06.04 - Ruimtelijke onderbouwing incl. onderzoeksrapporten
Tekst van het document
Fascinatio kavel 1K-1 te Capelle aan den IJssel Ruimtelijke onderbouwing
Rapportnummer O 16485-2-RA-001 d.d. 6 januari 2022
Fascinatio kavel 1K-1 te Capelle aan den IJssel Ruimtelijke onderbouwing
opdrachtgever
B o u w b ed r ij f D e Wa a l B . V .
rapportnummer
O 1 6 48 5- 2 - R A- 0 01
datum
6 j an u a r i 2 02 2
referentie
T K e / T K e / K S / O 164 85 - 2- R A - 001
verantwoordeli jke ir. A.C.R. Kessen opsteller
ir. A.C.R. Kessen +31 85 8228694 t.kessen@peutz.nl
peutz bv, postbus 66, 6585 zh mook, +31 85 822 86 00, mook@peutz.nl, www.peutz.nl kvk 12028033, opdrachten volgens DNR 2011, lid NLingenieurs, btw NL.004933837B01, ISO-9001:2015 mook – zoetermeer – groningen – eindhoven – düsseldorf – dortmund – berlijn – nürnberg – leuven – parijs – lyon
O 16485-2-RA-001 2
Inhoudsopgave 1
Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Afwijking van het bestemmingsplan
4
2
Situering en gebruik plangebied
5
2.1
Situering en huidig gebruik
5
2.2
Vig erend bestem mingsplan
6
2.3
Beoogd gebruik
7
3
Ruimtelijk beleidskader
11
3.1
Rijksb eleid
11
3.2
Provi nciaal beleid
12
3.3
Regionaal beleid
14
3.4
Gemeentelijk beleid
15
4
Omgevingsaspecten
22
4.1
Milieue!ectrapportage
22
4.2
Ver ke e r en pa r k eren
23
4.3
Bedrijven en milieuzonering
24
4.4
Geluid
25
4.5
Luchtkwaliteit
26
4.6
Externe veiligheid
27
4.7
Bodemkwaliteit
29
4.8
Wa t er
30
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
31
4.10
Natuur
31
5
Uitvoerbaarheid
33
5.1
Economische uitvoerbaarheid
33
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
33
6
Conclusie
34
O 16485-2-RA-001 3
1
Inleiding
1.1 A a n l e i d i n g
De wijk Fascinatio is een relatief jonge wijk in de gemeente Capelle aan den IJssel. De wijk is in een mixvorm van wonen en werken opgezet, waarbij wonen met name in de binnenring plaatsvindt en werken in de buitenring. De binnenring van de wijk is volledig gerealiseerd, de buitenring nog niet. De aldaar geplande kantoorfuncties zijn in verband met een gebrek aan vraag niet volledig ontwikkeld. Daar waar er eerder geen sprake van was om de kavels in de buitenring voor woningbouw te benutten, is dit door grote vraag naar geschikte bouwlocaties mogelijk geworden. Om in de buitenring een meer gemengd karakter te laten ontstaan is het van belang dat er zich voldoende woningen in dat gebied bevinden. Bouwbedrijf De Waal B.V. is eigenaar van een braakliggende terrein op de hoek van de Fascinatio Boulevard met de Rivium Boulevard (kavel 1K-1) dat samen met het tegenovergelegen kavel (2K-1) de poort vormt tot de wijk. De Waal is voornemens op het kavel een woningbouwplan te realiseren met 71 appartementen, waarbij zich op de begane grond enkele woon-werkwoningen bevinden. 1.2 A f w i j k i n g v a n h e t b e s t e m m i n g s p l a n
De voorgenomen realisatie van een woongebouw op het kavel 1K-1 past niet binnen het vigerende bestemmingsplan “Fascinatio-Capelsebrug” van de gemeente Capelle aan den IJssel. Om het plan te kunnen realiseren, wordt daarom een omgevingsvergunning voor het afwijken van het vigerende bestemmingsplan aangevraagd conform artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voorliggende ruimtelijke onderbouwing (onderdeel van de omgevingsvergunningaanvraag) bevat een opsomming van de van toepassing zijnde beleidsuitgangspunten, een beschrijving van het bestaande en beoogde gebruik van het plangebied en een integraal overzicht van de (milieu)planologische aspecten die van belang zijn om middels een omgevingsvergunning toestemming te verkrijgen om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan.
O 16485-2-RA-001 4
2
Situering en gebruik plangebied
2.1 S i t u e r i n g e n h u i d i g g e b r u i k
De locatie 1K-1 staat kadastraal bekend als gemeente Capelle aan den IJssel, sectie E, nummer 3675. De oppervlakte van het perceel bedraagt ca. 3010 m 2. Aanvullend is sprake van een kleine overkraging van het beoogde woongebouw op perceel 3782. In !guur 2.1 en 2.2 is de situering van het plangebied weergegeven. In de huidige situatie is sprake van een braakliggend perceel zonder bebouwing. f2.1 Situering plangebied (geel).
O 16485-2-RA-001 5
f2.2 Overzicht plangebied.
2.2 V i g e r e n d b e s t e m m i n g s p l a n
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Fascinatio-Capelsebrug“, vastgesteld d.d. 25 juni 2013, alsook het paraplubestemmingsplan "Parkeren", vastgesteld d.d. 9 juli 2018. In !guur 2.3 is een uitsnede van de planverbeelding weergegeven, met daarin aangeduid de situering van het plangebied.
O 16485-2-RA-001 6
f2.3 Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan.
Het volledige plangebied is binnen het vigerende bestemmingsplan bestemd als “Bedrijf”. Binnen deze bestemming zijn onder andere bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan, alsook kantoren, maatschappelijke doeleinden en horeca (tot en met categorie 3). Ter plaatse geldt voorts de functieaanduiding "woon-werk woning", ter plaatse zijn derhalve tevens woon-werkwoningen toegestaan. Gebouwen mogen in eerste aanleg uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden. De maximale bouwhoogte bedraagt 30 meter, het maximale bebouwingspercentage 85%. Gebouwen dienen, voor zover aan de openbare weg gelegen, in de naar de openbare weg toegekeerde bouwgrenzen te worden gesitueerd. Op het perceel is daarnaast sprake van een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 1” ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in de grond. 2.3 B e o o g d g e b r u i k
Beoogd wordt in het plangebied een nieuw gebouw te realiseren met 71 woningen (koopappartementen), verspreid over 7 bouwlagen, zie ook de !guren 2.4, 2.5 en 2.6. Als doelgroepen worden met name startende jongeren en doorstromende ouderen voorzien. Het programma omvat op hoofdlijnen (met aanduiding globale, indicatieve te verwachten prijsklasse als V.O.N.-prijs prijspeil 2022): –- 1x 1-kamerappartement/studio 44 m 2 (€44 230.000 € 255.000); 1x 1-kamerappartement/studio m2 (€ –225.000 – € 250.000); 2 2 -– 15x 2-kamerappartementen 15x 2-kamerappartementen 50-60 m (€ 280.000 – € 315.000); 50-60 m (€ 285.000 – € 320.000); 2 (€ 325.000 – € 395.000); 2 -– 46x 3-kamerappartementen 46x 3-kamerappartementen 65-80 m 65-80 m (€ 335.000 – € 405.000); 5x 5-kamerappartementen > 100 m2 (€ 500.000 – € 520.000); – 5x 5-kamerappartementen > 100 m 2 (€ 510.000 –2€ 530.000); 4x woonwerkwoningen (wonen 60-65 m , werken 36-45 m2) (€ 500.000 – – 4x woonwerkwoningen (wonen 60-65 m2, werken 36-45 m2) (€ 510.000 – € 540.000); € 530.000): –- 90 autoparkeerplaatsen; 90 autoparkeerplaatsen; 296 fietsparkeerplaatsen. –- 296 !etsparkeerplaatsen. O 16485-2-RA-001 7
De bouwhoogte bedraagt met 22,0 meter minder dan de maximaal toegestane bouwhoogte van 30 meter, ook het bebouwingspercentage bedraagt minder dan de toegestane 85%. De beoogde situering van het woongebouw past niet geheel binnen het bouwvlak van het bestaande bestemmingsplan en wordt in afwijking van het bestemmingsplan niet in de naar de openbare weg toegekeerde bouwgrenzen te worden gesitueerd. De overschrijding van het bouwvlak bedraagt tussen de 2,35 en 4,35 meter. In !guur 2.4 is het bouwvlak met een paarse lijn aangegeven. Ten behoeve van een betere en een meer open/royale entree van de wijk Fascinatio (rotonde), is de positie van het bouwblok afgestemd met de voorgevellijn van de naastliggende ontwikkeling Hortus. Als gevolg hiervan is het ontwerp iets verschoven en beperkt buiten het bouwvlak gelegen aan de zuidzijde van het kavel. Door deze verschuiving ontstaat bovendien aan de zuidzijde - bij de entree van de wijk vanuit het oosten vanaf de Abram van Rijckevorselweg - een patroon van panden die steeds iets verspringen ten opzichte van elkaar, en zo als het ware meebewegen met de Abram van Rijckevorselweg. Voor het beoogde recreatieve wandelpad zoals beschreven in het RTPF, dat loopt langs de zuidgevel van 1K-1, blijft voldoende ruimte over. Tussen het bestaande voetpad en de zuidgevel van het gebouw is nog ca. 6 tot 8 meter ruimte beschikbaar.
Dat is ruim voldoende om een groene zone met een wandelpad aan te leggen die de groene recreatieve wandelroute rond de wijk versterkt. f2.4 Weergave beoogde situatie.
O 16485-2-RA-001 8
f2.5 Weergave plattegronden (indicatief).
f2.6 Aanzicht gebouw vanaf de Fascinatio Boulevard (indicatief ).
O 16485-2-RA-001 9
f2.7 3D-impressies (indicatief ).
O 16485-2-RA-001 10
3
Ruimtelijk beleidskader
3.1 R i j k s b e l e i d
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. De SVIR schetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: – de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; – de bereikbaarheid verbeteren; – zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Om deze doelen te bereiken heeft het Rijk 13 nationale belangen geformuleerd. De juridische verankering van deze nationale belangen vindt plaats in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen (zoals gede!nieerd in de SVIR) dat noodzakelijk maken.
De onderwerpen in het Barro betre!en: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke sto!en, Ecologische hoofdstructuur, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Met het rijksbeleid legt het kabinet grotere verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. De uitvoering van het beleid ligt primair bij gemeenten, terwijl voor provincies een belangrijke kaderstellende, coördinerende en controlerende taak is weggelegd. Voor het plangebied zijn geen relevante rijksbelangen aan de orde. Ladder voor duurzame verstedelijking In oktober 2012 is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. O 16485-2-RA-001 11
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren aan de hand van de ladder. Voorliggend initiatief valt binnen de de!nitie van “stedelijke ontwikkeling” en ligt in bestaand stedelijk gebied. Conform de vereisten van de Ladder dient de behoefte aan de ontwikkeling nader beschreven/gemotiveerd te worden. Hiertoe heeft de initiatiefnemer onderzoek uit laten voeren (zie bijlage [behoefteonderzoek]). In het door STEC Groep uitgevoerde onderzoek is de langetermijnprognose van de vraag naar woningen geconfronteerd met het woningaanbod in de bestaande plancapaciteit om in die vraag te voorzien. Uit de confrontatie blijkt dat er een ruime behoefte is aan woningen in de marktregio Rotterdam-Capelle voor de komende 10 jaar. Het onderzoek constateert voorts dat er kwalitatief ook met name behoefte aan appartementen, onder andere voor starters, ouderen, expats en studenten. Het plan voorziet derhalve zowel kwantitatief als kwalitatief in de behoefte aan nieuwe woningen.
Conclusie Rijksbeleid Vanuit Rijksbeleid bestaan geen belemmeringen tegen de voorgenomen realisatie van de woning. 3.2 P r o v i n c i a a l b e l e i d
Omgevingsvisie Zuid-Holland In de Omgevingsvisie beschrijft de provincie hoe zij de toekomst van Zuid-Holland voor zich ziet. De Omgevingsvisie bevat verschillende onderdelen: in de ambities wordt omschreven waar de provincie heen wil, de beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. De provincie heeft 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: e!ciënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. O 16485-2-RA-001 12
7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Omgevingsverordening Zuid-Holland Voor het in stand houden van goede omgevingskwaliteit zijn er regels nodig over wat wel en niet is toegestaan binnen de provinciegrenzen. De Omgevingsvisie Zuid-Holland is hiertoe vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland (2019). Hierin zijn de regels van de provincie over de fysieke leefomgeving ondergebracht. Voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied zijn de volgende regels van belang: Artikel 6.9: Ruimtelijke kwaliteit 1. een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; ii.
het zo nodig tre!en van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het 3 e lid; c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; ii. het zo nodig tre!en van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het 3 e lid. Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkelingen 1. een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig art. 3.1.6, lid 2 t/m 4 Bro; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha voor nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte; 2.
in de toelichting van het bestemmingsplan kan - indien een regionale visie is vastgesteld worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in art. 3.1.6, lid 2 Bro; O 16485-2-RA-001 13
3. een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen in strijd met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Conclusie provinciaal beleid Het plan is in lijn met de beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie en voldoet aan de gestelde regels in de Omgevingsverordening. Het betreft een gebiedseigen ontwikkeling in stedelijk gebied, die qua schaal past bij de omgeving. In paragraaf 3.1 is reeds getoetst dat met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in een gerichte vraag naar appartementen in de regio. Vanuit provinciaal beleid bestaan geen belemmeringen tegen de voorgenomen realisatie van de woningen. 3.3 R e g i o n a a l b e l e i d
Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030 Het regionaal akkoord maakt inzichtelijk hoe de regio Rotterdam, door middel van bijdragen van veertien gemeenten en zesentwintig corporaties en één gemeentelijk woonbedrijf, invulling geeft aan de volkshuisvestelijke opgaven binnen de regio. Beoogd wordt om het aantal woningen in de regio Rotterdam met 54.000 uit te breiden. De gemeenten en de woningcorporaties zetten zich ook in voor een betere balans van het woningaanbod in de regio. De regionale doelstellingen, zoals die zijn vastgesteld en in het Regioakkoord zijn opgenomen, betre!en: 1. De regio realiseert voldoende woningen in de totale voorraad. Concreet: de streefvoorraad bedraagt 638.300 woningen in 2030. 2. De regio realiseert voldoende woningen in de sociale voorraad. Concreet: de streefvoorraad bedraagt 322.100 sociale woningen in 2030. 3. De regio realiseert een meer evenwichtige spreiding van de sociale woningvoorraad. 4. De regio wil voldoende beschikbaarheid op lokaal niveau en een regionaal gelijkmatiger toegang tot de sociale voorraad voor huurtoeslaggerechtigden. Concreet: Op gemeentelijk niveau wordt tenminste 75% van de vrijgekomen huurwoningen van corporaties met een huurprijs onder de liberalisatiegrens toegewezen aan de primaire doelgroep (huurtoeslaggerechtigden). 5.
De regio wil voldoende betaalbare woningen met een huur onder de bovenste aftoppingsgrens, zijnde € 640,-, prijspeil 2018, op lokaal niveau en meer balans van deze voorraad in de regio. Concreet: Op gemeentelijk niveau een sociale huurvoorraad van de corporaties die voor tenminste 70% bestaat uit woningen met een huurprijs tot de bovenste aftoppingsgrens. Conclusie regionaal beleid Het plan past binnen de door de regio gestelde beleidskader. Zoals reeds in paragraaf 3.1 uitgewerkt werd, wordt er met de beoogde ontwikkeling voorzien in een gerichte vraag naar
O 16485-2-RA-001 14
appartementen in de regio. Vanuit regionaal beleid bestaan geen belemmeringen tegen de voorgenomen realisatie van de woningen. 3.4 G e m e e n t e l i j k b e l e i d
Stadsvisie De stadsvisie "Capelle; stadsdorp tussen IJssel, stad en groen" (vastgesteld september 2021) vormt een brede toekomstvisie op de leefomgeving voor Capelle gericht op ruimte, maatschappij en veiligheid. Het geeft een antwoord op hoe Capelle er in 2040 uit ziet. De stadsvisie is ook omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. f3.1 Visiekaart Stads Capelle.
Voor de buitenranden van Fascinatio wordt een gemengd stedelijk milieu voorzien, waarmee voor het plangebied een ander accent gezet wordt dan in de structuurvisie uit 2013.
O 16485-2-RA-001 15
Programma Wonen 2019‐2022 Het Programma Wonen 2019-2022 ‘Thuis in een veelzijdige woonstad’ is in 2019 door de gemeenteraad van Capelle aan den IJssel vastgesteld. Het Programma Wonen is rond vier pijlers opgebouwd: − Pijler 1: Duurzaam wonen met kwaliteit Capelle aan den IJssel is een gemeente in transitie. Om de toekomstbestendigheid van onze gemeente te waarborgen ligt onze focus steeds meer op het verduurzamen en verbeteren van de kwaliteit van onze woningvoorraad en het benutten van duurzame ontwikkelingsmogelijkheden. − Pijler 2: Voor iedereen een (t)huis Wij vinden het belangrijk dat de verschillende doelgroepen in Capelle aan den IJssel een huis hebben of kunnen vinden, waar zij zich thuis voelen. Het uitgangspunt is dat het aanbod van woningen in eerste instantie zo veel mogelijk aansluit bij de woonwensen van de Capellenaren. Mogelijkheden om de woningvoorraad uit te breiden zijn beperkt! We moeten wel realistisch blijven over welke doelgroepen wij iets kunnen bieden. − Pijler 3: Wonen met zorg en welzijn Capelle aan de IJssel vergrijst in sterke mate. Daarnaast zien we de ontwikkeling van extramuralisering verder doorzetten. Onze wijken bieden een thuis aan een toenemend aantal mensen uit kwetsbare groepen. Dit betekent dat er steeds meer inwoners van Capelle aan den IJssel een beroep (gaan) doen op wonen met zorg.
Dit heeft niet alleen invloed op de zorg, maar stelt dus ook voorwaarden aan het woonaanbod. − Pijler 4: Samen wonen in de wijk Bewoners maken de wijk. Samen met onze inwoners en partners, zoals Havensteder, werken we aan buurten waar het prettig wonen is. Capelle aan den IJssel heeft een traditie in het betrekken van bewoners bij de ontwikkeling van Gebiedsvisies, wijkvisies en plannen in de buurten. Wij stimuleren onze inwoners om mee te praten, maar ook om mee te doen. Echter op een prettige manier samen leven in de wijk gaat niet altijd vanzelf. Dit betekent soms dat er extra aandacht en inzet nodig is om de leefbaarheid in buurten en wijken te borgen. Vanuit de 4 pijlers volgen zes strategische speerpunten die prioriteit krijgen: 1. Toekomstbestendig ontwikkelen 2. Stadstransitie via herstructurering en transformatie van gebieden en gebouwen 3. Consolideren, spreiden en vernieuwing van de sociale woningcorporatie huurwoningen voorraad 4. Vergroten huisvestingsmogelijkheden voor jongeren (18 tot 27 jaar) en vergroten huisvestingsmogelijkheden voor ouderen in de AOW-gerechtigde leeftijd 5. Vergroten huisvestingsmogelijkheden voor bijzondere doelgroepen 6.
Vernieuwende inzet op leefbaarheid in wijken Programma Duurzaamheid 2019‐2022 Het Programma Duurzaamheid 2019-2022 ‘Slim op weg naar een duurzaam Capelle’ is in 2019 door de gemeenteraad van Capelle aan den IJssel vastgesteld.
O 16485-2-RA-001 16
Het Programma Duurzaamheid is opgebouwd vanuit drie pijlers: − Energietransitie: het tegengaan van klimaatverandering door de uitstoot van CO 2 te verlagen. Dit doen we door de vraag naar energie te verkleinen via besparing en de opwekking van energie te verduurzamen. − Klimaatadaptatie: het klimaat verandert. Daarom passen we ons aan om de gevolgen van (versnelde) klimaatverandering op te vangen en de schade en overlast zoveel mogelijk te beperken. Hiervoor richten we onze leefomgeving klimaatbestendig in. − Circulair economie: het omvormen van ons economisch systeem waarin we grondsto!en niet uitputten en reststo!en opnieuw gebruiken in het productieproces. We werken aan vermindering van afvalstromen, hergebruik van reststo!en en gebruik van hernieuwbare grondsto!en. Ruimtelijk Toekomst Perspectief Fascinatio De wijk Fascinatio is een relatief jonge wijk in de gemeente Capelle aan den IJssel. De wijk is in een mixvorm van wonen en werken opgezet, waarbij wonen met name in de binnenring plaatsvindt en werken in de buitenring. De binnenring van de wijk is volledig gerealiseerd, de buitenring nog niet. De aldaar geplande kantoorfuncties zijn in verband met een gebrek aan vraag niet volledig ontwikkeld. In het ruimtelijk toekomstperspectief (december 2021) wordt ingegaan op hoe Fascinatio er over 10 jaar ruimtelijk uit kan zien en hoe dit bereikt kan worden.
Er wordt daarbij speci!ek gekeken naar de invulling van de zogenaamde poortkavels bij de entree van de wijk. In het RTPF worden vier belangrijke onderdelen uitgelicht, namelijk: − Een goede balans van wonen en werken in de buitenring; − Regie op mobiliteit, parkeren en ontsluiting; − De groene beleving wordt versterkt en − De entree van de wijk krijgt een hoogwaardige uitstraling. 1. Een gemengde buitenring Fascinatio wordt een prettige stadswijk voor jong en oud. Binnen de wijk kunnen mensen wooncarrière maken. Jongeren kunnen makkelijker dan nu het geval is een betaalbare woning in de wijk vinden. Doordat er nu ook wonen in de buitenring is gekomen kan de buitenring een gemengder beeld krijgen waarin zowel gewoond als gewerkt wordt. Zowel vanuit het wonen als vanuit het werken liggen er kansen voor het afmaken van de buitenring. Het toevoegen van woningen zorgt voor een evenwichtigere verhouding tussen wonen en werken in de buitenrand. Het wonen gericht op jongeren, ouderen en/of wonen met zorg ligt het meest voor de hand. 2. Regie op mobiliteit, parkeren en ontsluiting Fascinatio wordt een goed bereikbare wijk. Om de ontsluiting, parkeer- en !leproblematiek te verlichten worden de metrostations veel beter benut.
Dit doen we door het aanbieden van goede verbindingen voor voetgangers en !etsers naar de metrostation en goede stallingsvoorzieningen, zodat de reis met de metro zo comfortabel en laagdrempelig O 16485-2-RA-001 17
mogelijk wordt en (metrostations als ‘mobiliteitshub’). In de wijk zijn openbaar vervoer, vervoer op afroep en deelauto’s beschikbaar. 3. Groene beleving versterkt Fascinatio wordt in 2030 een duurzame wijk die meegaat in de transitie van Capelle. Daarin heeft het stenige beeld plaats gemaakt voor een beeld van een groenere wijk. De biodiversiteit is door meer en ander groen vergroot. Het is mogelijk om een wandeling te maken in de groene ring die rond heel de wijk toegankelijk wordt gemaakt. 4. Entrees met uitstraling De laatste twee vrije kavels bevinden zich bij de entree van de wijk en zijn daarmee extra belangrijk. Deze locaties zijn als het ware de poort van de wijk. Dit betekent dat deze locaties ook het uitnodigende karakter moeten hebben van een entree en zullen zo de kwaliteit van de wijk uitstralen. Deze poortfunctie stelt dan ook eisen aan onder andere de bouwmassa, de manier waarop het parkeren uit het zicht wordt opgelost, het programma en het open karakter van de gevels en de kwaliteit van architectuur. De beoogde uitstraling op de hoekkavels is van hoogwaardige kwaliteit in uiterlijke vormgeving, waarbij hoogte een belangrijk uitgangspunt is. f3.2 Visiekaart Fascinatio.
O 16485-2-RA-001 18
f3.3 Visiekaart Poortkavels.
De acties zoals omschreven in de RTPF ten aanzien van de ontwikkeling van woningbouw zijn als volgt: − De programmaverdeling, zoals deze bij de opzet van de wijk is vastgesteld hebben we losgelaten waardoor ook in de buitenring woningen zijn toegestaan. Deze trend zetten we door. − We toetsen woningbouwplannen aan het woonbeleid van de gemeente, waarmee de 85/15 verdeling voor vrije sector/sociale woningbouw wordt losgelaten. − We zetten speci!ek in op wonen voor jongeren, ouderen en bijzondere woonvormen. − We hebben aandacht voor de behoefte aan koopappartementen. − We gaan terughoudend om met transformaties van bestaande bedrijven en kantoren (behoud bedrijfslocaties). − We onderzoeken of het Parkmanagement Fascinatio geactiveerd moet worden. − De maatschappelijke voorzieningen worden voor de wijk behouden en groeien met de wijk mee. Conclusie gemeentelijk beleid De voorgenomen herbestemming van de woningen past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. De ontwikkeling voorziet in een duurzaam gebouw dat qua schaal aansluit op de omgeving en ruimtelijke kwaliteit toevoegt aan het gebied, alsook voorziet in de grote behoefte naar woningen in de regio Rotterdam-Capelle. Het plan voldoet aan het in de stadsvisie beoogde "gemengd stedelijk milieu". Onderstaand wordt het plan getoetst op basis van de 4 basisprincipes van het RTPF. O 16485-2-RA-001 19
In het RTPF worden vier belangrijke onderdelen uitgelicht, namelijk: Een goede balans van wonen en werken in de buitenring: − het plan voor Fascinatio kavel 1K-1 voorziet in woningen door middel van appartementen en bedrijvigheid door middel van 4 woon-werkwoningen in de plint van het gebouw. Hiermee is het een bijzondere aanvulling van kleinschalig werkprogramma in de buitenring van Fascinatio; − het plan voorziet in een goede mix van grotere en kleinere woningen voor verschillende doelgroepen, onder andere startende jongeren en doorstromende ouderen; − ondersteunende noodzakelijke functies als techniek, berg- en stallingsruimten zijn fraai geïntegreerd in de architectuur alsmede de groene inrichting. Regie op mobiliteit, parkeren en ontsluiting: − de huidige in- en uitrit voor 1K-1 blijft gehandhaafd. Het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor auto's en !etsen; − we stimuleren andere modaliteiten (keuzevrijheid) voor bewoners, door de !etsparkeerplekken goed bereikbaar te maken en onderdeel van de dagelijkse routine van bewoners. Zo kan de auto vaker blijven staan.
De groene beleving versterkt: Groene beleving van het plan 1K-1 wordt verstrekt door de volgende aspecten: − voldoende ruimte aan de zuidkant van het gebouw voor een 'groene' wandelroute; − stedenbouwkundig is het plan omzoomd met een haag, zodat het een fraaie uitstraling heeft naar de omgeving; − enkele parkeerplekken worden worden opgeo!erd, zodat bomen in de volle grond kunnen groeien, zodat er een positief e!ect ontstaat voor de lokale biodiversiteit, alsmede een groene uitstraling; − aan de noord-, west- en zuidzijde van het object worden snelle & langzame klimmers geplant, die langs de gevel omhoog zullen groeien. Hierdoor krijgen de eerste twee verdiepingen rondom een groene(re) uitstraling en de zuidgevel krijgt op 4 plaatsen een gaas waardoor het groen tot en met de 5e verdieping kan groeien; − de binnentuin krijgt bijzondere aandacht met extra groen en zitplekken voor bewoners. Ook hier komen bomen in de volle grond. 1 in de parkeergarage en 1 minder grote boom op de 1e verdieping in een groene en ruime plantenbak, die ook dienst doet als zitjes en ontmoetingsplek voor bewoners; − op de daken worden zonnepanelen voorzien voor een duurzaam gebouw. De entree van de wijk krijgt een hoogwaardige uitstraling: − het gebouw heeft een poortfunctie voor de hele wijk en is dusdanig conform het BeeldKwaliteitsPlan ontworpen.
De steenkleur en de stijl van de architectuur zijn hierop aangepast (jaren 30); − de hoofdmassa maakt een duidelijk gebaar door middel van een overstek met een klassieke boog op de hoek van de rotonde, zodat de entree van het gebouw direct zichtbaar is voor bezoekers en passanten; O 16485-2-RA-001 20
− hierdoor is de uitstraling niet alleen hoogwaardig, maar door de vormgeving past deze ook bij de gewenste stijl van het BKP; − het plan is aangepast en afgestemd op de zichtlijnen die worden benoemd in het RTPF: − een zichtlijn aan de oostzijde tussen Hortus en 1K-1 van ca. 17 meter breed, en − een zichtlijn op de rotonde met erachter de vijver vanaf de braingate building − de uitnodigende plint conform RTPF is vormgegevens als dubbelhoge fraaie puien, zodat de plint 6 meter hoog lijkt; − het gebouw krijgt aan de westzijde een extra verdieping, om de entree van de wijk met een hoogteaccent te benadrukken conform het RTPF. Het woningbouwplan 1K-1 voldoet hiermee aan de 4 basisprincipes van het RTPF.
O 16485-2-RA-001 21
4
Omgevingsaspecten
4.1 M i l i e u e ! e c t r a p p o r t a g e
Om vorm te geven aan het voorkomen van verontreiniging en aantasting van het milieu bij de realisatie van “grotere” plannen, is het instrument milieue!ectrapportage (m.e.r.) ontwikkeld. M.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of een activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Als dat zo is moet een m.e.r.procedure worden doorlopen. In het Besluit milieu-e!ectrapportage 1994 is omschreven wanneer een m.e.r.–procedure of een m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. In onderdeel C en D van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. (de ‘C- en D-lijst’) is per categorie van activiteiten een drempelwaarde gegeven. Als de activiteit groter is dan de drempelwaarde in de C-lijst moet er altijd een m.e.r.-procedure doorlopen worden. De activiteit is dan direct m.e.r.-plichtig. Boven de drempelwaarde in de D-lijst is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht voor besluiten en m.e.r.-plicht voor plannen die kaderstellend zijn. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag motiveren of een MER al dan niet nodig is (de zogenaamde “vormvrije m.e.r.-beoordeling”). Woningbouw valt binnen categorie D11.1 van het Besluit m.e.r.: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen", waarbij een drempelwaarde van toepassing is van 100 hectare of 2000 woningen.
Het plangebied omvat minder dan 1 hectare en 71 woningen, derhalve aanzienlijk minder dan de drempelwaarde van 100 hectare of 2000 woningen. Bij de m.e.r.-beoordeling staat centraal of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden. Conform bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. vindt de beoordeling plaats aan de hand van vier hoofdcriteria: – de kenmerken van de activiteiten (omvang, verontreiniging en hinder); – de locatie waar de activiteit plaatsvindt (kwetsbaarheid grondgebruik, landschap, bevolkingsdichtheid); – de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben (bereik, grootte, complexiteit, duur, omkeerbaarheid van het e!ect); – de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie met andere projecten). In voorliggende ruimtelijke onderbouwing zijn de kenmerken van het project en van de locatie gepresenteerd. De milieugevolgen van deze wijzigingen zijn inzichtelijk gemaakt, onder andere in de navolgende paragrafen die nader ingaan op onder andere geluid, luchtkwaliteit, veiligheid etc.). Er blijkt geen sprake te zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen.
O 16485-2-RA-001 22
Op basis van de gepresenteerde informatie omtrent kenmerken van het project, de plaats van het project en de potentiële e!ecten van het project kan gesteld worden dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Een MER is dan ook niet nodig. 4.2 V e r k e e r e n p a r k e r e n
Door Goudappel Co!eng is een onderzoek uitgevoerd inzake verkeer en parkeren. Het onderzoek is bijgevoegd in de bijlage [verkeer en parkeren]. Verkeersaantrekkende werking Het plangebied wordt ontsloten via de Fascinatio Boulevard. Uit het onderzoek van Goudappel Co!eng blijkt dat de totale verkeersgeneratie van het plan ca. 453 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Dit is lager dan de te verwachten verkeersgeneratie van de realisatie van een kantoor op deze locatie zoals het bestemmingsplan thans toestaat (492 tot 740 motorvoertuigen per etmaal, afhankelijk van het soort kantoor -met of zonder baliefunctie-). Ook is in geval van woningen sprake van een betere spreiding van het verkeer over de dag en is er minder verkeersdruk in de ochtend- en avondspits. De vergelijking tussen de verkeersgeneratie van een kantorenprogramma en het woonprogramma op deze locaties is in meer detail in de bijlage [verkeer en parkeren] bijgevoegd. Parkeren Sinds de vaststelling in juli 2018, dienen alle nieuwbouwontwikkelingen getoetst te worden aan het paraplubestemmingsplan “Parkeren” van de gemeente Capelle aan den IJssel. Uitgaande van de parkeerkentallen die in dit parkeerbeleid opgenomen zijn bedraagt de parkeervraag -zonder maatwerk- 95 parkeerplaatsen.
In het paraplubestemmingsplan staan criteria genoemd op basis waarvan in speci!eke situaties kan worden afgeweken van de vastgestelde parkeernormen. Het is aannemelijk om voor de starterswoningen in deze ontwikkeling uit te gaan van een correctie op de gemeentelijke parkeernorm. De gemeentelijke parkeernorm voor starterswoningen geldt namelijk voor alle woningen onder 100 m 2 bvo. Dat betekent dat de norm representatief is voor alle type huishoudens binnen deze functiecategorie. De starterswoningen zijn met name geschikt voor een- en tweepersoonshuishoudens, door het ontbreken van een separate- of tweede slaapkamer en de beperkte omvang van circa 45 tot 60 m 2. Daarom is een analyse gemaakt van de relatie tussen de huishoudsamenstelling en het autobezit. Daaruit blijkt dat het gemiddelde autobezit van een- tot tweepersoonshuishoudens 80% is van het gemiddelde autobezit van alle type huishoudens. Het uitgangspunt voor de maatwerkberekening is daarom 80% van de desbetre!ende gemeentelijke parkeernorm voor bewoners. Ook voor bezoekers van de kleinere starterswoningen is het waarschijnlijk dat het autogebruik lager ligt dan gemiddeld voor alle doelgroepen, en dat deze doelgroep vaker gebruik zal maken van het !etsnetwerk en de nabije voorzieningen voor openbaar vervoer. O 16485-2-RA-001 23
Daarom is in de maatwerkberekening van het benodigd parkeeraanbod uitgegaan van een bezoekersaandeel van 0,2 in plaats van 0,3 parkeerplaats per woning. In !guur 4.1 is de parkeerbalans opgenomen. Uit de parkeerbalans blijkt dat -inclusief maatwerk- sprake is van een parkeervraag van 90 parkeerplaatsen. f4.1 Parkeerbalans.
Binnen het plangebied worden 90 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee aan de parkeervraag voldaan wordt. Parkeren vindt plaats op maaiveld, deels in de halfopen parkeergarage. De parkeerplaatsen -zowel op maaiveld als in de gebouwde parkeervoorziening- zijn vrij toegankelijk (niet afgesloten) voor bewoners en bezoekers. De parkeerplaatsen worden niet toegewezen aan speci!eke woningen of bewoners. Fietsparkeren De hoeveelheid benodigde !etsparkeerplekken is bepaald op basis van de "Amsterdamse bouwbrief". Conform de Amsterdamse bouwbrief moeten de woningen >100 m 2 5 plekken krijgen, woningen 75-100 m 2 4 plekken, woningen 50-75 m 2 3 plekken en woningen <50 m 2 2 plekken per woning, tenzij ze een externe berging hebben. De aldus berekende parkeerbehoefte bedraagt 258 !etsparkeerplekken, zie de berekening in de bijlage [verkeer en parkeren]. Het plan voorziet in 284 !etsparkeerplekken. Aanvullend worden buiten het gebouw nog 12 !etsparkeerplekken gerealiseerd voor bezoekers. 4.3 B e d r i j v e n e n m i l i e u z o n e r i n g
Inleiding Milieuzonering is een hulpmiddel om ervoor te zorgen dat nieuwe bedrijfsactiviteiten een passende locatie in de nabijheid van gevoelige bestemmingen krijgen, en anderzijds O 16485-2-RA-001 24
gevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering geeft richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geluid, geur, stof en gevaar voor een scala aan typen bedrijvigheid. Met behulp van deze richtafstanden kan een eerste indicatie verkregen worden van de inpasbaarheid van een initiatief op een bepaalde locatie. Voorliggende situatie In voorliggende situatie is sprake van een gemengd woonwerkgebied, waarin verschillende bestemmingen samenkomen. Zo zijn binnen Fascinatio bedrijven toegestaan tot en met milieucategorie 3.1(richtafstand 30 meter), ligt aan de overzijde van de afrit van de Abram van Rijckevorselweg een kantorencomplex (richtafstand 10 meter) en is ook een tankstation 1 (richtafstand 10 meter) nabijgelegen. Op wat grotere afstand van het plangebied is bedrijventerrein Rivium gelegen, waar -enkele uitzonderingen op grote afstand van het plangebied daargelaten, zoals de waterzuiveringsinstallatie en een windturbinebedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.1 (richtafstand 30 meter) is toegestaan. Geen van de genoemde richtafstanden geeft een hindercirkel die overlapt met het plangebied. N.B. Formeel kent het direct naastgelegen perceel aan de oostzijde ook een bedrijfsbestemming met een richtafstand van 30 meter, waardoor de bijbehorende hindercirkel over het plangebied ligt.
Op dit perceel is echter in 2021 een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een woongebouw (plan "Hortus"), waardoor hier geen sprake is van wederzijdse belemmeringen. Verwacht mag derhalve worden dat ter plaatse van de nieuwe woningen voor wat betreft omliggende bedrijvigheid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4 G e l u i d
Inleiding Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij een ruimtelijke planontwikkeling ter waarborging van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat rekening te worden gehouden met het aspect wegverkeerslawaai. Voorliggende situatie Het plangebied ligt binnen de zone van de Abram van Rijckevorselweg, Rivium Bouelvard en Fascinatio Boulevard. De optredende geluidbelasting vanwege deze wegen ter plaatse van de nieuwe woningen is onderzocht middels akoestisch onderzoek, zie de bijlage [geluid]. Uit het onderzoek blijkt dat vanwege alle drie genoemde wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden bij de woningen. Om deze reden zijn aanvullende maatregelen in het ontwerp opgenomen:
1 In het verleden werd door dit tankstation ook LPG verkocht. De verkoop van LPG door het tankstation is echter beëindigd. O 16485-2-RA-001 25
− vanwege de Fascinatio Boulevard is sprake van een geluidbelasting tot 54 dB. De woningen aan deze zijde hebben aan het binnenterrein van het plan een geluidluwe zijde. − vanwege de Rivium Boulevard is sprake van een geluidbelasting tot 55 dB. De woningen aan deze zijde hebben een verglaasde buitenruimte en hebben aan het binnenterrein van het plan een geluidluwe zijde. − vanwege de Abram van Rijckevorselweg is sprake van een geluidbelasting tot 59 dB. De woningen aan deze zijde worden afgeschermd door een deels verglaasde galerij en hebben aan het binnenterrein van het plan een geluidluwe zijde en een geluidluwe buitenruimte. Vanuit akoestisch oogpunt is daarmee sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Wel dienen Burgemeester en Wethouders een "hogere waarde" vast te stellen. Conclusie Er bestaan voor wat betreft geluid geen belemmeringen voor de planvorming. 4.5 L u c h t k w a l i t e i t
Inleiding Een aantal sto!en die in de lucht kunnen voorkomen hebben na inademing een schadelijk e!ect op de gezondheid. Het gezondheidse!ect is afhankelijk van de aard van de stof, de concentratie van de stof en de blootstellingsduur. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer (Wm). In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor de concentraties !jn stof, stikstofdioxide, benzeen, zwaveldioxide, koolmonoxide en lood in de buitenlucht. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer bepaalt dat bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit kunnen uitoefenen, indien: – uitoefening niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden, of – bij uitoefening de concentratie in de buitenlucht van de betre!ende stof per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of – bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetre!ende stof bij uitoefening, door een met die uitoefening samenhangende maatregel de luchtkwaliteit per saldo verbetert, of – uitoefening niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van luchtverontreinigende sto!en in de buitenlucht, of – uitoefening is genoemd in een vastgesteld programma (Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit, NSL) dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden.
Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging, indien de bijdrage minder bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor O 16485-2-RA-001 26
stikstofdioxide (NO2) en !jn stof (PM10). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die per de!nitie niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij woningbouwlocaties tot 3000 woningen. Ook voorliggende realisatie van 71 woningen is derhalve NIBM. Luchtkwaliteit in het plangebied De optredende jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO 2), !jn stof (PM 10) en zeer !jn stof (PM2,5) bedragen (op grond van de Monitoringstool NSL) in 2020 nabij het plangebied respectievelijk 28 g/m 3, 20 g/m3 en 12 g/m 3, derhalve ruimschoots lager dan de grenswaarden van 40, 40 en 25 g/m 3. Ten aanzien van de luchtkwaliteit is in het plangebied dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie De wijzigingen binnen het plangebied dragen niet in betekenende mate bij aan de concentratie van luchtverontreinigende sto!en in de buitenlucht. Voorts is in het plangebied ten aanzien van luchtkwaliteit sprake van een goed woon- en leefklimaat. Er bestaan derhalve voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen voor de planvorming. 4.6 E x t e r n e v e i l i g h e i d
Inleiding Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van risicovolle activiteiten, zoals met gevaarlijke sto!en. In dit kader kunnen bijvoorbeeld nabij het plangebied gelegen wegen en inrichtingen van belang zijn. Ten behoeve van de bepaling van het externe risico worden twee risicomaten gehanteerd, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een ‘denkbeeldig’ persoon, die zich een jaar lang op een bepaalde locatie bevindt in de omgeving van de activiteit met gevaarlijke sto!en, komt te overlijden als een direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke sto!en. Voor het plaatsgebonden risico geldt dat kwetsbare objecten zoals woningen en zorginstellingen niet zijn toegestaan binnen de 10 -6 contour. De contouren worden berekend aan de hand van met name stofeigenschappen zoals giftigheid en brandbaarheid. Ook zijn locatiespeci!eke eigenschappen van belang (hoogteligging, wissels, overgangen e.d.). Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van een gegeven aantal personen komt te overlijden in de omgeving van de activiteit met gevaarlijke sto!en als een direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke sto!en. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een factor van de zogenaamde oriëntatiewaarde.
Inventarisatie In de omgeving van het plangebied zijn enkele risicobronnen aanwezig. De rijksweg A16 is als onderdeel van het Basisnet een aangewezen route voor het transport van gevaarlijke sto!en. Over de Abram van Rijckevorselweg (N210) is ook sprake van transport van
O 16485-2-RA-001 27
gevaarlijke sto!en, het gaat voor deze weg om een beperkt aantal transporten in de categorie GF3 (LPG). Nabij het plangebied ligt voorts een tankstation waar in het verleden ook LPG verkocht werd. De verkoop van LPG is echter beëindigd (en de vergunning hiervoor ingetrokken). Vanwege de aanwezigheid van risicobronnen is een onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in de bijlage [externe veiligheid]. N.B. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is op de planlocatie reeds bij recht een fors kantorenprogramma toegestaan. Uitgaande van de bouwmogelijkheden op het perceel (bouwvlak, bebouwingspercentage, bouwhoogte) is ca. 15.000 m 2 bvo aan kantoor mogelijk. In het externe veiligheidsonderzoek is voor de bestaande situatie uitgegaan van een wat kleiner kantorenprogramma (5.250 m 2, vergelijkbaar met de oppervlakte van het woningbouwplan. Uit het onderzoek blijkt dat de plaatsgebonden 10 -6-contour 0 meter bedraagt. Het groepsrisico bedraagt in de bestaande situatie –dus inclusief kantorenprogramma in het plangebied- ca. 1,20x de oriëntatiewaarde. Het plangebied zelf draagt zeer beperkt bij aan het groepsrisico, de grote kantorenlocaties direct naast de Abram van Rijckevorselweg (N210) zijn maatgevend voor de omvang van het groepsrisico. In de toekomstige situatie, met woningbouw in het plangebied, bedraagt het groepsrisico ca.
1,18x de oriëntatiewaarde. De realisatie van het bouwplan leidt derhalve niet tot een verhoging van het groepsrisico, er is sprake van een (geringe) verlaging van het groepsrisico. Uit het voorgaande blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van de beoogde ontwikkeling vanwege vervoer van gevaarlijke sto!en over de N210 in zowel de huidige als de toekomstige situatie hoger is dan de oriëntatiewaarde. Conform artikel 8 lid 1 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) dient een dergelijke oriëntatiewaarde verantwoord te worden. In het onderzoek is een onderbouwing gegeven welke maatregelen in het project zijn getro!en teneinde de risico's zoveel mogelijk te reduceren/beheersen. Het gaat dan om aspecten zoals ruimtelijke inrichting, bouwkundige maatregelen, zelfredzaamheid, hulpverlening en organisatorische mogelijkheden. Inzake de verantwoording van het groepsrisico dient advies te worden ingewonnen bij de veiligheidsregio/brandweer. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een groepsrisico hoger dan de oriëntatiewaarde, maar dat geen sprake is van een toename van dit risico. Inzake de verantwoording van het groepsrisico dient advies te worden ingewonnen bij de veiligheidsregio/brandweer.
O 16485-2-RA-001 28
4.7 B o d e m k w a l i t e i t
Inleiding Het bodembeleid in Nederland gaat uit van het optimaliseren van het bodemgebruik, waarbij het principe geldt dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie: de geprojecteerde bestemming bepaalt de minimum-bodemkwaliteit. Voorgeschiedenis locatie Het plangebied maakt deel uit van de voormalige baggerspecieloswal Rivium-Noord. Uit onderzoek blijkt dat het gestorte materiaal sterk verontreinigd is met zware metalen, polycyclische aromatische koolwatersto!en, vluchtige aromatische koolwatersto!en, vluchtige organochloorverbindingen, polychloorbifenylen, organochloorbestrijdingsmiddelen en minerale olie. Als gevolg hiervan is ook het grondwater verontreinigd met genoemde sto!en. Om de locatie geschikt te maken voor de destijds beoogde bestemming (bedrijvigheid), is een lee!aag van schoon zand aangebracht met daaronder een drainagelaag. Het plan wordt gebouwd in/op de lee!aag, de onderliggende verontreinigde laag wordt niet afgegraven of dergelijke. Uitsluitend de heipalen zullen in de onderliggende laag uitkomen. Hieraan zijn bij de grondoverdracht in 2004 reeds voorwaarden verbonden voor wat betreft het voorkomen van vermenging van de afdeklaag en de sliblaag en de betonsamenstelling van toe te passen heipalen/constructiedelen. Deze voorwaarden zullen worden gerespecteerd.
Voorliggende situatie Ten behoeve van de planvorming is een verkennend bodemonderzoek bodem uitgevoerd (zie bijlage [bodemonderzoek]). Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de onderzoekslocatie tot ten minste 1,3 meter onder maaiveld sprake is van een zintuiglijk schone zandlaag. In één van de bodemmonsters is een lichte verhoging met cadmium en PCB aangetro!en. De aangetoonde achtergrondwaardeoverschrijdingen zijn echter dermate licht dat deze wat betreft de volksgezondheid en de functionaliteit van de bodem geen gevolgen zal hebben. Het instellen van vervolgmaatregelen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. Conclusie Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit in het plangebied naar verwachting voldoet aan de eisen die gesteld worden voor de functie 'wonen'. Er bestaan derhalve voor wat betreft bodemkwaliteit geen belemmeringen voor de planvorming.
O 16485-2-RA-001 29
4.8 W a t e r
Inleiding Het Nederlands waterbeleid streeft naar het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. De relatie tussen water en ruimtelijke ordening wordt dan ook steeds belangrijker. Op bestemmingsplanniveau is de watertoets het belangrijkste middel voor waterbeheer. Watertoets Uitgangspunt van de watertoets is dat ruimtelijke ingrepen geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de waterhuishouding. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige thema’s: veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging. Onderstaand worden de plannen beoordeeld voor wat betreft waterkwantiteit (veiligheid en overlast) en waterkwaliteit. Waterkwantiteit De waterkwantiteitsopgave in verband met de voorgenomen ontwikkeling heeft met name betrekking op een eventuele vergroting van het verharde oppervlak. Dit zou negatieve gevolgen kunnen hebben voor de bestaande waterhuishouding op het terrein. Voor het waterschap en de gemeente is hydrologisch neutraal ontwikkelen een speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied. In de huidige situatie is het op grond van het bestemmingsplan reeds mogelijk tot 85% van het plangebied te bebouwen.
Het voorliggende plan voorziet in een bebouwing/verharding van minder dan deze 85%. Uitgaande van de feitelijke situatie neemt het verhard oppervlakte wel toe. De watercompensatie heeft reeds plaatsgevonden binnen het peilgebied voor het gehele bedrijventerrein tijdens het bouwrijp maken (raamvergunning 2001/399). Huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd middels een aansluiting op het bestaande rioleringssysteem. Waterkwaliteit Om verontreiniging van bodem en water te voorkomen zal bij de bouwactiviteiten gebruik worden gemaakt van duurzame bouwmaterialen die niet uitlogen. Conclusie Uit de uitgevoerde watertoets blijkt dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding (hydrologisch neutrale herontwikkeling). Er bestaan derhalve voor wat betreft wateraspecten geen belemmeringen voor de planvorming.
O 16485-2-RA-001 30
4.9 A r c h e o l o g i e e n c u l t u u r h i s t o r i e
Inleiding In het door Nederland gerati!ceerde ‘Verdrag van Malta’ (1992) van de Raad voor Europa, is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. De Nederlandse implementatie van dit verdrag is thans geregeld via de Erfgoedwet. Bij vaststelling van ruimtelijke plannen dient op grond van deze wet rekening gehouden te worden met de in/op de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten. Archeologische verwachtingswaarde Het plangebied is in het bestemmingsplan “Fascinatio-Capelsebrug” aangewezen als een gebied met een archeologische verwachtingswaarde. Ter plaatse van deze dubbelbestemming (Archeologische Verwachtingswaarde 1) is het gemeentelijk archeologisch beleid van toepassing. Ontwikkelingen die dieper gaan dan 2 meter beneden NAP over een oppervlakte groter dan 100 m² kunnen archeologische waarden aantasten. Op het perceel is een lee!aag aangebracht (zie paragraaf 4.7). Deze mag niet worden aangetast. De grondwerkzaamheden die ten behoeve van de realisatie van het plan worden uitgevoerd, zullen dan ook niet dieper reiken dan 2 meter beneden NAP, met uitzondering van de heipalen en de liftput. Er zullen ca. 205 heipalen van ca. 0,4 x 0,4 meter toegepast worden, die door de lee!aag zullen steken, in totaal derhalve ca. 33 m 2, en een liftput van ca. 10 m2. Gezamenlijk blijven deze oppervlaktes dus ruim onder de 100 m 2.
Cultuurhistorie In en om het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden. Er is dan ook geen sprake van eventuele aantasting van cultuurhistorische waarden. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot verstoring van de bodem die dieper gaan dan 2 meter beneden NAP over een oppervlakte groter dan 100 m². Nader archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Er bestaan voor wat betreft archeologie geen belemmeringen voor de planvorming. 4.10 N a t u u r
Inleiding Borging van ecologische aspecten in de ruimtelijke ordening volgt twee sporen, die via de Wet natuurbescherming (Wnb) geregeld zijn: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Beschermde gebieden zijn Natura2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) en ecologische verbindingszones. Ruimtelijke ingrepen mogen in eerste aanleg geen negatieve gevolgen hebben voor de beschermde gebieden.
O 16485-2-RA-001 31
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen beschermde gebieden gelegen. Gronden behorende tot het NNN liggen op meer dan 1,5 kilometer van het plangebied, het dichtstbijgelegen Natura2000-gebied is Boezems Kinderdijk op ca. 7 kilometer van het plangebied. In relatie tot het Natura2000-gebied is met name de stikstofdepositie van belang. Stikstofdepositie kan zowel tijdens de bouwfase als gebruiksfase optreden. De bouwfase is door de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 vrijgesteld van de natuurvergunning en kan bij de beoordeling van de e!ecten dus buiten beschouwing worden gelaten. Voor wat betreft de gebruiksfase is voor een gasloos woningbouwplan uitsluitend de stikstofdepositie vanwege het verkeer van en naar het plangebied van belang. De stikstofdepositie van deze verkeersgeneratie is berekend met behulp van de hiertoe voorgeschreven rekenmethode AERIUS. De AERIUS-berekening is toegevoegd in de bijlage [AERIUS]. Uit de berekening blijkt dat de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/hectare/jaar in Natura2000-gebieden. Volledigheidshalve is ook getoetst op kortere afstand van het plangebied (in dit geval op 2 kilometer afstand), ook hier bedraagt de stikstofdepositie 0,00 mol/hectare/jaar, er is derhalve geen sprake van een relevante stikstofdepositie in natuurgebieden.
Soortenbescherming In Nederland komen zo'n 36.000 dier- en plantensoorten voor. Ongeveer 500 soorten zijn beschermd volgens de Wnb. De Wnb beschermt soorten, niet individuele planten of dieren. Het gaat erom dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt. Het uitgangspunt van de wet is 'Nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk e!ect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken. De Wnb bevat hiertoe onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen licht, middelzwaar en zwaar beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik dan wel van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting, gelden, de verbodsbepalingen van de Wnb niet voor sommige soorten. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen onthe!ng te verkrijgen. Teneinde de gevolgen van de ingrepen in het plangebied voor de !ora en fauna te beoordelen is een quickscan uitgevoerd, zie bijlage [!ora en fauna].
Uit het onderzoek blijkt de planlocatie ongeschikt is als vaste rust- en verblijfplaats voor soorten die in de Wnb zijn opgenomen. Conclusie Er bestaan derhalve voor wat betreft !ora en fauna geen belemmeringen voor de planvorming.
O 16485-2-RA-001 32
5
Uitvoerbaarheid
5.1 E c o n o m i s c h e u i t v o e r b a a r h e i d
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is ontstaan uit een particulier initiatief. De kosten verband houdende met de opstelling van de plannen alsmede de uitvoering hiervan, komen voor rekening van de initiatiefnemer. Het risico op planschade wordt, gezien het geringe ruimtelijke verschil tussen de (planologische) bestaande situatie en de plansituatie, als nihil ingeschat. Tussen gemeente en initiatiefnemer zal een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten worden. Voor de gemeente zijn aan de ontwikkeling en uitvoering van onderhavig plan dan ook geen !nanciële consequenties verbonden. 5.2 M a a t s c h a p p e l i j k e u i t v o e r b a a r h e i d
Participatie Inzake de ontwikkeling van de buitenrand van de wijk Fascinatio en in het bijzonder ook kavel 1K-1 is het afgelopen jaar veelvuldig gesproken met belanghebbenden waaronder ook omwonenden. In maart 2021 zijn 4 digitale avonden georganiseerd rondom het Ruimtelijk Toekomst Perspectief Fascinatio (RTPF). Daarnaast heeft op 15 september 2021 een informatieavond -georganiseerd door Bouwbedrijf De Waal- voor omwonenden plaatsgevonden speci!ek in relatie tot kavel 1K-1 en is op 6 oktober 2021 een informatiemarkt gehouden over actuele ontwikkelingen in de wijk Fascinatio, waarbij ook De Waal aanwezig was om informatie te geven over kavel 1K-1. De door deelnemers genoemde aandachtspunten zijn waar mogelijk zo veel mogelijk verwerkt in het voorliggende plan. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro wordt het plan aan de wettelijke overlegpartners, zoals het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard, de provincie Zuid-Holland en BOOR toegestuurd. Terinzagelegging De ontwerp-omgevingsvergunning zal conform de gangbare voorbereidingsprocedures gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. In deze periode kan een ieder zijn of haar zienswijze kenbaar maken.