CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

07.02 - Bijlage 1 motivering Oeverrijk

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 24 februari 2026, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Omgevingsplan Oeverrijk10.332 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk Gemeente Capelle aan den IJssel Concept

colofon

projectnaam Wijziging omgevingsplan Oeverrijk datum 11 september 2025 projectnummer P08298 opdrachtgever Gemeente Capelle aan den IJsel Concept 6 augustus 2025 Ontwerp 11 september 2025 Vaststelling BRO projectleider TAu projectteam BKe, EB bron kaft BRO review TAu

Willemsplein 2 5211 AK ’s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55 info@bro.nl www.bro.nl

Inhoudsopgave 1

Inleiding

5

Aanleiding Ligging plangebied Juridisch-planologisch kader Leeswijzer

2

3

4

Projectbeschrijving

5 5 5 7

8

Huidige situatie Beoogde situatie

8 9

Beleid en regelgeving

10

Rijksbeleid

10

3.1.1 3.1.2 3.1.3

10 11 11

Nationale Omgevingsvisie Instructieregels Rijk (AMvB’s) Ladder voor duurzame verstedelijking

Provinciaal beleid

11

3.2.1 3.2.2 3.2.3

11 12 13

Omgevingsbeleid Zuid-Holland Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland

Gemeentelijk beleid

14

3.3.1

14

Stadsvisie Capelle aan den IJsel: Met het oog op de toekomst

Omgevingsaspecten

16

Mer-plicht

16

4.1.1 4.1.2

16 17

Toetsingskader Doorwerking plangebied

Verkeer en parkeren

17

4.2.1 4.2.2

17 17

Toetsingskader Doorwerking plangebied

Omgevingsveiligheid

17

4.3.1 4.3.2

Toetsingskader Doorwerking plangebied

17 18

Geluid - (spoor)wegverkeer

19

4.4.1 4.4.2 4.4.3

19 19 19

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Luchtkwaliteit

19

4.5.1 4.5.2 4.5.3

19 20 20

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Bodem

21

4.6.1 4.6.2 4.6.3

21 21 21

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Activiteiten en milieuzonering

21

4.7.1 4.7.2

Toetsingskader Conclusie

21 22

Weging van het waterbelang

22

4.8.1 4.8.2 4.8.3

22 22 22

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Ecologie

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

23

3

4.9.1 4.9.2 4.9.3

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Stikstof

25

4.10.1 4.10.2 4.10.3

25 25 25

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Geur 4.11.1 4.11.2 4.11.3

5

6

23 24 24

25 Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

25 26 26

Archeologie

26

4.12.1 4.12.2 4.12.3

26 27 27

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Cultuurhistorie

27

4.13.1 4.13.2 4.13.3

27 27 28

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Trillingen

28

4.14.1 4.14.2 4.14.3

28 28 28

Toetsingskader Doorwerking plangebied Conclusie

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

30

Financiële haalbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

30 30

5.2.1 5.2.2 5.2.3

30 30 30

Omgevingsdialoog Wettelijk vooroverleg Procedure

Juridisch planopzet Opzet en systematiek Bruidsschat

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

31 31 31

4

1

Inleiding Aanleiding

De wens is om het plangebied ‘Oeverrijk’ tussen de Ringvaart, Kanaalweg, ’s-Gravenweg en het ’s-Gravenpark te Capelle aan den IJssel te formaliseren tot natuur, ook wel groenzone. De ambitie is om de aanwezige natuurwaarden van dit stuk grond te behouden en te versterken. Daarnaast is het de wens om het gebied toegankelijk te maken voor het recreatief gebruik in combinatie met het versterken van de ecologische potentie van het gebied. Het doel is om het huidige gebruik, evenals het toekomstige gebruik, te formaliseren door in het omgevingsplan de mogelijkheden vast te leggen dat het betreffende plangebied een ‘groen(zone)’ is. In figuur 1 is een begrenzing weergegeven van het plangebied.

Ligging plangebied Het plangebied bestaat uit de kadastrale perceel, gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A, nummers 7335 en 7336 (ged.) gemeente Capelle aan den IJssel. Het totale perceeloppervlakte bestaat uit 50.860 m2. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrenst door water. Aan de west- en zuidzijde bevinden zich woningen. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een kleinschalig bedrijventerrein genaamd ‘Kanaalwegzone’.

Juridisch-planologisch kader Het tijdelijk deel van het omgevingsplan (verder te noemen: omgevingsplan) bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat. Hierna wordt per activiteit de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Op dit moment geldt voor het plangebied het omgevingsplan ‘Bestemmingsplan Schollebos e.o.’ dat op 25 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Capelle aan den IJsel.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

5

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Schollebos e.o.’(bron: omgevingsloket)'

Figuur 1.2 toont een uitsnede van het vigerende Bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Schollebos e.o.’ met de betreffende percelen rood omkaderd. Op grond hiervan heeft het plangebied de volgende bestemmingen: •

‘Woongebied’

•

‘Waarde – Archeologie 1’

•

‘Waarde - Archeologie 2’

•

‘Water’

•

Verschillende vastgestelde bouwvlakken

Tevens gelden er diverse maximum bouwhoogtes en de bouwaanduiding ‘gestapeld’ in het plangebied. In het verleden is het vigerend bestemmingsplan gemaakt om woningbouw mogelijk te maken binnen het plangebied. In verband met de zwakke bodemgesteldheid en hoge grondwaterstand is de realisatie van een woongebied niet tot stand gekomen. Voor de ontwikkeling van het woningbouwplan is in juli 2021 een motie ‘kwaliteit Landelijk Capelle volgens plan’ aangenomen waarin aan het college is gevraagd om eerst een gebiedspaspoort op te stellen. In maart 2022 is door de raad een nieuwe motie ‘geen woningbouw op Oeverrijk’ aangenomen, waarin is opgenomen dat voor het huidige plangebied een planologische procedure moet worden doorlopen om de woningbouw niet meer mogelijk te maken en de aanwezige waarden te beschermen. De moties zijn tevens als bijlage opgenomen bij deze motivering. Met voorliggend omgevingsplan is de gemeente voornemens de feitelijke situatie, namelijk het gebruik als natuur, ook juridisch-planologisch te borgen en de woningbouwmogelijkheden weg te bestemmen.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

6

Overige bestemmingsplannen Ter plaatse geldt tevens het ‘Parapluplan Wonen’ (d.d. 14 november 2022) en het ‘Parkeren Capelle aan den IJsel’ (d.d.12 februari 2024). De regels van deze parapluplannen zijn niet relevant op onderhavige wijziging van het omgevingsplan. De regels hieruit zullen bij het van kracht worden van dit wijziging omgevingsplan ook niet meer van toepassing zijn binnen het plangebied.

Leeswijzer De onderhavige motivering dient als onderbouwing van het besluit tot wijziging van het Omgevingsplan. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de beoogde situatie nader beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Afgesloten wordt met hoofdstuk 5 waarin de focus ligt op de aspecten economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

7

2

Projectbeschrijving Huidige situatie

Het plangebied is momenteel onbebouwd. In de loop der jaren heeft Oeverrijk diverse invullingen gehad. Als weide, glastuinbouwgebied maar ook als baggerdepot. Voorheen waren er in het plangebied plannen voor het realiseren van een nieuwbouwwoningen. In verband met de zwakke bodemgesteldheid en hoge grondwaterstand is de realisatie van een woongebied niet tot stand gekomen. Voor de ontwikkeling van het woningbouwplan is in juli 2021 een motie ‘kwaliteit Landelijk Capelle volgens plan’ aangenomen waarin aan het college is gevraagd om eerst een gebiedspaspoort op te stellen. In maart 2022 is door de raad een nieuwe motie ‘geen woningbouw op Oeverrijk’ aangenomen, waarin is opgenomen dat voor het huidige plangebied een planologische procedure moet worden doorlopen om de woningbouw niet meer mogelijk te maken en de aanwezige waarden te beschermen. De moties zijn tevens als bijlage opgenomen bij deze motivering. Er is in het gebied een kleinschalige afwisseling te vinden van rietland, ruigte, struweel, natuurlijke oeverzones en bloemrijk grasland. Het plangebied betreft één van de weinige plekken binnen de gemeente waar, na de inpoldering, geen fysieke ingrepen hebben plaatsgevonden. Het betreft daarmee een restant van het oorspronkelijke veenweide landschap, dat hier nog in oorspronkelijke maat en schaal beleefbaar is.

Door de ligging tussen de Schravenweg en Ringvaart, gecombineerd met een deel van de historische watergang de Mient is voor Capelle een uniek cultuurhistorisch waardevol gebied. Op dit moment vindt op een aantal stukken land begrazing met schapen plaats en is het niet toegankelijk voor het publiek. Dit zorgt er samen met de geïsoleerde liggen voor dat het gebied vrij extensief beheerd is. Door dit extensieve beheer hebben diverse natuurtypen zich spontaan kunnen ontwikkelen. De kleinschalige afwisseling tussen verschillende natuurtypen maakt dat de huidige ecologische waarde al hoog is, mede door het rustige karakter van het gebied. Er komen voor Capelle nu al unieke soorten voor, bijv. bepaalde soorten rietvogels. Uit ecologisch potentie-onderzoek is gebleken dat dit gebied ook een unieke locatie is/kan zijn voor veel andere (beschermde) vogels, insecten, vlinders en kleine zoogdieren.

Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied 3D weergave (bron: Google Earth)

In figuur 2.1 is een situatieweergave te zien van de huidige situatie.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

8

Beoogde situatie Beoogd wordt om het plangebied, gelegen tussen de Ringvaart, Kanaalweg, ’s-Gravenweg en het ’s-Gravenpark in Capelle aan den IJssel, formeel te bestempelen als natuurgebied. De ambitie is om de aanwezige cultuurhistorische en ecologische waarde te versterken en het gebied beleefbaar te maken door het gebied toegankelijk te maken voor extensieve recreatie en het versterken van de ecologische waarde. Op het gebied van ecologie is het uitgangspunt om de natuurwaarden die de afgelopen jaren spontaan zijn ontstaan te behouden en te versterken. Er is voorzien in een afwisseling tussen (bloemrijk) grasland, rietland, oeverzones en ruigte met struweel. Hoge bomen worden bewust niet toegevoegd om de openheid van het oorspronkelijke landschap te behouden. De meest noordelijke slag biedt de mogelijkheid voor meer intensieve recreatie/gebruik, mits de afbreuk aan de ecologische en cultuurhistorische waarde beperkt blijft. Er wordt overwogen om op de meest oostelijke slag een vlonderpad aan te leggen. De andere slagen zullen enkel via onverharde (klompen) paden bereikbaar zijn, zodat recreatie optimaal mogelijk is. Het doel is om zowel het huidige als het toekomstige gebruik te formaliseren door in het omgevingsplan vast te leggen dat het gebied een ‘natuurzone’ is.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

9

3

Beleid en regelgeving Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: •

een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;

•

over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;

•

een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3.

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Doorwerking plangebied Hoewel de NOVI geldend is voor het gehele Nederlandse grondgebied, is er geen sprake van directe doorwerking in het plangebied. Gelet op de aard en locatie van de ontwikkeling zijn er geen nationale belangen in het geding. Afwegingen met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen dienen in dat geval te worden gemaakt op gemeentelijk niveau.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

10

3.1.2

Instructieregels Rijk (AMvB’s)

Het Bkl bevat instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor onder andere de volgende hoofdonderwerpen: •

Algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1 Bkl);

•

Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl);

•

Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl);

•

Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;

•

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 Bkl), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;

•

het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6 Bkl) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;

•

het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7 Bkl), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;

•

het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8 Bkl).

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Het doorlopen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is verplicht voor iedere ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, op grond van artikel 5.129g lid 1 van het Bkl. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening, of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. In artikel 5.129g Bkl staat geen ondergrens genoemd. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij woningbouw een plan vanaf 12 woningen een nieuw stedelijke ontwikkeling is. Voor alle andere stedelijke functies wordt een oppervlakte van 500m² BVO aangehouden als ondergrens. Daarnaast is een vereiste dat het moet gaan om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit wordt beoordeeld aan de hand van het nieuw beslag op de ruimte die met de stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt of wanneer wordt voorzien in een functiewijziging. Doorwerking plangebied De wijziging voorziet alleen in een planologische wijziging die de huidige situatie formaliseert, zonder enige ruimtelijke aanpassingen. Derhalve is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet te worden doorlopen.

Provinciaal beleid Provincie Zuid-Holland heeft haar beleid en regelgeving vastgelegd in een omgevingsvisie, een omgevingsverordening en het Programma Ruimte. De omgevingsvisie bevat het strategische beleid voor de fysieke leefomgeving. Het ruimtelijk relevante operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte. De verplichtingen die gelden voor ruimtelijke plannen van de provincie of lagere overheden zijn opgenomen in een omgevingsverordening. 3.2.1

Omgevingsbeleid Zuid-Holland

Op 20 april 2019 is het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland in werking getreden. Het omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

11

en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. Doorwerking plangebied De wijziging voorziet alleen in een planologische wijziging die de huidige situatie formaliseert, zonder enige ruimtelijke aanpassingen. Er wordt een ‘naturzone’ opgenomen in plaats van de huidige bestemming ‘Woongebied’. Ter afwijking hiervan is een planologisch wijziging nodig van het bestemmingsplan. Er worden verder geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt. Gezien de aard en ligging van het project, zijn met deze wijziging geen provinciale belangen aan de orde. 3.2.2

Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland

De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland visie is Geldend vanaf 1 mei 2024 en door de Provinciale Staten vastgesteld. De Omgevingsvisie Zuid-Holland is het provinciaal beleidsplan van de fysieke leefomgeving. De Zuid-Hollandse leefomgeving verbeteren, elke dag, dat is waar de provincie aan werkt. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De omgevingsvisie wordt bekrachtigt door acht sturingsprincipes voor de fysieke leefomgeving: opgavegericht, provinciaal belang, netwerkaanpak, maatwerk, uitgaan passend schaalniveau, ruimte voor differentiatie, lever meerwaarde en effectiever en betrouwbaar. Deze principes geven sturing aan de volgende ambities voor de toekomst. Met de zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. Zeven vernieuwingsambities laten zien waar Zuid-Holland naartoe wil: 1. Samen werken aan Zuid-Holland 2. Bereikbaar Zuid-Holland 3. Schone energie voor iedereen 4. Een concurrerend Zuid-Holland 5. Versterken natuur in Zuid-Holland 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland 7.

Gezond en veilig Zuid-Holland Punt 5 ‘Versterken natuur in Zuid-Holland’ is een relevant punt voor de beoogde ontwikkeling. Zuid-Holland is veelzijdig: de combinatie van het kenmerkende kust-, veenweide- en rivierdeltalandschap met de tussenliggende verstedelijking en bedrijvigheid maakt de provincie uniek. Zuid-Holland is echter ook een dichtbevolkte provincie waar de kwaliteit van de natuur en de leefomgeving onder druk staan.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

12

Zorg voor die natuur en leefomgeving is van groot belang. De provincie wil immers dat de inwoners van Zuid-Holland kunnen wonen, werken en recreëren in een prettige en aantrekkelijke leefomgeving, met directe toegang tot hoogwaardig groen, erfgoed en water. Natuur is daarbij onmisbaar en staat zwaar onder druk. Als het natuurlijk systeem op orde is, schept dat ruimte voor een gezond woonklimaat en bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Met de beoogde ontwikkeling wordt een natuurgebied met cultuurhistorische waarde behouden waarmee de natuur wordt versterkt. Het openstellen van het natuurgebied zal een aantrekkelijke leefomgeving versterken door directe toegang tot hoogwaardig groen te verstrekken. Het plan is lokaal van aard en is niet in strijd met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. Er worden verder geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt. 3.2.3

Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland

Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 20 februari 2019 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 april 2019 in werking getreden. De meest recente versie van de Omgevingsverordening is geldend vanaf 1 januari 2025. In de omgevingsverordening is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: •

De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.

•

Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.

Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling (artikel 7.43): 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

13

2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Doorwerking plangebied De wijziging van het omgevingsplan voorziet niet het mogelijk maken van ruimtelijke wijzigingen. Er wordt een ‘natuurzone’ opgenomen in plaats van de huidige bestemming ‘Woongebied’. Ter afwijking hiervan is een planologisch wijziging nodig van het omgevingsplan. Er worden verder geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt.

De beoogde ontwikkeling betreft een inpassing met een passende schaal en aard. Er is sprake van beperkte ruimtelijke impact, waardoor provinciale betrokkenheid niet noodzakelijk is.

Gemeentelijk beleid 3.3.1

Stadsvisie Capelle aan den IJsel: Met het oog op de toekomst

In de Stadsvisie staan de belangrijkste ambities en richting voor de toekomst van Capelle aan den IJssel. De Stadsvisie is op 27 september 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De Stadsvisie vormt een brede toekomstvisie op de leefomgeving voor Capelle gericht op ruimte, maatschappij en veiligheid. Het geeft een antwoord op hoe Capelle er in 2040 uit ziet en wat voor soort gemeente Capelle aan den IJsel wilt zijn. Hierbij worden de volgende punten toegelicht: 1. Identiteit en kwaliteit: Van groeikern naar Stadsdorp 2. Dorps Capelle: Veerkrachtige Capellenaren in leefbare en veilige buurten 3. Stads Capelle: Nabijheid en hoogwaardige voorzieningen 4. Groen en waterrijk Capelle: Voor een prettige, gezonde en sociale omgeving 5. Hoe werken we samen in Capelle? Werken met het oog op de toekomst Punt 4 ‘Groen en waterrijk Capelle’ is bijzonder toepasbaar op de beoogde ontwikkeling. Capelle aan den IJsel is een groene en waterrijke omgeving, de rustige, dorpse en groene kwaliteit van de buurten is kenmerkend voor de omgeving. Niet elke wijk kan beschikken over de nabijheid van voldoende groen en water. Hierbij streeft de gemeente om de potentie van tuinen, gevels en daken benut kan worden. Gemeente Capelle aan den IJsel draagt dan ook haar visie uit: ‘het groen-blauwe raamwerk als drager’.

De aanwezigheid van groen en blauw heeft een positieve invloed op de gezondheid en welbevinden van de inwoners, als de fysieke inrichting van de leefomgeving leidt tot spelen, sporten, bewegen, ontspannen en elkaar ontmoeten. De leefomgeving is als een instrument voor een prettige, gezonde en sociale omgeving. De inrichting en het onderhoud van de leefomgeving vraagt daardoor extra aandacht. De kwaliteiten van de leefomgeving kunnen nog optimaler benut worden als recreatie en ontmoeting gestimuleerd wordt. Een buitenruimte die van hoge kwaliteit is, draagt bij aan het sociaal en maatschappelijk kapitaal van de stad. Het groen-blauwe raamwerk is drager van een aantal belangrijke kansen voor Capelle: •

Voor een gezonde en leefbare omgeving;

•

Voor een duurzame leefomgeving waar de gevolgen van klimaatverandering opgevangen kunnen worden;

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

14

•

Voor het verplaatsen en verbinden van mensen en plekken.

Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling versterkt het groene en waterrijke karakter van de omgeving. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het vierde punt van de Stadsvisie, ‘Groen en waterrijk Capelle’. Capelle staat bekend om zijn rustige, groene buurten en de integratie van groen en water in het dagelijks leven. Het creëren van een toegankelijk groen- en watergebied dat ruimte biedt voor recreatie draagt bij aan de gezondheid, het welzijn en de sociale interactie van de bewoners, zoals wordt benoemd in de Stadsvisie. Daarnaast wordt het groen-blauwe raamwerk van Capelle als drager van belangrijke kansen benadrukt, waaronder het bevorderen van een gezonde en duurzame leefomgeving. Door de ontwikkeling van dit gebied kan de gemeente de potentie van het gebied optimaal benutten voor recreatie en ontmoeting, wat bijdraagt aan het sociaal en maatschappelijk kapitaal van de stad. Dit initiatief past binnen de lijn van de identiteit en kwaliteit van gemeente Capelle aan den IJssel. Het gebied, gelegen tussen de Bermweg en ’s-Gravenweg binnen het karakteristieke slagenlandschap. Het plan wil juist dit unieke deel landschap met cultuurhistorischew waarde behouden en versterken. De beoogde ontwikkeling is in lijn met de stadsvisie.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

15

4

Omgevingsaspecten Mer-plicht

4.1.1

Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Tabel 4.1:

J11

Onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Projecten

Gevallen waarin de

Gevallen waarin de

Besluiten als bedoeld

mer-plicht geldt (artikel

mer-beoordelingsplicht

in artikel 11.6, derde

16.43, eerste lid, aan-

geldt (artikel 16.43,

lid, onder c, van dit be-

hef en onder a, van de

eerste lid, aanhef en

sluit

wet)

onder b, van de wet)

Niet van toepassing

Aanleg, wijziging of uit-

Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip

Het omgevingsplan

breiding

van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

16

4.1.2

Doorwerking plangebied

Als een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals een woningbouwplan. Gezien de aard en de schaal van de wijziging van het omgevingsplan, is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een argumentatie hiervoor is als volgt: •

Er wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt.

•

Het project is gelegen in een stedelijke omgeving.

•

Er zijn beperkte milieugevolgen van dit project, als is aangetoond met deze ruimtelijke motivering.

•

De aard van het project (formaliseren natuur functie) heeft geen ruimtelijke impact.

Er is geen verder toetsing nodig aan de mer-regelgeving.

Verkeer en parkeren 4.2.1

Toetsingskader

Een toename of wijziging van functies kan gevolgen hebben voor de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van de functies binnen het plangebied. Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen waarbij hiervan sprake is moet voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn. Ook moet rekening gehouden worden met de verkeersdrukte en –veiligheid. De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie dient in beeld te worden gebracht aan de hand van de CROW Parkeerkencijfers 2024 en het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid de ‘Nota Parkeernormen 2020’. 4.2.2

Doorwerking plangebied

Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Deze wijziging heeft daarmee geen directe invloed op huidige verkeerskundige situatie. Er is geen sprake van een verkeersgeneratie of toename van parkeerbehoefte.

Omgevingsveiligheid 4.3.1

Toetsingskader

Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Voor beperkt kwetsbare,

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

17

kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden. 4.3.2

Doorwerking plangebied

De provincie Zuid-Holland heeft in de ZHOV geen instructieregels ten aanzien van omgevingsveiligheid opgenomen. In het omgevingsplan zijn wel regels opgenomen ten aanzien van omgevingsveiligheid. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7.3 ‘Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan’ en in paragraaf 22.3.26 ‘Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten’. Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er zullen geen ruimtelijke aanpassing gedaan worden waardoor het groepsrisico niet zal toenemen ten opzichte van de huidige vigerende situatie. Bovendien wordt er met de beoogde ontwikkeling juist geen gevoelige functie gerealiseerd. Volledigheidshalve zijn omliggende risicobronnen wel beschouwd. Figuur 4.1 weergeeft een uitsnede van de Atlas Leefomgeving ter plaatse het plangebied. Het plangebied bevindt zich in het gifwolk aandachtsgebied van Barge Center Waalhaven B.V. en nabij een opslag brandbare vloeistof. Echter, binnen het plangebied zal er geen ‘verblijfsfunctie’ aanwezig zijn. Nadere toetsing op dit aspect is derhalve niet aan de orde.

Figuur 4.1: Uitsnede van omgevingsveiligheid kaart, plangebied rood omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

18

Geluid - (spoor)wegverkeer 4.4.1

Toetsingskader

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. 4.4.2

Doorwerking plangebied

Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. In zowel de huidige (feitelijke) als de toekomstige situatie is er geen sprake van een geluidsgevoelige functie, derhalve vormt het aspect geluid geen belemmering. 4.4.3

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Luchtkwaliteit 4.5.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.

•

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

•

Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

19

onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 4.5.2

Doorwerking plangebied

De gemeente Capelle aan den IJsel is gelegen in een aandachtgebied voor luchtkwaliteit, zoals opgenomen in artikel 5.51, lid 2 en 3 van het Bkl. Namelijk agglomeratie Rotterdam/Dordrecht. Volledigheidshalve is aangetoond worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. In tabel 4.3 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen. Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Hierdoor is er geen sprake is van een verandering in verkeersgeneratie wat in mogelijk in betekende mate kan bijdrage aan de luchtkwaliteit. Bovendien zal het formaliseren van natuur juist bevorderend kunnen werken voor de luchtkwaliteit, met name binnen het aandachtsgebied.

Tabel 4.3: Luchtkwaliteit dichtstbijzijnde meetpunten (bron: CIML, RIVM)

NO2 μg/m3

ID

PM10 μg/m3

PM10 over-

PM2.5 μg/m3

Jaar

schrijdingsdagen 51332493_1

15,5

15,56

6

8,232

2023

15,5

15,56

6

8,232

2023

14,11

15,28

6

8,062

2023

15,5

15,56

6

8,232

2023

40

40

35

25

021840 51332493_1 021867 51332493_1 021797 51332493_1 021835 Norm

4.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

20

Bodem 4.6.1

Toetsingskader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

•

evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

•

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

4.6.2

Doorwerking plangebied

Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Tevens zullen er geen bodemroerende werkzaamheden mogelijk gemaakt. Er is geen noodzaak tot nader bodemonderzoek. 4.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Activiteiten en milieuzonering 4.7.1

Toetsingskader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: •

Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;

•

Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Activiteiten met gebruiksruimte verwijzen naar activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied. De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering. De systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

21

Doorwerking plangebied Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is dus geen sprake van een nieuwe belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. 4.7.2

Conclusie

Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Weging van het waterbelang 4.8.1

Toetsingskader

De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 20222027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.37, lid 1, een “weging van het waterbelang” uit te voeren.

Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvorming kunnen initiatiefnemers online, middels de digitale watertoets, nagaan of hun ruimtelijk plan voldoende rekening houdt met de waterbelangen. Uit de digitale watertoets volgt een advies met welke wateraspecten relevant zijn voor het plan en waarom. Aanvullend op dit advies dient in het plan verantwoording afgelegd te worden over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerders. Dit gebeurt meestal in de “weging van het waterbelang” van het ruimtelijke plan. De afweging van de diverse waterbelangen is geborgd in diverse beleidsdocumenten en regelgeving op verschillende niveaus. Gelet op de aard van de ontwikkeling (interne verbouwing van een bestaand gebouw in sterk verstedelijkt gebied) wordt enkel waar nodig ingegaan op deze regelgeving en beleidsdocumenten. 4.8.2

Doorwerking plangebied

Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige situatie ten aanzien van het aspect water. Er wordt geen nieuwe bebouwing of verharding mogelijk gemaakt. Er is geen noodzaak tot nadere onderbouwing ten aanzien van de weging van het waterbelang. 4.8.3

Conclusie

Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

22

Ecologie 4.9.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. Onder Artikel 5.1, lid 1 Ow is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, tevens is onder Artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een floraen fauna-activiteit te verrichten. Tenzij anders geregeld in het omgevingsplan, waterschap verordening, omgevingsverordening of ministeriele regeling. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11, Bal). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit). Natura 2000-gebieden Om de natuur te beschermen, heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een Natura 200-activiteit.

Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden en Soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal.

Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5.165b Bkl). Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bal) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: •

Omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bal);

•

Omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bal);

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

23

•

Omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bal).

Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bal, schadelijke Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bal en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bal. Provinciale omgevingsverordening Vanuit de TAM-Provinciale Omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (d.d. 24 juli 2024) gelden ter plaatse geen nadere instructieregels ten aanzien van flora en fauna. Conform paragraaf 7.3.1. (Natuurnetwerk Nederland) van het Bkl dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen (artikel 7.8 Bkl). 4.9.2

Doorwerking plangebied

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is de ’Biesbosch’ op ruime afstand van circa 19,5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op ruime afstand van circa 1,6 kilometer ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is in dit opzicht dus geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Als gevolg hiervan zijn er ook geen effecten voor eventueel aanwezige beschermde soorten. Op het gebied van ecologie is het uitgangspunt om de natuurwaarden die de afgelopen jaren spontaan zijn ontstaan te behouden en te versterken.

Er is voorzien in een afwisseling tussen (bloemrijk) grasland, rietland, oeverzones en ruigte met struweel. Hoge bomen worden bewust niet toegevoegd om de openheid van het oorspronkelijke landschap te behouden. 4.9.3

Conclusie

Vanuit het aspect flora en fauna is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

24

Stikstof 4.10.1

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben er geen veranderingen plaatsgevonden met betrekking tot de invloed van stikstof op het verlenen van vergunningen voor bouwprojecten. Het beschermingsniveau van Natura 2000-gebieden onder de Omgevingswet wijzigde niet. Wel werd het proces en de vindplaats van de artikelen anders. Dit staat beschreven in artikel 4.15 van de Omgevingsregeling. Artikel 4.15 (methode berekenen stikstofdepositie Natura 2000-activiteit) 1. Dit artikel is van toepassing op het bepalen van de stikstofdepositie bij het vaststellen of een activiteit door het veroorzaken van stikstof-depositie als een Natura 2000-activiteit moet worden aangemerkt. 2. Op het berekenen van de stikstofdepositie is AERIUS Calculator van toepassing. In de memorie van toelichting bij dit artikel wordt verder stilgestaan bij de betekenis van dit artikel. Met de AERIUS-berekening wordt gekeken of het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelige habitat in en Natura 2000-gebied een significant effect kan hebben. Het gaat dan uiteraard uitsluitend om habitats die in het kader van artikel 6, derde lid, habitatrichtlijn relevant zijn, namelijk typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten waarvoor in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd en die stikstofgevoelig zijn.

Instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd voor de habitats of soorten die worden genoemd in bijlage I of II habitatrichtlijn en die in niet-verwaarloosbare mate in het gebied voorkomen. Daarnaast worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de leefgebieden van vogels als bedoeld in artikel 4 van de vogelrichtlijn. Dit artikel is een voortzetting van het voorheen geldende artikel 2.1 Regeling natuurbescherming. 4.10.2

Doorwerking plangebied

Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er worden geen bouwactiviteiten mogelijk gemaakt. Tevens is er geen sprake van en verkeersgeneratie. Er is dan ook vooraf te concluderen dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie. Derhalve is ook geen stikstofberekening voor de gebruiksen aanlegfase noodzakelijk. 4.10.3

Conclusie

Vanuit het aspect stikstof is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Geur 4.11.1

Toetsingskader

Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl 'Geur', onderdeel van paragraaf 5.1.4 'Beschermen van de gezondheid en van het milieu'. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: •

zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);

•

houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);

•

enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).

Wijziging omgevingsplan Oeverrijk

25

Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het omgevingsplan. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: •

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. In het omgevingsplan zijn de instructieregels ten aanzien van geur opgenomen in paragraaf 22.3.6. Het betreft instructieregels ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. 4.11.2

Doorwerking plangebied

Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is in dit opzicht dus geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Tevens kan worden gesteld dat het plangebied in het centrum van Capelle aan den IJsel ligt. Rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Voor het plangebied kan daarom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gegarandeerd. 4.11.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Archeologie 4.12.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet en, voor zover betrekking hebbend op de fysieke leefomgeving, in de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16582522/1