09.07. AANGEPASTE Nota reserves en voorzieningen naar aanleiding beantwoording technische vragen SGP
Tekst van het document
Nota Reserves, Voorzieningen, Risicomanagement en Weerstandsvermogen
2026
Inhoudsopgave
1. Inleiding .............................................................................................................................................. 3 1.1 Doelstelling .................................................................................................................................... 3 1.2 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 3 1.3 Wettelijk kader .............................................................................................................................. 3 1.4 Onderscheid tussen reserves en voorzieningen............................................................................ 3 1.5 Begrippenlijst................................................................................................................................. 5 2. Reserves.............................................................................................................................................. 6 2.1 Soorten reserves en hun functie ................................................................................................... 6 2.2 Risicobuffer....................................................................................................................................
6 2.3 Criteria voor het vormen van bestemmingsreserves .................................................................... 7 2.4 Mutaties reserves .......................................................................................................................... 8 2.5 Wijzigen van doel of bestemming en opheffen reserves .............................................................. 9 2.6 Overige spelregels reserves........................................................................................................... 9 3. Voorzieningen................................................................................................................................... 11 3.1. Instellingscriteria voorzieningen ................................................................................................ 11 3.2 Soorten voorzieningen ................................................................................................................ 11 3.2.1 Voor verplichtingen, verliezen en risico’s ............................................................................ 11 3.2.2 Egalisatievoorzieningen ........................................................................................................ 11 3.2.3 Voor middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is .....................................
12 3.3 Mutaties voorzieningen............................................................................................................... 12 3.4 Opheffen voorzieningen .............................................................................................................. 12 3.5 Overige spelregels voorzieningen ............................................................................................... 12 3.6 Voorziening dubieuze debiteuren en verliesvoorziening(en) Grondbedrijf ............................... 13 4. Risicomanagement en Weerstandsvermogen ................................................................................. 14 4.1.
Visie ...................................................................................................................................... 14
4.2.
Risicomanagement .............................................................................................................. 14
4.2.1.
Functies van risicomanagement.................................................................................. 14
4.2.2.
Definitie van risico’s .................................................................................................... 15
4.2.3.
Kaders voor het berekenen van risico’s ...................................................................... 15
4.2.4.
Kaders voor het rapporteren over risico’s .................................................................. 16
4.2.5.
Kaders voor het beheersen van risico’s ...................................................................... 16
4.3.
Weerstandsvermogen.......................................................................................................... 16
1
4.3.1.
Functies van weerstandsvermogen............................................................................. 16
4.3.2.
Definitie van weerstandsratio ..................................................................................... 17
4.3.3.
Kaders voor de gewenste hoogte van de weerstandsratio......................................... 18
BIJLAGE 1: relevante wetsartikelen uit het BBV .................................................................................... 19 BIJLAGE 2: Op te heffen reserves en voorzieningen ............................................................................. 22 BIJLAGE 3: Actuele reserves .................................................................................................................. 23 BIJLAGE 4: Actuele voorzieningen (passiva) .......................................................................................... 26 BIJLAGE 5: Actuele voorzieningen (activa) ............................................................................................ 30
2
1. Inleiding 1.1 Doelstelling Deze nota is een nadere uitwerking van de Financiële verordening. De nota reserves, voorzieningen, risicomanagement en weerstandsvermogen is primair bedoeld als instrument ten behoeve van de kader stellende rol van de raad. Het doel van deze nota is: 1. Informatie geven over de richtlijnen van het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) over reserves, voorzieningen risicomanagement en weerstandsvermogen; 2. Afspraken maken over welke reserves en voorzieningen worden ingesteld en hoe deze in de gemeentelijke administratie moeten worden vastgelegd en verantwoord; 3. Kaders en spelregels vast te stellen met betrekking tot bestemmingsreserves wat leidt tot zowel versterking van de rol van de raad, als tot een transparant en consequent financieel beleid; 4. Afspraken maken over hoe de gemeente invulling geeft aan risicomanagement en weerstandsvermogen.
1.2 Leeswijzer Deze nota bestaat uit twee onderdelen. In het eerste onderdeel geven we de kaders voor het instellen en opheffen van reserves en voorzieningen (hoofdstukken 2 en 3). In het tweede deel geven we aan wat we onder risico’s verstaan en hoe we hierover rapporteren. Ook geven we de kaders weer voor het weerstandsvermogen (hoofdstuk 4). In de bijlagen vindt u een overzicht van de actuele wet- en regelgeving als mede een overzicht van de reserves en voorzieningen, met bijbehorende uitgangspunten per reserve en voorziening. Als ijkpunt hebben we de staat van reserves en voorzieningen uit de begroting 2026-2029 genomen. Per reserve en voorziening is aangeven of de geactualiseerde beleidskaders leiden tot een voorstel tot opheffing of een verandering.
1.3 Wettelijk kader Deze nota sluit aan bij de Gemeentewet (artikel 212) en bij het BBV. De kaders voor reserves en voorzieningen staan in artikel 41 tot en met 45, 49, 54 en 55 BBV (bijlage 1). Met het aanbieden van deze nota aan de raad wordt voldaan aan artikel 13 van de Financiële verordening gemeente Capelle aan en IJssel 2025.
1.4 Onderscheid tussen reserves en voorzieningen Het Besluit begroting en verantwoording (BBV) bevat een aantal artikelen die betrekking hebben op de gemeentelijke reserves en voorzieningen. Reserves en voorzieningen worden vaak in één adem genoemd. Toch is er een wezenlijk onderscheid. Reserves zijn vrij besteedbaar en zijn bestemd voor het afdekken van risico’s, het egaliseren van baten en lasten en het dekken van incidenteel beleid. Meestal gaat het om zaken die niet direct in de exploitatie kunnen worden opgevangen en die incidenteel van aard zijn. De gemeenteraad kan aan reserves een bepaalde bestemming geven of de bestemming wijzigen. Reserveren is daarbij een vorm van sparen, hoewel het niet gelijk is aan ‘geld op de bank’. Bij voorzieningen ligt dat anders. Voorzieningen worden gevormd voor met name verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten. De raad
3
kan de bestemming van voorzieningen niet wijzigen. Bij een voorziening voor tariefs- of kostenegalisatie kan de raad het beleidskader wijzigen dat als basis dient voor deze voorzieningen. In onderstaande tabel is het onderscheid tussen reserves en voorzieningen samengevat. Reserve Verantwoordelijkheid De raad is bevoegd (instellen, beschikken en opheffen) Onderdeel van Wijzigen bestemming Aanwending Opbouw (dotatie)
Eigen vermogen Mogelijk met raadsbesluit Vrij binnen de door de raad gestelde kaders Resultaat bestemmend Een raadsbesluit is vereist Bij hoge uitzondering kan de raad voor een reserve hiervoor aparte spelregels vaststellen
Aanwending (onttrekking)
Financiële onderbouwing Indeling
Resultaat bestemmend Directe onttrekking (via exploitatie) is niet toegestaan. Een raadsbesluit is vereist, tenzij er voor de betreffende reserve aparte spelregels zijn afgesproken Onderbouwing van het doel bij het instellingsvoorstel • Algemene reserve • Bestemmingsreserves
Voorziening De raad is bevoegd (instellen opheffen), tenzij wettelijk verplicht Het college is bevoegd (beschikken) Vreemd vermogen Niet mogelijk Niet vrij, alleen te gebruiken voor het betreffende doel Resultaat bepalend De storting in een voorziening is een last voor de begroting en komt direct ten laste van de exploitatie Uitzondering hierop zijn de egalisatie voorzieningen die ingesteld zijn voor tariefegalisatie, hiervoor geldt dat het saldo in de exploitatie met de betreffende egalisatievoorziening wordt verrekend Rechtstreeks uit voorziening Uitzondering hierop zijn de tarief- en kostenegalisatie voorzieningen, hiervoor geldt dat het saldo in de exploitatie met de betreffende voorziening wordt verrekend Verplichte actuele onderbouwing Voorzieningen voor: • Verplichtingen, verliezen en risico’s • Egalisatie (kosten of tarieven) • Middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is
4
1.5 Begrippenlijst De balans is het overzicht van bezittingen, schulden en het eigen vermogen op een bepaald moment. Op de balans zie je hoe de bezittingen gefinancierd zijn en hoe de financiële positie van de gemeente is. De rechterkant van de balans (creditzijde) bevat de passiva: het eigen vermogen (reserves) en het vreemd vermogen, onderverdeeld in voorzieningen, vaste schulden, vlottende schulden en verplichtingen die volgend jaar tot betaling komen (overlopende passiva). Het eigen vermogen is een post op de balans en wordt gevormd door de algemene reserve, de bestemmingsreserves en het gerealiseerde resultaat. De omvang van het eigen vermogen wordt bepaald door het saldo van bezittingen en schulden. Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. De bestemmingsreserves zijn onderdeel van het eigen vermogen. Egalisatiereserves zijn een vorm van bestemmingsreserve met als doel ongewenste schommelingen in baten en lasten (tijdelijk) op te kunnen vangen. Voorzieningen zijn gevormd voor (1) verplichtingen, verliezen en risico’s die onzeker zijn, maar redelijkerwijs te schatten, (2) het gelijkmatig verdelen van kosten (van vervangingsinvesteringen) die in een volgend jaar worden gemaakt (waarvoor een heffing wordt geheven) en (3) van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden.
De voorzieningen zijn onderdeel van het vreemd vermogen. Weerstandscapaciteit: a. Beschikbare weerstandscapaciteit: de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken. b. Benodigde weerstandscapaciteit: de middelen en mogelijkheden die tenminste aanwezig moeten zijn om geïnventariseerde financiële risico’s op te kunnen vangen. Weerstandsvermogen: het vermogen om geïnventariseerde financiële risico’s op te kunnen vangen met de beschikbare weerstandscapaciteit. De benodigde weerstandscapaciteit (nodig om risico’s op te vangen) wordt afgezet tegen de beschikbare weerstandscapaciteit. We noemen dit ook wel de Weerstandsratio of de ratio weerstandsvermogen
5
2. Reserves De definitie van reserves luidt: reserves zijn vermogensbestanddelen die als eigen vermogen zijn aan te merken. Reserves zijn niet bedoeld om structurele lasten te dekken, waarvoor de ruimte in de structurele meerjarenbegroting ontbreekt. Schommelingen in de exploitatie worden geabsorbeerd in de algemene reserve: tekorten en overschotten in de exploitatie komen ten laste respectievelijk ten gunste van de algemene reserve.
2.1 Soorten reserves en hun functie Reserves worden op de balans verantwoord onder het eigen vermogen. In het BBV (artikel 43) worden reserves onderscheiden in twee soorten reserves, de algemene reserve en bestemmingsreserves. In de gemeente Capelle aan den IJssel benoemen wij expliciet ook de kapitaallastenreserve: 1. De algemene reserve: dit is de reserve waaraan geen bestemming is gegeven en heeft een permanent karakter. De algemene reserve draagt het karakter van een risicoreserve (bufferfunctie) en een vrij te besteden deel. De buffer is bedoeld voor financiële tegenvallers en onvoorziene risico’s. 2. Bestemmingsreserves: dit zijn reserves waaraan de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Bestemmingsreserves worden gevormd om een bepaald doel te realiseren of om ongewenste – tijdelijke - schommelingen in lasten en baten te egaliseren. Bestemmingsreserves hebben dan ook veelal een dekkingsfunctie en in een enkel geval een tijdelijke egalisatie functie of een specifieke bufferfunctie. Bestemmingsreserves mogen niet ingezet worden als dekking voor investeringen. 3. Kapitaallastenreserves: dit zijn reserves waaraan de raad de bestemming heeft gegeven om daarmee de afschrijvingslasten te dekken van investeringen. Uitgangspunt 1. De algemene reserve kent een ondergrens voor het opvangen van risico’s en heeft een vrij te besteden deel. 2.
Bestemmingsreserves worden gevormd om een bepaald doel te realiseren of om ongewenste – tijdelijke - schommelingen in lasten en baten te egaliseren. Bestemmingsreserves mogen niet ingezet worden als dekking voor investeringen. 3. Kapitaallastenreserve worden gevormd om afschrijvingslasten van investeringen te dekken.
2.2 Risicobuffer Om invulling te geven aan de bufferfunctie binnen de algemene reserve stellen we dat deze een ondergrens heeft van 10% van de totale begrote lasten exclusief mutaties reserves. Vanuit de risico-inventarisaties van de jaarrekening 2022 t/m 2024 en de meerjarenbegrotingen 2025 en 2026 t/m 2029 constateren we dat de risico’s gemiddeld 6% van de totale lasten vormen. Met als hoogste uitschieter 9% bij de jaarrekening 2024. In dat licht stellen we een minimale buffer vast van 10% van de totale lasten uit de Begroting 2026 (afgerond in miljoenen naar boven) voor de komende
6
vier begrotingsjaren. Dit betekent concreet € 294.000.000 x 10% = € 30 miljoen afgerond. Hiermee kunnen we risico’s voldoende opvangen en borgen we een gezond weerstandsvermogen. Uitgangspunt 4. Binnen de algemene reserve houden we een risicobuffer aan van 10% van de totale lasten over het begrotingsjaar 2026, exclusief mutaties reserves. Dit is de ondergrens van de algemene reserve.
Grafiek 1. Ontwikkeling Risicobuffer (bedragen * € 1.000)
Door de minimale risicobuffer te verbinden aan de omvang van de totale lasten uit de begroting houden we rekening met de ontwikkeling van de financiële omvang van onze gemeente, en eventuele groei of krimp. De ruimte tussen de stand van de algemene reserves en de minimale buffer vormt de vrije ruimte binnen de algemene reserves.
2.3 Criteria voor het vormen van bestemmingsreserves Het instellen van reserves is in het kader van het budgetrecht een bevoegdheid van de raad. Een bestemmingsreserve wordt ingesteld voor een concreet vastgesteld doel. Om te voorkomen dat er onnodig middelen worden vastgelegd moet een bewuste afweging en onderbouwing ten grondslag liggen aan de instelling van een reserve. Bij het instellen van reserves stellen we de volgende criteria vast: • het instellen van een reserve dient via een raadsbesluit plaats te vinden; • in het raadsbesluit moet worden aangegeven; -
-
het doel waarvoor de reserve wordt gevormd; o het begrotingsprogramma waaraan dit doel bijdraagt, plus het verband met één of meer doelen uit dat programma de functie van de reserve (buffer, egalisatie, dekking); een onderbouwde noodzaak waaruit blijkt dat verantwoording in en/of dekking uit de reguliere exploitatie onmogelijk of onwenselijk is; de maximale omvang van de reserve (of argumentatie als dit niet van toepassing is); de minimale omvang van de reserve (of argumentatie als dit niet van toepassing is); de wijze van stortingen en onttrekkingen inclusief onderbouwing; de looptijd van de reserve: bepaalde of onbepaalde tijd;
7
-
in het geval het een egalisatiereserve betreft wordt vastgesteld van welke specifieke activiteit overschotten en tekorten ten gunste of ten laste van de reserve komen.
Zolang de raad niet heeft ingestemd met vorming van en de onttrekking uit een bestemmingsreserve mogen geen financiële verplichtingen, met betrekking tot het beoogde beleidsdoel van een bestemmingsreserve, worden aangegaan. Bij de begroting besluit de raad tot storting en onttrekking. Bij hoge uitzondering kan de raad besluiten aanvullende spelregels vast te stellen voor een specifieke reserve. In bijlage 3 zijn geactualiseerde spelregels opgenomen die van toepassing zijn op de betreffende reserves. Uitgangspunt 5. De raad stelt de kaders vast voor de vorming en onttrekking van bestemmingsreserves. De hoogte van de reserves wordt jaarlijks beoordeeld bij de begroting en jaarrekening.
2.4 Mutaties reserves Het toevoegen en onttrekken aan reserves is een bevoegdheid van de raad. Hierbij gelden de volgende criteria: Toevoegingen •
• •
Toevoegingen aan reserves worden in de jaarrekening verwerkt tot maximaal het bedrag dat via de begroting door de raad is goedgekeurd. Als hierdoor de maximale omvang van de reserve wordt overschreden vindt er een lagere storting plaats en wordt de raad hierover geïnformeerd bij de jaarrekening; Er is een expliciet raadsbesluit vereist als er een toevoeging nodig is op een reserve die hoger is dan in de begroting is vastgesteld; Toevoegingen aan reserves worden door de raad goedgekeurd via de begroting, een begrotingswijziging of via vooraf vastgestelde spelregels.
Onttrekkingen •
• • •
•
Onttrekkingen aan reserves worden door de raad goedgekeurd via de begroting, een begrotingswijziging, vooraf vastgestelde spelregels of door besluitvorming bij de jaarrekening; Als blijkt dat er, voor het doel, meer dekking nodig is dan begroot wordt de raad daarover geïnformeerd conform de spelregels in de financiële verordening; Onttrekkingen mogen niet tot gevolg hebben dat de reserve negatief wordt; Uitgaven die worden gedaan ten laste van een reserve, zijn in principe incidenteel van aard omdat de reserve eindig is. Als de reserve is besteed, zijn er geen middelen die deze uitgaven kunnen opvangen. Enige uitzondering hierop is een reserve kapitaallasten die een structureel karakter heeft; Uitgaven die een vooraf bepaald aantal jaren plaatsvinden, kunnen wel uit een reserve worden gedekt. Dat geldt bijvoorbeeld bij een egalisatiereserve.
Egalisatiereserves Specifiek voor egalisatiereserves geldt dat tekorten en overschotten voor het vastgestelde doel onttrokken of toegevoegd worden zonder dat daarvoor een afzonderlijk raadsbesluit noodzakelijk is. De toevoegingen en onttrekkingen aan egalisatiereserves worden via de vaststelling van de jaarrekening door de raad geautoriseerd.
8
Voorbeeld: Gemeente Capelle aan den IJssel kent een egalisatiereserve Water. Deze voorziet erin dat schommelingen in baggerwerkzaamheden zoveel mogelijk worden opgevangen.
Resultaat bestemming De algemene reserve wordt gevoed door overschotten en tekorten op begrotingsbasis. Op jaarrekeningbasis worden uiteindelijke overschotten of tekorten op de exploitatie gestort respectievelijk onttrokken aan de algemene reserve, als geen andere dekkingsmiddelen voorhanden zijn. Het college stelt daartoe een voorstel op aan de raad bij het aanbieden van de jaarrekening. Na besluitvorming door de raad wordt dit verwerkt.
2.5 Wijzigen van doel of bestemming en opheffen reserves De gemeenteraad besluit, al dan niet op voorstel van het college, over het wijzigen van het doel (bestemming) of het opheffen van reserves. Hierbij gelden de volgende criteria: • • •
•
De raad besluit het doel (bestemming) van reserves geheel of gedeeltelijk te wijzigen, voor zover hiervoor nog geen externe verplichtingen zijn aangegaan; Opheffing vindt plaats als het geformuleerde doel is gerealiseerd, wanneer het beoogde doel niet meer van toepassing of wenselijk is, of als de reserve is uitgeput; Opheffing wordt aan de raad voorgesteld als de reserve uit (nog) een relatief klein bedrag bestaat en als er tenminste drie jaar op rij geen mutatie heeft plaatsgevonden; Na het besluit tot opheffen van een reserve vloeien de resterende middelen naar de algemene reserve, tenzij door de raad anders wordt bepaald.
In bijlage 2 treft u een voorstel voor op te heffen reserves. Uitgangspunt 6. De raad besluit tot het wijzigen van het doel van een reserve of om deze op te heffen. Het college legt periodiek aan de raad voor om reserves op te heffen als die: een relatief kleine omvang hebben, of als er geen mutaties op plaatsvinden gedurende drie jaren op rij.
2.6 Overige spelregels reserves Algemeen Reserves worden op basis van het BBV gewaardeerd tegen nominale (oorspronkelijke) waarde. Er wordt geen rente toegerekend aan de reserves. Herijking van alle bestemmingsreserves vindt plaats bij het actualiseren van deze nota. Dit houdt in dat nagegaan wordt of het doel van de bestemmingsreserve nog steeds bestaat. Bovendien wordt vastgesteld of de hoogte van de bestemmingsreserve in overeenstemming is met de te verwachten uitgaven. Daarnaast kunnen ook tussentijds, bijvoorbeeld bij de begroting en jaarrekening, bestemmingsreserves worden herzien. Nagegaan wordt of het doel nog steeds bestaat en of de hoogte van de reserves nog in overeenstemming is met de te verwachten uitgaven.
9
Kapitaallastenreserves Als onderdeel van de ombuigingen (verwerkt Begroting 2026) zijn twee kapitaallastenreserves ingesteld. Met deze bestemmingsreserves wordt een deel van de jaarlijkse afschrijvingen van investeringen gedekt. Hierdoor worden de lasten op de begroting vanaf 2026 verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van de investeringsruimte en het begrotingssaldo. Vanuit de Algemene reserve is € 50 mln. beschikbaar gesteld. Hiervan is € 39,4 mln. toegevoegd aan kapitaallastenreserve I ter dekking van afschrijvingen op bestaande investeringen waardoor tot en met 2053 jaarlijks € 1.208.000 wordt onttrokken. Dit bedrag wordt lager in de jaren vanaf 2054 en bedraagt in 2057 nog € 132.000 omdat de reserve dan nihil is. De Kapitaallastenreserve II bedraagt € 10,6 mln. en kan worden ingezet om de afschrijvingslasten van nieuwe investeringen te dekken. Beide kapitaallastenreserves zijn geen revolverende reserves. Uitgangspunt 7. Er wordt geen rente toegerekend aan de reserves. 8. De kapitaallastenreserves zijn niet revolverend. In bijlage 3 treft u een overzicht van de huidige reserves (stand begroting 2026), met daarbij het doel en de hoogte van de betreffende reserve.
10
3. Voorzieningen Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen en zijn in tegenstelling tot reserves niet vrij besteedbaar.
3.1. Instellingscriteria voorzieningen De uitgangspunten voor het instellen van een voorziening en het in stand houden daarvan zijn binnen het BBV aan strikte regelgeving gebonden. Het vormen van voorzieningen is geregeld in artikel 44 BBV. Deze vindt u in bijlage 1. De meeste voorzieningen kennen een verplichtend karakter waar de raad geen invloed op heeft. De raad gaat wel over de keuze over het wel of niet hanteren van een onderhoudsvoorziening of het in de begroting opnemen van de reguliere onderhoudslasten. Het beschikken over voorzieningen ligt voornamelijk bij het college.
3.2 Soorten voorzieningen De voorzieningen worden onderverdeeld in de volgende categorieën: • • •
Voor verplichtingen, verliezen en risico’s Egalisatievoorzieningen Voor middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is
Gezien de aard van een voorziening kan deze niet negatief zijn. Als er geen bedrag meer aanwezig is in de voorziening kan er gaan dekking uit gehaald worden. Uitgangspunt 9. Voorzieningen worden ingesteld voor de functies die in het BBV genoemd worden. 3.2.1 Voor verplichtingen, verliezen en risico’s Het betreft hier voorzieningen voor verplichtingen, verliezen en risico’s welke vanuit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk zijn en waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten. Hierbij kan gedacht worden aan een voorziening wethouderpensioenen, reorganisatievoorziening of een voorziening voor achterstallig onderhoud. 3.2.2 Egalisatievoorzieningen Voor het egaliseren van lasten kennen we verschillende voorzieningen. Naast voorzieningen die bedoeld zijn om kosten of tarieven te egaliseren komt een onderhoudsvoorziening veel voor. Een voorziening om onderhoudslasten van een kapitaalgoed over een aantal jaren te egaliseren kan door de raad worden ingesteld als wordt voldaan aan onderstaande criteria: • • •
Instelling en voeding gebeurt op basis van een vastgesteld meerjarenonderhoudsplan (MJOP) van het betreffende kapitaalgoed; Het onderhoud- of beheerplan dient een periode van (minimaal) 10 jaar te bestrijken; Het onderhoud- of beheerplan dient periodiek te worden geactualiseerd (minimaal eenmaal in de vijf jaar).
Bij de vaststelling van het onderhoud- of beheerplan wordt het te hanteren kwaliteitsniveau vastgesteld. De achterliggende gedachte hiervan is dat indien de hoogte van de onderhoudsvoorziening aansluit bij een onderhoudsplan de continuïteit van het gemeentelijk voorzieningenniveau, zowel in kwalitatieve als in financiële zin, is gewaarborgd. De onderhoud- of
11
beheerplannen worden nader toegelicht in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in de begroting en de jaarrekening. 3.2.3 Voor middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is Bij dit soort voorzieningen gaat het veelal om bijdragen waarvan de besteding over een aantal jaren wordt uitgesmeerd en waarvan de bestemming gebonden is. Het betreft hier met name ontvangen subsidies, leges en heffingen met een specifiek, verplicht, bestedingskarakter.
3.3 Mutaties voorzieningen Voorzieningen dienen dekkend te zijn voor verplichtingen en onderbouwde risico’s. Ze mogen daarom niet hoger of lager zijn dan de verplichtingen of risico’s waarvoor ze zijn gevormd. Als blijkt dat een voorziening te hoog is doordat verplichtingen wegvallen of risico’s afnemen dan valt een gedeelte van de voorziening vrij ten gunste van de exploitatie. Dit laatste geldt niet als het gaat om voorzieningen opgebouwd uit bijdragen van derden, zoals huisvuilrechten, riolering en leges omgevingsvergunning. Als deze voorzieningen te hoog zijn moeten de tarieven naar beneden bijgesteld worden en/of het overschot moet terugvloeien naar de inwoners. Toevoegingen • • •
Toevoegingen moeten zijn gebaseerd op een onderbouwde of noodzakelijke omvang; Voorzieningen ter egalisatie van kosten worden afgestemd op de door de raad bepaalde kaders (in het bijzonder meerjarige beheer- en onderhoudsplannen); De voeding van voorzieningen vindt plaats via de begroting. Bij (verwachte) tekorten dienen de voorzieningen direct te worden aangevuld ten laste van het resultaat.
Onttrekkingen •
•
Werkelijke bestedingen worden rechtstreeks ten laste van een voorziening gebracht en blijven buiten de exploitatie. Deze uitgaven staan in directe relatie tot het doel van de voorziening; Voorzieningen mogen niet negatief zijn.
Afwijkingen in geraamde onttrekkingen of toevoegingen worden toegelicht in de tussentijdse rapportages en in de jaarrekening.
3.4 Opheffen voorzieningen Het doel of de bestemming van een voorziening kan niet gewijzigd worden. Voorzieningen worden opgeheven als de verplichting en/of het risico waarvoor de voorziening is gevormd is opgehouden te bestaan. Als opheffing van een voorziening volgens wet- en regelgeving, zoals het BBV, verplicht is, is voor het opheffen geen raadsbesluit nodig. Voorzieningen die niet wettelijk verplicht zijn worden opgeheven na een besluit van de raad. Uitgangspunt 10. Voorzieningen worden ingesteld voor duidelijk omgeschreven doelen en worden opgeheven als dit doel bereikt is of als de wettelijke basis er niet meer is.
3.5 Overige spelregels voorzieningen Binnen gemeente Capelle aan den IJssel worden voorzieningen nominaal gewaardeerd. Uitzondering hierop is de voorziening voor pensioenopbouw politieke ambtsdragers (APPA) waarvoor een actuariële waardering wettelijk verplicht is.
12
Uitgangspunt 11. Wij rekenen geen rente toe aan voorzieningen tenzij dit wettelijk anders wordt bepaald. Het BBV schrijft voor dat per voorziening jaarlijks een overzicht wordt geboden in het verloop (stand begin boekjaar, toevoegingen/onttrekkingen en stand einde boekjaar). Het college neemt een dergelijk overzicht op in de programmabegroting en in de jaarrekening. Uitgangspunt 12. De hoogte van de voorzieningen voor toekomstige verplichtingen of verliezen wordt jaarlijks onderbouwd in de jaarrekening en beoordeeld in de begroting.
3.6 Voorziening dubieuze debiteuren en verliesvoorziening(en) Grondbedrijf Naast de hiervoor beschreven voorzieningen aan de passivazijde van de balans, kennen we ook voorzieningen aan de activazijde van de balans. Dit zijn voorzieningen die de waarde van een bezit corrigeren. Wij kennen twee van deze voorzieningen: de voorzieningen dubieuze debiteuren en de voorziening verliesgevende complexen. Deze twee bijzondere voorzieningen worden wel opgenomen in de staat van voorzieningen maar niet opgenomen aan de passivazijde van de balans, omdat zij in mindering worden gebracht op de posten waarop zij betrekking hebben, conform het BBV, tenzij de waarde van een individueel grondcomplex lager is dan de te treffen verliesvoorziening. De voeding van de voorziening dubieuze debiteuren vindt plaats bij het opmaken van de jaarrekening. En is afhankelijk van de inschatting, waarbij het de vraag is in welke mate er zich mogelijk dubieuze vorderingen voor zullen doen. Het college is verantwoordelijk voor een onderbouwde en consistente werkwijze hiervoor. Op de balans wordt deze voorziening onder de debiteuren opgenomen. De voorziening verliesgevende complexen is ingesteld in verband met verwachte tekorten op de bouwgrondexploitaties. De voeding vindt plaats ten tijde van actualisaties van de grondexploitaties. Dit gebeurt in elk geval tegelijk met de jaarrekening.
Op de balans wordt deze voorziening in mindering gebracht op de voorraden bouwgrond in exploitatie. Voor specifiek deze voorziening geldt dat indien de waarde van een grondcomplex lager is dan de te treffen verliesvoorziening deze voorziening voor het resterende deel aan de passivazijde van de balans wordt weergegeven.
13
4. Risicomanagement en Weerstandsvermogen 4.1.
Visie
We streven naar een structureel gezonde exploitatie en financiële positie, waarbij we de nadelige effecten van risico’s zo veel mogelijk voorkomen of beperken en waarbij er sprake is van een weerstandsvermogen dat past bij het risicoprofiel.
4.2.
Risicomanagement
4.2.1. Functies van risicomanagement Risicomanagement richt zich op het realiseren van maatschappelijke doelen, en daarbij: • • •
bewust risico’s af te wegen; kansen te benutten die doelrealisatie positief beïnvloeden; nadelige effecten van risico’s te voorkomen of te beperken.
Het geeft geen garantie dat gebeurtenissen met een negatief gevolg niet optreden. Het geeft wel meer zekerheid dat je er van tevoren bewust over nagedacht hebt en focust op het realiseren van doelen. Risicomanagement richt zich op verschillende type risico’s, zoals financiële risico’s, beleidsrisico’s, juridische risico’s of imagorisico’s. In deze nota focussen we op het managen van financiële risico’s. Risicomanagement heeft de volgende algemene functies: 1. Voor bestaand beleid: het zo goed mogelijk inzichtelijk maken van risico’s en het nemen van maatregelen om deze te voorkomen of om de effecten te minimaliseren, zodat doelen gerealiseerd worden. 2. Voor nieuw beleid: het zo goed mogelijk inzichtelijk maken van risico’s, zodat er een verantwoorde beleidskeuze gemaakt kan worden in het licht van die risico’s. 3. Voor de organisatie: het vergroten van het risicobewustzijn onder medewerkers, zodat zij risicoverantwoord handelen in het licht van de realisatie van maatschappelijke doelen. Het nemen van risico’s is onvermijdelijk verbonden aan het nemen van beslissingen. Tegelijkertijd is het belangrijk om risico’s beheersbaar te houden. Hiervoor kunnen de volgende soort maatregelen genomen worden: 1. Het vermijden van risico’s, bijvoorbeeld door geen risicovolle projecten te starten of bestaand beleid met veel risico’s af te stoten. 2.
Het verminderen van risico’s, bijvoorbeeld door een voorziening te vormen. 3. Het overdragen of delen van risico’s, bijvoorbeeld door een verzekering af te sluiten of bij een gezamenlijk project vooraf afspraken te maken over risicodeling. 4. Het accepteren van risico’s, bijvoorbeeld wanneer er geen goede maatregelen beschikbaar zijn of wanneer het risico acceptabel is in het licht van het maatschappelijk te realiseren doel.
14
4.2.2. Definitie van risico’s Een risico definiëren we als volgt: De kans op het optreden van een gebeurtenis, die zowel positieve als negatieve gevolgen voor de gemeente kan hebben, waarvan de omvang nog onbekend is, maar van materiële betekenis kan zijn. En die van invloed is op een maatschappelijk doel. Uit deze definitie volgt, dat risico’s die reeds afgedekt zijn door bijvoorbeeld een verzekering of een voorziening, niet meer als risico beschouwd worden. Dit is ook in lijn met artikel 11 uit het BBV, waar de “risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie” worden genoemd. Risico’s zijn van materiële betekenis als ze financieel groter zijn dan € 500.000. Eenvoudig geformuleerd kunnen we een risico ook zo definiëren: risico = kans * impact 4.2.3. Kaders voor het berekenen van risico’s Voor het berekenen van de benodigde weerstandscapaciteit (zie paragraaf 4.3.3.) drukken we alle risico’s uit in een bedrag dat gebaseerd is op een zo goed mogelijke inschatting van de kans en de impact. De kans dat een risico zich voordoet, drukken we uit in een percentage. Het bepalen van de kans is altijd een inschatting en subjectief van aard. Om de inschatting van de kans te vergemakkelijken, werken we met drie hoofdcategorieën: 1. 2. 3.
Hoge kans: 75% Gemiddelde kans: 50% Lage kans: 25%
De impact van een risico is de maximale financiële consequentie als het risico zich voordoet. Ook dit is een inschatting en subjectief van aard. We houden een bandbreedte aan voor de inschatting en rekenen met het gemiddelde van de bovenen ondergrens. Als de impact niet in te schatten is nemen we er geen bedrag voor op. Fictief rekenvoorbeeld De gemeente ontvangt vanuit de Rijksoverheid middelen om een bepaald doel te realiseren. Er is landelijk veel discussie over de verdeling van deze middelen over de gemeenten en mogelijk gaat er een herverdeling plaatsvinden in het nadeel van onze gemeente. De kans dat dit optreedt, is groot, omdat de meeste politieke partijen voorstander zijn. We schatten de kans daarom op 75%. De financiële impact, als de herverdeling plaatsvindt, is waarschijnlijk tussen € 600.000 en € 800.000. We rekenen daarbij met een gemiddelde impact van (600.000+800.000/2 =) 700.000. Het financiële risico is dan als volgt: 75% * 700.000 = € 525.000. Risico’s kunnen zich eenmalig of structureel voordoen. Een risico is eenmalig, wanneer de baten of lasten in één jaar wijzigen, als het risico zich voordoet. Een risico is structureel wanneer de baten of lasten meerjarig wijzigen. In het fictieve voorbeeld van de middelen van de Rijksoverheid, gaat het om minder middelen in alle jaren van de hele meerjarenbegroting.
Een structureel risico vermenigvuldigen we met 5, omdat we in de P&C-cyclus zowel bezig zijn met het lopende jaar, als met de vier jaren van de meerjarenbegroting erna.
15
Fictief rekenvoorbeeld Stel dat het in ons genoemde voorbeeld gaat om een structureel risico dan houden we 5 x €525.000 = € 2.625.000 aan als benodigde weerstandscapaciteit.
Uitgangspunt 1. Voor het berekenen van risico’s maken we zo goed mogelijke inschattingen van de kans en de impact. Eenmalige risico’s vermenigvuldigen we met 1 en structurele risico’s met 5. 4.2.4. Kaders voor het rapporteren over risico’s Het BBV schrijft in de artikelen 9, 11 en 26 voor dat de gemeente in de begroting en de jaarrekening een paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing opnemen. Daarin moet onder andere een inventarisatie worden opgenomen van de risico’s. Daarnaast is het mogelijk dat het college de gemeenteraad apart informeert, wanneer er zich nieuwe risico’s voordoen of er nieuwe informatie over bestaande risico’s beschikbaar is. Een aparte categorie risico’s betreft vertrouwelijke risico’s. Dit zijn risico’s waarbij het openbaar maken ervan de gemeente of anderen kan schaden. Zo zou het kwantificeren van een schadeclaim kunnen worden opgevat als het toegeven aan de aansprakelijkheid, zou het benoemen van een mogelijk verlies de lopende onderhandelingen kunnen schaden of zou het imago van personen of organisaties beschadigd kunnen worden. Voor vertrouwelijke risico’s geldt het uitgangspunt dat het college de raad vertrouwelijk informeert.
In de paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing vermelden we per risico de volgende informatie: • Omschrijving risico: algemene toelichting wat het risico inhoudt en de impact op het doel; • Bandbreedte financiële gevolgen: benoemen kans- en impactcategorie; • Beheersmaatregelen: benoemen welke acties gedaan (kunnen) worden om met het risico om te gaan. Uitgangspunt 2. Het college informeert de gemeenteraad in de paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing van de Begroting over de financiële risico’s die de gemeente loopt. In de jaarrekening houden we de financiële risico’s uit de meest recente begroting aan. 3. Voor vertrouwelijke risico’s geldt dat het college de raad vertrouwelijk informeert. 4.2.5. Kaders voor het beheersen van risico’s Het beheersen van risico’s is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van diegene die inhoudelijk bij het beleidsterrein van het betreffende risico betrokken is, bijvoorbeeld de inhoudelijke portefeuillehouder en het Concernmanager.
4.3.
Weerstandsvermogen
4.3.1. Functies van weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen geeft een indicatie van de mate waarin een gemeente in staat is om
16
financiële risico’s met eigen middelen op te vangen. Het is een middel om de financiële gezondheid van gemeenten te beoordelen. 4.3.2. Definitie van weerstandsratio Het BBV omschrijft het weerstandsvermogen als de relatie tussen: a) de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken; b) alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie. Op basis van deze definitie berekenen wij de weerstandsratio, die de relatie tussen beide onderdelen weergeeft. De weerstandsratio berekenen we als volgt: Beschikbare Weerstandscapaciteit/Benodigde Weerstandscapaciteit (= geïnventariseerde risico’s) De Beschikbare Weerstandscapaciteit bestaat uit: • • •
De algemene reserve De post onvoorzien in de begroting Het (begrote) resultaat
De Benodigde Weerstandscapaciteit bestaat uit de berekening van de risico’s, zoals uiteengezet in de paragraaf hierboven. Uitgangspunt 4. Tot de Beschikbare Weerstandscapaciteit rekenen wij: de algemene reserves, de post onvoorzien en het (begrote) jaarresultaat. 5. Tot de Benodigde Weerstandscapaciteit rekenen wij de risico’s, zoals berekend op de manier beschreven in deze nota.
17
4.3.3. Kaders voor de gewenste hoogte van de weerstandsratio In het geval dat de weerstandsratio boven de 1,0 is zijn wij in staat om met de vrij beschikbare middelen de geïnventariseerde financiële risico’s op te vangen. De volgende classificatie van de weerstandsratio wordt vaak aangehouden: > 2,0 Uitstekend 1,4 - 2,0 Ruim voldoende 1,0 - 1,4 Voldoende 0,8 - 1,0 Matig 0,6 - 0,8 Onvoldoende < 0,6 Ruim onvoldoende Wij streven naar een minimale ratio van 1,0. Mochten we onder de grens van 1,0 uitkomen dan zal het college met voorstellen naar de raad komen in het eerstvolgende P&C document om weer boven de 1,0 uit te komen. Het is belangrijk om twee kanttekeningen bij de weerstandsratio te geven. In de eerste plaats behoudt de ratio altijd een bepaalde mate van onzekerheid, omdat deze voor een groot deel is gebaseerd op subjectieve inschattingen van risico’s en kansen. In de tweede plaats is de weerstandsratio niet de enige indicatie voor de financiële gezondheid van de gemeente. Dit zijn bijvoorbeeld ook de andere financiële kengetallen uit de paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing, zoals de schuldquote en de structurele exploitatieruimte. Het gaat dan ook vooral om het vergroten van het bewustzijn van risico’s en het faciliteren van het gesprek daarover.
Om deze redenen is het raadzaam dat bij het nemen van financiële beslissingen niet uitsluitend naar de ontwikkeling van de weerstandsratio wordt gekeken, maar ook naar andere indicatoren van financiële gezondheid. Uitgangspunt 6. Wij streven naar een minimale weerstandsratio van 1,0. Mocht de ratio onder de grens van 1,0 komen dan zal het college voorstellen doen met maatregelen. 7. Voor het nemen van financiële beslissingen kijken wij niet alleen naar de weerstandsratio, maar ook naar andere indicatoren van financiële gezondheid.
18
BIJLAGE 1: relevante wetsartikelen uit het BBV Artikel 11 1. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen: a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de provincie onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken; b. alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie. 2. De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen en risicobeheersing bevat ten minste: a. een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; b. een inventarisatie van de risico's; c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico's; d. een kengetal voor de: 1a netto schuldquote; 1b netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen; 2 solvabiliteitsratio; 3 grondexploitatie; 4 structurele exploitatieruimte; en 5 belastingcapaciteit. e. een beoordeling van de onderlinge verhouding tussen de kengetallen in relatie tot de financiële positie. 3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de kengetallen, genoemd in het tweede lid, onderdeel d, door provincies en gemeenten worden vastgesteld en in de begroting en het jaarverslag worden opgenomen. Artikel 26 Het jaarverslag bevat de paragrafen die ingevolge artikel 9 in de begroting zijn opgenomen.
Ze bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige paragrafen in de begroting is opgenomen. Artikel 41 Onder de vaste passiva worden afzonderlijk opgenomen het eigen vermogen, de voorzieningen en de vaste schulden, met een rentetypische looptijd van één jaar of langer. Artikel 42 1. Het eigen vermogen bestaat uit de reserves en het gerealiseerde resultaat volgend uit het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening. 2. Het in het eerste lid bedoelde resultaat wordt afzonderlijk opgenomen als onderdeel van het eigen vermogen. Artikel 43 1. In de balans worden de reserves onderscheiden naar: a. de algemene reserve; b. de bestemmingsreserves.
19
2. Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan provinciale staten respectievelijk de raad een bepaalde bestemming heeft gegeven. Artikel 44 1. Voorzieningen worden gevormd wegens: a. verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten; b. op de balansdatum bestaande risico's ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten; c. kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren; d. de bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder b. 2. Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen, bedoeld in artikel 49, onderdeel b. 3. Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume. Artikel 45 Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan. Artikel 46 In de balans worden onder de vaste schulden afzonderlijk opgenomen: a. obligatieleningen; b. onderhandse leningen van: 1.
binnenlandse pensioenfondsen en verzekeringsinstellingen; 2. binnenlandse banken en overige financiële instellingen; 3. binnenlandse bedrijven; 4. openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden; 5. overige binnenlandse sectoren; 6. buitenlandse instellingen, fondsen, banken, bedrijven en overige sectoren; c. door derden belegde gelden; d. waarborgsommen. Artikel 54 1. In de toelichting op de balans worden de aard en reden van elke reserve en de toevoegingen en onttrekkingen daaraan toegelicht. 2. Per reserve wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven. Daaruit blijken: a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar; b. de toevoegingen of onttrekkingen uit hoofde van het voorgaande boekjaar; c. de toevoegingen of onttrekkingen bij het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening; d. de verminderingen in verband met afschrijvingen op activa waarvoor een specifieke bestemmingsreserve is gevormd; e. het saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
20
Artikel 55 1. In de toelichting op de balans worden de aard en reden van de voorzieningen, bedoeld in artikel 44 en de wijzigingen daarin toegelicht. 2. Per voorziening wordt het verloop gedurende het jaar in een overzicht weergegeven. Daaruit blijken: a. het saldo aan het begin van het begrotingsjaar; b. de toevoegingen; c. ten gunste van de rekening van baten en lasten vrijgevallen bedragen; d.de aanwendingen; e. saldo aan het einde van het begrotingsjaar.
21
BIJLAGE 2: Op te heffen reserves en voorzieningen In deze bijlage nemen we de op te heffen reserves en voorzieningen op, en geven daarbij aan wat de argumentatie is voor ophefing. 1. Algemene reserve minimum niveau 10 miljoen. Doel: De reserve is bedoeld als algemene buffer voor risico’s. Het minimum niveau is bepaald op € 150 per inwoner (afgerond € 10 miljoen). In dit saldo is tevens begrepen € 1 miljoen als vaste minimumbuffer voor risico’s grondexploitaties. Reden opheffen: de algemene reserve heeft de bufferfunctie waarmee we risico’s opvangen. Nu we gesteld hebben dat deze reserve een ondergrens heeft van 10% van de totale lasten zorgen we voor voldoende buffer. 2. Reserve Rekenkamer Doel: Door verschillen in omvang en diepgang, maar ook omdat onderzoeken anders verlopen dan gepland, zal de realisatie vrijwel altijd afwijken van de begroting en zal er budget overblijven of tekort zijn. Om die reden heeft de raad een besluit genomen om de rekenkamer over een egalisatiereserve te laten beschikken. Reden opheffen: De afgelopen drie jaren heeft er geen mutatie plaatsgevonden. Het bedrag is relatief klein. Afwijkingen kunnen kennelijk voldoende worden opgevangen in de jaarrekening.
22
BIJLAGE 3: Actuele reserves Reserve Algemene Budgethouder Concernmanager Financiën Doel De reserve heeft geen specifieke bestemming en is vooral bedoeld als algemene buffer voor het opvangen van risico’s. Programma n.v.t. Functie Buffer om risico’s op te vangen Noodzaak Maximum Er is geen maximum Minimum 10% van de totale lasten van de begroting 2026, exclusief mutaties reserves, € 30.000.000 Voeding Resultaat van de jaarrekening Looptijd Onbepaald Reserve Eenmalige uitgaven Budgethouder Concernmanager Financiën Doel Eenmalig budget dat in enig jaar niet is besteed in een volgend jaar beschikbaar te houden. Hiervoor hoeft niet opnieuw budget door de raad beschikbaar te worden gesteld. Besteding moet binnen drie jaar plaatsvinden, anders valt dit vrij ten gunste van de algemene middelen Programma De gelden kunnen betrekking hebben op diverse programmadoelen. Functie Dekking voor specifieke activiteiten met en omvang van meer dan € 50.000 Noodzaak Per storting wordt dit apart toegelicht Maximum Er is geen maximum aan deze reserve Minimum Over te hevelen budgetten zijn tenminste € 50.000 Voeding Per voorstel wordt de reserve gevoed Looptijd Per storting geld een maximum termijn van drie jaar; na drie jaar valt het bedrag vrij aan de algemene reserve. Spelregels Er worden enkel bedragen aangehouden van meer dan € 50.000.
Dit houdt in dat zodra het bedrag voor een specifieke activiteit onder deze grens komt het gehele bedrag vrijvalt in de exploitatie, en ten gunste van het resultaat. Hiermee voorkomen we dat relatief kleine bedragen aangehouden worden in deze reserve. Reserve Budgethouder Doel Programma Functie Noodzaak
Maximum Minimum
Water Concernmanager Stadsbeheer Opvangen van de jaarlijks sterk wisselende lasten van baggerwerkzaamheden Programma 5B Openbaar groen en (openlucht) recreatie Egalisatie Door sterk wisselende lasten voor baggerwerkzaamheden is er de wens deze te egaliseren in de begroting. Uitgangspunt is dat tot 2032 het aanwezige saldo toereikend is om de lasten van de baggerwerkzaamheden en de ontvangstplicht op te vangen. De omvang van de toekomstige lasten is grotendeels afhankelijk van de toekomstige baggercycli zoals HHSK hanteert. Daarnaast zijn er ook baggerlasten voor de watergangen in eigen beheer. Op basis van de toekomstige baggerwerkzaamheden monitoren we of de begrote jaarlijkse dotaties van € 250.000 vanaf 2032 toereikend zijn. We stellen een maximum op € 2.000.000 Het minimum stellen we op € 150.000
23
Voeding
Vanaf 2032 een structurele jaarlijkse dotatie van € 250.000 Onbepaald
Reserve Noodfonds Capelle Budgethouder Concernmanager Samenleving Doel Sinds mei 2021 voert het team Frontlijn de voorziening Noodhulp Capelle uit (Djuma BBV 472093). De noodhulp wordt bekostigd vanuit het Noodfonds Capelle, dat grotendeels bestaat uit donaties van de Van Cappellen Stichting. De noodhulp kan -in principe eenmalig- worden verstrekt als de noodzakelijke basisbehoeften van een Capellenaar zwaar onder druk staan door een gebrek aan geld en er geen andere financiële regeling is om de kosten te betalen. De noodhulp biedt een laatste vangnet om dreigende gevolgen als huisuitzetting, afsluiting van water en energie, gezondheidsschade of sociaal isolement tegen te gaan. Programma Programma 6A, sociale infrastructuur Functie Dekking voor noodzakelijke basisbehoeften van Capellenaren Noodzaak Vangnet als er geen andere financiële regeling voor is Maximum Nvt Minimum Er is geen minimum. Na gebruik van de gelden wordt de reserve opgeheven. Voeding Donaties van uit de Van Cappellen Stichting Looptijd Er is geen einddatum vastgesteld Reserve Besteding Eneco-gelden Budgethouder Concernmanager Financiën Doel Bij de Voorjaarsnota 2021 hebben wij een deel van de verkoopopbrengst van de aandelen van Eneco gedoteerd aan deze reserve.
De algemeen dragende lijn van de bestedingen van de reserve bestedingen Eneco-gelden is dat de inzet van deze middelen echt iets goeds voor de stad doen of een maatschappelijk belang dienen. De kaders hiervoor zijn vastgesteld in de gemeenteraad en betreffen de volgende: Permanente kaders: 1. De gevormde reserve uit de verkoopopbrengst wordt niet gebruikt voor het oplossen van begrotingsknelpunten; 2. De bestedingen worden altijd in het grotere geheel van het cyclisch stuk afgewogen, gezien de effecten op de ratio’s en de exploitatie (rentenadeel). 3. De verkoopopbrengst wordt niet gebruikt voor het vormen van een dekkingsreserve voor investeringen waardoor er op termijn een “kamelenneus” ontstaat (een verplichting die niet geheel in de begroting staat).
Programma Functie Noodzaak
Facultatieve kaders: 4. Investeringen te doen waardoor de gemeente extra besparingen of extra inkomsten realiseert, tenzij er sprake is van een investering met een hoog maatschappelijk rendement (stap zetten voor onze stad). De (eventueel) hieruit voortvloeiende lasten moeten worden opgenomen in de exploitatie; 5. Bijdragen aan investering derden in de stad waaraan de andere partij gezamenlijk voor minimaal 50% financieel bijdraagt en welke ook wenselijk is vanuit de gemeente. Afhankelijk van de besteding draagt het bij aan een programmadoel. De reserve is nu gekoppeld aan het programma Bestuur en Ondersteuning Dekking van specifiek activiteiten Bestuurlijke wens van de raad
24
Maximum Minimum Voeding Looptijd
€ 20.000.000 Er is geen minimum. Na gebruik van de gelden wordt de reserve opgeheven. Eenmalige voeding vanuit verkoopopbrengst Eneco (€ 20.000.000) Er is geen einddatum vastgesteld
Reserve Vereveningsreserve sociale woningbouw Budgethouder Concernmanager Stadsontwikkeling Doel Het doel van de reserve is het stimuleren van de bouw van sociale huurwoningen bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Programma Programma 8 Stadsontwikkeling Functie Dekking voor activiteiten Noodzaak We willen voorkomen dat er te weinig sociale huurwoningen worden gebouwd. Daarom romen we ontwikkelprojecten af die niet aan de gestelde normen voldoen en dragen we bij aan projecten die meer sociale huurwoningen bouwen dan de norm. De in het Programma Wonen vastgestelde norm is 30%. Maximum Er geldt geen maximum voor deze reserve Minimum We stellen het minimum vast op het startkapitaal van € 200.000 Voeding Bij de 1e Bestuursrapportage 2025 is een dotatie van € 200.000 gedaan als startkapitaal. De reserve wordt gevuld met afdrachten van ontwikkelende partijen. Onttrekkingen worden gedaan om meer sociale huurwoningen te realiseren. Het streven is om de reserve neutraal te laten functioneren, waarbij er evenveel afdrachten als bijdragen plaatsvinden. Bijdragen kunnen slechts verstrekt worden voor zover er middelen in de reserve beschikbaar zijn. Mocht er geen geld in het reserve beschikbaar zijn, dan kan er ook geen bijdrage worden verleend.
Looptijd Onbepaald Spelregels Er zijn specifieke regels van toepassing zoals vastgesteld in het programma Vereveningsreserve Sociale Woningbouw (d.d. 3 juni 2025). In het Nota Grondbeleid 2024 wordt het inzetten van een vereveningsreserve sociale woningbouw benoemd als grondbeleid instrument. Reserve Kapitaallasten I – bestaande investeringen Budgethouder Concernmanager Financiën Doel De Reserve kapitaallasten wordt ingezet om (een deel van) de jaarlijkse afschrijvingslasten in de begroting te dekken. Kapitaallastenreserve I is ingezet voor de dekking van de afschrijvingen op enkele bestaande investeringen. Dit zijn investeringen met relatief hoge boekwaarden en lange afschrijvingstermijnen. Het betreft de afschrijvingen van Comeniuscollege, IJsselcollege, Aquapelle, De Olijfboom en Wijkontsluiting Schollevaar.
Programma Functie Noodzaak Maximum Minimum Voeding
De gezamenlijke boekwaarde hiervan is € 39,4 mln. Dit is gelijk aan de eenmalige voeding van deze reserve. Met deze reserve wordt vanaf 2026 structureel € 1,2 miljoen aan afschrijvingslasten gedekt binnen de begroting. Diverse programma’s Dekking van kapitaallasten Spreiden van de financiële druk in de exploitatie in de komende jaren € 39.372.000 De reserve wordt opgeheven nadat alle lasten zijn gedekt (in 2057) Eenmalige voeding vanuit de Algemene reserve van € 39.372.000.
25
Looptijd
Ca 32, tot en met 2057
Reserve Kapitaallasten II – toekomstige investeringen Budgethouder Concernmanager Financiën Doel Deze reserve kan worden aangewend ter dekking van afschrijvingen op toekomstige investeringen. De inzet is bedoeld voor investeringen met afschrijvingstermijn van minimaal 40 jaar zodat over een lange periode de reserve dekking biedt voor de afschrijvingslasten in de exploitatie. Programma Nog nader te bepalen Functie Dekking van kapitaallasten Noodzaak Spreiden van de financiële druk in de komende jaren Maximum € 10.628.000 Minimum n.v.t. Voeding Eenmalige voeding vanuit de Algemene reserve van € 10.628.000. Looptijd Afhankelijk van het gebruik. Spelregels De raad stelt vast van welke investeringen de kapitaallasten gedekt worden uit deze reserve.
BIJLAGE 4: Actuele voorzieningen (passiva) Voorziening Onderhoud Budgethouder Concernmanager Dienstverlening Doel De voorziening heeft tot doel egalisatie van kosten van onderhoud aan: a. de gemeentelijke welzijnsaccommodaties; b. het gemeentehuis aan de Rivierweg en de gemeentewerf aan de Groenedijk; c. brandweerkazerne; d. het Isala theater; e. binnen- en buitensportaccommodaties; f. bezittingen actief grondbeleid. Programma Verschillende programma’s Functie Egalisatie Noodzaak Het onderhoud van ons vastgoed is belangrijk. Met het meerjarenonderhoudsplan wordt voorzien in het geld wat nodig is. Door een egalisatievoorziening worden pieken in de begroting voorkomen. Maximum Nvt – basis is het laatste vastgestelde MJOP Minimum Nvt Voeding Dotaties ten laste van de begroting. De stortingen en onttrekkingen zijn opgenomen in het laatst vastgestelde meerjarenonderhoudsplan (MJOP) Looptijd Onbepaald Voorziening Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) Budgethouder Concernmanager Bestuur- en Concernondersteuning Doel In 2021 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wet Aanpassing Appa (Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers). De voorbereidingen voor het nieuwe stelsel zal plaatsvinden vanaf 1 januari 2023, het doel is om het nieuwe pensioenstelsel uiterlijk 1 januari 2028 in te voeren.
De gemeenten zullen als gevolg van de nieuwe wet verplicht moeten deelnemen aan een nog op te richten pensioenfonds voor wethouders bij het ABP. De gemeenten zullen de
26
Programma Functie Noodzaak Maximum Minimum Voeding
Looptijd
verplichtingen dan voor alle (gewezen) wethouders moeten afdragen aan het ABP. Bestuur en Ondersteuning Wettelijke verplichting Wettelijke verplichting Nvt Nvt De omvang van de voorziening wordt jaarlijks bij de jaarrekening aangepast op basis van actuariële berekeningen voor de mogelijke toekomstige waardeoverdrachten van voormalig bestuurders. Per1 januari 2028 wordt de pensioenvoorziening ondergebracht bij het ABP. Bij de jaarrekening beoordelen wij op basis van actuariële berekeningen van een externe partij of onze voorziening toereikend is. Die is onder andere afhankelijk van de gehanteerde rekenrente en levenstabellen. Tot en met 31 december 2027.
27
Voorziening Rioolheffing middelen derden Budgethouder Concernmanager Stadsbeheer Doel Riolering is een gesloten systeem, de inkomsten uit rioolheffing mogen daarom niet voor andere doeleinden gebruikt worden. In de praktijk betekent dit dat afwijkingen in de lasten en baten van riolering met deze voorziening worden verrekend. Het saldo van de voorziening wordt betrokken bij het vaststellen van de tarieven ten behoeve van de rioolretributie. De tarieven worden daarbij vastgesteld volgens het principe van maximaal 100% kostendekkendheid. Programma Programma 7, Volksgezondheid, duurzaamheid en milieu Functie Middelen van derden waarvan de bestemming gebonden is Noodzaak Voor het onderhouden van de riolering wordt een heffing in rekening gebracht aan inwoners. Deze inkomsten mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Omdat de lasten nogal fluctueren door de jaren heen is een voorziening noodzakelijk. Maximum Nvt Minimum Nvt Voeding Afhankelijk van de uitkomst van de exploitatie. Looptijd Onbepaald Voorziening Afvalstoffenheffing middelen derden Budgethouder Concernmanager Stadsbeheer Doel Het ophalen en verwerken van huishoudelijk afval is een wettelijke taak en is een gesloten systeem, de inkomsten uit de afvalstoffenheffing mogen daarom niet voor andere doeleinden gebruikt worden.