen er rekening mee te houden dat (zonder dat enige schadeplicht ontstaat) het medegebruik kan eindigen indien het college gebruik maakt van zijn vorderingsrecht op grond van artikel 107 WPO.

52

Verhuur Verhuur moet worden onderscheiden van medegebruik en heeft betrekking op ‘het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden’, zoals ook in de Huisvestingsverordening onderwijs is weergegeven. Hieronder valt ook de kinderopvang (hele dagopvang en buitenschoolse opvang). Sinds het van kracht worden van de Wet Kinderopvang in 2005 wordt kinderopvang gezien als een commerciële activiteit. Bij verhuur is sprake van een overeenkomst waarbij het schoolbestuur aan een andere organisatie een gebruiksrecht geeft onder bepaalde voorwaarden. Bij verhuur is, in tegenstelling tot medegebruik, wel uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van het college vereist. Op grond van de artikelen 108 WPO kan toestemming worden geweigerd als: 1. de ruimte nodig is voor een andere school en de gemeente van plan is het daarvoor op korte termijn te vorderen; 2. de ruimte gebruikt gaat worden als woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in de artikelen 1623a, tweede lid, en 1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek; 3. het gebruik van de ruimte zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. De gemeente kan leegstand niet vorderen voor verhuur.

Achtergrond van deze beperking is dat het verhuren van ruimten uitsluitend de bevoegdheid is van de eigenaar van het gebouw. Bij een onderwijsvoorziening is dat in beginsel het schoolbestuur en niet de gemeente. Tarieven medegebruik en verhuur Medegebruik Wanneer sprake is van medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie dan bepalen de schoolbesturen die het betreffen in onderling overleg een vergoeding voor het medegebruik. Bij medegebruik voor andere doeleinden dan onderwijs of educatie bepaalt het schoolbestuur. Verhuur Voor de tarieven bij verhuur geeft de wetgever geen leidraad. De VNG stelt hierover het volgende: ‘De huurprijs die het schoolbestuur in rekening brengt, is opgebouwd uit twee onderdelen. Een vergoeding voor de exploitatiekosten en een vergoeding voor de (door de gemeente gedragen) stichtingskosten. Er bestaan geen richtlijnen voor een redelijke vergoeding voor de stichtingskosten. Als basis voor het berekenen van de stichtingskosten is het mogelijk de boekwaarde, de WOZ-waarde of de marktwaarde van het gebouw of de uitkomst van de taxatie door een makelaar te gebruiken. Het is belangrijk dat gemeente en schoolbestuur afspraken maken over de doorbetaling van de stichtingscomponent in de huurprijs door het schoolbestuur aan de gemeente’. Belangrijke jurisprudentie in dit kader is de uitspraak van de Raad van State op 21 oktober 2009 (200901067/H1).

Schoolbestuur Movare was het niet eens met de voorwaarde die de gemeente Brunssum stelde bij de toestemming tot verhuur van een leegstaande ruimte aan een kinderopvangorganisatie. De gemeente Brunssum stelde als voorwaarde dat de huurpenningen tot een bedrag van € 100,- per m² moesten worden afgedragen aan de gemeente. In de uitspraak stelt de Raad van State dat de gemeente bevoegd is een vergoeding te vragen. Die bevoegdheid is echter aan voorwaarden gebonden. In de eerste plaats moet blijken dat de bijdrage in de stichtingskosten, die het schoolbestuur op grond van de financiële voorwaarde aan de gemeente moet betalen, ten goede komt aan onderwijshuisvesting. In de tweede plaats moet de gemeente aantonen dat de hoogte van het gevraagde bedrag rechtstreeks gerelateerd is aan de extra kosten of derving van inkomsten voor de gemeente. 53

Indien een gemeente een vergoeding wil ontvangen (voor de investering voor het stichten van de school), is het gezien de jurisprudentie over de tariefstelling, essentieel dat schoolbesturen en gemeente hierover in ‘op overeenstemming gericht overleg’ hier overeenstemming over bereiken. Voor gemeenten blijkt het in de praktijk namelijk lastig te zijn een onderbouwing van extra kosten, respectievelijk inkomstenderving gerelateerd aan de verhuur concreet te maken. De kosten van OZB, gemeenteonderhoud, verzekering en rente en aflossing veranderen namelijk niet al naargelang de school volledig bij het onderwijs in gebruik is, er overcapaciteit is of de overcapaciteit wordt verhuurd. Gemeenten en schoolbesturen kunnen in goed overleg afspraken gemaakt over afdracht bij verhuur van schoolbesturen. In Capelle dragen scholen vanaf 2017 geen gelden meer af aan de gemeente bij verhuur van onderwijsgebouwen.

54

BIJLAGE 3 DEPENDANCES EN WIJKGEBONDEN SCHOLEN In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van: 1. alle schoolbesturen, met de daaronder vallende scholen; 2. een overzicht van hoofdlocaties, dependances en nevenvestigingen in het primair onderwijs; 3. de wijkgebonden en wijkoverstijgende scholen. Ad.1 Alle schoolbesturen met de daaronder vallende scholen. Speciaal basisonderwijs en (speciaal) voortgezet onderwijs staat tussen haakjes. Staat er niets tussen haakjes dan is het ‘regulier’ basisonderwijs CVO (protestant christelijk voortgezet onderwijs) • Comenius College (voortgezet onderwijs) • Accent Praktijkcollege (voortgezet onderwijs) BLICK (openbaar schoolbestuur voor voortgezet en primair onderwijs) • De Wonderwind • OBS West • De Bouwsteen (speciaal basisonderwijs) • De Klim-Op • De Tweemaster • De Catamaran • Octopus • Het IJsselcollege (voortgezet onderwijs) PCPO (protestant christelijk primair onderwijs) • De Ontmoeting • De Fontein • De Balans (speciaal basisonderwijs) • De Horizon • De Groen van Prinsterer • Het Baken • Sjalomschool CSV (bijzonder openbaar primair onderwijs) • Capelse schoolvereniging VVOGG (reformatorisch primair onderwijs) • De Olijfboom RVKO (katholiek primair onderwijs) • De Vijfster • Pieter Bas • Montessorischool • De Contrabas LEV-WN (gereformeerd primair onderwijs) • De Triangel • De Cirkel (speciaal basisonderwijs) Stichting Yulius,

geestelijke gezondheidszorg Yulius (speciaal voortgezet onderwijs) 55

Ad. 2 Een overzicht van hoofdlocaties, dependances en nevenvestigingen in het primair onderwijs 1. De Wonderwind (hoofdlocatie) 2. OBS West Berliozstraat (hoofdlocatie) 3. OBS West Jan de Geusrede (dependance van OBS West, locatie Jan de Geusrede) 4. De Fontein (hoofdlocatie) 5. De Balans (hoofdlocatie) 6. De Bouwsteen (hoofdlocatie) 7. De Horizon, Koggerwaard (hoofdlocatie) 8. De Horizon, Roerdomplaan (dependance van De Horizon, locatie Koggerwaard) 9. Klim-Op, locatie Roerdomplaan (hoofdlocatie) 10. Klim-Op, locatie Bongerd (nevenvestiging van Klim-Op, locatie Roerdomplaan) 11. De Olijfboom (hoofdlocatie) 12. De CSV (hoofdlocatie) 13. De Tweemaster (hoofdlocatie en dependance) 14. Pieter Bas (hoofdlocatie) 15. Montessorischool (dependance van Pieter Bas) 16. Kindcentrum Ontdekrijk (hoofdlocatie) 17. De Groen van Prinsterer (hoofdlocatie) 18. De Ontmoeting (dependance van de Groen van Prinsterer) 19. De Triangel (hoofdlocatie) 20. SBO De Cirkel (hoofdlocatie) 21. De Catamaran (hoofdlocatie) 22. Het Baken (hoofdlocatie) 23. Sjalomschool (dependance van Het Baken) 24. De Contrabas (hoofdlocatie) 25. De Vijfster (dependance van De Contrabas) Ad. 3. Wijkgebonden en wijkoverstijgende scholen Bij vervangende nieuwbouw of het aanbieden van vervangende huisvesting op een andere locatie doet zich niet zelden het vraagstuk voor omtrent om de gebondenheid van een school aan de wijk.

Dit vraagstuk is in beginsel niet in een algemene stelregel te vatten. Scholen vervullen vaak een belangrijke maatschappelijke rol in een sociale omgeving; dit zwaar kan meewegen in besluitvorming over (her)huisvestingsvraagstukken. Wordt de sociale omgeving niet meegewogen en wordt er puur naar ‘de regels’ gekeken, dan geldt dat alle scholen voor Voortgezet Onderwijs en speciaal basisonderwijs niet wijkgebonden zijn. Bij herhuisvesting van een onderwijsinstelling is de vraag relevant of het een “verhuizing” of een “verplaatsing” betreft. Dit bepaalt of de gemeente zelfstandig kan handelen, dan wel of er sprake is van toepassing van wettelijke goedkeuringsprocedures. De term “verhuizing” komt in relatie tot onderwijsgebouwen overigens niet in de WPO voor. De term “verplaatsing” is wel verankerd in de WPO. Artikel 84, 2e lid, stelt dat de minister kan toestaan dat een bekostigde school een andere plaats van vestiging krijgt. Aan zijn toestemming kan hij voorwaarden verbinden. In de circulaire van 9 februari 1997, kenmerk PO/A‐98/4834 staat dat de Minister beoordeelt of de voorgenomen verplaatsing de instandhouding van andere onderwijsinstituten niet in gevaar brengt en of de te verplaatsen school voldoet aan de stichtingsnormen. In de circulaire geeft hij ook nadere uitleg aan de begrippen verplaatsing en verhuizing.

Er is sowieso sprake van verhuizing indien een school binnen een afstand van 2 kilometer (de verwijsafstand in de Huisvestingsverordening) wordt gehuisvest. Maar in de genoemde circulaire wordt ook geduid dat wanneer een school verhuist binnen het eigen onveranderde voedingsgebied er geen sprake is van verplaatsing en er dus sprake is van verhuizing. Aanvullend wordt het begrip voedingsgebied beschreven in de bijlage Programma van Eisen, behorende bij de ledenbrief 99/136, d.d. 23 augustus 56

1999 van de V.N.G. De definitie luidt: “Voedingsgebied: het gebied waaruit minimaal 70% van de leerlingen van de school afkomstig zijn. Het voedingsgebied wordt vastgesteld door de prognoseopsteller”. Dit begrip wordt tot op heden nog steeds als richtsnoer gehanteerd. Cruciaal voor de toe te passen procedure is dus de vraag of er sprake is van een verhuizing of een verplaatsing. In het eerste geval hoeft het bevoegd gezag de minister niet om toestemming te vragen en hoeft het bevoegd gezag ook niet te voldoen aan de stichtingsprocedure. De gemeente is in het geval van verhuizing in beginsel leidend. Bij verplaatsing is de gemeente afhankelijk van de wil van het schoolbestuur en vervolgens van de toestemming van de Minister. In overleg met de prognoseopsteller is de herkomst van leerlingen gevisualiseerd, per school en niet uitgesplitst in dislocaties. De ‘kaartjes’ zijn opgenomen in deze bijlage en gebaseerd op de 1 oktober telling 2021. Uit deze visualisatie valt per school de herkomst van leerlingen van basisscholen te herleiden. Hieruit vloeit voort dat De Triangel formeel een bovenwijkse school is.

In het ‘Op Overeenstemming Gericht Overleg‘ (Onderwijsplatform) is afgestemd dat de omschreven lijn als uitgangspunt gehanteerd kan worden en is in overeenstemming alle schoolbesturen de volgende verdeling gemaakt: Bovenwijkse scholen: - alle scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs; - alle school voor speciaal basisonderwijs; - basisschool De Triangel. Wijkgebonden scholen: - alle overige basisscholen.

57

BIJLAGE 4 WIJKKAARTEN (EN BOUWJAREN) Fascinatio 1. De Wonderwind 2. De Vijfster 3. De Ontmoeting

(2005) (2005) (2019)

58

’s Gravenland / Capelle-West 4. OBS West hoofdlocatie 5. OBS West Dependance De Vijfster 6. De Fontein 7. De Balans

59

(1992) (1996, verbouwing in 2004) (1983) (1983)

Middelwatering 8. Comenius College (deels 2013, deels 1983) 9. Tijdelijke huisvesting Lijstersingel (2019) 10. De Horizon, locatie Roerdomplaan (1963) 11. Klim-Op, locatie Meeuwensingel (1963) 12. Montessorischool (1970, een nieuwbouw deel in 2010 en uitbreiding 2017) (1970 – renovatie in 2019) (2022) (2016) (2010)

13. De Capelse schoolvereniging 14. De Olijfboom 15. IJsselcollege, Alkenlaan 16. Nieuwe locatie De Bouwsteen

60

Oostgaarde 17. OBS De Tweemaster (1976, uitbreiding in 2002, deel nieuwbouw in 2010) 18. Horizon, locatie Koggerwaard (1975) 19. Pieter Bas (1974) 20. Ontdekrijk (1970)

61

Schenkel 21. De Triangel 22. Klim-Op, locatie Bongerd 23. Groen van Prinstererschool 24. Oude IJsselcollege, Kanaalweg 33. De Fjord, Yulius

(1968) (1970) (1952) (1983 – inmiddels gesloopt) (huur)

62

Schollevaar 25. Nieuwe locatie De Cirkel vanaf 2022 (1984) 26. Huidige locatie De Cirkel (1990) 27. De Catamaran, Maria Danneelserf (1978) 28. Het Baken (1978) 29. De Contrabas (1981) 30. / 31. De Sjalomschool (1983) 31. CVO Accent (2011)

63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11198884/1