06.03 - Bestemmingsplan versie definitief inclusief bijlagen
Tekst van het document
FASCINATIO BOULEVARD NOORD Capelle aan den IJssel 22-11-2022
1/2
2/2
DATUM KENMERK
22-11-2022 NL.IMRO.0502.BP22FascBlvrdNK1-3001
PROJECT PROJECTLEIDER
Fascinatio Boulevard Noord Ing. W. Groenen
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Gemeente Capelle aan den IJssel 20220619
AUTEUR STATUS
E. Barendregt Ontwerp
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
9
1.1
Aanleiding en doel
9
1.2
Leeswijzer
9
Ruimtelijke en functionele analyse
11
2.1
Ligging plangebied
11
2.2
Vigerend bestemmingsplan
11
2.3
Huidige situatie
11
2.4
Gewenste ontwikkeling
12
Beleidsmatige verantwoording
15
3.1
Inleiding
15
3.2
Rijksbeleid
15
3.3
Provinciaal en regionaal beleid
20
3.4
Gemeentelijk beleid
25
3.5
Conclusie
29
Sectorale aspecten
31
4.1
Milieueffectrapportage (m.e.r.)
31
4.2
Geluid
32
4.3
Trillingen
34
4.4
Verkeer en parkeren
35
4.5
Bedrijven en milieuhinder
40
4.6
Bodem
41
4.7
Externe veiligheid
42
4.8
Kabels en leidingen
45
4.9
Luchtkwaliteit
45
4.10
Water
47
4.11
Ecologie
51
4.12
Archeologie
54
4.13
Cultuurhistorie
55
4.14
Duurzaamheid
55
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/103
Hoofdstuk 5
Juridische plantoelichting
59
5.1
Wettelijk kader
59
5.2
Toelichting op de verbeelding
59
5.3
Toelichting op de inleidende regels
59
5.4
Toelichting op de bestemmingen
59
5.5
Toelichting op de algemene regels
60
5.6
Toelichting op het overgangsrecht en slotregels
60
Uitvoerbaarheid
61
6.1
Economische uitvoerbaarheid
61
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
61
Hoofdstuk 6
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Aanmeldnotitie m.e.r.‐beoordeling
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek
Bijlage 3
Onderbouwing stap 3‐besluit
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 5
Quickscan flora en fauna
Bijlage 6
Aerius memo
Bijlage 7
Stikstofberekening gebruiksfase
Bijlage 8
Presentaties klankbordgroep
4/103
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
83
Artikel 1
Begrippen
83
Artikel 2
Wijze van meten
88
Bestemmingsregels
89
Artikel 3
Wonen
89
Artikel 4
Waarde ‐ Archeologie 1
91
Artikel 5
Waterstaat ‐ Waterkering
93
Hoofdstuk 3
Algemene regels
95
Artikel 6
Antidubbeltelregel
95
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
96
Artikel 8
Algemene afwijkingsregels
97
Artikel 9
Overige regels
98
Overgangs‐ en slotregels
99
Artikel 10
Overgangsrecht
99
Artikel 11
Slotregel
100
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Bijlagen bij de regels Bijlage 1
5/103
Nota parkeernormen 2015
6/103
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
De initiatiefnemer heeft het voornemen om aan de Fascinatio Boulevard in Capelle aan den IJssel appartementen te realiseren. Verdeeld over vier gebouwen worden 161 appartementen gerealiseerd. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan “Fascinatio‐Capelsebrug”, omdat de beoogde woonfunctie hier niet is toegestaan. Om het initiatief realiseerbaar te maken is daarom een nieuw juridisch‐planologisch kader benodigd. Dit bestemmingsplan voorziet daarin.
Figuur 1.1 Ligging plangebied Deze locatie is één van de compensatielocaties als genoemd in de Afsprakenbrief Compensatie Hoven II. Op de locatie Hoven II in Capelle aan den IJssel zijn sociale huurwoningen gesloopt ten behoeve van de woonwensen van deze wijk. De locatie aan de Fascinatio Boulevard zorgt mede voor de compensatie van deze woningen.
1.2
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 komt de ruimtelijke analyse van het plangebied aan de orde. Hoofdstuk 3 geeft een samenvatting van het actuele beleidskader dat relevant is voor het plangebied. Hierbij wordt ingegaan op het rijks‐, provinciaal‐, regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de relevante milieuaspecten en de overige onderzoeken beschreven. In hoofdstuk 5 wordt een toelichting gegeven op de gekozen planvorm en de juridische regeling. Hoofdstuk 6 en 7 gaan ten slotte in op de economische respectievelijk de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
9/103
10/103
Hoofdstuk 2 2.1
Ruimtelijke en functionele analyse
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het westen van Capelle aan den IJssel tegen de grens van de gemeente Rotterdam aan. Het plangebied ligt tussen de Fascinatioboulevard, de metrolijn en de lijn van de Park Shuttle in (de Park Shuttle is een volautomatische people‐mover tussen metrostation Kralingse Zoom en het Rivium). Zie figuur 2.1 voor de ligging van het plangebied.
Figuur 2.1 Ligging plangebied in roze, in zwart de gemeentegrens Het plangebied maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel bekend als nummer 3865, sectie E, gemeente Capelle aan den IJssel.
2.2
Vigerend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt tot het inwerking treden van het onderhavige plan het bestemmingsplan 'Fascinatio‐Capelsebrug'. Dit bestemmingsplan is op 25 juni 2013 vastgesteld. Aan de aanwezige bedrijfspercelen is in dit plan de bestemming 'Bedrijf' toegekend. Op deze gronden zijn bedrijven toegestaan uit ten hoogste milieucategorie 3.1 van de bij dit plan behorende 'Staat van Bedrijfsactiviteiten'.
2.3
Huidige situatie
Het plangebied is op dit moment grotendeels braakliggend en met gras begroeid. In het oosten wordt het plangebied gebruikt als overloopparkeerterrein. Voor dit gebruik is een parkeerterrein met stelconplaten aangelegd. In het westen is tijdelijke stadslandbouw aanwezig.
11/103
Omgeving De locatie is goed ontsloten door de nabije ligging van de N210 en de A16. Met het openbaar vervoer is onder andere het centrum van Rotterdam te bereiken via het op loopafstand gelegen metrostation Kralingse Zoom. Ook het metrostation Capelsebrug ligt op loopafstand. Ten zuiden van de N210 ligt de woon/werkwijk Rivium. Deze wijk ligt aan de Nieuwe Maas. De Nieuwe Maas ligt dan ook op een loopafstand van circa 1,6 km vanaf het plangebied. Het plangebied ligt op de grens van de gemeente Capelle aan den IJssel en de gemeente Rotterdam. Mede dankzij deze bijzondere ligging vormt de wijk haar eigen identiteit. De in 2001 opgerichte wijk bestaat uit circa 3.000 inwoners en is daarmee de kleinste wijk van Capelle aan den IJssel.
2.4
Gewenste ontwikkeling
Op de locatie aan de Fascinatio Boulevard worden 161 sociale huurappartementen gerealiseerd. De 161 appartementen zijn verdeeld over 4 verschillende bouwblokken, zie figuur 2.2. De ontwikkeling vormt een uitbreiding van de huidige wijk. De appartementen zijn meergezinswoningen en bieden een variëteit tussen een studio tot een 2‐slaapkamerappartement.
Figuur 2.2 Beoogde ontwikkeling
12/103
Figuur 2.3 Benaming blokken beoogde ontwikkeling Blok A heeft voor de westelijke zijde een maximale bouwhoogte van 30 meter, voor het gedeelte parallel aan de Fascinatio Boulevard geldt een maximale bouwhoogte van 15 meter. Blok B heeft een maximale bouwhoogte van 15 meter, blok C en D hebben een maximale bouwhoogte van 12 meter. Binnen het plangebied worden 140 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het parkeerterrein wordt door middel van twee ontsluitingen aan de Fascinatio Boulevard ontsloten. Hiernaast is op het maaiveld ruimte voor groen en eventuele speelmogelijkheden. Het ontwerp van de woningen en de directe woonomgeving dient te voldoen aan de eisen die worden gesteld in het beeldkwaliteitsplan Fascinatio. Dit beeldkwaliteitsplan wordt momenteel herzien. Omgeving Door het realiseren van het volume wordt er tussen de metrolijn en de huidige woonwijk een buffer gerealiseerd. De nieuwe bebouwing heeft een afschermde werking voor de woonwijk. Ter plaatse van de huidige woningen ten zuiden van het plangebied verbetert de geluidsituatie. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op het aspect geluid ter plaatse van het plangebied.
13/103
14/103
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidsmatige verantwoording
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante vigerende beleidskader. Paragraaf 3.2 besteedt aandacht aan het rijksbeleid. Het provinciaal en regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.3 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.4. Paragraaf 3.5 omvat de conclusies ten aanzien van het beleidskader voor het plangebied.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de ‘nationale belangen’. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem‐verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale
15/103
belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit Ruimte voor overgang naar een circulaire economie Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets‐ en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.
Toetsing Het NOVI kenmerkt zich door een hoog abstractieniveau en bevat geen concreet beleid ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Er is geen sprake van strijdigheid met het nationaal beleid. 3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 sub 2) Ieder plan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Voor projecten binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een stedelijke ontwikkeling bij plannen voor meer dan 11 woningen of een functiewijziging vanaf 500 m2 bvo. Het geldende bestemmingplan is vertrekpunt in de beoordeling of iets een stedelijke ontwikkeling is. Beschrijving woningbehoefte In dit geval worden maximaal 161 appartementen (sociale huurwoningen) mogelijk gemaakt op een locatie die geen woonbestemming heeft. In dit geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied.
De bouw van woningen in de gemeente Capelle aan den IJssel voorziet in een actuele regionale behoefte. De woningbehoefte blijkt uit diverse bronnen die hierna worden behandeld.
16/103
Woningbehoefteraming Zuid‐Holland (WBR 2021) Uit de provinciale woningbehoefteraming WBR 2021 blijkt dat in de periode 2021‐2030 in de Rotterdamse regio behoefte is aan ruim 61.000 woningen. De nieuwe raming komt hoger uit dan die uit 2019, wat betekent dat er in de gemeente Capelle aan den IJssel ook meer woningen nodig zijn. Bovendien zijn 22.150 woningen (10%) nog niet regionaal toegedeeld.
Figuur 3.1 Prognose gewenste toename woningvoorraad (bron: WBR 2021 Provincie Zuid‐Holland) Regionale afspraken en woningbehoefteraming In het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam (januari 2019) is (mede op basis van een eerdere prognose) afgesproken dat Rotterdam zich inzet om 30.000 woningen aan de voorraad toe te voegen. De hogere prognose van de WBR 2021 is aanleiding om deze regionale afspraken te actualiseren. Dit gebeurt naar verwachting eind 2022. ABF Research (ABF) heeft in opdracht van het Samenwerkingsverband Wonen Regio Rotterdam de actuele woningbehoefte voor de gemeenten in de regio Rotterdam onderzocht (Actualisatie studie naar een meer evenwichtige Regio Rotterdam, ABF 2021). De belangrijkste conclusie is dat de regio meer woningen moet toevoegen dan er is afgesproken in het Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018 ‐ 2030 (Regioakkoord). Hierbij moet de focus vooral komen te liggen op de uitbreiding van de sociale en middeldure woningvoorraad. Deze opgave betreft alle regiogemeenten. De netto uitbreidingsopgave voor de regio Rotterdam betreft 72.400 woningen tussen 1 januari 2020 en 31 december 2030. Voor Capelle aan den IJssel wordt hierin uitgegaan van 4.500 woningen tot 2031.
Uit het regionale behoefteonderzoek (ABF) blijkt dat voor de verschillende prijssegmenten er op basis van het “meer evenwichtscenario” in Capelle aan den IJssel een uitbreidingsbehoefte ligt van: + 1.600 sociale woningen (vooral sociale huur); + 1.600 middeldure woningen (vooral koop); + 1.300 dure woningen (vooral koop).
17/103
Figuur 3.2 Woningbehoefte 2020 t/m 2030 Meer Evenwichtscenario (bron: Woningbehoefteonderzoek ABF) Omdat de vigerende regionale woningmarktafspraken onvoldoende kunnen voorzien in de nieuw geraamde woningbehoefte, is het noodzakelijk het beleid en daarmee de regionale woningmarktafspraken bij te buigen. Uit de behoefteraming blijkt bijvoorbeeld dat een aandeel van ruim 60% betaalbare woningen (sociale en middeldure woningen opgeteld) nodig is en daarin voorzien de huidige woningbouwplannen in de regio onvoldoende. Met dit project wordt bijgedragen aan de beoogde balans in betaalbare woningen. Woningbehoefteverkenning Zuid‐Holland 2019 (april 2020) In opdracht van de Provincie Zuid‐Holland heeft ABF Research de huidige stand van zaken op de Zuid‐Hollandse woningmarkt in beeld gebracht en de kwalitatieve woningbehoefte in de toekomst onderzocht. De kwalitatieve woningbehoefte is per regio in beeld gebracht. Hierna is de behoefte in de regio Rotterdam, waar Capelle aan den IJssel deel van uitmaakt, in beeld gebracht.
Figuur 3.3 Ontwikkeling huishoudens 2019 t/m 2029 (bron: Factsheet Kwalitatieve woningbehoefte‐verkenning Regio's Zuid‐Holland 2019) De sterkste huishoudensgroei wordt verwacht in de leeftijdsgroep 75 jaar en ouder, maar ook de leeftijdsgroep 65+ en 30 tot 44 neemt sterk toe. De sterkste groei wordt verwacht in de groep alleenstaanden. Het hoogste inkomenskwintiel neemt in omvang toe. Het aantal huishoudens in het laagste kwintiel neemt naar verwachting af. In de regio zijn veel toevoegingen nodig in alle huur‐ en koopsegmenten.
18/103
Figuur 3.4 Ontwikkeling woningvoorraad 2019 t/m 2029 (bron: Factsheet Kwalitatieve woningbehoefte‐verkenning Regio's Zuid‐Holland 2019) In de regio Rotterdam neemt in het standaardscenario zowel in de huur‐ als in de koopsector het aantal huishoudens toe. De groei is zowel in absolute aantallen als relatief gezien het sterkst in de koopsector. Bezien over de woningmarkt als geheel neemt het aantal huishoudens in de doelgroep huurtoeslag licht af en vindt bij de midden‐ en hogere inkomensgroepen de sterkst groei plaats. Toevoegingen zijn vooral gewenst in de groen‐stedelijke en stedelijk naoorlogs compacte woonmilieus.
Figuur 3.5 Woningbehoefte per woonmilieu (bron: Kwalitatieve woningbehoefteverkenning Regio's Zuid‐Holland 2019) Regionale Woonvisie Regio Rotterdam 2021‐2040 Op 23 juni 2021 is de Regionale Woonvisie Regio Rotterdam 2021‐2040 vastgesteld en ondertekend door de bestuurders van het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam (SvWrR). De regio Rotterdam wenst dat mensen met plezier in een groene en natuurinclusieve leefomgeving wonen. De regio wil het bijzondere landschap behouden en versterken. Voor zover locaties buiten bestaand stads‐ en dorpsgebied (BSD) of buiten de invloedsfeer van HOV nodig zijn, worden de ruimtelijke aspecten (waaronder de ontsluiting) van die locaties onderbouwd door de afzonderlijke gemeente. De beoogde locatie ligt binnenstedelijk en binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer.
19/103
De regio ziet zes katalysatoren om haar ambities waar te maken: Versnelling woningbouwopgave Betere benutting gebouwde omgeving: verdichting & transformatie Vernieuwende woonconcepten en flexibele schil woningmarkt Huisvesting arbeidsmigranten Energietransitie bestaande voorraad Doorstroming Capelle aan den IJssel is hierin aangemerkt als gemeente die groeit van een stadsdorp naar een gebalanceerde stad met een sociaal ‐maatschappelijk verbonden dorps karakter. Programma wonen 2019‐2022 en Samenwerkingsafspraken 2022 t/m 2023 De gemeente heeft in haar Programma Wonen 2019‐2022 als strategisch speerpunt ‘Consolideren van de omvang van de sociale huurwoningenvoorraad (huurprijs < € 711, prijspeil 2018) van de woningcorporaties op 10.000 woningen’. Dit met het oog op de Wensvoorraad Meer Evenwicht van 10.030 sociale corporatiewoningen in 2030. De wensvoorraad van Havensteder is door ABF geraamd op 9.034 sociale huurwoningen in 2030. Havensteder en de gemeente monitoren twee keer per jaar, zowel in 2022 als in 2023, hoe de sociale woningvoorraad zich ontwikkeld. Partijen realiseren zich dat, als gevolg van de sloop van de woningen binnen het project De Hoven II, de omvang van de (sociale) woningvoorraad in Capelle tijdelijk afneemt. De Gemeente heeft samen met Havensteder gezocht naar compenserende nieuwbouwlocaties voor de realisatie van sociale huurwoningen.
De compenserende nieuwbouwlocaties, afspraken en voorwaarden hieromtrent zijn vastgelegd in de afsprakenbrief “Afspraken compensatie sociale woningvoorraad Hoven II". Partijen achten het reëel de compensatie te laten plaatsvinden op en aantal locaties, waaronder Fascinatio. De realisatie van deze compenserende nieuwbouw start uiterlijk 2024.
3.3
Provinciaal en regionaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Zuid‐Holland (geconsolideerde versie 2022)
Met het Omgevingsbeleid van Zuid‐Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid‐Holland. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid‐Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland; 5. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende opgaven relevant:
20/103
Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads‐ en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen: Bouw naar behoefte; Bouw binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied; Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid; Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving; Bouw voldoende betaalbare woningen. Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing is ook van provinciaal belang. Toetsing De ladder is in paragraaf 3.2.2 doorlopen. Het plangebied is door de provincie aangemerkt als bestaand stads‐ en dorpsgebied en is goed ontsloten op het openbaar vervoer.
Ruimtelijke kwaliteit De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Toetsing Het plangebied is op de verschillende lagen als volgt aangemerkt: Laag van de ondergrond Rivierdeltacomplex Zoals overal in Zuid‐Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden.
21/103
Rivierklei en veen Ontwikkelingen houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.
Laag van de cultuur‐ en natuurlandschappen Geen relevante richtpunten. Laag van de stedelijke occupatie Steden en dorpen Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met 'zwaartepunten' in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen‐ en waterstructuur. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads‐ en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads‐ en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied.
Bouwwerken voor energie‐opwekking Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energie‐opwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving.
Laag van de beleving Geen relevante richtpunten. Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied van Capelle aan den IJssel. De woningen die worden gerealiseerd, zullen voldoen aan de duurzaamheidseisen en zijn georiënteerd op de huidige metrolijn. Het hoogteaccent wordt naast de A16 en de metrolijn gerealiseerd en past hiermee binnen het centra van de stedelijke structuur. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt voldoet dus aan het beleid zoals opgenomen in de omgevingsvisie. 3.3.2 Omgevingsverordening (geconsolideerde versie 2022) In samenhang met de omgevingsvisie is de omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het volgende is relevant voor het bestemmingsplan. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
22/103
2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. 6. Specifieke regels voor de gebiedstypen als bedoeld in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d.
6.9e, 6.9f en 6.9g, worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat. 7. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom‐ en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. Lid 8 tm 12 zijn voor deze ontwikkeling niet relevant.
23/103
Toetsing In dit geval is er sprake van inpassen. in paragraaf 3.3.1 is ingegaan op de richtlijnen vanuit de kwaliteitskaart. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads‐ en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen.
In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing Door de ontwikkeling wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde voor verstedelijking: allereerst het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stedelijk gebied en daarna het benutten van locaties aansluitend aan stedelijk gebied. Met betrekking tot de ladderonderbouwing voor de realisatie van woningen wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2. Artikel 6.35a Risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte. Toetsing Zie de paragrafen 3.4.5 en 4.14.
24/103
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Stadsvisie gemeente Capelle aan den IJssel De Stadsvisie vormt een brede toekomstvisie op de leefomgeving voor Capelle gericht op ruimte, maatschappij en veiligheid. Het geeft een antwoord op hoe Capelle er in 2040 uit ziet en wat voor soort gemeente ze willen zijn. De uitdaging voor Capelle is de leefbaarheid en kwaliteiten te houden en te versterken waar nodig, binnen een verder verstedelijkende regio. Capelle wil de saamhorigheid van het dorpse karakter behouden en versterken, en de stedelijke kwaliteit verder ontwikkelen.
Figuur 3.6 Uitsnede visiekaart
25/103
De visie: stedelijke zones rondom (H)OV‐punten. De ov‐lijnen (metro en spoor) zijn dragers die de Capellenaar snel en efficiënt toegang geven tot een groot bereik aan voorzieningen. De zones rondom de metrostations zijn nu slechts deels benut. Deze zones hebben de potentie om uit te groeien tot een specifiek Capels gemengd stedelijk milieu. Deze zones kunnen worden verdicht met een stedelijk gemengd programma van wonen, werken en voorzieningen. Zo ontstaat er een meer stedelijke zone waar ook de Rotterdamse gebieden Alexanderknoop en Kralingse Zoom (met de Erasmus Universiteit en het Brainpark) op aansluiten. Toetsing De locatie is op de visiekaart aangeduid als zone met potentie om uit te groeien tot een gemengd stedelijk milieu. De ontwikkeling van woningbouw sluit aan op de visie om de gebieden rondom ov‐punten te verdichten. 3.4.2 Ruimtelijk Toekomst Perspectief Fascinatio In het Ruimtelijk Toekomst Perspectief Fascinatio heeft de gemeente vastgelegd hoe Fascinatio er over 10 jaar (2030) ruimtelijk uit kan zien. Fascinatio wordt een prettige stadswijk voor jong en oud, niet alleen in de binnenring, maar ook in de buitenring. Binnen de wijk kunnen mensen wooncarrière maken. Jongeren kunnen, makkelijker dan nu het geval is, een betaalbare woning in de wijk vinden.
Doordat er nu ook wonen in de buitenring is gekomen kan de buitenring een gemengder beeld krijgen waarin zowel gewoond als gewerkt wordt. Deze functiemenging zorgt voor meer leven in het gebied gedurende een groter deel van de dag en voor een spreiding van de parkeerdruk. Zowel vanuit het wonen als vanuit het werken liggen er kansen voor het afmaken van de buitenring. Het toevoegen van woningen zorgt voor een evenwichtigere verhouding tussen wonen en werken in de buitenrand. Het wonen gericht op jongeren, ouderen en/of wonen met zorg ligt het meest voor de hand. Conclusie De realisatie van woningen in de buitenring van de wijk geeft invulling aan het Ruimtelijke Toekomst Perspectief Fascinatio. 3.4.3 Programma Wonen 2019 ‐ 2022 Gemeente Capelle aan den IJssel heeft in haar Programma Wonen 2019‐2022, ‘Thuis in een veelzijdige woonstad’, het beleid vastgelegd op het gebied van wonen voor de periode tot en met 2022. De beschreven ambities in de gemeentelijke visie hebben als uitgangspunt gediend voor het Programma Wonen. In het programma staan vier pijlers centraal. Binnen de vier pijlers wordt invulling gegeven aan zes strategische speerpunten. 1. Duurzaam wonen met kwaliteit De focus ligt op het steeds meer verduurzamen en verbeteren van de kwaliteit van de woningvoorraad en het benutten van duurzame ontwikkelingsmogelijkheden. 2.
Voor iedereen een (t)huis Het uitgangspunt is om het aanbod van woningen in eerste instantie zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de woonwensen van de Capellenaren. 3. Wonen met zorg en welzijn De wijken bieden een thuis aan een toenemend aantal mensen uit kwetsbare groepen. 4. Samen wonen in de wijk Bewoners worden betrokken bij de ontwikkeling van Gebiedsvisies, wijkvisies en plannen in de buurten.
26/103
De zes strategische speerpunten zijn: 1. Toekomstbestendig ontwikkelen: woningen realiseren met name in de nabijheid van hoogwaardige OVpunten en verduurzamen van de bestaande woningvoorraad. 2. Stadstransitie via herstructurering en transformatie van gebieden en gebouwen. 3. Consolideren, spreiden en vernieuwing van de sociale woningcorporatie huurwoningenvoorraad. 4. Vergroten huisvestingsmogelijkheden voor jongeren (18 tot 27 jaar) en ouderen in de AOW‐gerechtigde leeftijd. 5. Toevoegen van eenheden voor Begeleid Wonen en verplegings‐ en verzorgingsplekken. 6. Vernieuwende inzet op leefbaarheid in wijken. Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in verdichting rond OV‐knooppunten zoals opgenomen in de Stasdvisie. Daarnaast biedt de ontwikkeling ruimte aan verschillende woningtypologieën, waardoor woningen worden gerealiseerd voor verschillende doelgroepen. Ook wordt aangesloten bij meerdere strategische speerpunten, onder andere doordat het project onderdeel is van de transformatie van een bedrijventerrein. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de speerpunten uit het Programma Wonen. 3.4.4 Programma Mobiliteit In 2021 is het Programma Mobiliteit 2020‐2030, ‘Gebalanceerd de toekomst in’, vastgesteld. Met dit programma is invulling gegeven aan het mobiliteitsbeleid voor de gemeente Capelle aan den IJssel.
Uitgangspunt is om in Capelle het vervoer voor iedereen die van en naar Capelle gaat in goede banen te leiden. In dit kader zijn er diverse ambities, waaronder het verbeteren van de ketenmobiliteit (door mobiliteitshubs), verbetering van de verkeersveiligheid, het inzetten op duurzaam en schoner vervoer. Het Programma Mobiliteit kent een viertal pijlers. Dit zijn: ‘Alle modaliteiten in balans’, ‘Een verkeersveilige stad’, ‘Duurzaam op weg’ en ‘Een toekomstbestendige stad’. Binnen de ambitie en de 4 pijlers zijn in het uitvoeringsprogramma projecten en maatregelen opgenomen. Toetsing De beoogde ontwikkeling voorziet in een woningbouwontwikkeling en bestaat uit een wijziging op kavelniveau. Hierdoor is het niet mogelijk om op alle aspecten uit het Programma Mobiliteit aan te sluiten. Wel wordt getracht om de toekomstige bewoners te stimuleren andere vervoerswijzen dan de auto in te zetten. Dit wordt gedaan door het realiseren van een voldoende ruime, goed bereikbare en veilige fietsenberging. Daarnaast levert ook de goede bereikbaarheid van het openbaar vervoer vanaf de locatie hieraan een bijdrage. Verder wordt door een zorgvuldige inrichting van het plangebied getracht een verkeersveilige omgeving te ontwerpen en zo een bijdrage te leveren aan het verminderen van verkeersongevallen. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het Programma Mobiliteit.
27/103
3.4.5
Programma Duurzaamheid 2019‐2022
Het Programma Duurzaamheid 2019‐2022 ‘Slim op weg naar een duurzaam Capelle’ is in 2019 door de gemeenteraad van Capelle aan den IJssel vastgesteld. Met dit programma is een visie voor duurzaamheid opgesteld. Het programma is tot stand gekomen in overleg met vele bewoners en stakeholders. Het is een grote opgave om tot een duurzaam Capelle in 2050 te komen. Maar het tegengaan van klimaatverandering door de energietransitie, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en een transitie naar een circulaire economie bieden ook grote kansen. We kunnen en willen dit niet alleen en daarom werken we samen met andere overheden, maatschappelijke partners, bewoners en bedrijven. De transitie naar een duurzaam Capelle vraagt om financiële investeringen en vereist ook een fundamentele verandering in de manier waarop we denken en doen. Tegelijkertijd biedt deze transitie ook kansen voor economische ontwikkeling en voor de leefomgeving. Het raakt iedereen en van iedereen verwachten we een bijdrage. Om de transitie te laten slagen nodigen we de samenleving uit om actief deel te nemen. Bijvoorbeeld door minstens twee keer per jaar de bijeenkomsten van het Platform Duurzaam Capelle te blijven organiseren. Het Programma Duurzaamheid is opgebouwd vanuit drie pijlers: 1. Energietransitie: het tegengaan van klimaatverandering door de uitstoot van CO2 te verlagen.
Dit doen we door de vraag naar energie te verkleinen via besparing en de opwekking van energie te verduurzamen. 2. Klimaatadaptatie: het klimaat verandert. Daarom passen we ons aan om de gevolgen van (versnelde) klimaatverandering op te vangen en de schade en overlast zoveel mogelijk te beperken. Hiervoor richten we onze leefomgeving klimaatbestendig in. 3. Circulair economie: het omvormen van ons economisch systeem waarin we grondstoffen niet uitputten en reststoffen opnieuw gebruiken in het productieproces. We werken aan vermindering van afvalstromen, hergebruik van reststoffen en gebruik van hernieuwbare grondstoffen. De opgaven binnen de pijlers energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie komen samen in de stad, wijk en de regio. Een samenhangende regionale en wijkgerichte visie en aanpak is daarom essentieel. In de volgende hoofdstukken beschrijven we per pijler de ambities en concrete activiteiten. Toetsing In paragraaf 4.14 wordt nader ingegaan op de mogelijkheden voor duurzaamheid. Deze maatregelen worden in een latere fase van het plan nader uitgewerkt.
28/103
3.4.6
Weerkrachtig Capelle
Hevigere regenbuien, maar ook perioden van extreme droogte en hitte, komen vaker voor. Dat brengt uitdagingen met zich mee. Gelukkig heeft Capelle aan den IJssel als relatief groene en blauwe stad nog niet te maken met grote overlast en schade. Als nu al rekening gehouden kan worden met deze veranderingen bij de beheer en inrichting van de stad, kan ervoor gezorgd worden dat in de toekomst geen problemen ontstaan. 'Weerkrachtig Capelle' vormt de leidraad voor een weerkrachtige inrichting van de stad. Per onderwerp zijn duidelijke ambities opgenomen, waaronder: wateroverlast: waterschade voorkomen; hitte: 'koele locaties' realiseren en waarborgen; droogte: schade aan funderingen en groen voorkomen; overstroming: waterveiligheid waarborgen; bodemdaling: openbare ruimte bodemdalingsbestendig aanleggen; biodiversiteit: 50% van de openbare is groen/blauw ingericht. In de leidraad wordt ingegaan op wateroverlast, droogte, hitte, overstroming, biodiversiteit en bodemdaling. Huidige weersextremen kunnen in Capelle relatief goed worden opgevangen. Het grootste deel van de gebouwen is gebouwd op stevige betonpalen, waardoor zij niet weg zakken. De stad ligt aan de Hollandsche IJssel en de Maas, goed beschermd door keringen en dijken. Maar het klimaat verandert en dat heeft ook gevolgen voor Capelle.
Het jaar 2050 is nog ver weg, maar de hevige regenbuien, hitte en droogte in de afgelopen jaren laten zien dat actie nodig is. In Weerkrachtig Capelle zijn per onderwerp de ambities en acties beschreven die wij willen hanteren om in 2050 een weerkrachtig ingerichte stad te zijn. De ambities die betrekking hebben op de (her)inrichting van de openbare ruimte zijn gebundeld in een ambitiematrix, die als bijlage 1 aan Weerkrachtig Capelle is toegevoegd. Dit wordt komend jaar verder gebiedsgericht uitgewerkt in de realisatieparagraaf van het Programma Buitenruimte. Nieuwbouw moet voldoen aan het Zuid‐Hollandse convenant Klimaatadaptief Bouwen. Toetsing In paragraaf 4.14 wordt nader ingegaan op de mogelijkheden voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. Deze maatregelen worden in een latere fase van het plan nader uitgewerkt.
3.5
Conclusie
Het plan is in overeenstemming met het beleid van de verschillende overheden.
29/103
30/103
Hoofdstuk 4 4.1
Sectorale aspecten
Milieueffectrapportage (m.e.r.)
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer‐beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2); de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 161 woningen verdeeld over 4 gebouwen. De beoogde ontwikkeling overschrijdt de drempelwaarden niet.
Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de navolgende paragrafen zijn opgenomen. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een ‘gevoelig gebied’ zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden. De aanmeldingsnotitie ten behoeve van de m.e.r.‐beoordeling (zie bijlage 1) gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu.
Op basis van de onderzoeken van de verschillende aspecten kan worden geconcludeerd dat de benodigde werkzaamheden en het gebruik van het tracé niet waarschijnlijk tot belangrijke nadelige milieueffecten
31/103
zullen leiden. Met deze informatie zal het bevoegd gezag bepalen of er al dan niet een MER dient te worden opgesteld.
4.2
Geluid
Toetsingskader Geluidzone industrielawaai Een geluidzone wordt vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die 'in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken' zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Dergelijke bedrijven worden in de volksmond ook wel 'grote lawaaimakers' genoemd. Op grond van de wet behoort tot de geluidzone het gebied tussen het industrieterrein zelf en de buitengrens van de zone. Het industrieterrein zelf maakt dus geen deel uit van de zone. Buiten een geluidzone mag de geluidsbelasting als gevolg van het betreffende industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Voor het gezoneerde industrieterrein zelf en daarop aanwezige of geprojecteerde woningen gelden geen geluidnormen. Grenswaarden voor nieuwe gevoelige functies Binnen de geluidzone zijn woonbestemmingen en andere geluidsgevoelige bestemmingen slechts aanvaardbaar indien de geluidsbelasting aan de gevel aan de wettelijke grenswaarden voldoet. Voor nieuwe geluidsgevoelige functies, zoals woningen, geldt een wettelijke voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Voor nieuwe woningen die binnen de geluidzone liggen is in het algemeen de vaststelling van een hogere waarde tot 55 dB(A) mogelijk.
Op grond van de momenteel vigerende Wet geluidhinder kan het bevoegd gezag de betreffende hogere grenswaarden vaststellen indien blijkt dat maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ondervinden van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Wegerkeerslawaai Langs alle wegen ‐ met uitzondering van 30 km/h‐wegen en woonerven ‐ bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszones langs wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de zone van een weg, dient getoetst te worden aan de normen van de Wgh. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde (zie tabel 5.6). De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day‐evening‐night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.
Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan.
32/103
Railverkeerslawaai Ten noorden van het plangebied ligt een metrotraject. Het betreffende traject is aangegeven op de zonekaart spoorwegen. De bij deze kaart aangegeven zone is 100 meter, het plangebied valt hier binnen. De geluidsbelasting dient daarom berekend en beoordeeld te worden als spoorwegverkeer. Voor woningen bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. Bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is onder voorwaarde een ontheffing mogelijk tot de maximale grenswaarde van 68 dB. Tabel 4.1 Relevante grenswaarden woningen Wegverkeerslawaai (binnenstedelijk) Wegverkeerslawaai (buitenstedelijk) Railverkeerslawaai
Voorkeursgrenswaarde
Uiterste grenswaarde
48 dB
63 dB
48 dB
53 dB
55 dB
68 dB
Bouwbesluit De geluidswaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB voor wegverkeer en 35 dB(A) voor industrielawaai. De Interimwet stad‐en‐milieubenadering Sinds 1 februari 2006 is de Interimwet stad‐en‐milieubenadering van kracht. Doelstelling van deze wet is het bereiken van een zuinig ruimtegebruik en een optimale leefomgevingskwaliteit. Op basis van deze wet mogen gemeenten, na zorgvuldig onderzoek en onder bepaalde voorwaarden, afwijken van de wettelijke milieunormen voor bodem, geluid en/of lucht. Doel hiervan is een grotere beleidsvrijheid voor gemeenten waardoor lokaal meer maatwerk mogelijk is, uitgaande van een integrale benadering van alle aspecten van leefomgevingskwaliteit. De wet gaat er daarbij van uit dat gemeenten in hun planvorming de zogenaamde stad‐en‐milieubenadering toepassen die bestaat uit drie stappen: vroegtijdig integreren van milieu in het ruimtelijk plan en werken aan brongerichte maatregelen (stap 1); zoeken naar oplossingen binnen de bestaande wet‐ en regelgeving (stap 2); als milieunormen of wettelijke procedures de gewenste stedelijke leefkwaliteit in de weg staan, kunnen gemeenten via een afzonderlijk besluit van de gemeenteraad afwijken van bestaande regels (stap 3).
Het voornemen tot het nemen van dit besluit moet door burgemeester en wethouders worden gemeld bij gedeputeerde staten. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt in de geluidzone van de A16, Fascinatio Boulevard, Bahialaan, Fysicibaan, Kralingse Kerklaan, Engelbrechtlaan, 's‐Gravenweg, N210, de westelijk gelegen busbaan en de metrolijn. Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat bij alle woningen ten aanzien van het aspect geluid sprake is van een uitdagende situatie: Bij alle woningen is sprake van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, ten gevolge van een of meer geluidsbronnen (met name de A16, Fascinatio Boulevard en N210).
33/103
Bij een groot deel van de woningen is sprake van overschrijding van de maximale grenswaarde uit de Wet geluidhinder, ten gevolge van het wegverkeer op de A16.
Omdat woningbouw op de locatie zeer gewenst is, maar maatregelen aan de geluidsbron en in het overdrachtgebied niet in te passen zijn, worden in het project zoveel mogelijk maatregelen genomen om tot een zo goed mogelijk akoestisch woon‐ en leefklimaat te komen. Dit is gedaan door de stedenbouwkundige invulling en door de gebouwgebonden maatregelen. Desondanks blijft het niet haalbaar om met deze maatregelen om volledig aan de eisen uit de Wet geluidhinder en het lokaal geluidbeleid van de gemeente te voldoen. Om realisatie van het plan mogelijk te maken is daarom gekozen om gebruik te maken van de interimwet stad‐en‐milieubenadering. In dit kader is breed onderzoek gedaan naar het woon‐ en leefklimaat van de woningen. Mede op basis van het akoestisch onderzoek wordt het stap‐3 besluit genomen. De onderbouwing is opgenomen in bijlage 3. Conclusie De akoestische situatie ter plaatse van het plangebied is in hoge mate bepalend voor de voorwaarden waaronder de beoogde woningbouwontwikkeling mogelijk is. De geluidbelasting ten gevolge van de A16 is hoger dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder en ook hoger dan de maximale ontheffingswaarde. Voor de woningen zal de gemeente Capelle aan den IJssel een zogenaamd 'Stap 3‐besluit' op grond van de Interimwet Stad‐en‐milieu benadering vaststellen.
In dat kader worden compenserende maatregelen getroffen die enerzijds zijn gericht op het creëren van een minder geluidbelast, kwalitatief hoogwaardige buitenruimte en anderzijds op verhoogde eisen ten aanzien van de gevelwering. Met de beschreven maatregelen is ter plaatse van de beoogde woningen sprake van een aanvaardbare akoestische situatie en wordt op een verantwoorde wijze afgeweken van de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder. Het Stap 3‐besluit wordt gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld.
4.3
Trillingen
Toetsingskader Het plangebied ligt op ca. 60 meter afstand van de metrolijnen A, B en C en op iets grotere afstand van de RET Metro Remise 's‐Gravenweg. In algemene zin geldt dat door het rijden van metrostellen over de metrolijnen trillingen kunnen worden opgewekt, welke zich voortplanten door de bodem en vervolgens gebouwfunderingen kunnen aanstoten en in trilling kunnen brengen. Deze trillingen planten zich voort in de gebouwconstructie. Eventuele (objectiveerbare) trillinghinder is afhankelijk van de optredende trillingssterkten en de mate van voorkomen (hoe vaak is een trilling voelbaar). In Nederland bestaan op dit moment geen wettelijke regelingen en normen, die duidelijke grenswaarden met een beoordelingssysteem voor trillingen geven. Sinds 1993 is er wel de meet‐ en beoordelingsrichtlijn van de SBR “Trillingen deel B – Hinder voor personen in gebouwen”, waarin streefwaarden worden gegeven, waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er geen hinder optreedt. De SBR‐publicatie is in 2002 geactualiseerd.
34/103
Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking worden twee afstandscriteria aangegeven t.a.v. van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 m van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 m afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/ of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek. Het plangebied bevindt zicht op circa 60 meter afstand van de metrolijnen A, B en C. Om die reden is een globale quickscan uitgevoerd. De “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” is in hoofdzaak bedoeld voor het hoofdspoorwegennet, maar kan ook worden toegepast voor metrolijnen. Onderzoek en conclusie Voor het plangebied is de situatie t.a.v. trillingen beoordeeld op basis van een quickscan zoals beschreven in paragraaf 10.1 van bovengenoemde Handreiking, waarin tevens is aangegeven dat bij voorkeur ook aandacht wordt besteed aan eventuele ontwikkelingen aan de bron (wijzigingen aan het spoor, wijzigingen in treintypen, etc.).
In de Handreiking staan de volgende informatiebronnen genoemd die gebruikt kunnen worden voor een quickscan: bodemgesteldheid en opbouw, ligging waterpartijen, treinbeeld, locatie ES‐lassen, wissels en overgangsconstructies, locatie bebouwing en type bebouwing en eventuele toekomstige wijzigingen aan het spoor. In algemene zin geldt dat metrostellen lichter zijn dan reguliere treinstellen en daarmee is de aanstoting van de bodem in het algemeen lager. Ook is de rijsnelheid gemiddeld lager, wat minder snel aanleiding zal geven tot mogelijke trillinghinder. Verder geldt dat de locatie van het plangebied kan worden vergeleken met bestaande woningen ten oosten van RET Metro Remise aan de Jan Hudigstraat. Deze woningen liggen op circa 55 meter van de hoofdmetrolijn en op circa 35 meter afstand van een aftak naar de remise. Voor zover bekend is bij deze woningen geen sprake van trillinghinder. Om die reden het niet aannemelijk dat hinder vanwege trillingen zal optreden binnen het plangebied. Net als bij de woningen aan de Jan Hudigstraat ligt tussen de metrolijn en het plangebied nog een watergang; dit heeft een dempend effect op de overdracht van bodemtrillingen. Concluderend wordt gesteld dat een nader aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht en dat in het kader van bovengenoemde Handreiking deze quickscan toereikend is voor het aspect trillingen.
4.4
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Nota parkeernormen Capelle aan den IJssel Op 14 december 2015 is het parkeerbeleid 2015 Capelle aan den IJssel door de gemeenteraad vastgesteld.
35/103
De Gemeente Capelle aan den IJssel wil de vraag naar parkeergelegenheid goed blijven faciliteren, maar wel op een zodanige wijze dat de bereikbaarheid van de stad in zijn geheel als de verschillende delen daarvan (het centrum, de woonwijken, de bedrijventerreinen e.d.) kan worden gewaarborgd en de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft. De gemaakte beleidsmatige afwegingen en keuzes hebben geresulteerd in het Parkeerbeleid 2015. In dit beleidsplan wordt onder meer benoemd dat de veroorzaker van de parkeervraag behorende bij een nieuw‐ of verbouwproject verantwoordelijk wordt gesteld voor het realiseren van de daartoe benodigde parkeerplaatsen. Daar zijn echter nieuwe, goede en heldere kaders voor nodig. Initiatiefnemers en bouwers moeten op voorhand weten waar ze op het gebied van parkeren aan moeten voldoen. Dit schept duidelijkheid naar alle partijen. Ook omwonenden en overige belanghebbenden hebben recht op deze duidelijkheid over waar ze aan toe zijn en wat ze kunnen verwachten bij deze nieuw‐ of verbouwplannen ten aanzien van parkeren. Het beleid levert de kaders teneinde de uitkomsten voor het parkeervraagstuk aan de voorkant van het planproces te genereren en zo nodig te vertalen naar verplichtingen. Voor het toetsen aan fietsparkeerplaatsen wordt de Amsterdamse Bouwbrief toegepast.
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie worden de kencijfers van het CROW gebruikt. Capelle aan den IJssel is een sterk stedelijke gemeente. De locatie ligt in rest bebouwde kom. in het kader van een goede ruimtelijke ordening is een goede, logische en verkeersveilige ontsluitingsstructuur voor autoverkeer en langzaamverkeer nodig. Onderzoek Ontsluiting Auto De locatie is gelegen aan de Fascinatio Boulevard en via de Fascinatio Boulevard verbonden met de N210 Abram van Rijckevorselweg. In principe is de locatie dus goed en direct ontsloten op het hoofdwegennet, maar we zien tegelijkertijd dat dit deel van het netwerk overbelast is. De Abram van Rijckevorselweg en de aansluiting op de A16 (Kralingseplein) zijn drukke wegvakken waar op drukke momenten de capaciteit wordt bereikt en files ontstaan. Dat heeft niet zijn oorzaak in Fascinatio en speelt op het hele wegvak van het Capelseplein en Kralingseplein (onderdeel van de Algera‐corridor), maar Fascinatio ondervindt hier wel hinder van, in die zin dat met files op de Abram van Rijckevorselweg er terugslag ontstaat tot in de wijk en de ontsluiting van de wijk onder druk staat. Partijen in de regio werken momenteel aan de voorbereiding van maatregelen aan de Algera‐corridor, zodat de verkeersgroei op dit deel van het wegennet kan worden opgevangen en de doorstroming verbetert.