CConstaterende datCapelle Ad Ijssel
Koppel je AI →
Document · PDF

06.03 - Bestemmingsplan versie definitief inclusief bijlagen

Commissie Stadsontwikkeling en -Beheer 28 maart 2023, gemeente Capelle Ad IjsselBij agendapunt: Definitief bestemmingsplan Kavel NK1 Fascinatio Havensteder26.666 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Fiets De locatie is direct ontsloten op de Fascinatio Boulevard en daarmee voor fietsverkeer op het vrijliggende fietspad langs de Fascinatio Boulevard. Via dit fietspad zijn er verbindingen naar bestemmingen in de omgeving, zoals het centrum van de wijk, de metrostation Capelsebrug en Kralingse Zoom en verder richting Capelle centrum of Rotterdam centrum.

36/103

Openbaar vervoer Direct ten oosten van de wijk Fascinatio ligt metrostation Capelsebrug. Ten westen, direct aan de andere kant van de A16 ligt metrostation Kralingsezoom, dat wordt bereikt via de onderdoorgang onder de A16 voor fietsers en voetgangers. Dit is het dichtstbijzijnde metrostation op een loop‐ en fietsafstand van iets meer dan 500 meter. Op nog kortere afstand, circa 300 meter, ligt de Parkshuttle‐halte langs de Bahialaan. De locatie is daarmee met openbaar vervoer goed ontsloten. Parkeren Van toepassing is de vigerende Nota Parkeernormen 2015. De nota Parkeernormen 2015 hanteert één parkeernorm voor alle appartementen tot 100 m2 en maakt geen onderscheid tussen sociale en niet‐sociale huur. Op basis van zowel de landelijke kentallen als gemeentelijke ervaringscijfers is duidelijk dat kleinere appartementen een naar verhouding lagere parkeervraag hebben en dat sociale huur gemiddeld lager autobezit kent dan niet‐sociale huur. De in de Parkeernormen 2015 opgenomen parkeernorm is daarom niet passend en onverkorte toepassing zou leiden tot een grote overmaat aan parkeerplaatsen en mogelijk ook een kleiner aantal woningen. Het Parkeerbeleid 2015 staat evenwel toe om (gemotiveerd) van de parkeernorm af te wijken. Om de beschreven redenen is dat hier gerechtvaardigd.

Op het moment van opstellen van voorliggende onderbouwing heeft de gemeente nieuw parkeerbeleid en een nieuwe Nota Parkeernormen in voorbereiding. De verwachting is dat deze eind 2022 of begin 2023 door de gemeenteraad worden vastgesteld. Het concept is in 2021 ter consultatie aan de raadscommissie SOB aangeboden. De nieuwe normen maken beter onderscheid naar woonoppervlakte en het verschil tussen sociale en niet‐sociale huur. Voor de beoordeling van dit initiatief is ook aan de (in voorbereiding zijnde) nieuwe parkeernormen getoetst (zoals op het moment van consultatie) ter motivatie van een afwijking van de Parkeernormen 2015. Dit zijn immers op basis van de actuele inzichten de best passende parkeernormen. De uiteindelijke beoordeling van het bouwplan vindt plaats op basis van de ingediende aanvraag omgevingsvergunning en het op dat moment vigerende bestemmingsplan Parkeren. Zoals beschreven zal dat naar verwachting op dat moment voor parkeren de nieuwe, dan vastgestelde, Nota Parkeernormen zijn. Het plan voorziet in 161 appartementen. Hiervan zijn er 28 kleiner dan 50 m2 en 133 tussen 50 m2 en 80 m2. Op het kavel NK1 (oostelijk) ligt een (tijdelijk) parkeerterrein dat is aangelegd om de hoge parkeervraag van de bedrijven in de omgeving op te vangen. Het parkeerterrein heeft een capaciteit van 50 parkeerplaatsen.

Dit parkeerterrein wordt overdag gebruikt, maar niet in de avonden, nachten en weekend. Uitgangspunt voor de ontwikkeling van kavel NK1 is dat overdag op werkdagen deze capaciteit voor de bedrijven beschikbaar blijft, waarbij dan het uitgangspunt is dat er dubbelgebruik is met de vraag van de nieuwe woningen die in de avonden en nachten de grootste parkeervraag hebben.

37/103

Het gemeentelijk beleid staat toe dat beschikbare restcapaciteit wordt benut voordat er nieuwe parkeerplaatsen worden aangelegd. Op die manier gaan we efficiënt om met de schaarse ruimte en benutten we eerst wat er is, voordat we ten koste van bijvoorbeeld groen of verblijfsruimte nieuwe parkeerplaatsen gaan aanleggen. In dit geval zijn er mogelijkheden voor gebruik van de bestaande capaciteit van de parkeerplaatsen langs de Fascinatio Boulevard ter hoogte van het kavel. Deze parkeerplaatsen zijn bedoeld voor en worden gebruikt door de bedrijven in de omgeving. Ook hiervoor geldt dat ze overdag op werkdagen worden gebruikt en de bezetting hoog is, maar de plaatsen in de avonden, nachten en weekenden niet worden gebruikt. Daarmee is er de mogelijkheid voor dubbelgebruik, aangezien de nieuwe woningen in de avonden en nachten de grootste parkeervraag hebben. De toets is daarmee tweeledig:  Het plan dient te voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voldoen aan de parkeereis, op basis van de parkeernormen. Hierbij wordt voor een deel een beroep gedaan op de openbare parkeerplaatsen langs de Fascinatio Boulevard ter hoogte van kavel NK1.  Deze parkeerplaatsen worden overdag gebruikt door de (werknemers, bezoekers van de) bedrijven in de buurt, net als de parkeerpocket van 50 pp op het kavel.

In de nieuwe situatie moet het totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen voor de bedrijven op het kavel NK1 en op de parkeerstrook langs de Fascinatio Boulevard minimaal gelijk zijn aan de nu voor de bedrijven beschikbare capaciteit (van 50 + 36 = 86 pp). Voor de 161 woningen op kavel NK1 zijn in totaal, op basis van de conceptnormen 2022 en uitgaande van de hierboven genoemde onderverdeling naar woonoppervlakte, in totaal 141 parkeerplaatsen nodig voor bewoners en bezoekers. Er worden 140 parkeerplaatsen op het kavel gerealiseerd. Hierbij wordt uitgegaan van dubbelgebruik tussen bewoners en bezoekers. Er worden dus geen parkeerplaatsen verkocht of toegewezen aan woningen/bewoners. De 141 parkeerplaatsen zijn nodig op het drukste maatgevende moment; op een werkdagavond. Een groot deel van de bewoners is dan thuis en er is dan bezoek. Er is dan op het kavel zelf een tekort van 1 parkeerplaats (141 – 140 pp), maar er is beschikbare restcapaciteit op de bestaande parkeerplaatsen langs de Fascinatio Boulevard aangezien die plaatsen in de avonden niet door de bedrijven worden gebruikt. Tijdens de nacht is er geen bezoek, maar zijn de meeste bewoners thuis. De parkeervraag bedraagt dan 125 parkeerplaatsen. Hierin wordt volledig voorzien met de 140 parkeerplaatsen op het eigen terrein.

Overdag is een deel van de bewoners thuis en is er bezoek en is er een parkeervraag als gevolg van de bedrijven. De werkdagmiddag is dan het maatgevende moment. Tijdens de werkdagmiddag zijn voor de bewoners en het bezoek van de nieuwe woningen in totaal 70 parkeerplaatsen nodig. Er worden 140 parkeerplaatsen aangelegd op het terrein dus er zijn dan 70 parkeerplaatsen beschikbaar voor de bedrijven. Dit is meer dan de huidige parkeercapaciteit voor de bedrijven van 50 parkeerplaatsen. Ook in dat geval zijn er dus voldoende parkeerplaatsen. Daarmee is de conclusie dat op alle momenten wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het parkeerterrein (met 50 pp) dat nu op het kavel ligt, wordt gebruikt door werknemers van het naastgelegen kantoor. Indien nodig kan worden aangegeven dat de parkeerplaatsen op het kavel uitsluitend beschikbaar zijn voor bewoners en bezoekers van de woningen en het betreffende bedrijf, om zo overlast ten gevolge van parkeren van

38/103

andere bedrijven tegen te gaan (grote toeloop vanuit omliggende bedrijven kan er dan mogelijk toe leiden dat er overdag parkeeroverlast ontstaat en er voor de bewoners zelf te weinig plaats is). Hiertoe kan alsnog worden besloten als de situatie daar aanleiding toe geeft. Fietsparkeren Het bouwbesluit bepaalt dat appartementen een bergruimte moeten hebben van 5 m2. Met een beroep op gelijkwaardigheid is het mogelijk hier van af te wijken. Dit is in een aantal gevallen in Capelle gedaan door in plaats hiervan 2,7 m2 bergruimte in de appartementen zelf en een extra ruime fietsberging te realiseren, conform de zogenaamde 'Amsterdamse bouwbrief'. Er is hier is echter geen specifiek Capels beleid voor vastgesteld. De gemeente heeft voor dit project aangegeven de 'Amsterdamse bouwbrief' toe te willen passen onder een aantal voorwaarden:  De huisvuilinzameling wordt centraal geregeld op het perceel met ondergrondse huisvuilinzameling;  Elke woning heeft inpandig een bergruimte, met een vrije oppervlakte van 2,7 m2, waarboven een vrije hoogte van minimaal 2,6 meter. Deze oppervlakte mag niet worden gedeeld met pandnoodzakelijke installaties als luchtverversingsystemen of opstelplaatsen voor verwarming‐ of warmwater‐ of wasapparatuur;  In het pand zijn extra gemeenschappelijke voorzieningen voor fietsparkeren aanwezig.

Per woning wordt voorzien in minimaal 2 fietsparkeerplekken waarvan minimaal 1 een oplaadpunt voor elektrische fietsen heeft. Bij grotere woningen worden meer fietsparkeerplaatsen gerealiseerd conform de Amsterdamse Bouwbrief. De gemeenschappelijk fietsparkeerplaatsen zijn in het ontwerp opgenomen, rechtstreeks bereikbaar vanaf openbaar gebied in een af te sluiten ruimte. Aan bovenstaande voorwaarde wordt binnen het plangebied voldaan. Verkeersgeneratie en ‐afwikkeling Als gevolg van de ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeerstoename. Aan de hand van kencijfers van het CROW is in tabel 4.3 de verkeersgeneratie opgenomen. De kencijfers zijn op basis van een ligging in rest bebouwde kom en een sterk stedelijke gemeente gebaseerd. Tabel 4.3 ‐ Verkeersgeneratie Functies

CROW‐benaming

Aantal

Appartementen

huur, appartement, 161 midden/goedkoop (sociale huur)

Kencijfer

Verkeersgeneratie

3,6 mvt/etmaal

579,6 mvt/etmaal

De ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 580 mvt/etmaal. De verkeersafwikkeling wordt beoordeeld in het drukste uur van de dag, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalwaarde wordt afgewikkeld. Met name op het drukste uur zullen de ontsluitende wegen een verkeerstoename van circa 58 mvt ondervinden. Deze verkeerstoename zal merkbaar zijn in de drukkere uren, maar naar verwachting geen negatieve gevolgen hebben op de omliggende ontsluitingswegen.

39/103

Conclusie De ontsluiting van het plangebied is voor alle vervoerswijzen goed. Voor de ontwikkeling wordt voorzien in voldoende (fiets)parkeergelegenheid. De verkeerstoename bedraagt circa 580 mvt/etmaal en zal zich verspreiden over de omliggende wegen. Er is voldoende capaciteit op de ontsluitende wegen om de toename aan verkeersbewegingen op te vangen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.5

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie‐indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderzoek In de beoogde situatie worden 161 appartementen gerealiseerd. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG‐brochure. In de omgeving van het plangebied zijn onder andere bedrijven, kantoren, de A16 en een remise station van de RET gelegen. Hierdoor kan het gebied getypeerd worden als 'gemengd gebied'.

Er is namelijk sprake van meerdere niet‐woonfuncties in de directe omgeving en de locatie is gelegen in de oksel van meerdere wegen die tot hoofdinfrastructuur behoren. De oorspronkelijke richtafstanden worden daarom verminderd met één afstandsstap. In de directe omgeving van het plangebied zijn bedrijven uit milieucategorie 3.1 mogelijk. Hierdoor geldt hier een aan te houden richtafstand van 30 meter ten opzichte van gevoelige functies zoals wonen in dit geval. Binnen 30 meter van het plangebied zijn meerdere inrichtingen gelegen. Dit betreffen meerdere bedrijven uit milieucategorie 1 of 2 ten oosten van het plangebied in een bedrijfsverzamelgebouw. In dit bedrijfsverzamelgebouw bevinden zich uitsluitend kantoorbedrijven die actief zijn in krediet‐ en hypotheekverstrekking. Voor financiële instellingen, verzekeringswezens en kantoren geldt een richtafstand van 0 meter, waardoor feitelijk aan de richtafstanden kan worden voldaan. De overige bedrijven in de bedrijvenrand uit maximaal milieucategorie 3.1 rondom de Fascinatio Boulevard bevinden zich niet binnen 30 meter van het plangebied. Buiten de 3.1‐bedrijven is er sprake van een metro remise station. Volgens de VNG‐brochure valt dit in milieucategorie 3.2 en heeft een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied.

De functieaanduiding conform het vigerend bestemmingsplan Prinsenland die ter plaatse het remise station en haar activiteiten mogelijk maakt is gelegen op circa 96 meter afstand, waardoor aan de richtafstanden kan worden voldaan.

40/103

In de huidige situatie mag er op de planlocatie bedrijfsbebouwing worden gebouwd. Echter is het ook mogelijk woon‐werkwoningen te realiseren. Dit is een woning met een daaraan (bouwkundig) gekoppelde of daarin opgenomen kleine bedrijfs‐ of praktijkruimte, atelier of kantoor, waarbij de bedrijfsfunctie ondergeschikt is aan de woonbestemming. Woonwerkwoningen zijn ook gevoelige functies en worden in dit kader hetzelfde beoordeeld. In dit geval is er daarom sprake van een gelijkwaardige situatie, omdat er op de planlocatie reeds gevoelige functies mogen worden gerealiseerd. Omdat er geen gevoelige functies worden toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie is een beoordeling met het oog op de omliggende nietwoonfuncties strikt genomen niet noodzakelijk. De woonwijk is opgebouwd met het oog op het mengen van verschillende functies nabij verkeersknooppunten. In een dergelijk gemengd gebied is sprake van meer omgevingslawaai en een daarbij behorend woon‐ en leefklimaat. In dit kader is het realiseren van woningen in plaats van bedrijfsbebouwing of woon‐werkwoningen verenigbaar. Ten aanzien van geluid is een akoestisch onderzoek weg‐ en spoorweglawaai uitgevoerd. In paragraaf 4.2 is hierop ingegaan.

Anderzijds brengt het planvoornemen geen belemmering teweeg voor de niet‐woonfuncties, omdat deze functies niet in de huidige bedrijfsvoering worden gehinderd vanwege het feit dat er in de huidige situatie ook woon‐werkwoningen mogen worden gerealiseerd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat in het plangebied en ter plaatse van de omliggende woningen ook in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Het aspect milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek en conclusie

41/103

Omdat er sprake is van een functiewijziging naar een bodemgevoeligere functie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. Formeel gezien geven de aangetoonde matige en zeer plaatselijk sterke verontreinigingen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Echter, de locatie betreft een bekend geval van ernstige bodemverontreiniging welke reeds gesaneerd is. Derhalve is geen vervolgonderzoek nodig. De milieuhygiënische kwaliteit van de leeflaag, het slib en het grondwater is voldoende geactualiseerd. Hiernaast zijn enkele gebruiksbeperkingen gegeven:  Niet graven in en door de leeflaag zonder toestemming van het bevoegd gezag. Indien dieper wordt gegraven dient men hiervoor toestemming te vragen aan het bevoegd gezag en zal een plan van aanpak worden opgesteld.  Geen grondwater onttrekken.  Geen gebouwen onderkelderen. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de functiewijziging.

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader In de huidige wetgeving zijn de begrippen risicobron, (beperkt) kwetsbaar object, plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico van belang. Het plaatsgebonden risico (PR) is een maat voor de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het groepsrisico GR is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) is van toepassing op het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar, bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico, maar wel geldt hiervoor een verantwoordingsplicht in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen Op het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet van toepassing; het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

42/103

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Onderzoek

Figuur 4.2 Risicobronnen in de omgeving van het plangebied (groen omkaderd) (bron: risicokaart) In de directe omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het water of door buisleidingen met een externe werking. Volgens de risicokaart zijn er op grotere afstand van het plangebied risicovolle inrichtingen gelegen. De invloedsgebieden en PR 10‐6 contouren liggen niet over het plangebied. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Ten westen van het plangebied bevindt zich de A16 op circa 217 meter. Ten noorden ligt de A20 op circa 3,5 kilometer. Over deze wegen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De ontwikkeling bevindt zich niet in de PR‐contouren van deze wegen. Ook is het plangebied buiten het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter van de A16 en A20 gelegen. Het invloedsgebied van beide wegen wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie GT4 en bedraagt 4 kilometer. Het plangebied is in het invloedsgebied gelegen. Ten zuiden bevindt zich de N210. Ook over de weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats.

43/103

De weg heeft een PR‐contour van 0 meter en geen plasbrandaandachtsgebied. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie GF3 en bedraagt 355 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 430 meter. Het plangebied bevindt zich niet in het invloedsgebied van de N210. Wel is de ontwikkeling in het invloedsgebied van de A16 en A20 gelegen. Omdat de afstand tot beide wegen groter is dan 200 meter, hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel dient een beknopte verantwoording te worden opgesteld waarin nader wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Het spoortraject Rotterdam Blijdorp ‐ Gouda bevindt zich ten noorden van het plangebied en maakt onderdeel uit van het Basisnet. Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie D4 en bedraagt 4 kilometer. Met een afstand van circa 3,3 kilometer bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied. Ook hier kan worden volstaan met een beknopte verantwoording doordat de afstand groter is dan 200 meter.

Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Fascinatio Boulevard. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Capelle aan den IJssel. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. De Veiligheidsregio adviseert om na te gaan welke bluswatervoorzieningen nodig zijn om het bluswater voor het gebied dekkend te krijgen. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen woningen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media. De VRR adviseert verder om geen zorgwoingen binnen een straal van 230 van de Rijksweg A16 te realiseren.

44/103

Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A16, de A20 en het spoortraject Rotterdam Blijdorp ‐ Gouda. In de beknopte verantwoording is op de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied ingegaan. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechteren en wordt als aanvaardbaar gezien. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig. Het advies van de VRR wordt bij de verder planuitwerking betrokken. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Kabels en leidingen

Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

45/103

Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 161 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Figuur 4.3 Nibm‐tool De toename van het verkeer bedraagt 580 motorvoertuigen per etmaal per weekdag. Uitgaande van de realisatie van het plan in 2023, zijn in figuur 4.3 de consequenties voor concentraties luchtverontreinigende stoffen weergegeven. Hierbij wordt de toename van het gehalte stikstofioxide (NO2) in de lucht weergegeven en de toename van het gehalte fijn stof (PM10). Dit is weergegeven op basis van de Nibm tool. Naar voren komt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2021 (http://www.nsl‐monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Fascinatio Boulevard, direct ten zuiden van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 23,2 µg/m³ voor NO2, 17,3 µg/m³ voor PM10 en 9,3 µg/m³ voor PM2,5.

Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.

46/103

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.

4.10 Water Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal  Provinciaal Waterplan  Provinciale Omgevingsvisie  Provinciale Omgevingsverordening Hoogheemraadschapsbeleid Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022‐2027, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers.

Het waterbeheerprogramma bevat de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater‐ en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard. Het Hoogheemraadschap zet zich in met de beschikbare middelen om vanuit de taken een bijdrage te leveren aan duurzaamheid en het tegengaan van (de gevolgen van) klimaatverandering, om zo het gebied aantrekkelijk en bewoonbaar te houden. Per 1 januari 2016 is de geactualiseerde Keur in werking getreden. De Keur geeft met verboden aan welke activiteiten in de buurt van water en waterkeringen niet zijn toegestaan. Daarnaast geeft de Keur met geboden aan welke onderhoudsverplichtingen eigenaren en gebruikers van wateren en waterkeringen hebben.

47/103

Huidige situatie Algemeen Het plangebied is in de huidige situatie bijna volledig onbebouwd. Een deel van het plangebied wordt nu gebruikt voor tijdelijke standslandbouw. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een grondwaterbeschermings‐ of waterwingebied. Op basis van de Bodemkaart van Nederland is het plangebied gelegen in bebouwd gebied en niet gekarteerd. Volgens de Bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem ten noorden van de locatie uit koopveengronden op bosveen. Ten noorden is er sprake van grondwatertrap Ib. De gemiddelde hoogste grondwaterstand bevindt zich op circa 0,2 meter beneden maaiveld ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand bevindt zich op circa 0,67 meter beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa 3,8 meter NAP. Waterkwantiteit Ten noorden van het plangebied is een oever en overig water gesitueerd, zie figuur 4.4. Ten zuiden van het plangebied is er sprake van een hoofdwatergang, ten noorden is er een watergang in de categorie 'overig' gelegen. Binnen de beschermingszone gelden conform de Keur van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden.

Figuur 4.4 Uitsnede Oppervlaktewateren Legger Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard met het plangebied paars omkaderd

48/103

Veiligheid en waterkeringen De waterloop aan de noordzijde van het plangebied is een regionale waterkering met een kernzone. Deze waterkering heeft geen beschermingszone.

Figuur 4.5 Uitsnede Keringen Legger Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het projectgebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Afvalwaterketen en riolering Momenteel is er geen sprake van bebouwing en is de locatie niet aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 161 woningen mogelijk. Bodem en grondwater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat wateroverlast ontstaat, eist het Hoogheemraadschap dat er ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Kleine plannen hebben echter slechts een minimaal effect op de waterhuishouding. Voor plannen met minder dan 500 m² extra verharding is daarom geen watercompensatie vereist. In de bestaande situatie is conform het geldende bestemmingsplan mogelijk om 85% van het plangebied (10.415 m²) te bebouwen met bedrijfsbebouwing. Daarnaast was tevens oppervlakteverharding t.b.v. ontsluitingswegen en parkeerplaatsen mogelijk. In het voorgenomen plan worden deze mogelijkheden verminderd, aangezien slechts circa 28% van het perceel bebouwd zal zijn met een gebouw.

Overige verhardingen worden aangebracht behoeve van verkeer en parkeren. Dit betekent dat er in het plan geen toename van verharding zal plaatsvinden ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Echter, uitgaande van de feitelijke situatie neemt het verhard oppervlakte toe met meer dan 500 m². Hierdoor is watercompensatie verplicht. De watercompensatie heeft reeds plaatsgevonden binnen het peilgebied voor het gehele bedrijventerrein tijdens het bouwrijp maken.

49/103

Bij de uitvoering dient aandacht te worden besteed aan het ontwerp van de hemelwaterafvoer. Hoewel afvoer richting het noorden het meest logisch lijkt, heeft watercompensatie aan de zuidzijde van het plangebied plaatsgevonden. Hemelwaterafvoer zal dan ook aan die zijde plaats moeten vinden. Hiervoor kan bijvoorbeeld een afvoer onder de weg worden doorgelegd. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De kernzone van de regionale waterkering ligt over het plangebied heen. In de kernzone gelden beperkingen ten aanzien van nieuwe bouwwerken en werkzaamheden. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in‐) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Water en Waterstaat in het bestemmingsplan Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat ‐ Waterkering' toebedeeld gekregen. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Bij de uitvoering dient aandacht te worden besteed aan het ontwerp van de hemelwaterafvoer.

50/103

4.11 Ecologie Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (voorheen Flora‐ en faunawet, Boswet en Natuurbeschermingswet 1998) en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Beleid en normstelling Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura‐2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

51/103

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.

De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied ligt circa 7,3 km ten zuidoosten van het plangebied en betreft het Vogelrichtlijngebied Boezems Kinderdijk. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000‐gebied betreft Biesbosch op een afstand van circa 18,2 kilometer. Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Nederland bevindt zich op circa 1,7 kilometer ten zuiden van het plangebied.

52/103

Figuur 4.6 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: interactieve atlassen provincie Zuid‐Holland) Met het programma AERIUS Calculator (versie 2021.1) is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6 en 7. Daaruit blijkt dat de gebruiksfase van de ontwikkeling geen stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op kwetsbare Natura 2000‐gebieden oplevert. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. Soortenbescherming De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van een quickscan (zie bijlage 5). Uit de ecologische quickscan blijkt dat, met uitzondering van algemene broedvogels en algemene en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, geen zwaarder beschermde soorten in het plangebied worden verwacht.

In de quickscan zijn verschillende mitigerende maatregelen opgesomd:  oeverzwaluw: in de periode van 1 maart tot en met augustus dienen grondhopen met steile hellingen (zoals voorbelasting) in het projectgebied (of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden) voorkomen te worden;  algemene broedvogels: geadviseerd wordt om in het broedseizoen wekelijks broedvogelinspecties uit te voeren;  algemene en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën: gedurende de werkzaamheden dient voldoende zorg in acht te worden genomen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Indien de mitigerende maatregelen worden opgevolgd vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

53/103

4.12 Archeologie Toetsingskader Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Erfgoedwet, vastgesteld in 2016, regelt op welke wijze omgegaan dient te worden met archeologisch erfgoed in Nederland. In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de toenmalige Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze Wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings‐)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Deze wetten zijn vervangen door de Erfgoedwet, echter overgangsrecht in de Erfgoedwet regelt dat bepaalde bepalingen uit de Monumentenwet (die dus niet in de Erfgoedwet staan) nog van kracht zijn tot de Omgevingswet van kracht is. Gemeentelijk beleid De gemeente Capelle aan den IJssel heeft op 20 september 2010 een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten vastgesteld, waaronder de Archeologische Waardenkaart Capelle aan den IJssel (AWK) en de Nota Archeologie.

In de nota is onder andere de voorwaarde opgenomen, dat bestemmingsplannen voorzien moeten zijn van een archeologieparagraaf, planregels en een archeologische verbeelding. Het archeologisch beleid van de gemeente waarborgt een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doel van het archeologisch beleid is (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Onderzoek Op basis van de archeologische waardenkaart geldt voor het hele plangebied een omgevingsvergunningplicht voor bouw‐ en graafwerkzaamheden. Afhankelijk van de toegekende verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht vanaf een bepaalde diepte onder het maaiveld of oppervlakte. Deze omgevingsvergunningplicht is opgenomen in de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 1'. 'Waarde ‐ Archeologie 1' Voor het gebied grenzend aan de rivierdijk geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw‐ en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden NAP en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan.

Van de grondroerende werkzaamheden overschrijden alleen de heiwerkzaamheden de toegestane dieptemarge van 2 meter onder NAP. Zodra een definitief bouwplan (inclusief palenplan) bekend is, wordt een planbeoordeling gedaan om te beoordelen of een archeologisch onderzoek nodig is. De dubbelbestemming is overgenomen in onderliggend bestemmingsplan, hiermee zijn de eventuele archeologische waardes planologisch geborgd.

54/103

Conclusie Het bestemmingsplan houdt rekening met het aspect archeologie. De opgenomen dubbelbestemming geeft voldoende planologische borging. Aanbevolen wordt om bij de definitieve omgevingsvergunning na te gaan of er inderdaad geen archeologische waarden in het geding zijn.

4.13 Cultuurhistorie Toetsingskader Monumentenwet en Erfgoedwet De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads‐ en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2019 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is:  Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet;  De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads‐ en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet.

Onderzoek en conclusie In het plangebied en de direct omgeving zijn geen monumenten of andere cultuurhistorische waardes aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

4.14 Duurzaamheid Toetsingskader Programma Duurzaamheid De gemeente Capelle aan den IJssel heeft haar ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord in het Programma Duurzaamheid en Weerkrachtig Capelle, zie paragraaf 3.4.5. Hier wordt onder andere ingegaan op de energietransitie en klimaatadaptatie. In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijkheden voor verduurzaming voor het plangebied. Energietransitie In het kader van de doelstellingen van de gemeente om in 2050 CO2‐neutraal te zijn wordt geadviseerd om bij de verdere uitwerking van de plannen kritisch te kijken naar de dak‐, gevel‐, vloer‐ en bodemisolatie van de woningen om de energievraag zoveel mogelijk te beperken. Ook het gebruikte isolatiemateriaal kan een belangrijke factor zijn van de mate waarin een huis zowel thermisch als akoestisch geïsoleerd is. Ook de verlichting kan een rol spelen in de CO2‐uitstoot: een creatief lichtplan van spaarlampen en led‐lampen kan het energieverbruik verder terugdringen.

55/103

De eis voor nieuwe woningen is dat deze aardgasvrij moeten zijn. Hier wordt bij de beoogde ontwikkeling bij aangesloten. Vanaf 1 januari 2021 moeten nieuwe aanvragen voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Voor de ontwikkeling wordt een rapportage BENG opgesteld, welke onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag. Het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid is toegelicht in paragraaf 3.4. Klimaatadaptatie De inrichting van de buitenruimte en de nieuwbouw wordt klimaatadaptief gerealiseerd conform de eisen die zijn geformuleerd in Weerkrachtig Capelle. Waar mogelijk worden grastegels (open verharding) aangelegd en het bestaande groen wordt zoveel mogelijk behouden. Omgaan met hevige neerslag en droogte In de toekomst komen korte, zeer hevige buien vaker voor, afgewisseld met langere periodes van extreme droogte. Uit de klimaatatlas blijkt dat de omgeving van de locatie in de toekomst te maken krijgt met waterproblematiek. Om wateroverlast te voorkomen, is uitgangspunt dat het gebied geen schade ondervindt van een extreme bui, waarbij de berging niet eerder dan 24 uur leeg is en in maximaal 48 uur weer beschikbaar.

Daarnaast mag er geen waterschade optreden aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (90 mm in een uur). Om daling van grondwaterstanden in tijden van droogte tegen te gaan, wordt zoveel mogelijk water opgevangen en vastgehouden en bij voorkeur geïnfiltreerd in de bodem. Bij nieuwe ontwikkelingen geldt als uitgangspunt dat in ieder geval 25 mm (25 liter per m²) neerslag op eigen terrein wordt vastgehouden. De ontwikkeling dient eveneens te voldoen aan de bergingsnorm van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Hierop is in paragraaf 4.10 nader ingegaan. Hitte Als gevolg van de klimaatverandering neemt het risico op hittegolven toe. Het stedelijke gebied is gevoeliger voor opwarming dan het omliggende landelijke gebied. Bij voorkeur warmt het stedelijke gebied niet meer dan 2 graden Celsius meer op dan het landelijke gebied. De volgende eisen hanteert de gemeente: 1. minimale schaduwbedekking voor verblijfsplekken en langzaam verkeerroutes = 50% op de hoogste zonnestand 2. minstens 40% van de oppervlakken wordt warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd. 3. koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimte in de directe omgeving. Uit de klimaatatlas blijkt dat de locatie nog geen last heeft van hittestress, maar de omliggende wijken wel.

Het is daarom belangrijk dat er maatregelen getroffen worden om de hittelast te beperken. Bouwtechnische voorzieningen kunnen opwarming van het gebouw beperken. Denk aan: isolatie, luifels en zonwering, mogelijkheden om ramen open te kunnen zetten/natuurlijk te ventileren, beperken van grote glasoppervlakken, gebruik van reflecterende in plaats van absorberende bouwmaterialen. Het gebruik van airconditioning wordt afgeraden, gezien het energieverbruik, dat weer andere klimaatdoelen betreft. Platte daken, eventuele balkons en de buitenruimte krijgen

56/103

bij voorkeur een inrichting met veel waterberging en groen. Intensieve (sedumdaken) en extensieve (daktuinen) groene daken worden al veel toegepast. Niet alleen voor hitte, ook voor extreme buien spelen groene daken, polderdaken en groen op maaiveld een belangrijke rol, doordat bij extreme neerslag het water op een natuurlijke manier wordt vastgehouden en het overtollige water vertraagd wordt afgevoerd. In de buitenruimte zijn schaduwplekken belangrijk en speelt groen een belangrijke rol. Bomen met grote boomkruinen zorgen voor schaduw en voor verkoeling (bomen verdampen water). Het is dan wel zaak dat de bomen voldoende water kunnen blijven opnemen uit de ondergrond en dat er voldoende ruimte is om bomen in te kunnen passen. Daarnaast wordt in de inrichting van de buitenruimte de verharding zo veel mogelijk beperkt. De minimale schaduwbedekking voor verblijfsplekken en langzaam verkeerroutes is 50%. De koeling van gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimte in de directe omgeving. Om opwarming te voorkomen wordt minstens 40% van alle oppervlakten warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd. Overstromingen Het boezemgebied wordt tegen overstromingen beschermd door de dijken en (polder)kades. Het risico op overstromingen is uiterst beperkt.

Wel verdient het aanbeveling de bebouwing boven maaiveld aan te leggen en kelders te vermijden of deze waterbestendig te maken. Biodiversiteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient het project bij te dragen aan natuurinclusiviteit. Dit betekent dat er elementen aan de ontwikkeling worden toegevoegd die de biodiversiteit ondersteunen. Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht en creëert een hoogwaardige habitat voor ten minste 1 gebouw bewonende soort en 1 andere soortencategorie (soorten categorieën zijn: gebouw bewonend, boom bewonend, aan struweel gebonden, aan bloemrijk grasland geboden en aan water en oevers gebonden). In het ontwerp wordt de natuurinclusiviteit onderzocht. Gedacht kan worden aan het toepassen van natuurdaken (tevens wateropvang), nestkastvoorzieningen en insectenkasten. Duurzaamheid Bouwmaterialen die worden toegepast dienen een lange of bij de functie passende levensduur te hebben en zoveel mogelijk herbruikbaar of recyclebaar (cradle‐to‐cradle) te zijn. Uit de toegepaste bouwmaterialen mogen geen uitloogbare stoffen vrijkomen welke schadelijk zijn voor de mens en flora en fauna. Bij de inrichting van het gebied wordt terughoudend gebruik gemaakt van (verhardings)materialen.

De eisen met betrekking tot duurzaam bouwen hebben veelal geen ruimtelijke component, wat betekent dat deze duurzaamheidsaspecten niet via het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning (bouwen) kunnen worden afgedwongen. Het niet kunnen afdwingen van deze eisen maakt dat bij de ontwikkeling van het gebied in samenspraak met de ontwikkelaar gekeken dient te worden in hoeverre de gemeentelijke ambities kunnen worden gerealiseerd. Dit draagt bij aan een goed functionerend watersysteem en het voorkomen van wateroverlast en hittestress.

57/103

58/103

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische plantoelichting

Wettelijk kader

Het bestemmingsplan ‘Fascinatio Boulevard noord’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan 'Fascinatio Boulevard noord'. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0502.BP22FascBlvrdNK1‐3001.

5.2

Toelichting op de verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

5.3

Toelichting op de inleidende regels

Begrippen (Artikel 1) De begrippen die in het bestemmingsplan gebruikt worden zijn in dit artikel gedefinieerd. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

5.4

Toelichting op de bestemmingen

Het hoofdstuk Bestemmingsregels bevat de regels die specifiek gelden voor de bestemmingen in dit plan. Algemeen Bouwvlak De (hoofd)gebouwen dienen binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken te worden gebouwd. De bouwvlakken mogen geheel worden bebouwd. Op de verbeelding is aangegeven wat de maximum bouwhoogte is. Hieronder volgt per bestemming een toelichting.

59/103

Artikel 3 Wonen De bestemming Wonen is opgenomen voor de bouw van maximaal 161 woonappartementen in verschillende gebouwen. Per gebouw is de maximale bouwhoogte aangegeven. Het gebouw moet worden gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak. De bestemming staat de bouw van gestapelde bouw toe en bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water parkeervoorzieningen, verhardingen, nutsvoorzieningen, bergingen, (fiets)parkeer‐voorzieningen, speelvoorzieningen, bruggen en kunstwerken. Artikel 4 Waarde ‐ Archeologie 1 Om de archeologische waarden en verwachtingen veilig te stellen, zijn dubbelbestemmingen opgenomen voor de verschillende zones uit de gemeentelijke Nota archeologie (2010) en de Archeologische kenmerken‐ en waardenkaart. Voor dit bestemmingsplan geldt één zone, namelijk ‘Waarde ‐ Archeologie 1’. Artikel 5 Waterstaat ‐ Waterkering De voor 'Waterstaat ‐ Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor bescherming en onderhoud van de waterkering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12524560/1