CConstaterende datCapelle aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

07A.01 - Vastgesteld raadsvoorstel en -besluit Verordening maatschappelijke ondersteuning 2023

Gemeenteraad 19 december 2022, gemeente Capelle aan den IJsselBij agendapunt: Verordening maatschappelijke ondersteuning 202321.424 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Indien een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 5, is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.

18

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft Artikel 8. Aanvraag

Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid. participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of zijn vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In het tweede lid is vastgelegd dat een aanvraag kan worden ingediend door een ondertekend verslag zoals bedoeld in artikel 7 of door een aanvraagformulier. Op grond van artikel 41 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk dan wel elektronisch ingediend bij het college. Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of ondertekend verslag hoeft niet in behandeling genomen te worden. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid).

In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Artikel9.

Advisering

In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is de degene die of namens wie een melding is gedaan of die of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering Artikel 3.5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden.

Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende. zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. In het tweede lid is vastgelegd dat voor zover het onderzoek naar de nodige hulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken (CRvB 21-03-2018 ECLINL,CRVB2018.819). De verschillende stadia van het onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.

19

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel HOOFDSTUK3

Maatwerkvoorziening

Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat uiteengezet. In de memorie van toelichting (Kamerstukken Il 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 1) staat: "Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met chronische psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien gemeenten in de behoefte aan beschermd wonen en opvang." De criteria voor de maatwerkvoorzieningen voor beschermd wonen en opvang zijn in dit artikel niet opgenomen, De gemeente volgt hiervoor de regels van de centrumgemeente Rotterdam. Dit is verder uitgewerkt in artikel 21. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij elkaar, de mogelijkheden van mensen of hun sociale omgeving om zelf te voorzien in hulp en ondersteuning of daar waar mogelijk met behulp van vrijwilligers of andere voorliggende voorzieningen.

De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning 1 n artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel en artikel 11 is deze verplichting uitgewerkt.

Het eerste lid bepaalt dat het college alle mogelijkheden van cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, met (wettelijk) voorliggende voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met algemene voorzieningen die voor cliënt beschikbaar en in de praktijk ook daadwerkelijk bruikbaar zijn eerst beoordeelt, om te kunnen vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie in aanmerking komt. Dit kan nodig zijn omdat men niet weet welke voorzieningen al voorhanden zijn. Als deze voorzieningen niet leiden tot het gewenste resultaat zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen maatwerkvoorzieningen ter beoordeling in perspectief. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. In lid 3 is opgenomen dat binnen de maatwerkvoorzieningen de 'collectief aangeboden maatwerkvoorzieningen' nog kunnen worden onderscheiden die ondanks wat de naam doet vermoeden (weliswaar collectief aangeboden) maatwerkvoorzieningen zijn. Een voorbeeld hiervan is het collectief aanvullend vervoer. 20

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel In lid 4 is opgenomen met als doel specifieke criteria vast te stellen om de inzet van financiële tegemoetkomingen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is Dit in aanvulling op hetgeen al bepaald is, ter uitvoering van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet. Daarin is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie. beschermd wonen, of opvang in aanmerking komt Dat kan ook met een financiële tegemoetkoming (CRvB 12-02-2018 ECLI NL CRVB2018 395 en 396) In lid 5 is vastgesteld dat in het Besluit de hoogte van de financiële tegemoetkomingen wordt bepaald.

Artikel 11.

Voorwaarden en weigeringsgronden

In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. Artikel 11, eerste lid: Ad a. Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader. zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Indien een persoon zijn belemmeringen kan compenseren op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van een ander persoon uit zijn sociale netwerk dan is dit een voorbeeld van eigen kracht en is dus de verstrekking van een maatwerkvoorziening niet aan de orde.

Onder eigen kracht valt ook het anders organiseren van zijn leven en/of huishouden onder, waarbij gedacht kan worden aan herindeling van de ruimte en herschikking van inrichtingselementen (CrvB25-05-2005 nr 03/2188 LJN AT6661 en CrvB 19-04-2006 nr 04/1650 LJN AW2344) Ook het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt gezien als een vorm van eigen kracht. De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning. een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr.

09/1082 WMO) Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-052013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo. Ad b. Dit betreft de herhaling van artikel 2.3.5 lid 6 van de Wet

21

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel Ad c. Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is algemeen gebruikelijk als deze (CRVB 20-11-2019, ECLINL CRVB 2019 3535) niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is: een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder een 'inkomen op minimumniveau'.

Zolang hier niet meer jurisprudentie over is verschenen, gaan we er vanuit dat het gaat om een inkomen op bijstandsniveau. Het is hierbij niet van belang of de betreffende cliënt een inkomen op minimumniveau heeft Het draait om de vraag of de voorziening in algemene zin financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Ad d. Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Ad e. Hier wordt bepaald dat de maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Het betekent dat er altijd één individuele aanvrager moet zijn die de voorziening aanvraagt, die voor hem of haar ook noodzakelijk moet zijn in de zin van de Wmo.

De voorziening moet specifiek op de persoon van de aanvrager gericht zijn (Rechtbank Maastricht 0704-2000, nr 99/379 WVG Z BUC) Artikel 2.3.5, vijfde lid onder a, van de wet bepaalt dat de maatwerkvoorziening zover daartoe aanleiding bestaat is afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt Er is per definitie pas sprake van een maatwerkvoorziening indien deze zorgvuldig is afgestemd op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon. Ad f Als een maatwerkvoorziening onveilig is voor de cliënt zelf of voor derden, of het de gezondheid of het functioneren van de cliënt niet ten goede komt wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als iemand beschikt over te weinig verkeersinzicht om zich veilig in het verkeer te begeven, of als iemand een maatwerkvoorziening wil op het gebied van mobiliteit terwijl hij op medische gronden zoveel als mogelijk moet bewegen. Ad g. Verwacht mag worden dat een cliënt bij keuzes die gemaakt worden rekening houdt met zijn beperkingen. Er zullen geen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt bij situaties die het gevolg zijn van keuzes die gemaakt zijn maar niet passen bij de individuele omstandigheden waarin de cliënt zich bevindt Een voorbeeld is een verhuizing naar een niet geschikte woning indien de beperkingen al aanwezig zijn.

22

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel Ad h en i Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als van tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisatie van de gevraagde voorziening. Ad] Voor voorzieningen met een therapeutisch doel of karakter kan aanspraak worden gemaakt op de Zorgverzekeringswet (Zvw) Ad k. Hier wordt aangegeven dat de maatwerkvoorziening geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus indien de cliënt schuld treft Dus niet als de cliënt geen schuld treft.

Hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt ook een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een dure voorziening, zoals een aanbouw, is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Artikel 11, tweede lid: Ad b Onder b wordt bepaald dat een maatwerkvoorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Dit geldt niet voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding en persoonlijke verzorging. Het begrip langdurig noodzakelijk bestaat uit twee onderdelen die los van elkaar bezien kunnen worden. De maatwerkvoorziening moet: noodzakelijk zijn om de beperkingen te compenseren; langdurig noodzakelijk zijn. Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden. bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is.

Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose van ziektebeeld en daaruit voortvloeiende beperkingen dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten.

Naast het vereiste dat de maatwerkvoorziening langdurig nodig moet zijn, moet uit het de uitkomsten van het onderzoek blijken dat de voorziening ook noodzakelijk is om de beperkingen te compenseren. 23

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel De beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om de beperkingen te compenseren, is niet altijd beperkt tot het moment van de aanvraag Wel moet duidelijk zijn binnen welke termijn de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd zullen optreden (CRvB 13-06-2012, nr. 10/3307 WMO) Ad c Dit lid is gebaseerd op jurisprudentie die tot op heden onder de Wvg en Wmo naar voren is gekomen waaruit blijkt dat voor bovenregionaal verplaatsen per vervoermiddel geen resultaatsverplichting bestaat. (CRvB 30-11-2011, nr. 1014121 WMO en CRvB 29-02-2012, nr. 101906 WMO) De CRvB oordeelt in CRvB 30-11-2011, nr 1014121 WMO dat het college niet is gehouden om vervoersvoorzieningen te treffen die een cliënt in staat stellen zich bovenregionaal te verplaatsen. Het begrip verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving moet uitgelegd worden als verplaatsingen in een straal van 15-20 kilometer rondom de woning. Waar het om gaat is dat een cliënt alledaagse verplaatsingen kan maken, zoals het doen van boodschappen, bezoek aan familieleden en bekenden in de eigen omgeving, deelnemen aan sociale activiteiten etc (CRvB LJN: AA9001 12-06-1998).

Het is vaste Jurisprudentie van de CRvB dat bovenregionaal vervoer in beginsel niet valt onder de minimaal door de gemeente in acht te nemen zorg voor een maatwerkvoorziening voor wat het lokaal verplaatsen per vervoermiddel, het betreft immers het lokaal verplaatsen per vervoermiddel waar de gemeente compensatie voor dient te bieden. Er kan uitzondering hierop zijn wanneer er sprake is van een dusdanig essentieel enkel door bezoek ter plekke te onderhouden- contact dat bij gebreke daarvan sociaal isolement optreedt (CrvB LJN BN0775 08/5422 Wmo, CrvB LJN BO 1738 09/3844 Wmo) Als cliënten op vakantie zijn (langdurig of slechts een aantal dagen/weken) dan hoeft gedurende die vakantie geen huishoudelijke ondersteuning ingezet te worden. Maatschappelijke ondersteuning dient op grond van de Wmo 2015 namelijk zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving plaats te vinden. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever met de woorden 'zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving' bedoelt dat het doel van de Wmo 2015 is dat mensen zo lang als mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Om dit doel te verwezenlijken, kan het college op grond van de Wmo 2015 maatwerkvoorzieningen verstrekken. Huishoudelijke ondersteuning op de camping draagt niet direct bij aan het doel dat mensen in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.

Artikel 11, derde lid In dit lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek toezien op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zou worden aangeduid met de term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 00k gebruikt kan worden. Ad a. verwijst naar het minimale uitrustingsniveau voor een woning in Nederland, zowel in de sociale woningbouw als vrije sector. Deze normering is vastgelegd in het bouwbesluit 2012 Woningcorporaties en beleggers maken aanvullend hun programma van eisen voor nieuwe woningen (of renovaties); aangezien dit per woningcorporatie kan verschillen wordt verwezen naar het landelijk geldend bouwbesluit 2012. Ad b Onder b wordt met de aard van de materialen bijvoorbeeld bedoeld het aanpassen van de woning in verband met allergene factoren en vocht- en tochtproblemen. Bij allergene factoren kan veelal een oplossing gezocht worden in algemeen gebruikelijke voorzieningen, bijvoorbeeld laminaat. Bij vochten tochtproblemen is de eigenaar van de woning de eerst aangewezene om oplossingen aan te dragen. Ad c Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Capelle aan den IJssel en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie.

24

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel In het geval van co-ouderschap ligt het vaststellen van de woonplaats ingewikkelder. De jurisprudentie hierover is verdeeld. De rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat bij co-ouderschap een kind in twee woningen zijn hoofdverblijf kan hebben (Rechtbank Noord-Holland 25-11-2013, ECLI: NL: RBNHO:2013: 11535). De rechtbank Gelderland concludeert echter dat ook bij co-ouderschap sprake is van één hoofdverblijfplaats (Rechtbank Gelderland 16-6-2016, ECLINE:RBGEL:2016.3589) Op grond van artikel 1:12 BW volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over het kind uitoefent. Dit heet ook wel 'afgeleide woonplaats'. Bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders. De CRvB heeft echter geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben (CRvB 22-9-2010, ECLl:NL:CRVB:2010:BO0285). Het juridische hoofdverblijf wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld. Nu de CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben, geeft de inschrijving van het kind in het BRP de doorslag.

Voor wat betreft woningaanpassingen heeft dit tot gevolg dat slechts één woning hoeft te worden aangepast. Het is de vraag of dit niet in strijd is met artikel 1 247 lid 4 BW en artikel 3IVRK In artikel 1 :247 lid 4 BW is gewaarborgd dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. En uit artikel 3 IVRK volgt dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. Het is in het belang van het kind om bij coouderschap zowel in een (aangepaste) woning van de moeder als in een (aangepaste) woning van de vader te kunnen wonen. Daarom kan zowel bij moeder als bij vader een woningaanpassing worden aangebracht. Ad d. Het bezoekbaar maken van een woning voor een Wlz-cliënt die in een instelling woont valt in beginsel niet onder de compensatieplicht van het college. In artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is namelijk bepaald dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren als een cliënt een Wlz-indicatie heeft. In lid c is bepaald dat ondanks deze wettelijke bepaling dat ook voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen wel een woning bezoekbaar gemaakt kan worden. Ondanks dat het college voor Wlz-cliënten meestal geen compensatieplicht heeft, is het college immers wel bevoegd om een voorziening toe te kennen.

Dit betekent dat het college na een verzoek van een Wlz-cliënt altijd onderzoek naar de eventuele noodzaak om van die bevoegdheid gebruik te maken (zie hierover CRVB 19-12-2018, ECLINL:CRVB:2018:3933). Als uit dit (verplicht) onderzoek volgt dat het in het kader van de participatie van de Wlz-clrënt noodzakelijk is dat hij de woning van bijvoorbeeld ouders kan bezoeken, dan wordt deze ondersteuningsbehoefte niet gedekt vanuit de WIz. Het college moet dan afwegen of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om hierin te voorzien door toekenning van een maatwerkvoorziening. De gemeente waarin de WIz-instelling zich bevindt, is verantwoordelijk voor het bezoekbaarllogeerbaar maken van een woning. De CRvB oordeelt dat het college uitsluitend personen moet compenseren die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Bovendien kan een persoon niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. De vraag waar iemand woonplaats heeft, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Doorgaans zal een bewoner van een Wlz-instelling woonplaats hebben in de gemeente waar de Wlz-instelling staat.

Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (zie CRvB 22-09-2010, ECLINL.CRVB.2010.BO0285 voor een voorbeeld uit de Wmo 2007) De verordeningsbepaling dat een woonvoorziening kan worden getroffen voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling, biedt volgens de CRvB geen ruimte om het wonen in een gewone woning op één lijn te stellen met verblijf in een WIz-instelling (CRvB 22-09-2010, ECLl:NL CRVB:2010 BO0285). De CRvB vindt in de Wmo geen aanknopingspunten om daar anders over te denken dan onder de WVG en verwijst daarvoor naar CRvB 18-04-2007, ECLI NL CRVB 2007 BA5310

25

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel Ad e. Onder e worden bepaalde woonruimten uitgesloten. wat betekent dat voor deze woonruimten geen woonvoorzieningen worden verstrekt, met uitzondering van verhuis- en (her)inrichtingskosten Individuele woningaanpassingen in ADL-clusters worden sinds 1 januari 2009 wel verstrekt op grond van de Wmo behalve collectieve voorzieningen in het ADL-cluster zoals het alarmintercomsysteem. Ad f Onder f bepaalt dat de aanvraag die betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kan worden geweigerd, tenzij het gaat om: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot het wooncomplex; drempelhulpen en vlonders; het aanbrengen van een extra trapleuning; een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw, mits passend bij het Bouwbesluit. Naar het oordeel van de CRvB is een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de in de Wmo neergelegde compensatieplicht (CRvB 02-11-2011, nr. 10/6238 WMO-T).

Als het college een aanvraag op grond van deze bepaling afwijst, moet het college nog wel compenseren, het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten verstrekken (CRvB 10-03-2004, nr 02/4460 wvG)

Ad g. Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI NL CRVB 2012.8W6810) Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Ad h.

Onder h bepaalt dat van personen met beperkingen verlangd mag worden dat zij inspanningen verrichten op het verkrijgen van een woning die zoveel als mogelijk is aangepast aan zijn beperkingen (CRvB 20-02-2002 LJN AE 3414 nr.00/5063), tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Van cliënt wordt verwacht dat hij zich in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente zodat de gemeente de mogelijkheid krijgt om na te gaan of er voor cliënt (goedkopere) eveneens adequate oplossingen voorhanden zijn en te bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is (CRvB 25-01-2006 LJN AV: 1177 nr. 03/5232). Er kan sprake zijn dat ten tijde van binnenkomst van de melding of aanvraag alternatieve adequate woningen beschikbaar waren (CRvB 16-02-2005, LJN: AS7560, nr. 03/455 en CRvB 28-04-2008, LJN AO8762, nr. 02/3254) Ad i. Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Hierbij wordt noemenswaardig gedefinieerd als dat het financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau, zoals in de definitie van algemeen gebruikelijk.

26

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel Ad j Onder j bepaalt dat er sprake moet zijn van objectieve aanknopingspunten voor een causaal verband tussen de beperkingen van de cliënt en de belemmeringen die hij ondervindt bij bewoning van de woning Het ligt hierbij op de weg van cliënt dit verband door middel van objectieve feiten en omstandigheden aannemelijk te maken (CRvB 10-10-2012, nr. 11-5873 LJN BY0324) Onder de Wmo kan er ook een resultaatsverplichting zijn, wanneer er sprake is van een causaal verband tussen de beperkingen en omgevingsfactoren. Ook hier dient dit causale verband echter wel aannemelijk gemaakt te worden. (CRvB 12-02-2014, nr. 12/3394 \WMO). Ad k Onder g bepaalt dat geen woonvoorziening kan worden getroffen in zogenoemde doelgroepenwoningen. Hierbij kan gedacht worden aan specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen. Dit geldt dan voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij (nieuw) bouw, verbouw of renovatie. De CRvB stelt vast dat de verordeningsbepaling waarin woonvoorzieningen uitgesloten worden in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen, een verbijzondering is van de bepaling dat geen voorziening wordt toegekend als de voorziening algemeen gebruikelijk is. Het is aan het college om aan te tonen dat de voorziening algemeen gebruikelijk is.

Een voorziening in een specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoeld woongebouw is in principe algemeen gebruikelijk als op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners onmiskenbaar niet voldoet aan de geldende vereisten voor een dergelijke woning: op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarbare regels of contractuele bepalingen Artikel 12. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Uit de uitspraak van de CRvB (CRvB 8-10-2018 ECLl:NL:CRVB:2018:3241) volgt dat de beschikking voldoende geconcretiseerd moet zijn. Hiervoor is het nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in 'natura' krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. In de beschikking voor een maatwerkvoorziening in pgb is aanvullende informatie vastgelegd, zoals gesteld in het tweede lid. Eerste lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld 'mobiliteit' en niet 'een scootmobiel'. Zie ook de toelichting op artikel 6, eerste lid, onder b.

Indien noodzakelijk worden ook de frequentie en taken opgenomen in de beschikking. Eerste lid, onder c,: onder 'duur' valt de termijn waarvoor is vastgesteld dat de maatwerkvoorziening noodzakelijk is voor de cliënt ter compensatie van de belemmeringen die cliënt ondervindt Het derde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt Als een eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening geldt, neemt het college de maximale bijdrage in de kosten in de beschikking op. Zie artikel 16 van de verordening en artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geind door het CAK. De mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen de eigen bijdrage loopt ook via het CAK. De CRvB stelt (CRvB 29-05-2013, nr. 10/6324 WMO) dat het op de weg van het college ligt om de cliënt in het besluit tot toekenning van een voorziening, waarvoor een bijdrage in de kosten is verschuldigd, genoegzaam te informeren over de verschuldigd heid van de eigen bijdrage en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten Dit wordt opgenomen in de beschikking.

27

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel In het vierde lid wordt gesteld dat cliënten die een voorziening in bruikleen krijgen verstrekt, zich dienen te houden aan de voorwaarden en verplichtingen zoals deze in bruikleenovereenkomst zijn vastgelegd. De CRvB stelt (CRvB 17-05-2017, nr. 15/7135 WMO) dat als dit in de Wmo-verordening is vastgelegd, dan is het niet nakomen van de verplichtingen uit een bruikleenovereenkomst, of beëindiging hiervan door de leverancier, een grond voor intrekking. Artikel 13. Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. In artikel 2.3.6. lid 2 van de wet zijn de voorwaarden opgenomen waaraan de cliënt moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn: a.

b. c.

de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen: naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren. veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

De Wmo biedt de mogelijkheid om de ondersteuning zelf te regelen met een persoonsgebonden budget. Hierdoor is de cliënt in de mogelijkheid om zelf te bepalen wie de ondersteuning levert en onder welke voorwaarden. Het ontvangen van een pgb brengt ook verplichtingen met zich mee. De cliënt dient ervoor te zorgen dat de onderliggende administratie aan een pgb op orde is. Ook de zorgverlener dient zich ervan te vergewissen welke plichten het werken als pgb-zorgverlener met zich mee brengt. Bijvoorbeeld het opgeven van de inkomsten bij de belastingdienst. De voorwaarden ben c uit de wet zijn in de verordening opgenomen onder lid 1 en 2 vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. In lid 2 is vastgelegd dat het van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortmanc.s., Kamerstukken Il 2013/14, 33 841, nr. 103) Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel, zoals vastgelegd in het derde lid. In lid 4 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden.

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem ondersteunt bij het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Dit volgt uit de memorie van toelichting bij de Wmo 2015. Hierin staat dat de eerste voorwaarde is dat het college de aanvrager in staat acht de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken (o.a. het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de zorgverlener op zijn verplichtingen) op een verantwoorde wijze uit te voeren. Uit het onderzoek zal moeten blijken of de budgethouder aan deze voorwaarde voldoet. De aanvrager kan zich laten vertegenwoordigen door iemand uit zijn sociale netwerk, een curator, een mentor of een gemachtigde. Het is niet de bedoeling dat de gemeente de kosten van de vertegenwoordiger, zoals een bemiddelingsbureau, financiert; het persoonsgebonden budget is daar niet voor bedoeld. Ook is het niet mogelijk bijkomende zorgkosten te betalen uit het pgb, zoals: Een cursus die de zorgverlener volgt; Entreegeld, wanneer de zorgverlener de budgethouder begeleid bij bijvoorbeeld een bezoek aan een museum: Maaltijden/consumpties van de zorgverlener bij overwerk; Wooninitiatief zorg, voor de woonkosten wanneer een aantal budgethouders samenwonen en er centraal zorg wordt ingekocht en/of geboden; 28

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel Wooninitiatief enkel huis, voor de woonkosten als een aantal budgethouders samenwonen, maar de budgethouders zelf hun zorg regelen. In lid 5 is vastgelegd dat het niet mogelijk is om een pgb voor diensten via een vast maandbedrag uit te betalen aan de zorgverlener Een pgb kan alleen op declaratiebasis worden uitbetaald. Hiermee wordt voorkomen dat een pgb ten onrechte maandelijks automatisch wordt uitbetaald terwijl er geen of minder ondersteuning is geleverd door bijv. vakantie of ziekte van de zorgverlener of cliënt. Op basis van lid 6 is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stop gezet. In lid 7 zijn voorwaarden vastgelegd waar een vertegenwoordiger aan moet voldoen om op verantwoorde wijze de aan het pgb verbonden taken te kunnen uitvoeren.

Het college mag zich op het standpunt stellen dat een beoogde zorgverlener niet het pgb van de cliënt kan beheren omdat hij niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken zal kunnen vervullen (CRvB 27-11-2019, ECLINL:CRVB 2019 3761) Daarnaast is het van belang dat er bij de vertegenwoordiger geen sprake is van belangenverstrengeling en dat de vertegenwoordiger voldoende betrokken is bij cliënt om zicht te hebben op situatie. Lid 8 vloeit voort uit de Wet waarin is vastgelegd dat een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Het college kan in de nadere regels kwaliteitseisen vastleggen voor een pgb. Zo weet een budgethouder beter wat de toetsingscriteria van de gemeente zijn. In het negende lid is vastgelegd dat in spoedeisende gevallen conform artikel 2.3.3 van de Wet het verstrekken van een pgb niet mogelijk is. In artikel 2.3.3 van de wet is bepaald dat in spoedeisende gevallen alvast een voorlopige maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in afwachting van het onderzoek. Omdat er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden is het niet mogelijk om in deze gevallen een pgb te verstrekken.

Tijdens het onderzoek heeft het college immers pas de plicht de betrokkene te informeren over de mogelijkheid om voor een pgb te kiezen en over de gevolgen van die keuze. En tijdens het onderzoek zal het college bepalen of de betrokkene die een pgb wenst, aan de gestelde voorwaarden voor een pgb kan voldoen. Artikel 14. Hoogte van een pgb Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb's, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2 3.6, eerste lid, van de wet) In het tweede lid is vastgelegd dat de maximale hoogte van een pgb is begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.

Een pgb voor een hulpmiddel, woningaanpassing of een andere maatregel die tot een maatwerkvoorziening behoren, wordt indien nodig aangevuld met een budget voor onderhoud, reparatie en verzekering, de instandhoudingskosten. In het derde lid is bepaald dat voor diensten onderscheid wordt gemaakt in de tarifering tussen formele en informele hulp. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige zorgverlener (ZZP-er)

29

Zaaknr: 974331

gemeente

Capelle

aan den IJssel Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de zorgverlener uit het sociaal netwerk van de cliënt BIJ zorgverlening door een persoon uit het sociale netwerk, is altijd sprake van informele hulp Ook al gaat het om een zorgverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling: dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de cliënt of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. ECLl:NL:CRVB:2021 :1999 Ten aanzien van het derde lid onder cis van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken Il 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten.

Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is het van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet) Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). Het vierde en vijfde lid onder a bepalen de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten voor professionals en het informele netwerk. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. In lid 5 onder bis vastgelegd dat de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor het informele netwerk ook kan bestaan uit een tegemoetkoming, al dan niet aangevuld met een onkostenvergoeding.

Dit betreft de ministeriële regeling voor hulp uit het sociale netwerk (te betalen uit een pgb) als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De hoogte van de onkostenvergoeding is gebaseerd op de onbelaste reiskosten van €0,19 per kilometer over een maximum van 156 dagen (3 dagen per week over een periode van 52 weken per jaar) en is gelinkt naar de dagelijkse reisafstand met een maximum van 150 kilometer per dag De maandelijkse onbelaste reiskostenvergoeding wordt op de volgende manier berekend 156 x de dagelijkse reisafstand €0,19 x deeltijdfactor, gedeeld door 12 maanden. 156 is het aantal werkdagen per jaar waarover de cliënt reiskosten mag vergoeden. De dagelijkse reisafstand (heen- en terugreis bij elkaar opgeteld) mag maximaal 150 kilometer zijn. De deeltijdfactor hangt af van het aantal dagen dat de zorgverlener bij de cliënt werkt Het aantal werkdagen per week is maximaal 3. Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Het eerste lid betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet

30

Zaaknr: 974331

ome«te

Capelle

aan den IJssel Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen. In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken Il 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; 'omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt·

HOOFDSTUK4

Bijdrage in de kosten

Artikel 16. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2 1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet In het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de verordening passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt In het eerste lid is vastgelegd voor welke maatwerkvoorziening een eigen bijdrage geldt, te weten huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging en begeleiding. In het tweede lid is vastgelegd dat de lichtste categorie voor begeleiding individueel, waakvlamcontact, is vrijgesteld van de bijdrage. Dit sluit aan bij het beleid dat er voor zorgmijders de mogelijkheid bestaat de eigen bijdrage de eerste zes maanden van zorgverlening niet te innen. Dit is vastgelegd in het vierde lid onder a. Deze periode kan worden verlengd wanneer de situatie hierom vraagt, bijvoorbeeld wanneer inzet van bemoeizorg noodzakelijk is om verdere zorgmijding te voorkomen. Dit betreft zorgmijdende cliënten waarvoor bemoeizorg om Wmo-ondersteuning vraagt en waarvan zij het nodig acht dat het niet innen van de eigen bijdrage noodzakelijk is. Dit volgt uit het Besluit van 6 december 2017 (Stb. 2017, nr.

481) waarin een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is opgenomen voor een verruiming van de gemeentelijke beleidsruimte bij het opleggen van de bijdrage voor een cliënt In de toelichting op het wijzigingsbesluit is opgenomen dat middels dit besluit o.a. wordt geregeld dat het college de bevoegdheid heeft de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget (niet zijnde opvang en beschermd wonen in natura) in een individueel geval op nihil te laten vaststellen in situaties dat wanneer de verschuldigdheid van de bijdrage nadelig is voor een persoonsgerichte aanpak om bepaalde specifieke doelgroepen mee te laten doen in de samenleving. Indien gewenst kan vanaf 1 januari 2023 de vrijstelling van de eigen bijdrage voor zorgmijders met terugwerkende kracht (tot maximaal 36 maanden) ingaan (wijzigingsbesluit van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, Staatsblad 2022/346) In het vierde lid onder bis vastgelegd dat cliënten die in een hospice verblijven geen eigen bijdrage voor de huishoudelijke ondersteuning betalen die zij in het hospice ontvangen gedurende hun verblijf in het hospice. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten in hun laatste levensfase moeten worden onderworpen aan een toetsing voor de noodzaak van de inzet van de ondersteuning door het Wmo-loket

31

Zaaknr: 974331

gemeen

Capelle

aan den IJssel In het vijfde lid is bepaald dat bij het collectief aanvullend vervoer voor sociaal recreatief vervoer een bijdrage gevraagd wordt voor algemeen gebruikelijke kosten. In artikel 2.1.4a van de wet is bepaald dat de maximale bijdrage die voor een maatwerkvoorziening gevraagd mag worden € 19,- per maand is. Hiervan mag echter worden afgeweken als het gaat om een vervoersvoorziening. Dat moet dan wel in een verordening worden vastgelegd (artikel 3.8, lid 1 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). De hoogte van de eigen bijdrage voor het collectief aanvullend vervoer is vergelijkbaar met de kosten voor het regionale openbaar vervoer voor de afgelegde ritten. In het zesde lid is bepaald dat de bedragen voor de bijdragen in de kosten voor collectief aanvullend vervoer jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de L Tl-index Dit is de Landelijke Tarief Index (L Tl) die wordt gebruikt om tarieven in het OV aan te passen. Wanneer tijdens de rit medische begeleiding vereist is, kan de cliënt één begeleider gratis mee laten reizen.

De criteria voor noodzakelijke medische en (psycho)sociale begeleiding tijdens de rit zijn: er is medische zorg noodzakelijk tijdens de rit, bijvoorbeeld het moeten toedienen van medicatie (oraal) of het bedienen van medische apparatuur, en/of; er sprake is van aantoonbare gedragsproblemen of angst bij de cliënt die door de begeleiding weggenomen of verminderd wordt, en/of; er is tijdens de rit ADL- hulp noodzakelijk; dit zijn eenvoudige verzorgende handelingen, zoals bijvoorbeeld het afvegen van mond en neus bij een gestoorde handfunctie

HOOFDSTUK 5

Kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid

Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1 3, tweede lid, onder c. van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken Il 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Overige eisen zijn gewaarborgd in het inkooptraject voor de maatwerkvoorzieningen.

Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet. Artikel 18. Toezichthouder kwaliteit Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de wet, heeft het college een toezichthouder kwaliteit aangewezen die belast is met het houden van toezicht en de naleving van het bepaalde bij de Wmo. te weten GGD Rotterdam. Om de toezichthouder in staat te stellen meldingen goed te onderzoeken en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld effectief te doen zijn, worden regels gesteld over het bij de toezichthouders melden van calamiteiten en geweld jegens cliënten; in die regels zal het met name gaan om het 'handen en voeten' geven aan de meldplicht.

32

Zaaknr: 974331

ome«te

Capelle

aan den IJssel In aanvulling hierop is in het tweede lid vastgelegd dat aanbieders actief melding maken bij deze toezichthouder in het geval van calamiteiten en geweld. Aanbieders dienen aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening zijn bevoegdheden. In artikel 6.1, tweede lid, van de wet, is vastgelegd dat de toezichthouder voor zover de vervulling van zijn taak dit noodzakelijk maakt, bevoegd is tot inzage van dossiers. Indien de verkregen informatie gegevens bevat waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt deze geheimhoudingsverplichting ook voor de toezichthouder. zoals opgenomen in artikel 6.1 derde lid, van de wet. Artikel 19. Toezicht en handhaving rechtmatigheid Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening regels gesteld moeten worden voor de bestrijding of ter voorkoming van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten.

Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. Het college kan niet alleen bij een aanvraag. maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen. Uit het onderzoek dat Erasmus Universiteit Rotterdam in 2017 heeft uitgevoerd in opdracht van de gemeente naar rechtmatigheidsrisico's binnen het sociale domein is gebleken dat voor de aanpak van de rechtmatigheidsrisico's het van belang is hier beleid op te ontwikkelen. Voor de handhaving van het beleid wordt aanbevolen een handhavingsinstrument te ontwikkelen. In het tweede lid is bepaald dat het college het beleidsplan, met daarin de uitgangspunten en prioriteiten. voor de handhaving zal vaststellen. Het eerste handhavingsbeleidsplan is op 16 november 2021 vastgesteld door het college. Dit dient als basis voor het uitvoeringsplan. In het uitvoeringsplan bepaalt het college jaarlijks op welke wijze de rechtmatigheidsrisico's worden voorkomen en bestreden. Hiertoe behoort onder andere de inzet van handhavingsinstrumenten. Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden Het college kan besluiten de uitvoering van de Wmo 2015 door derden te laten verrichten.

Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening, verplicht artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 de gemeenteraad hierover regels te stellen in de verordening. Bij het stellen van die regels moet door de gemeenteraad rekening worden gehouden met de vereiste deskundigheid van het in te schakelen personeel en de arbeidsvoorwaarden van dat personeel. De Wmo 2015 verplicht de gemeenteraad tot het stellen van regels voor een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening. De AMvB 'reele prijs Wmo 2015 regelt nader hoe een reëel kostprijs moet worden vastgesteld. Doel van de AMvB is dat het college een reële prijs vaststelt voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders. De AMvB stelt hiertoe nadere regels aan de al in de Wmo opgenomen verplichtingen om een reële prijs te hanteren. De bepaling van een reële prijs voor een voorziening wordt met dit- besluit geregeld door de kostprijselementen waar het college een reële prijs op moet baseren, vast te leggen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12169602/2