06.01 - Raadsvoorstel en -besluit Verordening jeugdhulp 2026
Tekst van het document
Een pgb mag alleen na voorafgaande schriftelijke toestemming van het college besteed worden in EU-landen; deze jeugdhulpaanbieder dient te voldoen aan het afsprakenkader buitenlands hulpaanbod; d. betalingen van diensten geschiedt op declaratiebasis. Vaste, maandelijkse betalingen zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen cliënt en zorgverlener. Het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen.
20
Artikel 19. pgb-vaardigheid 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a. een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; b. op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; c. in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; d. voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; e. in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; f. in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g. in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h. in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i. in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j. voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.
Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder; b. er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: 1. problematische schuldenproblematiek; 2. ernstige verslavingsproblematiek; 3. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; 4. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; 5. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; 6. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; 7. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; 8. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. 3. Het college kan nadere regels stellen aan de wijze waarop de pgb-vaardigheid van pgbbudgethouders en/of een vertegenwoordiger wordt getoetst. Artikel 20. Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders 1. Een pgb kan worden uitgevoerd door: a. een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007; of b.
een zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007; of
21
2. 3. 4.
c. een persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige en de ouders. Als het pgb wordt verzorgd door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onderdeel a of b, is er altijd sprake van hulp in het sociaal netwerk. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van hulp in het sociaal netwerk. De norm verantwoorde werktoedeling zoals beschreven in het Kwaliteitskader Jeugd is van toepassing op alle in artikel 1 onderscheiden pgb-jeugdhulpaanbieders. Er wordt geen pgb verstrekt indien de jeugdhulpaanbieder niet kan voldoen aan de werktoedeling als vereist op basis van het Kwaliteitskader Jeugdhulp.
Artikel 21. Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoen de in artikel 20, lid 1 onder a, b en c genoemde uitvoerders van een pgb aan de volgende eisen: a. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; b. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; c. is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; d. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; e. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; f. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); g. stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken; h. respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; i. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; j. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college. 2.
Voor een instelling als uitvoerder van een pgb, als omschreven in artikel 20, eerste 1, onderdeel a, gelden de volgende aanvullende eisen: a. De instelling: 1. beschikt als bedrijf over een recente (maximaal 2 jaar oude) Gedragsverklaring Aanbestedingen; 2. beschikt over een recente (maximaal 6 maanden oude) verklaring van de Belastingdienst inzake het betalen van belastingen en premies; 3. beschikt over een kwaliteitskeurmerk (zoals bijvoorbeeld HKZ) of een gelijkwaardig Kwaliteitshandboek; 4. kan aantonen door middel van een recente jaarrekening dat de instelling financieel stabiel is; 5. kan aantonen door middel van een recente jaarrekening dat er geen excessief hoge winsten worden gemaakt zonder opgaaf van bedrijfseconomische valide redenen; 6. is niet recent veroordeeld dan wel verdachte in een lopend onderzoek naar fraude; 7. dient naar waarheid een rechtsgeldige een Eigen Verklaring af te leggen over de financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid van een ondernemer. b. De door de instelling ingezette medewerkers:
22
3.
4.
1. beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; 2. beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie; 3. staan ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. Voor een ZZP-er als uitvoerder van een pgb als omschreven in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, gelden de volgende aanvullende eisen: a. De ZZP-er: 1. beschikt over een recente (niet ouder dan 6 maanden) verklaring van de Belastingdienst inzake het betalen van belastingen en premies; 2. beschikt over een kwaliteitshandboek, dan wel een beschrijving van de kwaliteitsborging bij de uitvoering van de jeugdhulp; 3. is niet recent veroordeeld dan wel verdachte in een lopend onderzoek naar fraude; 4. dient naar waarheid een rechtsgeldige een Eigen Verklaring af te leggen over zijn of haar financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid. b. De ZZP-er: 1. beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; 2.
beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie; 3. staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. Voor een uitvoerder van jeugdhulp in het sociaal netwerk, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder c, geldt de volgende aanvullende eis: a. de uitvoerder beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie.
Artikel 22. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor jeugdhulp verzorgd door een uitvoeder als omschreven in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, bedraagt maximaal 90% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2. De hoogte van het pgb voor jeugdhulp verzorgd door een uitvoeder als omschreven in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, bedraagt maximaal 80% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 3. De hoogte van het pgb voor jeugdhulp zoals omschreven in artikel 20, eerste lid onder c is gelijk aan het wettelijke minimum(uur)loon.
23
4.
5.
6. 7.
Inzake indexatie wordt het volgende bepaald: a. de in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde tarieven worden jaarlijks geïndexeerd met een gelijk percentage waarmee het in deze artikelen genoemde het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura wordt geïndexeerd; b. het in het derde lid van dit artikel genoemde tarief wordt jaarlijks aangepast conform de indexering van het wettelijke minimum(uur)loon. Het tarief is lager, als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende pgb-plan, passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. Een pgb is nooit hoger dan de goedkoopste vergelijkbare voorziening in natura. Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast per 1 januari van ieder kalenderjaar en maakt deze bekend door het stellen van nadere regels.
Artikel 23. Uitgesloten van pgb 1. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. reiskosten; d. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; e. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb; f. extra beloningen, zoals eindejaarsuitkering of overlijdensuitkering en gratificaties; contributie voor het lidmaatschap van belangenverenigingen voor budgethouders, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb, kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; g. alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet valt; h. alle zorg en ondersteuning (door jeugdhulpaanbieders) buiten EU-landen. Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 24. Inlichtingen 1. Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Dit laat onverlet dat jeugdigen, zijn ouders dan wel budgetbeheerder geacht worden zich voldoende te verdiepen in alle relevante wettelijke kaders, de verordening, beschikkingen en overige voorschriften. 2.
Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. 3. Een jeugdhulpaanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) is verplicht het college onverwijld schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet kan worden voldaan.
24
4.
Het college treedt na ontvangst van een melding als bedoeld in het vorige lid in overleg met de jeugdhulpaanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan.
Artikel 25. Niet meewerken ouder(s) 1. De jeugdige, zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2. Als de jeugdige, zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel 26. Herziening en verlenging 1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te herzien. 2. Een aanvraag tot verlenging van een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb is alleen mogelijk indien: a. deze 3 maanden voor het aflopen van de beschikking is ingediend; b. de jeugdige, de ouders en de jeugdhulpaanbieder medewerking verlenen aan een evaluatiegesprek; c.
de jeugdhulpaanbieder een evaluatieverslag overlegt waaruit blijkt dat een evaluatie heeft plaatsgevonden op de doelen, nieuwe doelen zijn gesteld, de hulp tot resultaat heeft geleid, er een perspectief ligt en er waar mogelijk (tussentijdse of geleidelijke) afbouw is ingericht. 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de uitvoering van periodiek onderzoek, herziening en verlenging. Artikel 27. Intrekking, opschorting en terugvordering 1. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; e. de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; f.
de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulpaanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan als bedoeld in artikel 31, 33, 35 of 36; g. de jeugdige langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
25
2.
3.
4.
5.
6.
Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen zes maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het eerste lid onderdeel a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten pgb. Als het college een beslissing op grond van het eerste lid, onderdeel a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. Het college kan bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, d, e of f, de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.
Artikel 28. Toezichthouders 1. Het college kan toezichthoudende ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.9 van de wet. 2. De aangewezen toezichthouder is in ieder geval belast met: a. de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen; b. de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener; c. de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder; d. het vorderen van identificatie; e. inzage van documenten en toegang tot gegevens; f. het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen); g. controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft; h. het ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgbbeheerder heeft gesloten: voldoen deze aan de bij aanvraag geleverde gegevens en informatie; i. de uitvoering van al datgene wat voortvloeit uit de uitvoering van artikelen 29 tot en met 38 van deze verordening. Artikel 29. Controle en onderzoek 1. Het college onderzoekt periodiek, steekproefsgewijs of incidenteel (signaalgestuurd of themagericht), of: a. de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn; b.
het gebruik van pgb’s overeenkomt met het doel waarvoor deze zijn verstrekt met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan; c. de dienstverlening van jeugdhulpaanbieders redelijkerwijs plaatsvindt of zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde regels; d. de verwijzingen door derden rechtmatig zijn.
26
2.
3.
4.
De volgende typen onderzoek kunnen worden onderscheiden: a. intern onderzoek: een onderzoek op basis van statistische analyses, datamining, verbandcontrole; b. controle jaarrekening/accountant: het onderzoeken en analyseren van de jaarrekeningen en accountantsverklaringen van jeugdhulp aanbieders; c. controle naleving contract/subsidie/beschikking: een onderzoek of de afspraken in contracten, subsidies en beschikkingen worden nagekomen; d. materiële controle: een onderzoek of de gedeclareerde prestatie is geleverd en of deze aansluit bij een door of namens het college afgegeven beschikking; e. formele controle: een onderzoek of het gedeclareerde bedrag een prestatie betreft die voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, overeenkomst en/of subsidieafspraken; f. detailcontrole: onderzoek naar bij een jeugdhulpaanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot cliënten dan wel jeugdigen en/of diens ouders die hun woonplaats hebben in de gemeente Capelle aan den IJssel, ten behoeve van een materiële controle of fraudeonderzoek; g.
fraudeonderzoek: onderzoek waarbij nagegaan wordt of degene die bij de gemeente of een door het college aangewezen persoon of organisatie een bedrag in rekening brengt voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben; h. Bibob-onderzoek: een integriteitsbeoordeling op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Het college kan nadere regels stellen over welk type onderzoeken in beginsel aangekondigd dan wel onaangekondigd plaatsvinden. Daarbij geldt dat onderzoek onaangekondigd plaatsvindt als de belangen van het onderzoek zich verzetten tegen het aankondigen van een onderzoek. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het uitvoeren van onderzoek, bijvoorbeeld door het vaststellen van een algemeen controleplan.
Artikel 30. Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder 1. De toezichthouder legt zijn bevindingen en oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 29 vast in een onderzoeksrapport. 2. Indien de toezichthouder oordeelt dat bij of krachtens de wet gestelde regels, overeenkomsten of andere schriftelijk vastgelegde afspraken niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 3. Voordat het rapport definitief wordt, stelt de toezichthouder de jeugdhulpaanbieder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en feitelijke onjuistheden daarover binnen 14 dagen kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de reactie van de jeugdhulpaanbieder in een bijlage bij het rapport of past het rapport hierop aan. 4. De toezichthouder zendt het definitieve rapport, bedoeld in het eerste lid, onverwijld aan de jeugdhulpaanbieder en het college. Het college draagt zorg voor verzending naar eventuele budgethouders. 5. Na vaststelling van het onderzoeksrapport wordt deze openbaar gemaakt, tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten.
27
Artikel 31. Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder 1. Indien gebleken is dat door een jeugdhulpaanbieder of een pgb-budgethouder niet wordt voldaan aan een of meer eisen bij of krachtens de wet gestelde regels, start het college een hersteltraject. Dit traject is gericht op de beëindiging van de overtreding(-en) en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). 2. Het hersteltraject start met een schriftelijke aanwijzing, tenzij de aard en omvang van de onrechtmatigheid zich daartegen verzet. Met name bij fraude kan het college, gelet op de ernst: a. bij een jeugdhulpaanbieder direct overgaan tot het opleggen van sancties, het ontbinden van de overeenkomst en/of het intrekken van het subsidiebesluit; b. bij een pgb-budgethouder dan wel budgetbeheerder overgaan tot intrekking, herziening, opschorting en/of terugvordering van het verstrekte pgb. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid geeft het college met redenen omkleed aan: a. op welke punten voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd; b. de in verband daarmee te nemen maatregelen; c. de hersteltermijn waarbinnen de tekortkomingen moeten zijn verholpen. 4. Het college kan gedurende het hersteltraject een cliëntenstop en of verscherpt toezicht instellen. Dit zal in de schriftelijke aanwijzing worden opgenomen. 5.
Indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om bepaalde onderdelen van het hersteltraject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen. Artikel 32. Hersteltermijn 1. Bij het opleggen van een hersteltermijn geldt als uitgangspunt een hersteltermijn van 12 weken. 2. Het college kan een andere hersteltermijn bepalen in verband met veiligheidsrisico’s of als het herstellen van de overtreding binnen een termijn van 12 weken redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 33. Cliëntenstop en verscherpt toezicht bij Jeugdhulpaanbieder 1. Gedurende het hersteltraject, dan wel bij een gegrond vermoeden van fraude, kan het college besluiten dat: a. geen nieuwe cliënten aan de jeugdhulpaanbieder worden toegewezen, geen nieuwe persoonsgebonden budgetten worden toegekend waar de pgbjeugdhulpaanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgb-aanbieder partij is, niet geaccordeerd zal worden; b. geen herindicaties aan de jeugdhulpaanbieder worden toegewezen, geen persoonsgebonden budgetten worden toegekend waar de pgb- jeugdhulpaanbieder als leverancier genoemd wordt of dat een zorgovereenkomst waarin de pgbjeugdhulpaanbieder partij is, niet geaccordeerd zal worden; c. de jeugdhulpaanbieder onder verscherpt toezicht wordt geplaatst.
Bij een persoonsgebonden budget ligt de verantwoordelijkheid van verscherpt toezicht bij de budgethouder. 2. De jeugdhulpaanbieder (en in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) wordt van het instellen van een cliëntenstop dan wel verscherpt toezicht schriftelijk op de hoogte gesteld. 3. Besluiten over het instellen van een cliëntenstop of verscherpt toezicht worden openbaar gemaakt tenzij zwaarwegende redenen zich tegen openbaarmaking verzetten.
28
4.
De jeugdhulpaanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) dient gedurende de periode van het verscherpt toezicht de toezichthouder periodiek door middel van een rapportage op de hoogte te brengen van de voortgang van de verbetering.
Artikel 34. Vervolgonderzoeksrapport 1. Na de in artikel 31, derde lid 3, onderdeel c, of artikel 32 genoemde hersteltermijn toetst de toezichthouder de jeugdhulpaanbieder (in het geval van een onderzoek naar een pgbbudgethouder: de budgethouder) opnieuw. 2. De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van dit onderzoek vast in een vervolgonderzoeksrapport. Het gestelde in artikel 30 is van overeenkomstige toepassing op het vervolgonderzoeksrapport. Artikel 35. Handhavingsmaatregelen 1. Het college kan naar aanleiding van de bevindingen van de toezichthouder aan de jeugdhulpaanbieder de volgende herstelsancties opleggen: a. (opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; b. een last onder bestuursdwang opleggen; c. een last onder dwangsom opleggen. 2. Het college kan: a. de jeugdhulpaanbieder verbieden de levering van maatschappelijke ondersteuning voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt; b. het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget op grond van artikel 2.3 van de wet intrekken waarbij dit het recht op ondersteuning in natura of een persoonsgebonden budget waarbij een andere pgbjeugdhulpaanbieder wordt gekozen onverlet laat; c. het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget op grond van artikel 2.3 van de wet intrekken, herzien en/of over gaan tot terugvordering. Artikel 36.
Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder 1. De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen gepaard gaan met de inzet van privaatrechtelijke maatregelen op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het college en de jeugdhulpaanbieder zijn gemaakt. 2. Indien een jeugdhulpaanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de jeugdhulpaanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen. 3. Indien de (contractuele) afspraken tussen het college en jeugdhulpaanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden. 4. De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het pgb, als bedoeld in artikel 2b, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. 5. De door het college genomen maatregelen moeten in redelijke verhouding staan tot de aard van de overtreding of melding.
29
Artikel 37. Meldpunt en register 1. Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet. 2. Door en namens het college wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn opgenomen. 3. Indien op een jeugdhulpaanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld. Artikel 38. 1.
Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik Het college maakt met gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.
Hoofdstuk 7.
Afstemming met andere voorzieningen
Artikel 39. Voorliggende voorzieningen 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: a. met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; b. naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of c. gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen. 3.
De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. Artikel 40. 1.
2.
Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van andere wetten zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a. het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b. stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld in onderdeel a; c. een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.
30
3.
4.
5.
6.
Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: a. de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; b. de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder en de mogelijkheden van het sociale netwerk; c. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; d. welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: a. voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en b. de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.
Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar kan worden ingezet.
Hoofdstuk 8.
Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 41. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulp 1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: a. cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. overheadkosten; d. kosten voor indexering. 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.
31
Hoofdstuk 9.
Klachten en medezeggenschap
Artikel 42. Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Het college legt de uitvoering van deze regeling bij het Centrum Jeugd en Gezin. Artikel 43. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. De betrokkenheid van ingezeten bij het beleid wordt verder geregeld in de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018. Hoofdstuk 10. Slotbepalingen Artikel 44. Hardheidsclausule 1.
Het college kan afwijken van een of meer artikelen van deze verordening, als daaraan vasthouden voor de jeugdige of zijn ouders gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. 2. Toepassing van de hardheidsclausule bedoeld in het eerste lid wordt gemotiveerd in de betreffende beschikking. Artikel 45. Bijlagen 1. Deze verordening heeft de volgende bijlagen: a. Bijlage 1: Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen; b. Bijlage 2: Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen; c. Bijlage 3.1: Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen; d. Bijlage 3.2: Normenkader vervoer; e. Bijlage 4: Normen gebruikelijk zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen; f. Bijlage 5: Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling. 2. De in het eerste lid genoemde bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening. Artikel 46. Overgangsrecht, intrekking oude verordening 1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening. 2.
Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3 Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 leidt tot een gunstiger uitkomst.
32
4.
5.
6.
Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 te herzien: a. op de gronden, vermeld in de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018; b. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; c. indien de cliënt wenst te veranderen van jeugdhulpaanbieder of van verstrekkingsvorm. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 terug te vorderen op de in deze verordening[en] genoemde gronden. De Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2018 wordt ingetrokken.
Artikel 47. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026”.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 10 november 2025 De griffier, de voorzitter,
33
Bijlagen bij de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 De volgende bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening. Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 4: Bijlage 5:
Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen Normenkader vervoer Normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling
34
Bijlage 1: 1.
2.
Vrij toegankelijke voorzieningen
In aansluiting op het gestelde in artikel 2, eerste lid, van de Verordening jeugdhulp Capelle aan de IJssel 2026 zijn de volgende vrij toegankelijke voorzieningen in ieder geval beschikbaar: a. informatie en (opvoed)advies; b. jeugdgezondheidszorg; c. algemene voorlichting; d. opvoed- en opgroeitrainingen; e. jeugdmaatschappelijk werk; f. algemeen maatschappelijk werk; g. jongerenwerk; h. cliëntondersteuning; i. ondersteuning relatie en scheiding; j. opvoed- en opgroeitrainingen Centrum Jeugd en Gezin; k. ondersteuning door Centrum Jeugd en Gezin; l. intensieve jongerencoach. Vrij toegankelijke voorzieningen kunnen zowel in groeps- als in individuele vorm worden ingezet.
35
Bijlage 2: 1.
2.
Niet vrij toegankelijk voorzieningen
In aansluiting op het gestelde in artikel 2, tweede lid, van de Verordening jeugdhulp Capelle aan de IJssel 2026 zijn de volgende niet vrij toegankelijke individuele voorzieningen in ieder geval beschikbaar: a. dagbehandeling; b. begeleiding individueel; c. behandeling Individueel; d. ambulante gezinsbehandeling; e. dagbesteding (week en weekend inzet); f. basis GGZ; g. specialistische GGZ; h. persoonlijke verzorging; i. kortdurend verblijf; j. medicatiecontrole; k. pleegzorg; l. verblijf in een jeugdinstelling; m. crisisopvang; n. vervoer; o. dyslexiezorg; p. jeugdzorg plus. Niet vrij toegankelijke voorzieningen kunnen zowel in groeps- als in individuele vorm worden ingezet.
36
Bijlage 3.1:
Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen
In aanvulling op artikel 2, derde lid, van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026, worden de volgende normen gesteld voor de maximale initiële indicatieduur, de maximale inzet in eenheden (dagdelen, uren of minuten) bij de initiële indicatie, de maximale verlenging en de maximale inzet in eenheden (dagdelen, uren of minuten) bij een eventuele verlenging.
37
Voorzieningen
Maximale initiële indicatieduur
Maximale inzet initiële indicatie Standaard
Maximale verlenging
Alleen indien noodzakelijk
Geen doorloop in Met doorloop in de vakanties de vakanties
Maximale inzet verlenging Standaard
Alleen indien noodzakelijk
Geen doorloop in de vakanties
Met doorloop in de vakanties
Vastgesteld op basis van Data- analyse Dagbehandeling licht
Dagbehandeling zwaar
Begeleiding individueel licht Begeleiding individueel midden Begeleiding individueel zwaar Behandeling Individueel
Ambulante gezinsbehandeling Dagbesteding licht week inzet Dagbesteding midden week inzet
Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie
277 dagdelen
360 dagdelen
Maximaal 6 maanden
111 dagdelen
144 dagdelen
323 dagdelen
420 dagdelen
Maximaal 1 jaar
258 dagdelen
336 dagdelen
77 uren
100 uren
Maximaal 1 jaar
62 uren
80 uren
115 uren
150 uren
Maximaal 1 jaar
92 uren
120 uren
154 uren
200 uren
Geen verlenging mogelijk
77 uren
100 uren
Maximaal 6 maanden
31 uren
40 uren
77 uren
100 uren
Maximaal 1 jaar
62 uren
80 uren
115 dagdelen
150 dagdelen
Maximaal 1 jaar
92 dagdelen
120 dagdelen
60 dagdelen
78 dagdelen
Maximaal 1 jaar
48 dagdelen
62 dagdelen
Dagbesteding zwaar week inzet
Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Dagbesteding licht Maximaal 1 jaar weekend inzet met na 9 maanden evaluatie Dagbesteding midden Maximaal 1 jaar weekend inzet met na 9 maanden evaluatie Dagbesteding zwaar Maximaal 1 jaar weekend inzet met na 9 maanden evaluatie Vastgesteld op basis van GGZ normen
192 dagdelen
250 dagdelen
Maximaal 6 maanden
77 dagdelen
100 dagdelen
85 dagdelen
110 dagdelen
Maximaal 1 jaar
68 dagdelen
88 dagdelen
58 dagdelen
75 dagdelen
Maximaal 1 jaar
46 dagdelen
60 dagdelen
96 dagdelen
125 dagdelen
Maximaal 6 maanden
38 dagdelen
50 dagdelen
Basis GGZ
Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie
10 uren
Maximaal 6 maanden
4 uren
40 uren
Maximaal 6 maanden
16 uren
Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie Maximaal 1 jaar met na 9 maanden evaluatie
Inzet op basis van individuele afweging
Maximaal 1 jaar
Inzet op basis van individuele afweging
Inzet op basis van individuele afweging
Maximaal 1 jaar
Inzet op basis van individuele afweging
Inzet op basis van individuele afweging
Maximaal 1 jaar
Inzet op basis van individuele afweging
Specialistische GGZ
Specifieke voorzieningen Persoonlijke verzorging
Kortdurend verblijf
Medicatiecontrole
Zaaknr:2051200
Bijlage 3.2
Normenkader vervoer
Voor het vervoer van en naar de jeugdlocatie worden, in aanvulling op artikel 12, derde lid, onderdeel g, de volgende normen gesteld. Er is geen sprake van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid in de volgende situaties: a. de afstand naar de jeugdhulplocatie is 6 kilometer of minder; en/of b. het aantal keren brengen en halen naar de jeugdhulp is 2 of minder per week.
40
Zaaknr:2051200
Bijlage 4:
Normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen
1. Normen gebruikelijke hulp Bij de toepassing van artikel 10 van de Verordening jeugdhulp Capelle aan den IJssel 2026 gelden de volgende normen ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind: a. Kinderen van 0 tot 3 jaar – hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig; – ouderlijke toezicht is zeer nabij nodig; – zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; – hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. b. Kinderen van 3 tot 5 jaar – kunnen niet zonder toezicht van volwassenen.
Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand, de ouder kan bijvoorbeeld de was ophangen in een andere kamer; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid; – kunnen zelf zitten en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen; – kinderen vanaf 4 jaar hebben een reguliere dagbesteding van 22-25 uur per week; – hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, toiletgang en zindelijkheidstraining, dag- en nachtritme en dagindeling; – hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding; – zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven; – hebben een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. c. Kinderen van 5 tot 7 jaar – hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; – kunnen niet zonder toezicht van volwassenen.
Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; – hebben toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging zoals het wassen en tanden poetsen; – zijn overdag zindelijk en ’s nachts merendeels ook, maar ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals begeleiding en gelegenheid bieden bij omgang met leeftijdsgenoten en begeleiding en waardering voor schoolwerk als thuis lezen; – hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar 41
Zaaknr:2051200
d.
e.
f.
school gaan, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding; – hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Kinderen van 7 tot 10 jaar – hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; – kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; – hebben steeds minder toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging als het wassen en tanden poetsen; – zijn overdag en ’s nachts zindelijk, maar ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals hulp bij bijvoorbeeld huiswerk; – hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school gaan, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding; – hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 10 tot 12 jaar – hebben een reguliere dagbesteding op school van 22 tot 25 uur per week; – zijn overdag en ’s nachts zindelijk; – kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand, het kind kan bijvoorbeeld buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is; – hebben enig toezicht, stimulans en controle nodig bij de persoonlijke verzorging als het wassen en tanden poetsen; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing, zoals hulp bij bijvoorbeeld huiswerk; – hebben nog enige begeleiding en controle van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, naar activiteiten ter vervanging van school of naar vrijetijdsbesteding gaan; – hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar – hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; – kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden; – kunnen vanaf 16 jaar een dag of een nacht alleen gelaten worden; – hebben bij persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig; – hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig; – hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school; – hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing (zoals hulp bij het zelfstandig gaan wonen); 42
Zaaknr:2051200
– – –
hebben tot 17 jaar een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden; hebben vanaf 17 jaar een beschermde woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd; zijn vanaf 18 jaar jongvolwassene en kunnen zelfstandig wonen.
2. Normen gemiddelde tijdsbesteding Bij de toepassing van artikel 10 gelden de volgende normen ten aanzien van de gemiddelde tijdsbesteding aan gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind: Leeftijd
Gemiddelde tijd per etmaal aan begeleiding
Gemiddelde tijd per etmaal aan persoonlijke verzorging
Handeling
0 tot 4 jaar
6-10 uur (afhankelijk van aantal uur slaap) 6-7 uur
3 uur en 45 minuten
Alle handelingen aangaande persoonlijke verzorging
1 uur 15 minuten overname 1 uur en 15 minuten aansturing/toezicht
Wassen
4 tot 7 jaar
Kleden Toiletgang Tanden/haren/nagels/ huid
Eten en drinken
7 tot 10 jaar
4-5 uur
15 minuten overname
Wassen Kleden Toiletgang Tanden/haren/nagels/ huid
Eten en drinken
10 tot 12 jaar
3-4 uur
Gemiddelde tijd voor handeling
10 minuten 1x per dag 10 minuten 2x per dag 5 minuten 6x per dag Ong. 15 minuten per dag 1 uur en 15 minuten per dag 10 minuten 1x per dag 10 minuten 2x per dag 5 minuten 6x per dag Ong. 15 minuten per dag 1 uur en 15 minuten per dag
15 minuten aansturing/toezicht
43
Zaaknr:2051200
12 tot 15 jaar 15 tot 18 jaar
2-3 uur
-
1 uur
-
44
Zaaknr:2051200
Bijlage 5: Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling In aansluiting op het gestelde in artikel 13, eerste lid, volgen wij het Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie, versie 3.0 geldend vanaf 1 januari 2022.
45
Zaaknr:2051200
Toelichting Verordening jeugdhulp gemeente Capelle aan den IJssel 2026 Inhoudsopgave 1. Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet 2. Afbakening verordening 3. Toelichting Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 4. Toelichting Hoofdstuk 2: Vormen van jeugdhulp Artikel 2. Vormen van jeugdhulp 5. Toelichting Hoofdstuk 3: Toegang tot de jeugdhulpvoorzieningen Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de gemeente Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling of kinderrechter 6. Toelichting Hoofdstuk 4: Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Artikel 7. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Artikel 8 Identificatie Artikel 9. Verslag Artikel 10. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening Artikel 11. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Artikel 12. Vervoer Artikel 13. Dyslexie Artikel 14. Vaktherapie Artikel 15. Kinderopvang, buitenschoolse opvang en onderwijs Artikel 16. Wonen en zorg Artikel 17. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening 7. Toelichting Hoofstuk 5: Aanvullende regels persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 18. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb Artikel 19.
Pgb-vaardigheid Artikel 20. Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders Artikel 21. Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders Artikel 22. Hoogte pgb Artikel 23. Uitgesloten van pgb 8. Toelichting Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik Artikel 24. Inlichtingen Artikel 24. Niet meewerken ouder(s) Artikel 26. Herziening en verlenging Artikel 27. Intrekking, opschorting en terugvordering Artikel 28. Toezichthouders Artikel 29. Controle en onderzoek Artikel 30. Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder Artikel 31. Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder Artikel 32. Hersteltermijn Artikel 33. Cliëntenstop en verscherpt toezicht bij jeugdhulpaanbieder Artikel 34. Vervolgonderzoeksrapport Artikel 35. Handhavingsmaatregelen Artikel 36. Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder Artikel 37. Meldpunt en register Artikel 38. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
46
Zaaknr:2051200
9.
10. 11.
12.
13.
Toelichting Hoofdstuk 7: Afstemming met andere voorzieningen Artikel 39. Voorliggende voorzieningen Artikel 40. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Toelichting Hoofdstuk 8: Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit Artikel 41. Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulp Toelichting Hoofdstuk 9: Klachten en medezeggenschap Artikel 42. Klachtregeling Artikel 43. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Toelichting Hoofdstuk 10: Slotbepalingen Artikel 44. Hardheidsclausule Artikel 45. Bijlagen Artikel 46. Overgangsrecht, intrekking verordening 2018 Artikel 47. Inwerkingtreding en citeertitel Toelichting bijlagen Bijlage 1. Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen Bijlage 2. Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen Bijlage 3.1. Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen Bijlage 3.2. Normenkader vervoer Bijlage 4. Normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen Bijlage 5. Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling
47
Zaaknr:2051200
1.
Verordening als verplichting op grond van de Jeugdwet
De basis in de Jeugdwet De inhoud van de gemeentelijke verordening is vooral vastgelegd in artikel 2.9 van de Jeugdwet. Dit artikel bepaalt: De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of op grond van deze wet in ieder geval regels: a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; b. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; c. de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, en; d. voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Daarnaast is de gemeente ook verplicht door middel van een verordening regels te stellen over de beleidsparticipatie, dit staat beschreven in artikel 2.10 van de Jeugdwet. Ook is de verordening bedoeld als waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp die de gemeente inkoopt, dit staat beschreven in artikel 2.11 van de Jeugdwet.
Tot slot kunnen in de verordening voorwaarden rond het verstrekken van een persoonsgebonden budget in het sociaal netwerk worden opgenomen. Dit staat in artikel 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet. De gemeenteraad kan een aantal punten door het college in nadere regels laten uitwerken. Hierbij is zij gehouden om de wezenlijke en belangrijkste dingen in de verordening op te nemen. In de nadere regels worden alleen onderwerpen uitgewerkt waarvoor in de wet of verordening de grondslag is opgenomen. Waarom wordt de verordening 2018 aangepast? De gemeenteraad heeft door vaststelling van de maatregelen uit “Tegen de stroom in” de keuze gemaakt om een transparant en goed toepasbaar normenkader op te stellen voor de uitvoering van de Jeugdwet. We willen voordat jeugdhulp onnodig wordt ingezet eerst naar alternatieven kijken. Binnen de jeugdhulp willen we zo veel mogelijk afschalen waar dit kan. Het streven is om kinderen zoveel mogelijk binnen hun natuurlijke omgeving te zien en te voorzien van thuisgerichte ondersteuning. Het betrekken van gezinnen en het bieden van ondersteuning binnen hun gebruikelijke leefomgeving draagt bij aan de vroegtijdige interventie en voorkoming van escalatie van problematiek. Met deze aanpak gaat de gemeente Capelle terug naar de bedoeling van de Jeugdwet.
Jeugdhulp wordt alleen ingezet als het valt binnen de grenzen van de Jeugdwet, als het echt nodig is, en dan doelgericht en niet langer dan nodig. Dit maakt het mogelijk om de steeds schaarser wordende middelen van de gemeente te concentreren op de jeugdigen en ouders die het echt nodig hebben. Deze ontwikkeling leidt tot de wens om de verordening 2018 vanuit de inhoud aan te passen.
48
Zaaknr:2051200
Verder gelden ook de volgende, meer technische overwegingen: − De verordening 2018, met een aanpassing op het onderdeel toezicht en handhaving in 2023, was niet meer in lijn met de meest recente ontwikkelingen in het werkveld. − De verordening 2018 sloot niet meer aan bij de beleidsontwikkeling, zoals verwoord in het raadsbesluit van 8 juli 2024: “Tegen de stroom in voor duurzame en betaalbare jeugdhulp”. − De keuzes in het collegevoorstel “Uitgangspunten nieuwe gemeentelijke verordening jeugdhulp” moesten worden verwerkt in de verordening. De verordening 2018 sluit niet goed aan bij de landelijke Hervormingsagenda Jeugd. − De verordening 2018 hield nog geen rekening met de ontwikkeling van de jurisprudentie, met name rond uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van mei 2024. Zie hiervoor onder meer: ECLI:CRVB:2024:1095, ECLI:CRVB:2024:1096, ECLI:CRVB:2024:1097, ECLI:CRVB:2025:408 en ECLI:CRVB:2025:1233. − De verordening 2018 sloot niet aan op de landelijke standaard zoals deze is uitgewerkt in de modelverordening VNG uit december 2024. − Het is wenselijk dat de verordening regelmatig wordt geëvalueerd en indien nodig aangepast. Maatwerk en de menselijke maat De verordening is naar haar aard gesteld in juridische termen.
Bij het opstellen van de aangepaste verordening is, op basis van een suggestie van de Adviesraad Sociaal Domein, vergelijkend onderzoek gedaan naar voorbeelden van gemeenten die korte verordening op hoofdlijnen hebben opgesteld. Daarbij is gebleken dat juist bij deze gemeenten de CRvB heeft geoordeeld dat deze aanpak “onvoldoende rechtszekerheid, althans onvoldoende concrete op de individuele situatie betrekking hebbende duidelijkheid” biedt (ECLI:NL:CRVB:2024:1096). Deze weg kan dus niet gevolgd worden. Het college ziet echter duidelijk het belang om jeugdigen en ouders te ondersteunen met informatiemateriaal waarin de verordening op een niet juridische en begrijpelijke wijze wordt samengevat. Dit krijgt vorm door een aantal factsheets waarin de verschillende onderwerpen uit de verordening worden samengevat. Voorafgaand aan de specifieke toelichting per artikel wenst het college te benadrukken dat het bij het inzetten van jeugdhulp altijd gaat om een individuele afweging in specifieke individuele omstandigheden. Ieder besluit is dus maatwerk, waarbij altijd het belang van de jeugdige centraal staat. Bij individuele besluiten kan van de gestelde normen worden afgeweken indien daaraan vasthouden voor de jeugdige of zijn ouders gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
Dit beginsel is verankerd in de hardheidsclausule 2.
Afbakening verordening
Reikwijdte jeugdhulpplicht De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de jeugdwet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdhulp. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp beschikbaar blijft voor de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding om een landelijk kader te bieden voor reikwijdte van de jeugdhulpplicht. De planning is om het wetsvoorstel in de loop van 2025 gereed te hebben voor openbare internetconsultatie. De verwachting is dat het daarna nog twee jaar zal duren voordat het voorstel van kracht wordt. Het college zal, zodra duidelijk is wat de strekking en verwachte ingangsdatum is van de geplande wet, beoordelen of een en ander in de verordening moet worden aangepast. 49