CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

08.08 - Bijlage 3.3 - TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21b Het Nieuwe Rivium Motivering - ter vaststelling 2472355

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 23 juni 2026, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Omgevingsplanwijziging Rivium, MER en monitoring MER, actualisatie parkeernormen 2025 en Beeldkwaliteitsplan Rivium32.809 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 21b Het Nieuwe Rivium

CAPELLE AAN DEN IJSSEL MOTIVERING versie 11-06-2026, ter vaststelling

2

1

Inleiding ........................................................................................................................................... 5

2

Voorgenomen ontwikkeling............................................................................................................. 7

3

4

5

2.1

Beschrijving bestaande situatie ............................................................................................. 7

2.2

Begrenzing van het plangebied .............................................................................................. 8

2.3

Planvorm ................................................................................................................................ 9

2.4

Gebiedspaspoort 2.0 Rivium ................................................................................................ 11

2.5

Beeldkwaliteitsplan+ ............................................................................................................ 11

2.6

Uitwerking programma ........................................................................................................ 15

2.7

Openbare ruimte.................................................................................................................. 16

Rijks- en provinciaal beleid en instructieregels ............................................................................. 19 3.1

Inleiding................................................................................................................................ 19

3.2

Nationale Omgevingsvisie .................................................................................................... 19

3.3

Omgevingsvisie Zuid-Holland ............................................................................................... 21

3.4

Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ........................................................... 23

3.5

Instructieregels Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV)......................................... 25

3.6

Conclusie .............................................................................................................................. 35

Gemeentelijk beleid ...................................................................................................................... 37 4.1

Stadsvisie Capelle aan den IJssel .......................................................................................... 37

4.2

Omgevingsagenda ................................................................................................................ 38

4.3

Toetsingskader hoogbouw ................................................................................................... 41

4.4

Programma Wonen 2024-2028 ............................................................................................ 42

4.5

Programma Mobiliteit 2020-2030........................................................................................ 43

4.6

Programma Economie 2024-2027........................................................................................ 44

4.7

Programma Duurzaamheid 2023-2026 ................................................................................ 45

4.8

Weerkrachtig Capelle ........................................................................................................... 46

4.9

Programma Buitenruimte .................................................................................................... 47

Gevolgen voor de fysieke leefomgeving ........................................................................................ 49 5.1

Milieueffectrapportage ........................................................................................................ 49

5.2

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren ........................................................................ 51

5.3

Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................ 60

5.4

Bodem .................................................................................................................................. 62

5.5

Ecologie ................................................................................................................................ 65

5.6

Geluid ................................................................................................................................... 76

5.7

Geur ..................................................................................................................................... 83

5.8

Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................ 87

5.9

Luchtkwaliteit ....................................................................................................................... 90 3

5.10

Omgevingsveiligheid ............................................................................................................ 91

5.11

Windhinder .......................................................................................................................... 94

5.12

Bezonning ............................................................................................................................. 96

5.13

Water en klimaatadaptatie .................................................................................................. 99

5.14

Trillingen ............................................................................................................................. 108

5.15

Duurzaamheid en energie .................................................................................................. 109

5.16

Gezondheid ........................................................................................................................ 112

6

Financieel-economische uitvoerbaarheid ................................................................................... 115

7

Participatie................................................................................................................................... 117

8

7.1

Participatie en belangenafweging ...................................................................................... 117

7.2

Formele procedurestappen................................................................................................ 117

ETFAL en planregeling.................................................................................................................. 119 8.1

Motivering ETFAL ............................................................................................................... 119

8.2

Toelichting TAM-IMRO en verhouding tot het integrale omgevingsplan ........................... 119

8.3

Artikelsgewijze toelichting ................................................................................................. 120

4

1 Inleiding Het kantoor- en bedrijvengebied Rivium ervaart al meerdere jaren leegstand, ook na de verbetering van de marktsituatie, waardoor de transformatie van dit Capelse gebied gewenst is. Daarnaast is er grote behoefte aan woningen in de regio. In Rivium wordt daarom een deel van het huidige kantorenen bedrijvenpark getransformeerd naar een nieuwe hoogwaardige en duurzame werk- en woonwijk waar het prettig wonen en werken is. De ambitie van de gemeente is om ongeveer 5.500 woningen te realiseren, waarbij een goede ontsluiting via het openbaar vervoer van belang is. De beoogde gebiedsontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan Rivium (van rechtswege Omgevingsplan), waardoor het nodig is om een nieuw juridisch-planologisch kader op te stellen. Op 4 juli 2022 heeft de gemeenteraad besloten dat voor de gebiedsontwikkeling Rivium een bestemmingsplan wordt opgesteld. Door de komst van de Omgevingswet is het niet meer mogelijk een bestemmingsplan op te stellen. Daarom wordt een wijziging van het omgevingsplan opgesteld. Meer specifiek wordt een TAM IMRO omgevingsplan in de 'bestemmingsplanvariant' voor het Nieuwe Rivium opgesteld. Dit betekent dat het plan zo veel mogelijk lijkt op een bestemmingsplan, maar wel voldoet aan de juridische vereisten van de Omgevingswet. Het TAM IMRO omgevingsplan heeft echter nog de digitale kenmerken van een bestemmingsplan.

Dit TAM IMRO omgevingsplan vormt het juridisch-planologische kader voor de ontwikkeling van het Nieuwe Rivium, waarin de ruimtelijke kaders uit het Gebiedspaspoort 2.0 (29 september 2020), het beeldkwaliteitsplan+ en het Milieueffectrapport zijn vertaald. De transformatie van het Rivium is een uitdagende opgave, mede vanwege de aanwezigheid van infrastructuur en bedrijvigheid in en rondom het plangebied. Transformatie naar woningen in een stedelijk milieu levert een aanzienlijke bijdrage aan de woningbouwopgave. Met de realisatie van woningen is er in het gebied tevens behoefte aan publieke voorzieningen. Daarom wordt in dit omgevingsplan tevens de realisatie van maatschappelijke en commerciële voorzieningen mogelijk gemaakt, waaronder een supermarkt en een basisschool. Tot slot zetten we zo in op het beter benutten van de aanwezige ruimte. De transformatie gaat gepaard met een nieuwe inrichting van de openbare ruimte met kwalitatief groen en voldoende ruimte voor de afwikkeling van het verkeer. Bij dit omgevingsplan hoort een beeldkwaliteitsplan+ (BKP+) waarin de gewenste ontwikkeling en beoogde kwaliteit van het gebied is uitgewerkt. In dit omgevingsplan worden de realisatie van het beoogde programma en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving gemotiveerd.

Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) te onderbouwen, is onderzoek gedaan naar relevante omgevingsaspecten en is een Milieueffectrapport (MER) opgesteld (voor de inhoud daarvan zie hoofdstuk 5) Een belangrijke uitkomst van dit onderzoek is dat er maatregelen nodig zijn om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te kunnen realiseren. Deze maatregelen worden in deze motivering beschreven en waar noodzakelijk verankerd in de regels van dit omgevingsplan, het beeldkwaliteitsplan+, het buitenruimteontwerp, de samenwerkingsovereenkomst en de anterieure overeenkomst zoals gesloten met ontwikkelaars of een andere privaatrechtelijke overeenkomst.

5

6

2 Voorgenomen ontwikkeling 2.1 Beschrijving bestaande situatie Het Rivium ligt ten noorden van de Nieuwe Maas, ten zuiden van de Abram van Rijckevorselweg, ten westen van de woonwijk Kralingseveer (gemeente Rotterdam) en ten oosten van Rijksweg A16. De ligging aan de rivier heeft een belangrijke rol gespeeld bij de historische functie en ontwikkeling van dit gebied. In de 19e eeuw bevonden zich in de omgeving scheepswerven langs de oevers van de Nieuwe Maas en de Hollandse IJssel. Ook was er een levendige handel in visserij en waren er langs de rivier steenplaatsen aanwezig. De aanleg van de A16 en de Van Brienenoordbrug in de jaren '60 van de vorige eeuw, vormen een volgende belangrijk mijlpaal in de historie van het gebied. Met de aanleg van de A16 werd het gebied aan de buitenrand van de stad een interessante locatie voor de aanleg van een bedrijventerrein. Diezelfde bereikbaarheid langs de A16 was in de jaren '90 opnieuw een belangrijke factor, ditmaal om het gebied (deels) aan te wijzen als locatie voor kantoorontwikkeling. Dit hing samen met de ontwikkelingen op ICT-gebied in diezelfde jaren ‘90, wat landelijk leidde tot een groei van de dienstensector en daarmee tot een groeiende behoefte aan kantoorlocaties.

Figuur 2.1 Overzicht bestaande situatie

Vanuit deze ontwikkeling, bestaat het plangebied momenteel voor het overgrote deel uit bedrijfs- en kantoorlocaties. Op de zichtlocaties langs de Abram van Rijckevorselweg (N210), de Hollandse IJssel en langs de Rivium Boulevard (centrale ontsluitingsweg) bevinden zich hoofdzakelijk kantoorpanden.

7

Daarnaast zijn er kantoorpanden die inmiddels getransformeerd zijn en nu als wooncomplex functioneren. In het westelijk deel van het plangebied bevindt zich de afvalwaterzuiveringsinstallatie. Dit terrein heeft een omvang van circa 12 ha. Aan de westzijde daarvan, dicht langs de A16, bevindt zich op dit terrein een windturbine met een hoogte van circa 150 m (inclusief rotorbladen). Het kantoor- en bedrijvenpark kent een centrale ontsluitingsweg (Rivium Boulevard) in noordzuidrichting, die via op- en afritten in directe verbinding staat met de N210. Min of meer parallel aan de Rivium Boulevard bevinden zich aan de oost- en westzijde van het plangebied de Rivium Oostlaan en Rivium Westlaan. Deze straten worden onderling verbonden met de dwarsstraten Rivium 1e, 2e, 3e en 4e straat in oost-westrichting. De Rivium Promenade (zuidzijde) en het Rivium Quadrant en Toepad (westzijde) zijn gebiedsoverstijgende ontsluitingen. Tot slot verbindt de Schaardijk (gemeente Rotterdam) het gebied met de Nieuwe Maas, waar de watertaxi en de waterbus aanmeren.

2.2 Begrenzing van het plangebied Figuur 2.2 geeft de exacte begrenzing van het plangebied weer, waar deze wijziging van het omgevingsplan betrekking op heeft. Aan de oost-, zuid- en westzijde is deze grens gebaseerd op de gemeentegrens van Capelle aan den IJssel. Aan de noordzijde ligt de grens van het plangebied parallel aan de Abram van Rijckevorselweg en de op- en afrit daarvan.

8

Figuur 2.2 Begrenzing plangebied

2.3 Planvorm Het voorliggende omgevingsplan betreft een vertaling van het Gebiedspaspoort 2.0 en beeldkwaliteitsplan+ zoals hierna is beschreven. Het beeldkwaliteitsplan+ (BKP+) schetst de ruimtelijke visie op het Nieuwe Rivium als uitwerking van het Gebiedspaspoort. Er is in hoofdzaak gekozen voor een globaal omgevingsplan, waar nodig is het omgevingsplan gedetailleerd. Op deze manier kan worden ingespeeld op ontwikkelingen, rekening houdend met de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan+ en met de omgeving. Het globale karakter heeft zowel betrekking op het bouwen (oppervlakte- en hoogtematen) als op het gebruik van de gronden (functies), zodat er speelruimte blijft om bij de uitwerking van de bouwplannen keuzes te maken. Het doel van dit omgevingsplan is het mogelijk maken van Fase 1 van de gebiedsontwikkeling zoals opgenomen in het Gebiedspaspoort 2.0 en BKP+. Fase 1 betreft de blokken zoals weergegeven in figuur 2.3, waarmee de transformatie van kantoren en bedrijvigheid naar een gemengd stedelijk gebied in gang wordt gezet. 9

Voor de rest van het gebied blijven in dit omgevingsplan de bestaande functies behouden, hoofdzakelijk bestaande uit de AWZI, bedrijven en kantoren. Voor de bedrijfsmogelijkheden wordt opgemerkt dat deze in dit omgevingsplan worden afgeschaald met het oog op de nieuw te realiseren functies in de blokken van fase 1.

Figuur 2.3 Deelgebieden en fasering Rivium

10

2.4 Gebiedspaspoort 2.0 Rivium Het Gebiedspaspoort 2.0 dateert van 29 september 2020 en is een opvolger op de 1.0 versie. Het dient als toetsingskader voor de ontwikkeling van het Rivium en heeft de basis gevormd voor andere beleidsdocumenten. Het Gebiedspaspoort 2.0 geeft invulling aan de volgende ambities van de gemeente: 1. 2. 3. 4. 5.

Een gave, uitdagende wijk met karakter De hotspots van het Nieuwe Rivium Een echte hoogstedelijke wijk Te voet, te fiets en met OV Beleef en geniet!

Het opstellen van Gebiedspaspoort 2.0 is op de typische Capelse manier tot stand gekomen: met open vizier, en samen met alle huidige gebruikers en eigenaren van het gebied, de omgeving, marktpartijen en toekomstige gebruikers. Het resultaat is een praktisch en haalbaar perspectief voor een nieuw woon-werkgebied. Aan de eerstgenoemde ambitie wordt invulling gegeven door de unieke ligging langs de Nieuwe Maas te benutten en de verbinding met het OV-netwerk te versterken. Daarnaast moet in het gebied een eigen sfeer en identiteit gecreëerd worden, door het woonhart met marktplein en een groene boulevard te realiseren. Om te voldoen aan de derde ambitie wordt ingezet op een programmatische mix op verschillende schaalniveaus. Een heterogene wijk door spreiding, clustering en differentiatie in verschillende stedelijke blokken en buitenruimtes is het doel. Ook de bouwvolumes zijn gedifferentieerd met contrasten tussen oud & nieuw, hoog & laag en klein & groot. Om een aantrekkelijke, leefbare, onderscheidende én goed bereikbare hoogstedelijke wijk te kunnen realiseren, geldt voor de mobiliteit op Rivium het motto, ‘te voet, te fiets of met OV’. De inzet is minder auto(bezit), groei van deelmobiliteit en fietsgebruik, om daarmee mede het gezondheidsperspectief te bevorderen. De laatste ambitie richt zich vooral op de leefbaarheid in de wijk.

Dit wordt onder andere bepaald door sociale factoren, groene inrichting, milieufactoren, duurzaamheid, comfort en veiligheid. Door een multifunctionele wijk te creëren ontstaat er, ook voor de bedrijven en kantoren die blijven, een leefbare en dynamische omgeving.

2.5 Beeldkwaliteitsplan+ Om de stedenbouwkundige kaders vast te leggen, is een beeldkwaliteitsplan+ (BKP+) opgesteld. Aan de hand van verschillende thema’s zijn voorwaarden aan het Nieuwe Rivium gesteld. Dit is nader vertaald in de vorm van stedenbouwkundige principes. Het vormt een verdere uitwerking van de in het Gebiedspaspoort 2.0 opgenomen ambities. Samen met de inbreng van diverse betrokken partijen en de gemeente zijn in het gebied de ruimtelijk essentiële zaken per thema verder verfijnd. Dit zowel op het schaalniveau van het hele gebied als op blokniveau. Het BKP+ biedt ruimtelijke en welstandskaders voor de ontwikkeling van het gehele Rivium en per blok. Daarmee is het een essentieel document, want het vormt tezamen met het omgevingsplan het juridische toetsingskader voor de (individuele) bouwplannen die in de toekomst worden ingediend. Tevens geeft het BKP+ sturing aan de inrichting van de openbare ruimte. Daar waar onderdelen in beide plannen zijn opgenomen, zijn de regels in dit omgevingsplan in juridische zin leidend. In het onderstaande schema is het doorlopen proces geïllustreerd.

11

Figuur 2.4 Het doorlopen proces (bron: Rivium Beeldkwaliteitsplan+)

2.5.1 Opbouw BKP+ Het beeldkwaliteitsplan+ bestaat grofweg uit drie onderdelen. De eerste vier hoofdstukken bestaan uit een introductie van de opgave in het Rivium en positionering van het gebied. Daarin wordt onder andere de stedenbouwkundige opzet en de verdeling van de deelgebieden behandeld. Vanaf hoofdstuk vijf worden de gebiedsprincipes toegelicht van de acht sturingsprincipes voor de integrale gebiedsontwikkeling. Daarbij behandelt ieder hoofdstuk één van de sturingsprincipes. Deze sturingsprincipes zijn als volgt: • • • • • • • •

Mobiliteit Landschap, ecologie, recreatie en openbare ruimte Duurzaamheid en microklimaat Natuurinclusieve buitenruimte Volumeopbouw Plinten en voorzieningen Woonkwaliteit Beeldkwaliteit

12

2.5.2 Verhouding BKP+ tot deze omgevingsplanwijziging Het BKP+ vormt samen met het omgevingsplan het toetsingskader voor (toekomstige) bouwinitiatieven in het Rivium. Sommige onderdelen van het BKP+ zijn in de regels van dit omgevingsplan direct overgenomen. Voor andere onderdelen wordt gewerkt met een zogenaamde open norm. Dit betekent dat voor de toetsing van de regels het betreffende onderdeel van het BKP+ geraadpleegd moet worden. In het omgevingsplan is een aantal ruimtelijk relevante aspecten direct geregeld in de planregels. Dit betreft grofweg de volgende onderdelen uit het BKP+: • • • • • •

Massa; Bouwhoogte; Toegestane functies en activiteiten in plinten; Programma wonen en overige functies boven de plinten, nader beschreven in paragraaf 2.6; De verhouding tussen de bebouwing en de openbare ruimte; Ruimtelijk relevante aspecten van het natuurinclusief bouwen en klimaatadaptatie.

Voor overige relevante bepalingen kan in het omgevingsplan gewerkt worden met open normen (onder andere voor welstand, windhinder, bezonning en natuurinclusief bouwen). Een open norm brengt extra flexibiliteit, maar kan ook leiden tot rechtsonzekerheid. Om open normen consistent te kunnen toepassen, verwijzen we naar beleidsregels, in dezen het BKP+ als onderdeel van de welstandsnota en de parkeernormen van de gemeente Capelle aan den IJssel. Toetsing aan de open normen vindt plaats via de vergunningplichten en maatwerkbesluiten die zijn opgenomen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is op die plekken een dynamische verwijzing opgenomen naar aangewezen onderdelen van het BKP+ en wordt weergegeven op welke wijze moet worden getoetst aan het BKP+. Om het BKP+ als beleidsregels voor open normen te kunnen gebruiken, is het BKP+ als onderdeel van de omgevingsplanwijziging in procedure gebracht en ter inzage gelegd.

2.5.3 Stedenbouwkundige opzet Rivium Het Rivium is ingesloten door groen, water en infrastructurele barrières. Het gebied heeft een trapeziumvormige hoofdopzet met een centrale as (de Rivium Boulevard) en daarop aantakkend een aantal dwarsstraten. Langs het water van de Nieuwe Maas ligt een langwerpige zone tussen de dijken van de Rivium Promenade en de Schaardijk. De stedenbouwkundige hoofdopzet van het gebied zal veranderingen ondergaan. Door meer diversiteit in de inrichting van het openbaar gebied en accenten in de bebouwingsstructuur ontstaan drie onderscheidende plekken: Het Marktplein, het Riviumpark en Het nieuwe Waterfront. Een aantal verbijzonderingen in de ruimtelijke opzet helpen mee met het creëren van de verschillende karakterzones in de structuur. Dit zijn gebouwen die zorgen voor het markeren van een plek of voor het inkaderen van de (openbare) ruimte en heten 'specials'. In de onderstaande afbeelding is de gewenste stedenbouwkundige opzet weergegeven.

13

Figuur 2.5 De verschillende ensembles van Rivium met verschillende typologieën

Het Rivium is opgedeeld in vier deelgebieden. Deze deelgebieden bevatten clusters van bouwblokken. Ze hebben ruimtelijke samenhang door typologie, fasering, positie, oriëntatie en/of dichtheid. De volgende deelgebieden worden onderscheiden met elk hun eigen typologie: • • • •

Campus: bouwblokken met een alzijdige oriëntatie rondom een groen binnengebied; Marktpleinblokken: hybride gesloten bouwblokken met een verhoogd binnengebied; Riviumparkblokken: hybride halfopen bouwblokken met een verhoogd binnengebied; Waterfront: een basement met torens/accenten erop met een setback.

In de verschillende deelgebieden komen één of meerdere bouwblokken voor. Een bouwblok kan weer bestaan uit meerdere gebouwen binnen die locatie. Per bouwblok zijn zogenaamde blokprincipes uitgewerkt. Blokprincipes zijn principes en uitgangspunten die de blokken minstens moeten bevatten, zoals de positie van entree, parkeervoorzieningen en torens, aanvullend op gebiedsbrede principes.

2.5.4 Afwijkingen van Gebiedspaspoort 2.0 Bij de uitwerking van het BKP+ is op onderdelen afgeweken van het eerder opgestelde Gebiedspaspoort 2.0. Het betreft: •

De inkadering van het Marktplein is sterker vormgegeven door de markering met specials die t.o.v. de rooilijn ook iets naar voren schuiven;

14

• • • •

De straat tussen blok 2 en 4 is schuin gelegd zodat blok 2 beter aansluit bij de Marktpleinblokken en de landschappelijke context van het Kralingse Veer park; De expeditiestraat in blok 3 is toegevoegd; De opzet van het Waterfront is gewijzigd van één hele hoge en forse toren naar compositie van gebouwen met een schaal en maat meer passend bij de rest van Rivium; De opzet blok 1 en 2 zijn veranderd in typologie.

2.6 Uitwerking programma Het functionele programma dat met de transformatie van het Rivium wordt beoogd, is in het BKP+ indicatief toebedeeld aan de verschillende blokken. Op basis van gesprekken met de ontwikkelende partijen, onderzoeksresultaten en consultatie van andere overheids- en overlegorganen, is dit indicatieve programma vervolgens nader uitgewerkt. Dit maakt dat het programma voor fase 1 in dit omgevingsplan meer gedetailleerd is vastgelegd. Een deel van de functies is op blokniveau uitgewerkt en vastgelegd, zoals weergegeven in Tabel 2.1. Deze tabel geeft het programma per blok weer. De tabel is ook onderdeel van de regels, zodat bij de latere omgevingsvergunningen kan worden getoetst aan de vastgelegde aantallen en de maximum bruto vloeroppervlakten (bvo) per functie en de verdeling daarvan per blok. De nummering van de bouwblokken is beschreven in paragraaf 2.3. Tabel 2.1 Programma het Nieuwe Rivium

Voor het woonprogramma geldt dat er een gezamenlijk maximum van 5.000 woningen geldt voor de te ontwikkelen blokken samen, met daarbinnen per blok een eigen maximum. Per blok zijn ook de aantallen vastgelegd van het te realiseren aantal sociale huur- en middeldure huurwoningen. Voor studentenwoningen gelden nog specifieke aantallen per blok, resulterend in een maximum 500 studentenwoningen. Het aantal studentenwoningen van 500 moet, gezien de formulering van de regels, gezien worden binnen het absolute maximum aantal woningen van 5.000. Aanvullend aan deze tabel worden er in de regels ook onderdelen van het programma mogelijk gemaakt die niet op blokniveau zijn vastgelegd. Dit betreft de functies kantoor, bedrijf, publiekgerichte dienstverlening, sport, cultuur en ontspanning. Voor deze functies geldt een gezamenlijk maximum van 26.000 m2 bvo, dat over de verschillende blokken kan worden verdeeld. In de regels is vastgelegd dat deze functies uitsluitend in de eerste twee bouwlagen (per blok) zijn toegestaan. Dit geldt overigens ook voor de functies detailhandel (supermarkt en overige detailhandel) en horeca uit tabel 2.1. Op die manier is het metrage dat per blok kan worden gevuld met deze functies wel ingekaderd, zonder dit in expliciete metrages per blok vast te leggen.

Eveneens aanvullend aan tabel 2.1 worden in de regels ook maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt met een eigen maximum van 4.000 m2 bvo. Deze functie is evenmin in de tabel opgenomen, 15

omdat deze niet per blok is voorgeschreven, maar door de ontwikkelende partijen over alle blokken kan worden verdeeld. Een uitzondering hierop vormt de mogelijkheid voor een school, die expliciet is vastgelegd binnen blok 2 met een maximum van 2.600 m2 bvo, om te voorkomen dat deze uitwisselbaar wordt met andere maatschappelijke voorzieningen. Tot slot zijn er in dit omgevingsplan verschillende flexibiliteitsbepalingen opgenomen, om onder voorwaarden van deze aantallen en metrages af te wijken, onder meer om uitwisseling tussen de verschillende blokken mogelijk te maken. Hiervoor is in dat geval een omgevingsvergunning nodig.

2.7 Openbare ruimte De visie op de inrichting van de openbare ruimte is beschreven in het gebiedspaspoort 2.0 en het BKP+. De nadere uitwerking hiervan vindt plaats in het Programma van Eisen (PvE) en een inrichtingsplan. De buitenruimte is een belangrijk onderdeel van het (be)leven in het Rivium, een essentieel deel van de ‘stad op ooghoogte’ en de drager van de levendigheid van een wijk. In het verlengde van de bovenstaande visie gelden de volgende principes: •

•

• • •

•

•

• • •

•

•

De buitenruimte omvat: hoogwaardige publieke ruimtes, groen en robuust, programmeerbaar en flexibel. Een stedelijk weefsel van straten, plein- en parkruimtes, waar bewoners en bezoekers gemakkelijk doorheen bewegen met een groene uitstraling. De buitenruimte is klimaat- en weerbestendig, groen en herkenbaar. Inrichting en beheer zijn natuurinclusief en in evenwicht met waarden als beleving, veiligheid, volksgezondheid en alle weertypen. Uitgangspunt is om zoveel mogelijk bestaande bomen te behouden. Het groen en het water in de buitenruimte vormt de basis voor een natuurnetwerk met bestaande en nieuwe onderdelen, dat loopt tot in alle straten, blokken en de voordeur. In het verlengde van de visie op het ecologische netwerk, die een gelaagdheid heeft die rekening houdt met beschermde en doelsoorten, hun habitats en biotopen. Via een ecologisch inpassingsplan, dat in samenhang met de uitwerking van de openbare ruimte zal worden uitgevoerd, moet blijken welke doelsoorten in samenhang het beste bijdragen aan het ecologische netwerk. De brede groene oostrand van het Rivium wordt mede ingericht als gradiënt van biotopen en als natuurverbinding richting rivier, dijk en park, middels de ontwikkeling van meer bloemrijk gras, enige ruigte en waar mogelijk ecologische oevers. Groen in de aanliggende straten en blokken sluit hierop aan.

Het stedelijke gebied van Rivium vraagt een integraal waterplan i.c.m. waterhuishoudingsplannen voor de individuele bouwplannen. De ruimte voor waterberging wordt zodanig gerealiseerd dat de publieke buitenruimte zo veel mogelijk beschikbaar blijft voor gebruik en groen. De rivier wordt beter beleefbaar gemaakt aan de rivieroever en vanaf het Maasplein; Binnen Marktplein, Rivium Park en/of Maasplein worden mogelijk bijzondere waterelementen als attractieve punten toegevoegd. In lijn met de visie op recreatie worden nieuwe wandel- of sportrondes in en rond Rivium mogelijk gemaakt. In de uitwerking wordt gewerkt naar goede balans tussen recreatie en bescherming van ecologische waarden. Binnen het netwerk van paden, plein, park en straten worden sportrondes zichtbaar gemaakt via route-aanduidingen. Waar relevant wordt aangesloten op regionale of gemeentelijke sportroutes. Aan het netwerk van paden worden zitmogelijkheden, beweegaanleidingen en waar nodig passende verlichting toegevoegd. 16

•

• •

Marktplein, Riviumpark, Maasplein en de waterkant krijgen eigen kenmerkende materialen als het gaat om verlichting, straatmeubilair, boomroosters e.d. met referenties aan het stoere karakter van Rivium. Binnen de overige delen van de (Capelse) openbare buitenruimte van Rivium wordt aangesloten op de materialisering van de woonwijken in overig Capelle. Door de ambities binnen de gebiedsontwikkeling zal er een beheerinspanning nodig zijn die verder gaat dan het huidige gemeentelijk beheerniveau. De gemeente zal in afstemming met de toekomstige beheerorganisatie een passend beheerniveau en beheerbudget voor het Rivium en haar onderdelen vaststellen. Het beheer betreft de gehele publieke ruimte inclusief particuliere terreinen daarbinnen.

Behalve ingrepen op grondgebied binnen Capelle aan den IJssel, zullen er ook op Rotterdams grondgebied ingrepen in het openbaar gebied plaatsvinden in de omgeving van het Rivium. Hierover is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de gemeenten Capelle aan den IJssel en Rotterdam. Op Rotterdams grondgebied gaat het bijvoorbeeld om de volgende ingrepen: voorrangskruispunt Rivium Quadrant-Toepad aanpassen naar een rotonde, aanpassing kruispunt Toepad – Rivium Promenade, aanpassing kruispunt Rivium Promenade – Schaardijk en aanleggen voetpad Toepad en Rivium Quadrant.

17

18

3 Rijks- en provinciaal beleid en instructieregels 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk komen de omgevingsvisies van het Rijk en van de provincie Zuid-Holland aan de orde en wordt gemotiveerd hoe de voorgenomen transformatie van het Rivium aan die beleidslijn bijdraagt. De beschrijving van het Rijksbeleid en provinciaal beleid beperkt zich in eerste instantie tot de genoemde omgevingsvisies van deze twee bestuursorganen. De omgevingsvisie betreft namelijk het integrale, ruimtelijke beleidskader. Andere, meer thematische beleidskaders komen - voor zover nodig - aan de orde bij de toetsing aan de instructieregels van zowel het Rijk als de provincie. De instructieregels vragen om een korte introductie, aangezien deze instructieregels nieuw van kracht zijn geworden met de inwerkingtreding van de Omgevingswet sinds 1 januari 2024. Waar de omgevingsvisies primair een zelfbindend karakter hebben (dat wil zeggen voor het Rijk en voor de provincie), daar vormen de instructieregels juist een bindend instrument voor lagere overheden. Op Rijksniveau zijn de instructieregels voor het opstellen c.q. wijzigen van een omgevingsplan vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), meer specifiek in hoofdstuk 5 daarvan. Op provinciaal niveau zijn de instructieregels vastgelegd in de Zuid-Hollandse omgevingsverordening, meer specifiek in afdeling 7.3.

3.2 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vormt het nationaal, ruimtelijk kader voor toekomstige ontwikkelingen en afwegingen die op dat vlak te maken zijn. In de visie worden de voornaamste ruimtelijke opgaven benoemd en de beleidskeuzes die daar op nationaal niveau voor gemaakt zijn. De NOVI hanteert als horizon dat we over 30 jaar nog steeds prettig, veilig en gezond willen wonen, werken en recreëren in Nederland, rekening houdend met de vraagstukken en opgaven die daarmee gemoeid zijn. Daarvoor is het belangrijk nu al na te denken over de keuzes die nodig zijn. Aangezien de NOVI betrekking heeft op heel Nederland, kent deze een zeker abstractieniveau en zijn er over het algemeen geen concrete uitspraken voor een specifiek plangebied te doen, zoals in dit geval voor het Rivium. De hoofdzaken uit de NOVI volgen uit de daarin opgenomen opgaven en afwegingsprincipes die volgen uit de visie. Deze zijn weergegeven in de figuur hierna.

Figuur 3.1 Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

19

De prioriteiten die uit de visie volgen zijn: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Bij de keuzes die op deze terreinen te maken zijn, hanteert de visie de volgende afwegingsprincipes: • • •

Combineren boven enkelvoudig; Kenmerken en identiteit; Afwentelen voorkomen.

Toetsing De transformatie van het gebied Rivium draagt bij aan de beleidsdoelstellingen uit de NOVI. Via het Gebiedspaspoort 2.0 en BKP+ is gekomen tot een integrale visie op de transformatie van Rivium. De wijk transformeert van een monofunctioneel gebied naar een aantrekkelijk, gemengd woonwerkgebied. Het Gebiedspaspoort 2.0 en het BKP+ geven samen sturing aan de ontwikkelrichting van het Rivium en stellen kaders voor zowel de beoogde functiemix, de maximale bouwmassa’s als de ruimtelijke uitstraling van de bebouwde en de onbebouwde ruimte. Met name met het Gebiedspaspoort 2.0 heeft de gemeente Capelle aan den IJssel zowel in functionele als fysieke zin keuzes gemaakt over de positie die het getransformeerde Rivium in zal nemen binnen zowel de gemeente Capelle aan den IJssel en het grotere, stedelijk netwerk van Rotterdam. De transformatie van het Rivium raakt op deze manier aan de volgende opgaven uit de NOVI; -

-

-

Sterke en gezonde steden en regio’s: met het Gebiedspaspoort 2.0 is voor het Rivium verkend welke functies gesaneerd kunnen worden vanwege een afnemende behoefte. En hoe dit gebied op een aantrekkelijke manier kan worden ingericht met functies waar wel behoefte aan is, zodanig dat zij elkaar versterken. Dit draagt bij aan de opgave sterke steden en regio’s. Ook het aspect gezondheid komt terug in de planvorming, in de vorm van de mer-procedure, de sectorale onderzoeken, het bijstellen van ontwikkelkaders (op onderdelen) naar aanleiding daarvan en de inrichting van een groene, robuuste, biodiverse openbare ruimte. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie: De transformatie biedt mogelijkheden om bij de nieuwbouw en de inrichting van het openbaar gebied invulling te geven aan klimaatadaptatie en energietransitie. Deels zijn dit eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) waar bij nieuwbouw per definitie aan moet worden voldaan. Deels zijn het ambities en opgaven die de gemeente in het Gebiedspaspoort 2.0 heeft vastgelegd en waar zij bij de transformatie van het gebied op toeziet. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied: Het transformeren binnen bestaand stedelijk gebied voorkomt uitbreiding van het stedelijk gebied en daarmee verstedelijking van het landelijk gebied.

Dit laat ruimte voor de opgave ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’.

20

Ook sluit de transformatie van het Rivium aan bij de drie afwegingsprincipes: -

-

-

Combineren boven enkelvoudig: de transformatie draagt bij aan meerdere opgaven uit de NOVI, zoals hiervoor is omschreven. In functionele zin maakt het plan een afgewogen functiemix mogelijk; Kenmerken en identiteit: in het Gebiedspaspoort 2.0 en het BKP+ zijn onder meer de ruimtelijke hoofdstructuur, de (maximale) bouwmassa’s en de uitstraling van zowel bebouwing als openbare ruimte beschreven en van kaders voorzien. Daarbij is rekening gehouden met kenmerkende structuren en elementen in het gebied en de omgeving. Afwentelen voorkomen: door een bestaand stedelijk gebied te transformeren naar nieuwe functies waar een actuele en toekomstige behoefte aan is, wordt zorgvuldig met de beschikbare ruimte omgegaan. Hierdoor blijft er elders ruimte behouden voor andere opgaven. Ook worden eisen gesteld ten aanzien van duurzaamheid en circulariteit bij de transformatie van het Rivium. Dit komt nader aan de orde in paragraaf 5.15.

Conclusie Concluderend zorgen het Gebiedspaspoort 2.0, de vertaling daarvan in dit omgevingsplan en het BKP+ dat er sprake is van een zorgvuldige, samenhangende en kwalitatieve ontwikkeling die aansluit bij de opgaven en principes die volgen uit de NOVI. Als uitwerking van de NOVI zijn ruimtelijke kaders die van nationaal belang zijn, geborgd in de instructieregels van het Bkl. Dit zijn meer concrete regels waar bij het opstellen van omgevingsplannen aan getoetst moet worden. De toetsing van het plan Rivium aan deze instructieregels, is te vinden in paragraaf 3.4 van deze motivering.

3.3 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie vormt het provinciaal, ruimtelijk kader voor toekomstige ontwikkelingen en afwegingen die op dat vlak te maken zijn. In de visie worden de voornaamste ruimtelijke opgaven benoemd en de beleidskeuzes die daar op provinciaal niveau voor gemaakt zijn. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie heeft hiervoor 7 ambities geformuleerd te weten: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

21

Toetsing De transformatie van het Rivium draagt bij aan deze ambities, wat hieronder beknopt en puntsgewijs wordt toegelicht (corresponderend met de bovenstaande nummering): 1. Samen werken aan Zuid-Holland: de transformatie van het gebied is via participatie, samenwerking en overleg voorbereid. Met de ontwikkelende partijen in het gebied, zijn samenwerkingsovereenkomsten gesloten, gericht op het mogelijk maken van de beoogde transformatie. Andere belanghebbende organisaties zijn eveneens betrokken bij het planproces om – vanuit hun belang – op de hoogte te blijven van en te reageren op de voorgenomen transformatie. Daarnaast zijn geïnteresseerden en belanghebbenden bij de diverse fasen van de planvoorbereiding (Gebiedspaspoort, BKP+, Omgevingsplan) in staat gesteld om inbreng aan te dragen voor of te reageren op de verschillende planproducten. Hoofdstuk 7 van deze motivering gaat nader in op het doorlopen participatieproces. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor: de transformatie van het Rivium sluit voor een belangrijk deel aan op bestaande infrastructuur. Er is onderzocht of deze infrastructuur toereikend is voor de nieuwe (aantallen) gebruikers van het gebied, welke ingrepen er aan die infrastructuur nodig zijn en of de doorstroming en bereikbaarheid (ook voor de grotere omgeving) niet in het geding komt.

Dit komt nader aan de orde in paragraaf 5.2. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen: de transformatie van het gebied biedt een uitgelezen mogelijkheid om ingrepen te doen op het gebied van duurzaamheid. Dit komt nader aan de orde in paragraaf 5.15. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: met de transformatie van het Rivium, wordt het huidige aanbod aan kantoormeters flink teruggebracht en vernieuwd. Dit draagt bij in een passend kantorenaanbod op regionale schaal (zie paragraaf 3.5) en voor een aantrekkelijk gemengd woon-werkgebied in het Rivium zelf. Hierdoor draagt de transformatie zowel op lokale (gemeentelijke) schaal, als op regionale schaal bij aan een concurrerend klimaat. Hiermee wordt een verschuiving van werkmilieu ‘hoogwaardig’ naar ‘interactiemilieu stedelijk’ bewerkstelligd, overeenkomstig de regionale Strategie Werklocaties MRDH 2030. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: met de transformatie van bestaand stedelijk gebied, wordt voorkomen dat er elders uitbreiding van stedelijk gebied nodig is, ten koste van bijvoorbeeld buitengebied of natuurgebied. De transformatie biedt daarnaast mogelijkheden om in het openbaar gebied en bij de nieuwbouw in te spelen op het vergroten van de biodiversiteit.

Door fors te vergroenen met inheemse bomen en meerlaags groen wordt een gezonde leefomgeving gecreëerd en de leefbaarheid voor mens, plant en dier verhoogd. Tevens draagt dit bij aan het behouden en versterken van het ecologische netwerk. Tot slot wordt gewezen op de uitgevoerde ecologische onderzoeken, waaruit blijkt dat de transformatie mogelijk is binnen de regelgeving voor beschermde soorten en gebieden (zie paragraaf 5.5). 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: in lijn met punt 4, geldt ook voor dit punt dat de transformatie van een monofunctioneel werkgebied naar een gemengd woon-werkgebied, aansluit bij de regionale opgaven om het kantorenaanbod terug te brengen en te vernieuwen en woningbouw met bijbehorende voorzieningen te realiseren. Voor de transformatie is een integraal en samenhangend ruimtelijk kader opgesteld in de vorm van het BKP+. De transformatie van het Rivium zorgt op deze manier zowel in functionele als fysieke zin voor een versterking van de gemeente Capelle aan den IJssel en de verdere omgeving van het plangebied. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: voor de beoogde transformatie heeft een grote diversiteit aan onderzoeken plaatsgevonden, zoals beschreven in hoofdstuk 5 van deze motivering.

22

Conclusie We concluderen dat de transformatie van het Rivium aansluit bij de ambities van de provincie ZuidHolland zoals beschreven in de provinciale omgevingsvisie. Als uitwerking van de provinciale omgevingsvisie, zijn ruimtelijke kaders die van provinciaal belang zijn, geborgd in de instructieregels van de provinciale Omgevingsverordening. Dit zijn meer concrete regels waar bij het opstellen van omgevingsplannen aan getoetst moet worden. De toetsing van het plan Rivium aan deze instructieregels, is te vinden in paragraaf 3.5 van deze motivering.

3.4 Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In deze paragraaf komen de (relevante) bepalingen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan de orde en wordt de voorgenomen transformatie van het Rivium daaraan getoetst. De paragraaf is tot stand gekomen na een analyse van het Bkl waarin is bepaald welke bepalingen een inhoudelijke doorwerking hebben op het plan voor het Rivium. Deze paragraaf is om die reden geen integrale toets aan alle, afzonderlijke bepalingen uit het Bkl. Daarnaast constateren we dat een groot deel van de bepalingen uit het Bkl waar deze motivering op ingaat, gerelateerd zijn aan of geresulteerd hebben in milieuonderzoek. Deze bepalingen uit het Bkl worden in deze paragraaf kort aangehaald. Voor de verdere beschrijving van deze onderzoeken, wordt vervolgens doorverwezen naar de betreffende (milieu)paragrafen in hoofdstuk 5 van deze motivering.

3.4.1 Waarborgen van de veiligheid Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.2. instructieregels voor het waarborgen van de veiligheid. Bij het toelaten van een activiteit spelen vaak veiligheidsrisico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor de behandeling van dit onderwerp, daarnaar uitgevoerd onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor dit onderwerp tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar hoofdstuk 5, paragraaf 5.10 (Omgevingsveiligheid).

3.4.2 Beschermen van de waterbelangen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Voor de behandeling van dit onderwerp, daarnaar uitgevoerd onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor dit onderwerp tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar hoofdstuk 5, paragraaf 5.13 (Water en klimaatadaptatie).

3.4.3 Beschermen van de gezondheid en van het milieu Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4 instructieregels voor het beschermen van de gezondheid en van het milieu. Gezondheid en milieu zijn beide begrippen waaronder veel thema’s samenkomen. Het gaat hierbij om thema’s die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals buitenlucht, geluid, bodem en geur. Voor de behandeling van deze onderwerpen, daarnaar uitgevoerd onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor deze onderwerpen tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar hoofdstuk 5, paragrafen: - 5.4 (Bodem) - 5.6 (Geluid) - 5.7 (Geur) - 5.9 (Luchtkwaliteit) - 5.14 (Trillingen) 23

-

5.16 (Gezondheid)

3.4.4 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Dit is deels gerelateerd aan kenmerkende gebieden zoals de Noordzee, de kust en de Waddenzee, waar specifieke bepalingen gelden ten aanzien van landschappelijke bescherming. In dit hoofdstuk komt eveneens de bescherming van cultureel erfgoed en werelderfgoed aan de orde, net als het algemene uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik dat is geborgd met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de behandeling van cultureel erfgoed, waaronder ook archeologisch erfgoed, en de vraag hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor deze onderwerpen tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar paragraaf 5.3. De toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in bijlage 1.

3.4.5 Behoud van ruimte voor toekomstige functies Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.6 instructieregels voor het behouden van ruimte voor toekomstige functies. Dit heeft hoofdzakelijk betrekking op de (mogelijke) uitbreiding van infrastructuur van nationaal belang, zoals auto(snel)wegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen, de Rotterdamse haven en Schiphol. Geconcludeerd wordt dat dit omgevingsplan geen betrekking heeft op of op andere wijze een relatie heeft met zones die in dit verband door het Rijk zijn aangewezen.

3.4.6 Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.7 instructieregels voor het behoeden van de staat en werking van infrastructuur die van nationaal belang is. Structuren die onder andere in deze paragraaf aan de orde komen zijn militaire terreinen en objecten, de elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en installaties ten behoeve van de luchtvaart. Uit deze paragraaf is enkel subparagraaf 5.1.7.4 relevant, die betrekking heeft op rijksvaarwegen. Hierover bepaalt het Bkl dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op een Rijksvaarweg en/of de bijbehorende belemmeringenstrook, rekening houdt met het voorkomen van belemmeringen voor de scheepvaart. Dit omgevingsplan heeft geen betrekking op de Nieuwe Maas als Rijksvaarweg, maar wel op de bijbehorende belemmeringenstrook van 50 m breed die daar langs ligt. Deze strook valt deels over de rij met kantoorpanden langs de Nieuwe Maas, waar ook het Zalmhuis deel vanuit maakt. Binnen de strook van 50 m worden geen nieuwe, ruimtelijke mogelijkheden geboden ten opzichte van de bestaande, planologische mogelijkheden. Belemmeringen voor de scheepvaart kunnen daarmee worden uitgesloten. Het plan sluit op deze manier aan bij dit punt uit het Bkl.

Voor de andere onderwerpen die in paragraaf 5.1.7 aan de orde komen, geldt dat dit onderwerpen betreft waar dit omgevingsplan geen betrekking op heeft.

3.4.7 Gebruik van bouwwerken Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.7a instructieregels voor het vastleggen van woningsegmentering en de instandhoudingstermijn daarvan.

24

Deze paragraaf uit het Bkl biedt de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels op te nemen over te realiseren categorieën van woningen. Deze mogelijkheid is uitsluitend aan de orde, wanneer het plan bouwactiviteiten toelaat waarvoor (op grond van art 13.11 Ow) kosten moeten worden verhaald. Van dit laatste is sprake bij Rivium, waarover meer in hoofdstuk 6. Om te borgen dat de ontwikkelende partijen bij de te realiseren nieuwbouw voldoen aan overeengekomen aantallen aan sociale en middeldure huurwoningen, zijn hierover bepalingen opgenomen in de regels (zie ook programmatabel in paragraaf 2.6). Het Bkl schrijft ook voor dat bij het opnemen van een dergelijke regeling ook bepaald moet zijn dat deze woningen voor een minimale periode als zodanig in stand gehouden moeten worden. Behalve de verdeling van de woningbouwcategorieën, is in de regels van dit plan daarom ook de instandhoudingstermijn van deze categorieën vastgelegd. Op de beschreven wijze heeft de gemeente gebruik gemaakt van deze mogelijkheid uit het Bkl.

3.4.8 Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.8 instructieregels voor het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. De instructieregel is van toepassing op een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte. Daar is in het geval van Rivium sprake van. In dat geval schrijft paragraaf 5.1.8 van het Bkl voor dat er rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Gezien de aard en omvang van de transformatie van het Rivium, zal er voor het openbaar gebied een samenhangend ontwerp voor de inrichting van de openbare ruimte komen. Het onderwerp toegankelijkheid wordt door de gemeente meegenomen bij het ontwerpen en de aanleg van het openbaar gebied. De openbare ruimte wordt inclusief ontworpen, zodat het toegankelijk is voor personen met een functiebeperking. Voor de semi-openbare binnenhoven bovenop de parkeerdekken binnen de bouwblokken zal de toegang voor mindervaliden via liften in de gebouwen verlopen. Daarmee geeft de gemeente zelf sturing en invulling aan deze instructieregel.

Om die reden is er voor gekozen om geen verplichtingen of bepalingen op te nemen in de regels van het omgevingsplan, wat ook is ingegeven door de aard van de instructieregel die luidt dat met dit onderwerp rekening moet worden gehouden en niet dat dit per definitie in het omgevingsplan geborgd moet worden. Op de beschreven wijze geeft de gemeente invulling aan de betreffende instructieregel.

3.5 Instructieregels Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) In deze paragraaf komen de (relevante) bepalingen uit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening (ZHOV) aan de orde en wordt de voorgenomen transformatie van het Rivium daaraan getoetst. De paragraaf is tot stand gekomen na een analyse van de ZHOV waarin is bepaald welke bepalingen een inhoudelijke doorwerking hebben op het plan voor het Rivium. Deze paragraaf is om die reden geen integrale toets aan alle, afzonderlijke bepalingen uit de ZHOV. Daarnaast constateren we dat een deel van de bepalingen uit de ZHOV waar deze motivering op ingaat, gerelateerd zijn aan of geresulteerd hebben in milieuonderzoek. Deze bepalingen uit het Bkl worden in deze paragraaf kort aangehaald. Voor de verdere beschrijving van deze onderzoeken, wordt vervolgens doorverwezen naar de betreffende (milieu)paragrafen in hoofdstuk 5 van deze motivering 25

3.5.1 Omgevingsveiligheid In paragraaf 7.3.2 van de ZHOV zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot omgevingsveiligheid. Voor de behandeling van dit onderwerp, daarnaar uitgevoerd onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor dit onderwerp tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar hoofdstuk 5, paragraaf 5.10 (Omgevingsveiligheid).

3.5.2 Waterkeringen In paragraaf 7.3.4 van de ZHOV zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot waterkeringen. Voor de behandeling van dit onderwerp, daarnaar uitgevoerd onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor dit onderwerp tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar hoofdstuk 5, paragraaf 5.13 (Water en klimaatadaptatie).

3.5.3 Grondwaterkwaliteit In paragraaf 7.3.5 van de ZHOV zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot grondwaterkwaliteit. Voor de behandeling van dit onderwerp, daarnaar uitgevoerd onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor dit onderwerp tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar paragraaf 5.4 (Bodem).

3.5.4 Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen In paragraaf 7.3.6a van de ZHOV zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot toekomstbestendig bouwen, meer specifiek met aandacht voor wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, droogte en risico op bodemdaling. Voor de behandeling van deze onderwerpen, daarnaar uitgevoerd onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor deze onderwerpen tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar de paragrafen 5.4 (Bodem) en 5.13 (Water en klimaatadaptatie).

3.5.5 Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 7.3.7 van de ZHOV zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit. Het voornaamste uitgangspunt is de bepaling dat een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk blijft. De verdere regeling uit de ZHOV om dat te borgen, is gebaseerd op beschermingscategorieën (1 t/m 3) en op gradaties van ruimtelijke ontwikkelingen (inpassen, aanpassen, transformeren). De beschermingscategorieën zijn van toepassing op gebieden die meer bescherming genieten en waarvoor om die reden aanvullende bepalingen gelden. Dat zijn bijvoorbeeld de buitengebieden, natuurgebieden, weidevogelgebieden en kasteel- en landgoedbiotopen. Van een dergelijke beschermingscategorie is in dit geval geen sprake. Aanvullende regels behorend bij deze beschermingscategorieën, zijn voor het Rivium daarom niet aan de orde. De gradaties inpassen, aanpassen en transformeren hebben betrekking op de vraag in hoeverre de beoogde ontwikkeling aansluit bij de bestaande gebiedsidentiteit. Deze drie gradaties worden als volgt gedefinieerd in de ZHOV: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b.

aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

26

Gezien de transformatie van een monofunctioneel werkgebied naar een gemengd woon-werkgebied en gezien de mate waarin de bebouwingsdichtheid en omvang wijzigt, wordt de beoogde ontwikkeling aangemerkt als transformeren. Aangezien dit de zwaarste gradatie is die in de ZHOV onderscheiden wordt, voorzien de instructieregels hiervoor in een zwaardere motiveringsplicht dan bij de twee lichtere vormen. Wanneer sprake is van transformeren moet op basis van de ZHOV de kwaliteit gewaarborgd zijn door één integraal ontwerp, waarin behalve de ruimtelijke kwaliteit van het gebied ook aandacht wordt besteed aan de fysieke en visuele overgangen naar de omgeving, de fasering in ruimte en tijd en waarin rekening wordt gehouden met de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit. Tevens dient de locatiekeuze gemotiveerd te worden. In die motivatie komen de kenmerken en waarden van de locatie aan de orde en de effecten van de ontwikkeling daarop. Op deze plek beginnen we met de locatiekeuze, waarna vervolgens de borging van de ruimtelijke kwaliteit aan de orde zal komen. De locatiekeuze kan in dit geval op twee manieren worden gemotiveerd, namelijk vanuit de functie die komt te vervallen en vanuit de functie die gerealiseerd wordt.

De ene kant van het verhaal is de constatering dat het gebied Rivium bestaat uit een functioneel concept dat grotendeels achterhaald is, namelijk een monofunctioneel werkgebied uit de jaren ‘90. In regionaal verband zijn afspraken gemaakt over het af laten nemen en het vernieuwen van de hoeveelheid kantooroppervlak. Het Rivium biedt in dat licht de mogelijkheid om het gebied te benutten voor woningbouw, waar grote behoefte aan is. Door het gebied een nieuwe identiteit te geven als gemengd woon-werkgebied, wordt aan beide opgaven invulling gegeven. Het feit dat het gebied duidelijk ligt ingesloten tussen infrastructuur (N210 en A16), de Nieuwe Maas en een groenbuffer, maakt dat het gebied als zelfstandig stadsdeel fungeert in haar omgeving. Het Rivium gebied is landschappelijk en ecologisch gezien op sommige plekken goed, soms redelijk en soms slecht verbonden met haar omgeving. Er zijn duidelijke zichtassen, groene (en ecologisch waardevolle) verbindingen, zoals o.a. de noordzijde van het Rivium langs de Abram van Rijckevorselweg, de bomenlijn langs de Rivium Oostlaan, de platanenlijn langs de Rivium Boulevard, de bomen en groenstroken langs de Rivium Westlaan en het Toepad. De landschappelijke zichtassen via de Rivium Westlaan, Rivium Oostlaan en Rivium Boulevard verbinden Rivium met de Nieuwe Maas aan de zuidzijde en met Fascinatio aan de noordzijde.

De Rivium 1e straat verankert het Rivium aan Kralingseveer park (oostzijde) en Toepad (westzijde). Het gebied heeft een trapeziumvormige hoofdopzet met een centrale as (de Rivium Boulevard) en de orthogonale dwarsstraten. Deze hoofdopzet is af te lezen uit het aanzicht in Figuur 3.2.

27

Figuur 3.2 Rivium in vogelvlucht, gezien vanaf de noord-oostzijde

In de vorm van het Gebiedspaspoort 2.0 en het BKP+ is invulling gegeven aan een zorgvuldig en integraal kader voor de transformatie van het gebied. Voor een nadere toelichting op de stedenbouwkundige hoofdopzet, de verschillende deelgebieden, de onderlinge samenhang daartussen en de vormgeving van de randen van het gebied, wordt verwezen naar paragraaf 3.2 van het BKP+. Een schematische weergave van de stedenbouwkundige hoofdopzet is weergegeven in figuur 3.3, waaruit belangrijke gelijkenissen met de huidige hoofdstructuur blijken.

28

Figuur 3.3 Stedenbouwkundige hoofdopzet Rivium

In deze opzet is er ruimte voor grote bouwhoogtes en een hoge bebouwingsdichtheid. Door de ingesloten ligging van het gebied, de relatief jonge leeftijd (ontwikkeld jaren ’90) en de monofunctionele opzet van de huidige wijk kan de beoogde nieuwbouw plaatsvinden zonder dat ruimtelijke kwaliteit verloren gaat. De nieuwe functiemix in het gebied en de samenhang in ontwikkelkaders die het BKP+ daarvoor geeft, zullen het gebied juist een kwaliteitsimpuls geven. Met deze beschrijving, die een beknopte weergave geeft van de visievorming en kaders uit het Gebiedspaspoort 2.0 en BKP+, sluit de beoogde transformatie van het Rivium aan bij de kaders die de provincie Zuid-Holland hanteert op het gebied van ruimtelijke kwaliteit.

3.5.6 Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 7.3.8 van de ZHOV komen uiteenlopende onderwerpen voor, die gebundeld zijn omdat ze allemaal een relatie hebben met nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Deze onderwerpen komen hierna met subkopjes aan de orde. Regionale afspraken en ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 7.44 en 7.45 staan regels die respectievelijk bepalen dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen aan moeten sluiten bij behoefteramingen van Gedeputeerde Staten en dat de ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing is op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17080074/2