CConstaterende datCapelle aan den IJssel
Koppel je AI →
Document · PDF

06.01 - Raadsvoorstel en -besluit Verordening jeugdhulp 2026

Gemeenteraad 10 november 2025, gemeente Capelle aan den IJsselBij agendapunt: Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 202638.280 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Zaaknr:2051200

3.

Toelichting Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1.

Begripsbepalingen

Algemeen In dit artikel worden de omschrijvingen gegeven van de meest voorkomende begrippen. Verder wordt geregeld dat de begrippen die niet zijn omschreven dezelfde betekenis hebben als in de achterliggende wet- en regelgeving. Deze begripsbepalingen zijn integraal van toepassing op deze artikelsgewijze toelichting. Voor alle duidelijkheid nemen we hier ook de omschrijving op van het begrip jeugdhulp zoals dat in artikel 1.1 van de Jeugdwet is als volgt gedefinieerd: 1. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen; 2. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3.

het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Gebruik term “stoornissen” De Adviesraad Sociaal Domein heeft gewezen op het gebruik van de term “stoornissen”. Dit begrip is als juridische term opgenomen in de Jeugdwet. Daardoor wordt het begrip onvermijdelijk ook gebruikt in de verordening en in de artikelsgewijze toelichting. Het college is zich er goed van bewust dat dit begrip als discriminerend of stigmatiserend kan worden ervaren. Het college benadrukt dat het begrip strikt gebruikt wordt om uitvoering te geven aan wetgeving en jurisprudentie en geen maatschappelijk of ander oordeel uitdrukt over jeugdigen die gebruik maken van voorzieningen in de Jeugdwet. Verordening Jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 In de toelichting wordt op een aantal punten een vergelijking gemaakt met de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 en/of de Nadere regels jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2019.

Deze verwijzingen zijn ingekort tot respectievelijk “Verordening 2018” en Nadere regels 2019”. Mandatering CJG Het college heeft de uitvoering van de jeugdwet gemandateerd aan het Centrum voor Jeugd en Gezin Capelle aan de IJssel (CJG). Dit is neergelegd in de “Mandaatregeling gemeente Capelle aan den IJssel 2025” en in het “Besluit tot mandatering bevoegdheden aan de directeur van de Stichting Centrum voor jeugd en gezin Capelle aan den IJssel”. Het CJG biedt vrij toegankelijk hulp en voert de beoordelingstaak voor de toegang namens het college uit. Bij aanvragen voor niet vrij toegankelijke voorzieningen voert het CJG uitsluitend de toegang en het onderzoek uit. De uitvoering van niet vrij toegankelijke voorzieningen zal op geen manier door het CJG worden verricht. De beoordeling voor niet vrij toegankelijke voorzieningen vindt binnen het CJG plaats door onafhankelijke medewerkers van het Besluitteam.

50

Zaaknr:2051200

4.

Toelichting Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp

Artikel 2.

Vormen van jeugdhulp

Eerste en tweede lid In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen vrij toegankelijke voorzieningen en niet vrijtoegankelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een deel van de hulpvragen kan worden beantwoord met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Vrij toegankelijke voorzieningen worden uitgevoerd door het CJG en andere in de gemeente werkzame organisaties. Bij een vrij toegankelijke voorzieningen zal altijd worden beoordeeld of de voorziening een gepaste oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdigen en de ouders. Voor een vrij toegankelijke voorziening wordt geen beschikking afgegeven. Daarnaast kent de gemeente niet vrij-toegankelijke voorzieningen die alleen na een onderzoek door medewerkers van het CJG of door een wettelijke verwijzer toegankelijk zijn. Hierbij wordt wel een beschikking afgegeven. Als uitvloeisel van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, wordt in lid 1 en 2 van dit artikel en in de bijlagen 1 en 2 bij de verordening een overzicht gegeven van de voorzieningen die in deze drie groepen in ieder geval beschikbaar zijn. Van verschillende genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten.

Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. Het uitgangspunt van de gemeente is er voldoende aanbod moet zijn van jeugdhulpverleners met een culturele, religieuze of andere achtergrond die aansluit bij die van de jeugdigen en de ouders. Het CJG heeft een brede samenstelling in het medewerkersbestand. De lokale inkoop van niet vrij toegankelijke jeugdhulp heeft de vorm van een toetredingsregeling die voldoende ruimte biedt voor jeugdhulpaanbieders van iedere achtergrond. Ook in de regionale contractering via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdzorg Rijnmond (GRJR) is diversiteit een belangrijk uitgangspunt. Derde lid Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (op geaggregeerd niveau) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In het raadsbesluit ‘Tegen de stroom in” van 8 juli 2024 heeft de gemeente de keuze gemaakt om hier inderdaad op te sturen. Dit wordt uitgewerkt in lid 3 en in bijlage 3.1 bij de verordening.

Vierde lid Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In het vierde lid is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. De kwaliteitseisen waaraan jeugdhulpaanbieders moeten voldoen vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn verder uitgewerkt in de aanbestedingen en de overeenkomsten voor lokale jeugdhulp en in de contractering via de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond.

51

Zaaknr:2051200

5.

Toelichting Hoofdstuk 3: Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen

Artikel 3.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Algemeen Dit artikel regelt de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. De toegang tot de jeugdhulp is door de gemeente neergelegd bij het CJG. Eerste tot en met vierde lid Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen van wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken. Voor de verstelling van de te hanteren termijnen is pas sprake van een aanvraag vanaf het moment dat de gemeente een duidelijk, schriftelijk verzoek om hulp heeft ontvangen (ECLI:NL:CRVB:2018:1783) .Een mondelinge melding of hulpvraag een eerste contact met het CJG is nog géén formele aanvraag (ECLI:NL:CRVB:2020:1570 en ECLI:NL:CRVB:2022:1227). Bij het gehele proces wordt overeenkomstig de jurisprudentie medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (ECLI:NL:CRVB:2019:276).

Vijfde en zesde lid Als de jeugdige oen/of zijn ouders jeugdhulp in de vorm van zorg in natura niet passend vinden en zelf jeugdhulp willen inkopen door middel van een pgb dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een door hen zelf op te stellen pgb-plan in moeten dienen. Als de jeugdige of zijn ouders ook een budgetbeheerder willen aanwijzen dan dienen zij binnen acht weken na de aanvraag een vertegenwoordiger te vinden die naar het oordeel van het college voldoet aan alle eisen die deze verordening hieraan stelt. Zevende lid In dit geval wordt in algemene zin tien weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Jeugdigen en ouders hebben in beginsel namelijk de gelegenheid om tot twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen. Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat het onderzoek uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn. Vervolgens heeft het college nog twee weken om de beschikking af te geven. Zodoende wordt een totale doorlooptijd van tien weken redelijk geacht. In uitzonderlijke gevallen kan deze gemotiveerd worden verlengd met nog eens maximaal acht weken.

Hierbij moet gedacht worden een complexe casussen, of aan situaties waarin informatie moet worden verkregen van andere instanties. Achtste lid Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Negende lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.

52

Zaaknr:2051200

Tiende lid Een aanvraag kan leiden tot de ook door de ouders/vertegenwoordigers gedragen conclusie dat het de hulpvraag kan worden opgepakt binnen de eigen draagkracht. Of er kan een andere of overige voorziening worden ingezet. In die situatie geldt het door de ouders/vertegenwoordigers ondertekende verslag als intrekking van de aanvraag. Artikel 4.

Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Eerste lid De wet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en/of de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.

Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij meervoudige problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen. De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In Capelle aan den IJssel is aan alle huisartsen een Praktijkondersteuner Huisarts GGZ Jeugd en Gezin (POH) gekoppeld. Een verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder gaat altijd in overleg met de POH. De POH neemt samen met huisarts het besluit voor een verwijzing. De huisarts kan vervolgens de verwijzing via het Zorgdomein invoeren. De POH volgt de cliënt t/m aanmelding bij de jeugdhulpbieder.

Tweede en derde lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een jeugdhulpaanbieder van die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II, 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden. Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een jeugdhulpaanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De instemming van het college is geen automatisme.

Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt.

53

Zaaknr:2051200

Vierde lid Ook na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts is een jeugdhulpaanbieder gehouden aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader in deze verordening en het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2, en daarbij behorende bijlagen zijn opgesomd. Hiermee legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute. Artikel 5.

Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter

Eerst, tweede en derde lid Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling. Gecertificeerde instellingen voeren kinderbeschermingsmaatregelen uit. Dit zijn (voorlopige) voogdij maatregelen en (voorlopige) ondertoezichtstellingen. Daarnaast voeren zij de jeugdreclasseringsmaatregelen uit. In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel kan de gecertificeerde instelling bepalen dat jeugdhulp nodig is (dit staat in artikel 3.5, eerste lid van de Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, ook andere instanties kunnen besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook in het kader van de jeugdreclassering moet de gemeente ervoor zorgen dat de jeugdhulp wordt ingezet die de rechter, het Openbaar Ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerde instelling nodig acht.

Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (dit staat in artikel 2.4, tweede lid onderdeel b Jeugdwet). Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een (voorlopige) ondertoezichtstelling of een (voorlopige) voogdijmaatregel uitspreekt en daardoor er geen ouder meer het gezag heeft, wijst hij gelijktijdig in de beschikking aan welke gecertificeerde instelling de maatregel gaat uitvoeren. De Raad voor de Kinderbescherming geeft in zijn verzoekschrift een concreet advies over welke gecertificeerde instelling dat moet zijn. De Raad voor de Kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De Raad voor de Kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. 6.

Toelichting Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening

Artikel 6.

Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn.

54

Zaaknr:2051200

Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: − de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; − de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; − de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; − het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en − de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Voor de functie van vertrouwenspersoon doet het college een beroep op het landelijke Klachtenportaal Zorg. De cliëntondersteuning is door het college neergelegd bij de Stichting Welzijn Capelle (SWC). Op grond van artikel 2.2.4, van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015), stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet.

Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Derde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen. Vierde lid Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken dor het ondertekenen van het verslag. Het college hoeft in di geval geen besluit meer te nemen. Vijfde lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen.

De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (ECLI:NL:2017:1477). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1: Inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2: Breng de onderliggende problematiek zorgvuldig in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen. 55

Zaaknr:2051200

Stap 3: Stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4: Kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk. Kan de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen? Anders gezegd: het bepalen van de verhouding van de draagkracht tot de draaglast. Stap 5: Stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost. Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.

Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wmo 2015, Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een voorziening op het gebied van het passend onderwijs. Zesde lid Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar. Artikel 7.

Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

Eerste lid Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hieraan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot: − opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; − opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; − taal- en leerproblemen; − somatische aandoeningen; − lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en − kindermishandeling en huiselijk geweld.

56

Zaaknr:2051200

Tweede lid Het college moet ervoor zorgen dat de deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (ECLI:NL:CRVB:2024:1097). Adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht. Derde lid Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van niet vrij toegankelijke jeugdhulp (ECLI:NL:CRVB:2024:1096).

Het CJG voert zelf geen niet vrij toegankelijke voorzieningen uit en er bestaat ook geen voornemen daartoe. De beoordeling voor de niet vrij toegankelijke voorzieningen vindt binnen het CJG plaats door onafhankelijke medewerkers van het Besluitteam. Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek. Artikel 8.

Identificatie

Eerste lid Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vaststellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin. Tweede lid Het tweede lid bepaalt limitatief welke identiteitsbewijzen kunnen worden gebruikt voor het vaststellen van de identiteit van personen zonder de Nederlandse nationaliteit. Geen rechtmatig verblijf De identificatieplicht doet er niet aan af dat de gemeente een taak heeft ten aanzien van jeugdigen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Dit is geregeld in artikel 1.2 van het Besluit Jeugdwet. De CRvB oordeelde verder dat jeugdhulp niet uitgesloten is voor ongedocumenteerde kinderen, zolang zij feitelijk in Nederland verblijven en de gevraagde jeugdhulp noodzakelijk is (ECLI:NL:CRVB:2017:505 en ECLI:NL:CRVB:2018:2497). De identiteit van de jeugdige moet, zo goed als dat kan, ook voor deze groep worden vastgesteld. Artikel 9.

Verslag

Eerste en tweede lid In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming.

57

Zaaknr:2051200

Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. Derde lid De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.

Vierde lid Het vierde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen. Artikel 10.

Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

Algemeen In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de jeugdwet is onder meer bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt. Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt. Tweede lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd. Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen.

Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. In bijlage 4 bij de verordening zijn de normen opgenomen voor de gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen.

58

Zaaknr:2051200

Derde en vierde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria. Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Vijfde, zesde en zevende lid Het vijfde, zesde en zevende lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en ECLI:NL:CRVB:2022:254).

Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Sociale Interventies (www.movisie.nl/databank-erkende-sociale-interventies), van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), van de Databank Erkende interventies GGZ van het Trimbos Instituut (www.trimbos.nl/kennis/zorg-en-participatie/ggzerkende-interventies), van De Grote Methodiekengids (https://www.kennispleingehandicaptensector.nl/tips-tools/tools/de-grote-methodiekengids) en van de Praktijkstandaarden Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie (kenniscentrumkjp.nl/professionals/praktijkstandaarden). Het college kan verder besluiten om een interventie als bewezen effectief te beschouwen indien deze beschikt over een met de genoemde databanken vergelijkbare onafhankelijke beoordeling en erkenning. Deze beoordeling en erkenning kan bijvoorbeeld worden aangetoond met behulp van publicaties in een onafhankelijk wetenschappelijk tijdschrift waarin de artikelen vooraf worden beoordeeld door een panel van deskundige beoordelaars uit het vakgebied. Het college behoudt de mogelijkheid om een nieuwe interventie of methodiek, die nog niet voldoet aan de eerdere vereisten op basis van een gedegen onderzoek zelf te verifiëren en accorderen.

Achtste lid In dit lid wordt het beginsel neergelegd dat van ouders mag worden verwacht dat zij naar vermogen een bijdrage leveren aan het oplossen van de hulpvraag van de jeugdige. Dit kan onder meer inhouden dat de ouders worden verzocht of sterk geadviseerd om zelf therapie of begeleiding te volgen in het kader van een hulpvraag van hun kind. Een verplichting, bijvoorbeeld als voorwaarde voor hulp aan het kind, kan echter niet worden opgelegd omdat deze het recht op persoonlijke integriteit raakt (Artikel 10 en 11 Grondwet; Artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) Negende lid Het college constateert dat een geïntegreerde aanpak van meervoudige problematiek in de context van een gezin voor de jeugdigen en de ouders een aanzienlijke meerwaarde kan hebben. Deze aanpak kan gebaat zijn met nadere regels die een houvast kunnen bieden voor jeugdigen, ouders, het CJG en betrokken ketenpartners.

59

Zaaknr:2051200

Artikel 11.

Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Algemeen Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt hier geconcretiseerd. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft.

Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de CRvB. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (ECLI:NL:CRVB:2019:2362). De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de CRvB in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden.

De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).

Eerste lid Het eerste lid geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis. 60

Zaaknr:2051200

Tweede lid Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek. Derde lid Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen. Vierde lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (BW) artikelen 1:82 en 1:247) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden.

Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid. Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. In het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt bezien of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Vijfde lid Op de in het vijfde lid beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan, is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de hulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd.

61

Zaaknr:2051200

Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil inzake de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Artikel 12.

Vervoer

Eerste en tweede lid In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken. Derde en vierde lid De noodzaak van het vervoer staat ter beoordeling van het college. Het derde lid specificeert wanneer er geen sprake is van een medische noodzaak of beperking. Daarbij wordt ij iedere individuele situatie een afweging gemaakt of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (ECLI:NL:CRVB:2023:655). Het college specificeert de afstand en het aantal keren brengen en halen dat als gebruikelijk wordt gezien in bijlage 3.2.

Vijfde lid Indien uit de medische noodzaak of beperkingen meer vervoersbewegingen voortvloeien dan de ouders en/of andere personen uit het netwerk kunnen verzorgen wordt alleen het deel vergoed dat niet zelf kan worden verzorgd. De voorziening uit de Jeugdwet is dus alleen van toepassing op het deel dat ouders en/of het netwerk niet zelf kunnen verzorgen. Artikel 13.

Dyslexie

Eerste lid Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de CRvB volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt. Daarbij geldt echter dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; ECLI:NL:CRVB:2018:3454; ECLI:NL:CRVB:2022:1345 en ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Het college volgt daarbij het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. Bijlage 5 bij de verordening is de bevat een opgave van de specifieke versie van het Protocol die wordt toegepast. Tweede en derde lid Dyscalculie valt niet onder de jeugdhulp maar onder de ondersteuning die de school hoort te bieden, dit volgt uit een brief die de toenmalige staatssecretaris Dekker aan de Tweede Kamer schreef (21 april 2016) “Gemeenten hoeven op grond van de Jeugdwet niet te voorzien in een diagnosestelling en behandeling van dyscalculie.” Dyslexieonderzoek en -behandeling wordt vanuit de Jeugdwet alleen vergoed bij leerlingen in het basisonderwijs, in de leeftijd tot en met 12 jaar, met de indicatie Ernstige Dyslexie.

Voor de groep leerlingen die leesproblemen heeft maar niet vallen onder de criteria van ernstige dyslexie is er geen jeugdhulp, voor deze leerlingen is de school aan zet om meer ondersteuning te geven. Vierde lid Het college is regulier in gesprek met de schoolbesturen, onder meer over de verbetering en versterking van de samenwerking inzake leerlingen met een (mogelijke) indicatie van dyslexie.

62

Zaaknr:2051200

In dit kader kan het wenselijk zijn om, als uitkomst van het met het onderwijs gevoerde overleg, nadere regels te stellen over de afbakening van dyslexiezorg, de werkwijze van de toegang tot dyslexiezorg en de eisen waaraan een leerlingendossier dient te voldoen. Artikel 14.

Vaktherapie

Eerste lid Vaktherapie kan, indien passend, ingezet wordt als jeugdhulp. Het eerste lid geeft een opsomming van de beschikbare vaktherapeutische disciplines. Voor alle duidelijkheid wijst het college erop dat de bepalingen in artikel 10 van de verordening inzake bewezen effectieve voorzieningen onverkort van toepassing zijn op vaktherapie. Tweede lid Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Het gaat om een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding. Derde, vierde en vijfde lid Het college onderzoekt of de inzet van vaktherapie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker met het oog op de totale behandeling die wordt geboden.

Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapie alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Zesde lid In aanvulling op artikel 11, vierde lid waarin het onderwerp meer algemeen wordt geregeld, wordt hier bepaald dat een aanvullende zorgverzekering, indien deze is afgesloten en dekking biedt voor vaktherapie, eerst dient te worden aangesproken voordat sprake kan zijn van een eventuele inzet van vaktherapie vanuit de Jeugdwet. Er kan aan de ouders geen verplichting worden opgelegd om een aanvullende verzekering af te sluiten. Indien er reeds een verzekering is afgesloten, gaat deze voor op de inzet van een voorziening uit de Jeugdwet. Artikel 15.

Kinderopvang en buitenschoolse opvang

Eerste lid In deze bepaling wordt vastgelegd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang zijn de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet Kinderopvang. Tweede lid Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.

63

Zaaknr:2051200

Derde lid De bepaling in lid 1 laat onverlet dat het college daarnaast vormen van dagbesteding beschikbaar stelt voor jeugdigen die in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig hebben, die niet in de reguliere opvang of van de ouders kan worden verwacht. Het college kan nadere regels stellen over de inzet van deze aanvullende begeleiding. Vierde lid Het college is regulier in gesprek met de schoolbesturen, onder meer over de afstemming van jeugdwet en onderwijs. Het college kan, na overleg met het onderwijs, nadere regels stellen over de wijze waarop deze samenwerking wordt vormgegeven. Ook kunnen nadere regels worden gesteld over de aansluiting en onderlinge afbakening van onderwijs- en jeugdwetvoorzieningen. Artikel 16.

Wonen en zorg

Eerste lid Het college wil voorkomen dat jeugdigen met het aanbod voor een woonruimte overgehaald worden om zorg aan te vragen waar dat niet nodig is, of om zwaardere en langduriger zorg te vragen dan noodzakelijk. Indien het bieden van verblijf onderdeel is van de indicatie, is deze bepaling niet van toepassing. Artikel 17.

Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

Eerste lid De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voort uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Als de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen, waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders, bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. Het eerste lid bevestigt de regeling van deze onderwerpen in de Jeugdwet en de Awb en is hier opgenomen in het belang van burgers om hen in de verordening een zo compleet mogelijk beeld te geven van hun rechten en plichten. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daaropvolgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Als een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep willen gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.

Tweede en derde lid Het tweede en derde lid regelen wat er mimimaal in een beschikking moet worden opgenomen. 7.

Toelichting Hoofstuk 5: Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 18.

Aanvullende criteria om in aanmerking te komen voor een pgb

Eerste lid Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft dat jeugdhulp in de vorm van zorg in natura niet passend is en deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen. Het college stelt een format vast voor een pgb-plan dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen.

64

Zaaknr:2051200

Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 17 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn. Tweede lid De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. Derde lid In het derde lid wordt geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-jeugdhulpaanbieder.

Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. De opsomming in het derde lid is niet limitatief. Vierde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is dwingend geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’. In het raadsbesluit ‘Tegen de stroom in’ van 8 juli 2024 heeft de gemeente de gemotiveerde keuze gemaakt meer in te zetten op gecontracteerde zorg. Als uitvloeisel hiervan kan een PGB niet worden ingezet bij een jeugdhulpaanbieder die reeds door het college is ingekocht voor het bieden van deze zelfde zorg in de vorm van Zorg in Natura.

Deze constructie is niet mogelijk omdat er dan in strijd met het uitgangspunt wordt gehandeld dat de door het college ingekochte hulp niet passend zou zijn, hetgeen als uitgangspunt is opgenomen in artikel 8.1.1, lid 2, onder b van de Jeugdwet. De wet gaat uit van de situatie waarin jeugdigen en/of de ouders uit eigen initiatief en na een goede afweging een keuze kunnen maken voor het aanvragen van een pgb. Het college wenst te voorkomen dat jeugdigen en ouders een dergelijke aanvraag doen vanuit een niet, of niet geheel, vrijwillige situatie. Het artikel regelt daarom dat een pgb niet kan worden ingezet bij een jeugdhulpaanbieder die tevens huisvesting en/of een huurovereenkomst wenst aan te bieden. Een dergelijke koppeling verhindert dat de keuze in vrijheid kan worden gemaakt. Meer in het algemeen wordt bepaald dat een pgb niet mogelijk is indien de door de beoogde aanbieder druk op de aanvrager is of wordt uitgeoefend om dienstverlening in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie af te nemen. Een (beoogd) pgb-jeugdhulpaanbieder kan een cliënt niet vertegenwoordigen in het aanvraagproces en evening als raadgever of adviseur aanwezig zijn bij gesprekken tussen de aanvrager en het CJG. Vijfde lid In het vijfde lid zijn de voorwaarden neergelegd die van toepassing zijn op bestedingen van een pgb. Het gehele pgb budget moet worden verantwoord.

Indien voor een jeugdige, of voor meerdere jeugdigen in een gezin, er meerdere pgb’s zijn toegekend, is het niet toegestaan om tussen deze budgetten te schuiven omdat ieder budget geacht wordt passend te zijn voor de daarmee in te zetten jeugdhulp. Een uitzondering hierop is wel mogelijk als er vooraf schriftelijke afspraken over zijn gemaakt die het toestaan om tussen budgetten te schuiven. 65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16165036/1