05.02 - Gemeente Capelle aan de IJssel Rapport besparingsmaatregelen Wmo (def)
Tekst van het document
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
1/38
RAPPORT
Naar passende en betaalbare Wmovoorzieningen Onderzoek naar ombuigingsmaatregelen op de Wet maatschappelijke ondersteuning In opdracht van de gemeente Capelle aan den IJssel 67438 – Vertrouwelijk - 4 juli 2022 Paul Schenderling Wouter Poels
GRONDLEGGER VAN VOORUITGANG
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
2/38
Inhoudsopgave Managementsamenvatting ................................................................................. 4 HOOFDSTUK 1. ................................................................................................... 7 Introductie ......................................................................................................... 7 1.1
Aanleiding en onderzoeksvraag .............................................................. 7
1.2
Onderzoeksaanpak ................................................................................ 7
1.3
Op zoek naar evenwicht......................................................................... 8
1.4
Afbakening ........................................................................................... 8
1.5
Leeswijzer............................................................................................ 9
HOOFDSTUK 2. ................................................................................................. 10 Huidige financiële situatie ................................................................................ 10 2.1
Inleiding .............................................................................................10
2.2
Verwachte financiële ontwikkelingen HO .................................................10
2.3
Verwachte financiële ontwikkelingen BGI ................................................11
2.4
Verwachte financiële ontwikkelingen dagbesteding ...................................12
2.5
Korte tussentijdse conclusie ..................................................................12
HOOFDSTUK 3. ................................................................................................. 13 Analyse interne organisatie .............................................................................. 13 3.1
Inleiding .............................................................................................13
3.2
Knelpunten in het huidige werkproces ....................................................13
3.3
Monitoring en sturing op cliëntdoelen .....................................................13
3.4
Verbinding met voorliggende voorzieningen ............................................14
3.5
Overlap in het zorgaanbod ....................................................................14
3.6
Samenwerking en ontwikkeling ..............................................................14
3.7
Financiële effecten ...............................................................................14
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
3/38
HOOFDSTUK 4. ................................................................................................. 17 Verkenning van maatregelen ............................................................................ 17 4.1
Inleiding .............................................................................................17
4.2
Voorliggend aanbieden van individuele begeleiding ..................................17
4.3
Ophaalactie hulpmiddelen .....................................................................20
4.4
Herbeoordeling vijftig complexe cliënten Wmo .........................................20
4.5
Alternatief hulpaanbod complexe gezinnen ..............................................21
4.6
Overzicht financiële effecten ..................................................................22
HOOFDSTUK 5. ................................................................................................. 24 Alternatieve Ombuigingsmaatregelen .............................................................. 24 5.1
Inleiding .............................................................................................25
5.2
Herintroductie/breder inzetten buurtbus .................................................27
5.3
Afbouwperspectief vervoer ....................................................................27
5.4
Intensivering toezicht Wmo ...................................................................28
5.5
Terugbrengen wachtlijsten en doorlooptijden bij aanbieders en in
samenwerking met aanbieders ...............................................................................28 HOOFDSTUK 6. ................................................................................................. 29 Grip en sturing ................................................................................................. 29 HOOFDSTUK 7. ................................................................................................. 31 Conclusies en aanbevelingen ............................................................................ 31
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
4/38
Managementsamenvatting Net als veel andere gemeenten wordt de gemeente Capelle aan den IJssel (hierna: Capelle) geconfronteerd met toenemende kosten bij de uitvoering van de Wmo. Om deze stijging om te buigen, heeft de gemeente afgelopen periode gewerkt aan betere sturings- en voorspellingscijfers en daarnaast is er een eerste analyse gemaakt van potentiële ombuigingsmaatregelen. Gemeente Capelle heeft Berenschot gevraagd om een second opinion uit te voeren op de financiële cijfers en daarnaast in beeld te brengen: Welke ombuigingsmaatregelen gemeente Capelle kan treffen om de kosten binnen de Wmo op de korte en lange termijn beheersbaar te houden? Een gedragen aanpak die aansluit bij de bestaande inzichten
Om de gestelde onderzoeksvraag te beantwoorden, is er zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij bestaande inzichten en ideeën binnen de gemeente Capelle. Hiervoor zijn naast deskresearch, ook verschillende interviews en werksessies uitgevoerd. Berenschot heeft ervaring en inzichten ingebracht en de geschatte omvang van de ombuigingsmaatregelen bepaald. De eerste opzet is ambtelijk getoetst tijdens een toetsingsbijeenkomst. De uitkomsten van dit onderzoek staan uitgewerkt in deze rapportage en zijn in nauwe samenwerking tot stand gekomen. Ombuigingsmaatregelen die zorgen voor evenwicht
De zoektocht naar ombuigingsmaatregelen binnen de Wmo is in principe een zoektocht naar nieuw evenwicht. In dit rapport hebben wij deze zoektocht benaderd vanuit de donuttheorie van Kate Raworth; deze gaat uit van evenwicht tussen de betaalbaarheid van het stelsel enerzijds en de waarborging van een solide sociale basis voor (kwetsbare) inwoners anderzijds. Deze benadering zorgt ervoor dat we geen ombuigingsmaatregelen voorstellen die weliswaar op korte termijn financieel effect sorteren, maar ervoor zorgen dat u inteert op uw sociale basis en leidt tot een kostenstijging op de lange termijn. De voorgestelde ombuigingsmaatregelen waarborgen dit evenwicht. Bestaande cijfermatige inzichten lijken accuraat en betrouwbaar
De gemeente heeft voorspelmodellen gemaakt die de verwachte toekomstige ontwikkeling van de netto uitgaven (dat wil zeggen lasten minus eigen bijdragen) in beeld brengen. Wij hebben een second opinion uitgevoerd op deze prognoses. De prognoses van de gemeente komen grotendeels overeen met de onze. Het volume Huishoudelijke ondersteuning (HO) zal naar verwachting van 2022 tot en met 2025 (de komende vier jaar) met 7,5% tot 8% stijgen. Het volume Begeleiding Groep Individueel (BGI) zal van 2022 tot en met 2025 naar verwachting met 5% tot 6,5% stijgen. De prognose van 5% tot 6,5% gaat alleen op als er op het terrein van beschermd wonen sprake blijft van de status-quo. Het volume Begeleiding Groep (BGG) zal naar verwachting de komende vier jaar met 5,5% tot 6,5% stijgen. Ook bij deze prognose is de veronderstelling dat het beleid voor beschermd wonen hetzelfde blijft. De verwachte stijgingen van de netto uitgaven vormen een goed onderbouwde aanleiding om maatregelen te onderzoeken die de uitgavenstijging beperken. Investeer in de toegangsorganisatie
Grip op kosten en sturing hierop begint bij een solide basis in de toegang. Uit dit onderzoek blijkt dat er een verbeterpotentieel zit in het verstevigen van de interne organisatie. De bevindingen en aandachtspunten zijn als volgt:
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
5/38
• De procesbeschrijvingen zijn door de ogen van de consulenten op dit moment onvoldoende inzichtelijk vastgelegd, waardoor niet op uniforme wijze wordt gewerkt. • De huidige administratieve processen zijn onvoldoende geautomatiseerd. • Nadat een beschikking is afgegeven, vindt er tot het moment van de herindicatie beperkte sturing plaats op cliëntdoelen. • Consulenten zijn beperkt bekend met het voorliggend aanbod, waardoor dit aanbod beperkt deel uitmaakt van de oplossing. • Er is behoefte aan coaching en training van de consulenten. Het bespreken van casuïstiek maakt bijvoorbeeld geen deel meer uit van de werkzaamheden. Vier concrete ombuigingsmaatregelen
In co-creatie zijn wij - naast vier maatregelen die de basis op orde brengen - gekomen tot de onderstaande vier concrete ombuigingsmaatregelen voor de Wmo. Deze maatregelen - en de impact hiervan - zijn getoetst aan de mate waarin ze bijdragen; het (i) realiseren van financiële impact, (ii) uitvoerbaar zijn en (iii) de mate waarin ze de sociale basis in stand laten. Wij adviseren om deze maatregelen projectgericht in praktijk te brengen. Hierbij realiseren wij ons dat de wijze waarop – en de snelheid waarin – deze geïmplementeerd kunnen worden verschilt. De eerste maatregel zorgt voor de grootste financiële bijdrage en is het meest fundamenteel en vraagt op onderdelen om een strategische doorontwikkeling van het stelsel. 1. Vrij toegankelijke begeleiding thuis (beschikkingsvrij als alternatief op maatwerkvoorzieningen) 2. Ophaalactie hulpmiddelen 3. Herbeoordeling 50 complexe cliënten Wmo 4. Gerichte (integrale) aanpak 10 complexe gezinnen Financiële effecten
We hebben een schatting gemaakt van de financiële effecten van de voorgestelde maatregelen. Ons doel is daarbij geweest om realistische percentages te noemen. We hebben daarvoor onder andere gekeken naar de percentages die in andere gemeenten haalbaar bleken en deze vertaald naar de lokale context. In deze paragraaf bieden we een overzicht van de financiële effecten van de verschillende maatregelen. De totale potentiële besparing op Wmo voorzieningen (maatwerk en voorliggend) loopt op tot zo’n € 1,38 mln. in 2025. Dat is ongeveer 10,1% van de totale uitgaven aan Wmo-voorzieningen in dat jaar. Hieruit blijkt dat de effecten van de voorgestelde maatregelen substantieel zijn; zowel inhoudelijk als financieel. In absolute en relatieve zin is de voornaamste besparing mogelijk bij begeleiding individueel. Deze besparing is vooral toe te schrijven aan de maatregel voorliggend aanbieden van individuele begeleiding. Alternatieve ombuigingsmaatregelen
Naast de vier voorgestelde ombuigingsmaatregelen, treft u hieronder vier maatregelen aan die niet aan de door ons gestelde criteria voldoen, maar wel op andere vlakken bijdragen aan de ondersteuning van inwoners: 1. Herintroductie/breder inzetten buurtbus 2. Afbouwperspectief vervoer 3. Terugbrengen wachtlijsten en doorlooptijden bij aanbieders en in samenwerking met aanbieders 4. Intensivering toezicht Wmo De alternatieve ombuigingsmaatregelen worden in dit rapport nader gespecificeerd. Wij adviseren om te beoordelen of er voldoende legitimiteit is om deze ombuigingsmaatregelen nader te onderzoeken en/of in praktijk te brengen.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
6/38
Breng sturingsinformatie op verschillende niveaus in beeld
Grip en sturing begint met het creëren van inzicht in relevante sturingsinformatie. Deze is op elk niveau verschillend. Voor het waarborgen van de voortgang en betrokkenheid adviseren wij om de gewenste sturingsinformatie tot het niveau van de uitvoering inzichtelijk te brengen. Hiermee maakt u het mogelijk om het eigenaarschap rondom de realisatie van de ombuigingsmaatregelen zoveel mogelijk in de uitvoering te beleggen. Reflectie op de gestelde onderzoeksvragen
Ter voorbereiding op dit onderzoek heeft u ons enkele potentiële besparingsmaatregelen meegegeven. Deze maatregelen zijn afgewogen en meegenomen in dit onderzoek. In bijlage 1 treft u een reflectie op de door u formuleerde maatregelen.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
7/38
HOOFDSTUK 1.
Introductie 1.1
Aanleiding en onderzoeksvraag
De gemeente Capelle aan den IJssel (hierna: Capelle) wordt, net als veel andere gemeenten, geconfronteerd met toenemende kosten in de uitvoering van de Wmo. De gemeente Capelle wenst inwoners passende ondersteuning te kunnen (blijven) bieden en zoekt naar ombuigingsmaatregelen om de continuïteit van ondersteuning te waarborgen zonder dat de gemeentebegroting verder onder druk komt te staan. De afgelopen periode heeft de gemeente daarom een inventarisatie gedaan van de kosten en de ombuigingsmaatregelen in beeld gebracht die bijdragen aan de betaalbaarheid van de ondersteuning. De gemeente wenst in beeld te krijgen welke ombuigingsmaatregelen de betaalbaarheid waarborgen om op deze manier te komen tot duurzame grip op de uitgaven in het sociaal domein. Om invulling te geven aan bovenstaande behoefte staat onderstaande onderzoeksvraag centraal:
Welke ombuigingsmaatregelen kan de gemeente Capelle treffen om de kosten binnen de Wmo op de korte en lange termijn beheersbaar te houden?
1.2
Onderzoeksaanpak
Om de gestelde onderzoeksvraag te beantwoorden is gebruik gemaakt van (i) beschikbare documentatie en eerdere analyses van de gemeente Capelle, (ii) zijn er interviews en werksessies georganiseerd en (iii) is er gebruik gemaakt van eerdere onderzoeken en analyses van Berenschot. In onderstaand overzicht treft u een visuele weergave aan van de processtappen zoals deze zijn doorlopen:
Om ervoor te zorgen dat de inzichten en uitkomsten van dit onderzoek aansluiten bij de praktijk en dat er draagvlak is binnen de organisatie, heeft een toetsingsbijeenkomst plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst zijn de (tussentijdse) uitkomsten gedeeld en besproken, de uitkomsten van deze bijeenkomst staan verwerkt in deze rapportage.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
1.3
8/38
Op zoek naar evenwicht
Een vraagstuk dat gaat over besparingsmogelijkheden binnen het sociaal domein is vanuit onze optiek een zoektocht naar nieuw evenwicht. Enerzijds hebben gemeenten te maken met budgettaire kaders, anderzijds hebben gemeenten ook verantwoordelijkheden en ambities richting kwetsbare inwoners. Voor de omgang met dit dilemma heeft Berenschot een concept ontwikkeld dat als ijkpunt kan dienen om tekorten op een verantwoorde manier te reduceren: evenwicht. We hebben het concept van evenwicht gevisualiseerd aan de hand van het bekende donutmodel van de econome Kate Raworth. Het concept kan tevens onderbouwd worden aan de hand van de publieke waardetheorie van de bestuurskundige Mark Moore. De evenwichtsgedachte houdt in dat er een middenweg gevonden moet worden tussen twee uitersten die beide onwenselijk zijn, namelijk aantasting van de sociale basis en door het financiële plafond schieten.1 De redenering hierachter is dat de gemeente of regio haar sociaal domein-taken verricht ten dienste van inwoners. Zonder een sterke sociale basis zal het beroep op de sociale voorzieningen van de gemeente Capelle in de toekomst alleen maar groter worden. Tegelijkertijd is een financieel gezonde uitgangssituatie een randvoorwaarde om inwoners te ondersteunen, nu en in de toekomst. Het vinden van een middenweg of evenwicht tussen een gezonde sociale basis en gezonde financiën is dus een noodzaak.
1.4
Afbakening
Het voorliggende onderzoek concentreert zich op de lokale voorzieningen die worden aangeboden vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Concreet verstaan wij hieronder de volgende maatwerkvoorzieningen; vervoer, hulpmiddelen, huishoudelijke hulp, begeleiding individueel en dagbesteding/begeleiding groep. Deze voorzieningen worden verstrekt door de eigen lokale toegangsorganisatie. De wijze waarop het toegangsproces is ingericht en de mate waarin sturing plaatsvindt, wordt hierdoor zijdelings meegenomen in dit onderzoek. De wijze waarop het uitvoeringsproces (lokale toegang) is vormgegeven, behoort in eerste aanleg niet tot de scope van dit onderzoek. Omdat grip en sturing grotendeels begint bij een adequate inrichting van de toegangsprocessen, zijn de opgedane inzichten omtrent de interne organisatie zijdelings meegenomen in het onderzoek. De wijze waarop het toegangsproces is ingericht, kan vanuit dat perspectief als randvoorwaardelijk worden beschouwd. Verder zien wij dat maatwerkvoorzieningen binnen de Wmo in nauwe verbinding staan met voorzieningen in het voorliggend veld. Beide stellen immers in staat om inwoners met een ondersteuningsvraag te helpen. In dit onderzoek hebben wij daarom ook (op hoofdlijnen) gekeken naar de wijze waarop beide vormen van ondersteuning (maatwerk versus voorliggend) zich tot elkaar verhouden.
Dit onderzoek richt zich echter niet op voorzieningen die worden geboden vanuit andere wetten zoals Jeugdhulp en de Participatiewet.
1 Het ecologische plafond uit het model van Raworth hebben we hier omgezet in een financieel plafond. De
donutgedachte, namelijk dat het wenselijk is om tussen de vloer en het plafond te zitten, blijft intact.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
1.5
9/38
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk treft u een beschrijving aan van de huidige financiële situatie welke als uitgangspunt is genomen voor de nadere uitwerking. In hoofdstuk 3 geven wij u een analyse van de interne organisatie en de wijze waarop sturing wordt vormgegeven. Vervolgens leest u in hoofdstuk 4 een verkenning van de ombuigingsmaatregelen. In hoofdstuk 5 gaan wij in op het creëren van ‘grip en sturing’ om vervolgens in hoofdstuk 6 af te sluiten met de conclusies en aanbevelingen.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
10/38
HOOFDSTUK 2.
Huidige financiële situatie 2.1
Inleiding
De gemeente heeft voorspelmodellen gemaakt die de verwachte toekomstige ontwikkeling van de netto uitgaven (dat wil zeggen lasten minus eigen bijdragen) in beeld brengen. Deze voorspelmodellen betreffen huishoudelijke ondersteuning (HO), begeleiding individueel (BGI) en dagbesteding/begeleiding groep (BGG). Op verzoek van gemeente Capelle heeft Berenschot de voorspelmodellen doorgenomen en voorzien van een second opinion. Deze second opinion is voor- en nabesproken met de financiële medewerkers van de gemeente. Het doel van de prognoses en de second opinion daarop is om tot een zo solide mogelijke financiële toekomstverwachting te komen. De financiële toekomstverwachting is immers bepalend voor de vraag in hoeverre er ingegrepen moet worden en wat de gewenste omvang (in financiële zin) is van de voorgestelde maatregelen. In dit hoofdstuk vatten we de belangrijkste bevindingen samen. Bij de financiële analyses is primair gekeken naar de volumeontwikkeling. Naast de volumes zijn ook prijsontwikkelingen relevant. De prijsontwikkeling wordt echter grotendeels gecompenseerd via het Gemeentefonds. Vandaar dat we ons in dit hoofdstuk richten op de verwachte volumes.
2.2
Verwachte financiële ontwikkelingen HO
De hoofdbevinding uit de prognose en second opinion is dat het HO-volume van 2022 tot en met 2025 (de komende vier jaar) met 7,5% tot 8% zal stijgen. De prognose van de gemeente wijkt daarbij nauwelijks af van de prognose van Berenschot. De voornaamste verklaring hiervoor is de demografie: er komen in de komende jaren relatief meer 65-plussers bij in gemeente Capelle. In de afgelopen jaren speelde daarnaast de impact van het abonnementstarief. In de cijfers van het aantal Wmo-cliënten is terug te zien dat in 2019 en 2020 het aantal cliënten met een inkomen boven de € 40k harder is gestegen dan het aantal cliënten met een inkomen onder de € 40k.2 De gemeente observeert stabilisatie in 2022 van de impact van het abonnementstarief en dat lijkt ons, gelet op ervaringen in andere gemeenten, realistisch, mede gegeven het feit dat het nieuwe kabinet voornemens is om het abonnementstarief zodanig aan te passen dat de aanzuigende werking ervan minder wordt. Daarnaast zien we in de cijfers een beperkt doorstroomeffect van cliënten van 75 jaar en ouder naar de Wet langdurige zorg (Wlz).3 In de jaarrekening van de gemeente is een risicoparagraaf opgenomen waarin onder andere verwezen wordt naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over resultaatsturing (gemeente Capelle hanteert resultaatsturing).
Het risico houdt in dat de CRvB heeft bepaald dat gemeenten aan cliënten meer rechtszekerheid moeten bieden dan de systematiek van resultaatsturing in beginsel biedt. Resultaatsturing houdt namelijk in dat een gemeente afspraken maakt met aanbieders over een te leveren resultaat, ongeacht hoeveel uur een aanbieder hiervoor nodig heeft. Meer rechtszekerheid betekent
2 Bron: CBS-cijfers over Wmo-cliënten op gemeenteniveau.
3 Bron: uit CBS-cijfers over Wmo-cliënten op gemeenteniveau blijkt dat er nauwelijks sprake is van een
daling van het aantal cliënten van 75 jaar en ouder.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
11/38
concreet dat een cliënt volgens de rechter meer duidelijkheid moet krijgen over het aantal uren ondersteuning dat hij/zij geleverd krijgt. De gerechtelijke uitspraken zetten dus de systematiek van resultaatfinanciering onder druk. Gemeenten in heel Nederland hebben daarom als gevolg van deze uitspraken aanpassingen moeten doen aan de toepassing van resultaatsturing. Het is onzeker welke mate van aanpassing voor de rechter voldoende zou zijn. Vandaar dat er sprake is van een risico. Tevens is het onzeker welke acties het ministerie van VWS onderneemt om de positie van resultaatsturing in de wet beter te verankeren. In de onderstaande tabel staan de prognoses voor de uitgaven aan de verschillende maatwerkvoorzieningen. Het risico op verdere implicaties van de gerechtelijke uitspraken over resultaatsturing heeft betrekking op HO, BGI en BGG. Wij raden gemeente Capelle aan om in contact te treden met andere gemeenten die resultaatsturing hanteren om te komen tot een preciezere inschatting van dit risico. Wmo maatwerkvoorziening
Prognose 2022
HO
€ 7.255.304
€ 7.595.456
BGI
€ 3.489.706
€ 3.576.948
BGG
€ 938.045
€ 963.463
Hulpmiddelen
€ 800.000
€ 800.000
€ 12.483.055
€ 12.935.868
Totaal
2.3
Prognose 2023
Verwachte financiële ontwikkelingen BGI
De hoofdbevinding uit de prognose en second opinion is dat het BGI-volume van 2022 tot en met 2025 (de komende vier jaar) met 5% tot 6,5% zal stijgen. De prognose van de gemeente wijkt daarbij nauwelijks af van de prognose van Berenschot. De prognose van 5% tot 6,5% gaat alleen op als er op het terrein van beschermd wonen sprake blijft van de status-quo. Sommige regio’s kiezen ervoor om beschermd wonen gedeeltelijk om te vormen tot beschermd thuis. Dat betekent dat een bepaald aantal cliënten die nu nog in een instelling wonen (beschermd wonen) zelfstandig komen te wonen met intensieve begeleiding. Deze beweging wordt ook wel normalisering of ambulantisering genoemd en is onderbouwd door het rapport van de Commissie Dannenberg. Dit kan leiden tot een toename van de kosten voor BGI. Per saldo (de kosten van beschermd wonen) meegerekend, kan de maatregel overigens een besparing opleveren, omdat beschermd wonen een relatief dure voorziening is. In de regio waar Capelle deel van uitmaakt is echter gekozen voor de status-quo. De kosten voor beschermd wonen door centrumgemeente Rotterdam gedragen worden en ook de afspraak is gemaakt dat deze situatie na 2024 deze werkwijze zo te behouden. Er is wat individuele begeleiding betreft, nauwelijks sprake van een opwaartse demografische trend. De mate van verzilvering is stabiel.
De gemeente verwacht dat de verzilvering van 85% naar 90% zou kunnen gaan. Deze laatstgenoemde aanname zit nog niet in het model. Maatschappelijk gezien is er een tendens zichtbaar dat er sprake is van meer eenzaamheid en psychisch lijden, mede naar aanleiding van de coronacrisis. Dit kan ook gevolgen hebben voor BGI. We achten het daarom verstandig om op grond van het voorzichtigheidsbeginsel een stijging van de mate van verzilvering van 85% naar 90% te prognosticeren.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
2.4
12/38
Verwachte financiële ontwikkelingen dagbesteding
De hoofdbevinding uit de prognose en second opinion is dat het BGG-volume van 2022 tot en met 2025 (de komende vier jaar) met 5,5% tot 6,5% zal stijgen. De prognose van de gemeente wijkt daarbij nauwelijks af van de prognose van Berenschot. Ook bij dagbesteding kan een stijging van het volume optreden als de centrumgemeente en/of Capelle ervoor kiezen om beschermd wonen gedeeltelijk om te vormen tot beschermd thuis. De belangrijkste doelgroep van dagbesteding betreft dementerende ouderen. Daarnaast is er ook een groep volwassenen die gebruik maakt van dagbesteding. Demografisch gezien is bij dagbesteding vooral de toename van het aantal 65-plussers relevant; het aantal volwassenen tot 65 jaar verandert in de komende jaren nauwelijks. Uit gegevens over inkomens en Wmogebruik van het CBS blijkt dat in 2019 en 2020 het aantal Wmo-cliënten begeleiding (BGI en dagbesteding) met een inkomen tot € 40k is gedaald, terwijl het aantal cliënten met een inkomen vanaf € 40k is gestegen. Dit duidt erop dat ook bij begeleiding sprake is van aanzuigende werking als gevolg van het abonnementstarief. Verder speelt specifiek bij dagbesteding ook substitutie een rol: er stromen regelmatig cliënten door van de Wmo naar de Wlz. Deze observatie herkennen we uit andere gemeenten en zien we ook terug in de cijfers. De mate van verzilvering fluctueert sterk per persoon en mede daardoor ook per periode.
Er wordt daarom een gemiddelde verzilvering gehanteerd.
2.5
Korte tussentijdse conclusie
Op grond van de prognoses en de second opinion is de tussentijdse conclusie gerechtvaardigd dat gemeente Capelle in de komende vier jaar waarschijnlijk te maken blijft krijgen met stijgende volumes, en daarmee stijgende netto uitgaven. Ten opzichte van voorgaande jaren neemt de volumestijging wel wat af, met name doordat de impact van het abonnementstarief in de toekomst minder groot zal zijn. Ter vergelijking: bij HO was in 2020 en 2021 de volumestijging respectievelijk 5% en 7% per jaar; in de komende jaren is de verwachte volumestijging op grond van de prognoses zo’n 2% per jaar. De volumestijging neemt dus af met 3% tot 5%. De verwachte stijgingen van de netto uitgaven vormen een goed onderbouwde aanleiding om maatregelen te onderzoeken die de uitgavenstijging beperken. In het vervolg van dit hoofdstuk gaan we dieper op deze maatregelen in.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
13/38
HOOFDSTUK 3.
Analyse interne organisatie 3.1
Inleiding
In vraagstukken die gaan over het bieden van passende ondersteuning, al dan niet in relatie tot een financiële taakstelling, schijnt het licht vaak op de zorgvraag van inwoners en het aanbod dat zorgaanbieders hierop doen. Vaak, zo vinden wij, is er onvoldoende aandacht voor het toegangsproces en de rol van de consulenten hierin. Terwijl juist consulenten bepalen of inwoners (nog langer) ondersteuning ontvangen en kunnen sturen op de voortgang. In dit hoofdstuk besteden wij daarom aandacht aan de wijze waarop het toegangsproces is georganiseerd en wat de aandachtspunten hierbij zijn. Deze bevindingen en aanbevelingen vormen in feite niet de kern van het onderzoek, maar kunnen als randvoorwaardelijk worden beschouwd. Het oplossen van deze knelpunten vraagt op onderdelen een diepgaandere analyse naar bijvoorbeeld de werkprocessen, werklast en de wijze waarop voorliggende voorzieningen onderdeel (kunnen) uitmaken van de ondersteuningsbehoefte.
3.2
Knelpunten in het huidige werkproces
De consulenten geven aan dat ze in verhouding veel tijd kwijt zijn met het administratieve proces rondom het afgeven van beschikkingen. Deels komt dit doordat de werkprocessen onvoldoende zijn geautomatiseerd, waardoor veel extra (handmatige) handelingen nodig zijn. Behalve extra werklast zorgt dit voor frustratie, creëren mensen hun eigen werkwijze en vergroot dit de kans op fouten. Een ander knelpunt dat aan de orde is gekomen, is het gebrek aan uniforme werkprocessen en handboeken. Nieuwe werkwijzen en/of afspraken met aanbieders/leveranciers worden niet of beperkt vastgelegd, waardoor verschillende medewerkers een andere werkwijze hanteren. Het gevolg is ook dat een inwerktraject hierdoor relatief lang duurt, de foutmarge toeneemt en uniformiteit niet gewaarborgd is.
3.3
Monitoring en sturing op cliëntdoelen
Op het moment dat een cliënt zich met een zorgvraag meldt, wordt de ondersteuningsbehoefte op een nauwkeurige manier in beeld gebracht. Wanneer het beschikkingsproces is beëindigd, dan is de cliënt doorgaans gedurende de looptijd van de beschikking bij de consulenten uit beeld. Er zijn in ieder geval geen vaste tussentijdse contactmomenten. In praktijk zien we echter dat de ondersteuningsbehoefte van cliënten zich ontwikkelt, soms omdat het beter gaat, maar soms ook doordat de situatie verslechtert. Doordat er geen tussentijds contact is, is het niet mogelijk om het ondersteuningsaanbod hierop aan te passen door deze bijvoorbeeld af te schalen of te verwijzen naar bijvoorbeeld de Wlz. Het is niet vanzelfsprekend dat zorgaanbieders deze signalen doorgeven. In de gesprekken wordt aangegeven dat de noodzaak hiervan wordt erkend, maar dat het de consulenten ontbreekt aan beschikbare tijd om hier invulling aan te geven (mede als gevolg van de knelpunten in het huidige werkproces, zie paragraaf 3.2). Tevens zien wij dat zorgaanbieders beperkt worden gestuurd en geprikkeld om cliëntdoelen te realiseren. Door na het afgeven van een beschikking actief betrokken te blijven, is het mogelijk om hier als gemeente actiever op te sturen.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
14/38
Daarnaast is het, zeker bij begeleiding, noodzakelijk dat consulenten goed zicht hebben op de ondersteuningsbehoefte en het bijbehorende zorgaanbod. Een deel van de consulenten geeft aan hier niet altijd voldoende zicht op te hebben. Doordat zorgaanbieders hier momenteel beter bekend mee zijn, worden de consulenten voor hun gevoel in sommige gevallen ‘overruled’ waardoor indicaties mogelijk te gemakkelijk worden verhoogd of verlengd.
3.4
Verbinding met voorliggende voorzieningen
Binnen gemeente Capelle zijn verschillende voorliggende voorzieningen aanwezig die een deel van de ondersteuningsbehoefte van inwoners kunnen invullen. Een concreet voorbeeld hiervan zijn de activiteiten van subsidierelatie Welzijn Capelle, die onder andere maatschappelijk werk uitvoert. Deze organisatie biedt op een laagdrempelige wijze ondersteuning en is in veel gevallen een mooie aanvulling of alternatief op een maatwerkvoorziening. Om een goede verbinding te kunnen maken met alle voorliggende voorzieningen, is het van belang dat de consulenten dichtbij de wijk staan, dat ze daar ogen en oren hebben, dat ze weten welke organisaties daar actief zijn en dat ze daar verbindingen kunnen leggen tussen vraag en aanbod. Onze indruk is dat de afstand tussen de wijken en de consulenten op dit moment te groot is, en dat ze niet volledig op de hoogte zijn van de verschillende voorzieningen en dat deze voorzieningen op dit moment onvoldoende onderdeel uitmaken van het ondersteuningsaanbod. Uit de interviews blijkt dat de gemeente de beschikking heeft over een sociale kaart, die benaderbaar is via de website www.capelsewegwijzer.nl. Deze website is begin 2022 gelanceerd. We hebben de website bekeken en denken dat dit instrument een nuttig hulpmiddel is om consulenten en inwoners beter zicht te geven op voorliggende voorzieningen.
3.5
Overlap in het zorgaanbod
Voorzieningen worden verstrekt op het moment dat de cliënt zich meldt met zijn of haar ondersteuningsbehoefte. Een deel van de inwoners maakt gebruik van meerdere voorzieningen die doorgaans op verschillende momenten worden verstrekt. Bij het verstrekken van aanvullende voorzieningen is het van belang om naar het geheel van het aanbod te blijven kijken en eventueel ook op onderdelen af te schalen. Denk bijvoorbeeld aan relatief zware inzet op huishoudelijke hulp in combinatie met individuele begeleiding. We bevelen aan dat consulenten hier bij het verstrekken van aanvullende voorzieningen naar kijken. Ook is het mogelijk om een analyse te maken van de huidige overlap van voorzieningen. Dit inzicht kan vanuit de systemen gegenereerd worden.
3.6
Samenwerking en ontwikkeling
Consulenten bepalen in grote mate de gemeentelijke uitgaven binnen de Wmo. Hiervoor is het van belang dat ze goed worden toegerust met actuele kennis. Het valt ons op dat door verschillende omstandigheden, waaronder de hoge werkdruk die het gevolg is van knelpunten in het huidige werkproces en de grote hoeveelheid meldingen, de organisatieontwikkeling afgelopen jaren onvoldoende aandacht heeft gekregen. Er vindt bijvoorbeeld op het moment van onderzoek geen casuïstiekoverleg meer plaats en ook is er relatief weinig aandacht voor opleidingen en trainingen. Het gevolg is dat consulenten zich niet altijd even comfortabel voelen om een inhoudelijk gesprek aan te gaan met een zorgaanbieder of bijvoorbeeld een zorgverzekeraar (voor een Wlz-indicatie). Dit zorgt ervoor dat er in sommige gevallen mogelijk te snel of te gemakkelijk een voorziening wordt afgegeven en zorgaanbieders en inwoners onvoldoende worden gestimuleerd om meer (zelf) te doen.
3.7
Financiële effecten
In dit hoofdstuk hebben we op basis van een analyse van de interne organisatie een aantal mogelijkheden benoemd die de basis op orde brengen.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
15/38
Van alle maatregelen uit dit rapport hebben we een doorrekening gemaakt van de financiële effecten. Sommige van de maatregelen die de basis op orde brengen, hebben ook een financieel effect. Zo leidt oplossing van de knelpunten in het huidige werkproces waarschijnlijk tot een tijdsbesparing. Ons voorstel is om de capaciteit die hierdoor beschikbaar komt in te zetten voor monitoring en sturing op cliëntdoelen, een betere verbinding met voorliggende voorzieningen, controles op overlap in het zorgaanbod, en meer samenwerking en ontwikkeling. Van deze doelen hebben met name monitoring en sturing op cliëntdoelen en een betere verbinding met voorliggende voorzieningen naar verwachting een positief financieel effect. Betere monitoring en sturing levert een financiële besparing op. Het voornaamste mechanisme dat hiervoor benut kan worden, is het uitvoeren van herbeoordelingen. Deze maatregel werken we in hoofdstuk 4 apart uit, ook financieel. Een betere verbinding met voorliggende voorzieningen levert naar schatting 5% minder instroom van volwassenen in dagbesteding op. We hechten eraan om dit percentage in context te zetten en te duiden, ter verheldering en ter onderbouwing. In het sociaal domein is de sturingsruimte over het algemeen beperkt. Dat geldt ook voor de Wmo. De gemeente heeft namelijk de wettelijke plicht om passende ondersteuning (maatwerk) aan cliënten te bieden.
Berenschot heeft in de afgelopen jaren in veel gemeenten onderzoek uitgevoerd naar de sturingsmogelijkheden in het sociaal domein en de mogelijke financiële besparingen die daaruit voortvloeien. 4 Uit deze onderzoeken blijkt dat de totale ombuigingsmogelijkheden per voorziening5 tussen de 5% en de 15% liggen. Er zijn slechts enkele uitzonderingen op deze regel, waaronder re-integratie en individuele begeleiding. Bij re-integratie zijn de sturingsmogelijkheden groter, omdat de gemeente minder gebonden is aan wettelijke verplichtingen. Bij individuele begeleiding zijn de sturingsmogelijkheden groter, omdat er relatief veel optimalisatiemogelijkheden zijn om een vergelijkbare kwaliteit te leveren tegen substantieel lagere kosten (zie hoofdstuk 4). Bij dagbesteding zijn deze mogelijkheden beperkter, enerzijds omdat deze voorziening al in groepsverband is georganiseerd en er daarom relatief weinig optimalisatiemogelijkheden zijn, anderzijds omdat een relatief groot deel van de doelgroep relatief zware problematiek ervaart. Wat dit laatste aspect betreft: er wordt vaak gebruik gemaakt van dagbesteding door mensen met psychogeriatrische problematiek en door volwassenen met ernstige psychische problemen. Een groot deel van deze cliënten heeft professionele hulp nodig. Vandaar dat wij inschatten dat 5% minder instroom van volwassenen in dagbesteding een realistisch doel is.
Verder verwachten we dat meer samenwerking en ontwikkeling kan leiden tot meer kostenbewustzijn bij consulenten. Meer kostenbewustzijn kan een instroombeperking opleveren bij de lagere intensiteiten van huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding en dagbesteding van 3%. Ter duiding en verheldering van dit percentage hebben we een aantal opmerkingen. Ten eerste zijn er relatief weinig voorliggende voorzieningen voor huishoudelijke hulp, voornamelijk de inzet van het sociale netwerk van de cliënt. Bovendien is het al de standaardpraktijk om bij de toegang te vragen of de cliënt (meer) gebruik kan maken van het sociale netwerk van de cliënt. Ten tweede is bij begeleiding individueel het potentieel voor besparing weliswaar relatief groot, maar is het besparingspotentieel te realiseren met een ander type maatregel, namelijk het voorliggend aanbieden van BGI. Deze maatregel beschrijven we in het volgende hoofdstuk. Ten derde zijn de besparingsmogelijkheden bij dagbesteding, zoals toegelicht bij de vorige maatregel, beperkt. Ten vierde is instroombeperking bij hogere intensiteiten überhaupt niet mogelijk, omdat de zwaarte van de problematiek van cliënten dat niet toelaat. Vandaar dat wij een instroombeperking van 3% bij de lagere intensiteiten van huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding en dagbesteding een realistisch doel achten.
4 Onder andere in Roosendaal, Brummen, Altena, Zutphen, Heerde, Pijnacker-Nootdorp, Wierden en
Dronten. Ook heeft Berenschot voor alle gemeenten in Zuid-Holland een onderzoek naar financiële sturingsmogelijkheden uitgevoerd. 5 Dat wil zeggen de ombuigingsmogelijkheden voor alle maatregelen samen die aan de voorziening raken.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
16/38
Een ander financieel effect dat in dit hoofdstuk genoemd moet worden, is het effect van het overhevelen van de was- en strijkservice uit de maatwerkvoorziening naar een algemene voorziening. De gemeente heeft zich al voorgenomen deze maatregel uit te voeren; vandaar dat we deze maatregel in dit rapport niet apart uitwerken. Het is echter wel relevant om het besparingspotentieel van deze maatregel mee te nemen in onze doorrekening. De verwachting is dat door deze maatregel minder cliënten in HO midden en HO zwaar terecht zullen komen. In plaats daarvan kunnen deze cliënten gebruik maken van HO licht, eventueel in combinatie met de algemene voorziening was- en strijkservice. Dit wordt substitutie genoemd. Dit levert bij HO midden een verwachte besparing op van 4,7% en bij HO zwaar van 8%. Hierbij zijn we uitgegaan van de huidige tarieven en van een substitutie van 20%. We hebben geen zicht op de kosten van de algemene voorziening was- en strijkservice. Deze kosten moeten als investering worden afgetrokken van de besparing die geboekt wordt door substitutie. Aan het einde van hoofdstuk 4 bieden we een totaaloverzicht van de financiële effecten en benoemen we de effecten ook in eurotermen.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
17/38
HOOFDSTUK 4.
Verkenning van maatregelen 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk beschrijven wij de verschillende maatregelen die in staat stellen om de kosten voor de Wmo-voorzieningen beheersbaar te houden. Deze maatregelen en de impact hiervan zijn gebaseerd op de inzichten uit gemeente Capelle en de ervaring die Berenschot in andere regio’s heeft opgedaan. Deze maatregelen stellen in staat om de zorgkosten te beperken. Een belangrijke randvoorwaarde voor het realiseren van deze maatregelen is een stevige toegangsorganisatie. Deze ombuigingsmaatregelen kunnen niet effectief gerealiseerd worden zonder dat in de toegang de basis op orde is. In dialoog met zowel beleidsmedewerkers als toegangsprofessionals is gezamenlijk gezocht naar maatregelen waarbij een goede verhouding is tussen de (i) financiële impact, (ii) uitvoerbaarheid en (iii) de mate waarin het de sociale basis intact laat. Het continueren van goede ondersteuning aan inwoners is immers het uitgangspunt. De sociale basis is het zelfhelend c.q. zelfoplossend vermogen van de samenleving, soms ook samenredzaamheid genoemd. Het betekent dat mensen in hun sociale netwerken in staat zijn om zelf sociale basisvoorzieningen te organiseren die inwoners ondersteunen bij tal van sociale uitdagingen, waaronder uitdagingen in het sociaal domein.
Naast de maatregelen in dit hoofdstuk staan in hoofdstuk 5 enkele alternatieve maatregelen uitgewerkt die niet direct een substantiële bijdrage leveren aan de betaalbaarheid, maar wel kunnen bijdragen aan het overbrengen van de schaarste.
4.2
Voorliggend aanbieden van individuele begeleiding
Op dit moment ontvangen inwoners met een ondersteuningsbehoefte op het gebied van begeleiding via Welzijn Capelle ondersteuning vanuit maatschappelijk werk. Wanneer verwacht wordt dat de ondersteuning die maatschappelijk werk kan bieden ontoereikend is of wanneer verwacht wordt dat een inwoner langer dan 6 maanden ondersteuning nodig heeft, dan komt een inwoner in aanmerking voor een maatwerkvoorziening Begeleiding individueel. Deze bouwsteen gaat ervan uit dat een aanzienlijk groter deel van de inwoners met een ‘begeleidingsvraag’ ondersteuning ontvangt in de vorm van een voorliggende voorziening. Het uitgangspunt van deze bouwsteen is dat 80% van de cliënten die momenteel een maatwerkvoorziening begeleiding individueel licht, begeleiding individueel midden en waakvlam ontvangt, deze ondersteuning voorliggend krijgt aangeboden. Het is hierbij denkbaar dat deze ondersteuning wordt aangeboden vanuit Welzijn Capelle. Het uitgangspunt van 80% is gebaseerd op eerder onderzoek van Berenschot naar deze maatregel in andere gemeenten. Het schijnbaar hoge percentage komt voort uit het feit dat de begeleiding niet zozeer inhoudelijk aangepast of vervangen wordt, maar vooral anders georganiseerd wordt. De huidige organisatie van begeleiding individueel is dat een zorgaanbieder cliënten individueel ondersteunt en maandelijks factureert op basis van resultaatsturing.
Het periodebedrag is gebaseerd op een gemiddeld aantal uren per periode die een zorgaanbieder nodig heeft om het door de gemeente vastgestelde resultaat te behalen. De systematiek geeft zorgaanbieders relatief weinig prikkels om de ondersteuning die één begeleider kan bieden optimaal te verdelen over een groep cliënten en om ondersteuning (eerder) af te schalen. Als begeleiding voorliggend wordt aangeboden, dan veranderen de prikkels, omdat de
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
18/38
financiering dan op basis van beschikbaarheid is. Dit zorgt ervoor dat begeleiding individueel efficiënter kan worden aangeboden, terwijl de begeleiding inhoudelijk gezien vergelijkbaar is. Verderop in deze paragraaf lichten we toe waarom financiering op basis van beschikbaarheid leidt tot meer efficiëntie. Op deze plek volstaat het om vast te stellen dat efficiëntere tijdsinzet door begeleiders voor 80% van de cliënten begeleiding individueel licht, begeleiding individueel midden en waakvlam geen problemen oplevert, omdat de zwaarte van de problematiek dit toelaat. Voor 20% van de cliënten begeleiding individueel licht, begeleiding individueel midden en waakvlam en voor de cliënten in begeleiding zwaar laat de zwaarte van de problematiek het naar verwachting niet toe om efficiënter te werken. Vandaar dat we de maatregel op deze manier toepassen. We hebben deze wijze van toepassen van de maatregel getoetst in een toetsingsbijeenkomst met de gemeente, en in toetsingsbijeenkomsten met andere gemeenten waar we deze maatregel hebben voorgesteld. Een inwoner met een ondersteuningsbehoefte meldt zich momenteel bij Welzijn Capelle of bij de toegang voor Wmo-voorzieningen; hierin lijkt geen eenduidige lijn te zijn.
Wanneer blijkt dat een maatwerkvoorziening het meest passend is, ontvangt de inwoner via de gemeentelijke Wmo-professionals een zorgindicatie en wordt deze verwezen naar de geselecteerde zorgaanbieder. Voor individuele begeleiding is deze vorm van indiceren en bekostigen niet altijd het meest effectief. Op het moment dat de ondersteuningsvraag wordt beoordeeld en de indicatie door de gemeente wordt verstrekt, is niet altijd goed duidelijk welke ondersteuning nodig is en voor welke periode deze ondersteuning noodzakelijk is. Daarnaast varieert de ondersteuningsbehoefte in sommige gevallen per week; in het begin is er mogelijk meer nodig om het vervolgens af te bouwen, of op het moment dat het even wat minder gaat moet de zorg mogelijk tijdelijk worden opgeschaald. Het huidige financieringssysteem bevat, zoals benoemd, voor zorgaanbieders onvoldoende prikkels om (eerder) af te schalen. Hiermee wordt bedoeld dat ze onvoldoende worden gestimuleerd om de gewenste resultaten sneller te realiseren en sneller af te schalen. Een bijkomend effect is dat een deel van de cliënten onvoldoende wordt uitgedaagd om zelf regie te houden/nemen over de situatie en bijbehorende problemen, waardoor het risico ontstaat dat een deel van de cliënten een afhankelijkheidsrelatie opbouwt met de zorgverlener.
Door een substantieel deel van de individuele begeleiding voorliggend te laten uitvoeren en hierdoor niet langer op basis van een indicatie – maar op basis van beschikbaarheid – te financieren, kan de ondersteuning gerichter en adequater worden ingezet. De maatschappelijk werker/ondersteuner die op basis van beschikbaarheid wordt gefinancierd, bouwt een caseload op en wordt uitgedaagd om zijn werktijd zo effectief mogelijk over de caseload te verdelen. Vooraf moet grotendeels duidelijk zijn wat de verwachte caseload wordt en welke capaciteit hiervoor moet worden ingezet door de aanbieders. Vervolgens vraagt het een stevige houding vanuit contractmanagement om de aanbieder(s) te dwingen om binnen het beschikbare budget inwoners zo goed mogelijk te ondersteunen. In veel andere gemeenten heeft deze werkwijze bewezen dat cliënten meer worden uitgenodigd om in hun eigen omgeving te zoeken naar oplossingen en om voorliggende voorzieningen beter te benutten.
Financiële effecten Steeds meer gemeenten bieden een deel van de ambulante begeleiding voorliggend aan. De resultaten zijn veelbelovend. We zien dat verschillende gemeenten6 door deze werkwijze ongeveer 30-40% meer inwoners kunnen helpen, terwijl de totale kosten met ongeveer 20-30% afnemen. Aangezien gemeente Capelle via Welzijn Capelle al toegankelijke ondersteuning biedt, kan het zijn dat er niet per se meer mensen worden bereikt. De lagere kosten worden hoofdzakelijk verklaard doordat een ondersteuningstraject gemiddeld minder intensief en minder lang wordt ingezet.
6 Onder meer Brummen, Utrecht, Nijmegen, Hollands Kroon, Groningen, Leeuwarden, Heerlen en Bergen
op Zoom.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
19/38
Daarnaast wordt er bespaard op het indicatieproces. De kosten per uur dat ondersteuning wordt geboden zijn wellicht hoger doordat voor ambulante begeleiding hoofdzakelijk mbo’ers worden ingezet en professionals binnen inwonersondersteuning over het algemeen een hbo-opleiding hebben en zij daardoor hoger ingeschaald zijn. Uitgangspunt
Opmerking
1. Percentage dat voorliggend wordt uitgevoerd
60% 80%
Deel van de indicaties begeleiding (licht, midden, waakvlam)
2. Aanzuigende werking
0%
Aantal extra meldingen bovenop het aantal huidige meldingen (aanname)
3. Besparing op het totaal
25%
Besparing op totale kosten referentiekader 2021 (aanname)
5. Uitvoeringskosten per beschikking
€ 517
Benchmark sociaal domein Berenschot
1. In andere gemeenten lijkt het haalbaar dat tot 80% van de cliënten met een relatief lage beschikking begeleiding individueel (in de terminologie van Capelle: licht, midden en waakvlam) voorliggend wordt geholpen. Bij de doorrekening zijn we uitgegaan van een iets voorzichtigere aanname van 70%. Uit de toetsingsbijeenkomst is naar voren gekomen dat dit een realistisch doel is, maar dat het tijd vraagt om hiernaartoe te werken. Het is daarom verstandig om ervan uit te gaan dat de besparing pas in 2025 volledig gerealiseerd kan worden. 2. Aangezien gemeente Capelle via Maatschappelijk werk al laagdrempelige ondersteuning aanbiedt, is in de businesscase geen rekening gehouden met een extra aanzuigende werking. Dit betekent dat er niet wordt verwacht dat doordat er meer cliënten in beeld komen, hogere kosten worden gemaakt. De aanzuigende werking is in de doorrekening daarom op 0% gezet. 3. Het derde uitgangspunt is een besparing van 25% per cliënt (het gemiddelde van 20% tot 30%). Deze besparing is gebaseerd op cijfers uit andere gemeenten en zijn ambtelijk getoetst. De besparing wordt gerealiseerd doordat cliënten gemiddeld minder uren ondersteuning per week ontvangen en eerder uitstromen.
Dit betreft een totale besparing waarbij ervan uit wordt gegaan dat de zorgkosten van een maatwerktraject (zoals dit nu wordt gefinancierd) wordt overgeheveld naar de organisatie die deze dienst gaat uitvoeren. De besparing van 25% betekent ook dat 75% van de huidige zorgkosten beschikbaar worden gesteld om deze ondersteuning voorliggend aan te bieden. Met deze middelen wordt de capaciteit uitgebreid om de inwoners (voorliggend) te kunnen ondersteunen. 4. Wanneer deze ondersteuning niet meer als maatwerkvoorziening wordt geïndiceerd maar voorliggend wordt aangeboden hoeft de inwoner geen indicatieproces meer te doorlopen. Dit levert een besparing op in de eigen lokale uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten per afgegeven beschikking bedraagt gemiddeld € 517 per beschikking. We sluiten deze paragraaf af met een kort rekenvoorbeeld om de verbinding tussen deze paragraaf en de het overzicht van de financiële effecten (paragraaf 4.6) te verduidelijken. Zoals toegelicht, verwachten we dat 60% tot 80% van de begeleiding individueel licht, midden en waakvlam voorliggend kan worden aangeboden. We reken daarbij met het gemiddelde van 70%. Daarnaast verwachten we, zoals toegelicht, dat op deze voorzieningen een besparing van gemiddeld 25% kan worden gerealiseerd. De vermenigvuldiging van 70% en 25% levert een procentuele besparing van 17,5% op voor de desbetreffende voorzieningen.
Er zijn ook nog twee andere maatregelen van toepassing op de voorzieningen begeleiding individueel licht, midden en waakvlam, met een beperkter effect van in totaal
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
20/38
1,69%. Bij de waakvlam verwachten we bovendien dat er een intensivering nodig is, omdat de gemeente meer nazorg wil leveren. Deze aanvullende maatregelen beïnvloeden de uiteindelijke besparingspercentages die in paragraaf 4.6 genoemd worden.
4.3
Ophaalactie hulpmiddelen
Op dit moment wordt binnen gemeente Capelle gewerkt aan een nieuwe overeenkomst voor hulpmiddelen. Volgens ons is dit een mooi moment om ook kritisch te kijken naar de uitstaande hulpmiddelen en het gebruik daarvan. Gemeente Capelle geeft jaarlijks ongeveer € 800.000,- uit aan Wmo-hulpmiddelen. De inschatting is dat een deel van deze hulpmiddelen niet of beperkt wordt gebruikt. Het doel van deze maatregel is om inwoners die geen of beperkt gebruikmaken van de hulpmiddelen op te roepen om de hulpmiddelen in te leveren. Op deze manier kunnen de vrijgekomen rolstoelen (opnieuw) beschikbaar worden gesteld aan inwoners die deze hard nodig hebben, zo luidt de boodschap. De maatregel wordt ingestoken vanuit duurzaamheid en niet zozeer vanuit een besparingsopgave. Ook deze maatregel vraagt om een projectgerichte aanpak. Natuurlijk luidt altijd de oproep aan inwoners om niet gebruikte hulpmiddelen in te leveren, maar het voorstel is om deze oproep gedurende één afgebakende periode centraal te stellen. Om deze actie kracht bij te zetten, is het voorstel om ter voorbereiding hierop organisaties zoals huishoudelijke hulpen, vrijwilligers en de woningbouwvereniging te vragen om met hun cliënt de dialoog aan te gaan over het gebruik van het hulpmiddel. Laat duidelijk zijn dat inwoners die de hulpmiddelen gebruiken, deze vooral moeten behouden.
Het bevordert immers hun bewegingsvrijheid en hiermee hun zelfredzaamheid.
Financiële effecten Zoals benoemd, is deze maatregel niet primair bedoeld als besparing. Desondanks lijkt het ons nuttig om de financiële effecten van deze maatregel mee te nemen. Het is ingewikkeld om een goede inschatting te geven van het besparingspotentieel. De besparing van 5% is gebaseerd op de uitkomsten van de toetsingsbijeenkomst. De besparing van 5% is toegepast op de verschillende typen hulpmiddelen die de gemeente biedt, namelijk scootmobielen, elektrische rolstoelen en handbewogen rolstoelen. Concreet betekent deze besparing dat de totale kosten van de hulpmiddelen die terugkomen een bedrag vertegenwoordigen van 5% van de totale jaarlijkse gemeentelijke bestedingen aan hulpmiddelen.
4.4
Herbeoordeling vijftig complexe cliënten Wmo
Op het moment dat een beschikking is afgegeven, raakt de inwoner uit beeld tot het moment dat er aanleiding is om opnieuw contact te hebben. In veel gevallen is dit het eerste contactmoment bij de herindicatie. Uit de praktijk blijkt echter dat een ondersteuningsvraag bijna nooit constant is, in sommige gevallen neemt de ondersteuningsbehoefte toe en in andere situaties gaat het telkens een beetje beter. Beide ontwikkelingen geven aanleiding om een vinger aan de pols te houden en cliënten met een relatief zware ondersteuningsbehoefte regelmatig opnieuw te beoordelen. De maatregel vraagt om een projectmatige herbeoordeling van, in eerste instantie, vijftig complexe Wmocasussen. Met complexe casussen worden inwoners bedoeld die naast een indicatie voor begeleiding, ook huishoudelijke hulp, dagbesteding en/of hulpmiddelen ontvangen. Het doel is om met een frisse blik opnieuw te kijken naar vijftig complexe casussen en te onderzoeken in welke mate afschaling nodig is en/of cliënten mogelijk beter vanuit de Wlz geholpen kunnen worden.
Projectaanpak Het advies is om samen met een brede afvaardiging van consulenten te komen tot een selectie van vijftig complexe casussen. Dit kan deels op basis van ervaringen, maar ook op basis van registraties zoals het zorgverbruik. Het advies is daarbij om, indien mogelijk, ook kritisch te kijken naar de cliënten die ook voorkomen bij het zorgkantoor. De geselecteerde casussen worden vervolgens door specifiek hiervoor
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
21/38
benoemde consulenten bezocht. Tijdens het bezoek wordt er kritisch gekeken of de geboden ondersteuning aansluit bij de ondersteuningsvraag en wordt er gekeken of het mogelijk is om af te schalen en/of cliënten te verwijzen naar bijvoorbeeld de Wlz. Een tweede advies is om een herbeoordelingstraject niet eenmalig, maar periodiek uit te voeren.
Financiële effecten Herbeoordelingen kunnen naar verwachting bij 20% van de trajecten een andere doorlooptijd opleveren. De genoemde 20% van de trajecten wordt naar verwachting per saldo 25% korter, waardoor de besparing 5% is. Bij deze verwachting van per saldo 25% kortere trajecten is inbegrepen dat bij sommige cliënten het traject juist intensiever/langer wordt. Deze besparing is van toepassing op individuele begeleiding en dagbesteding. Ook houden we rekening met het feit dat door monitoring en sturing het aantal cliënten in de waakvlam juist zal toenemen. Het uitvoeren van een herbeoordelingen vergt capaciteit. Bij de doorrekening zijn we ervan uitgegaan dat deze capaciteit gevonden kan worden door de basis op orde te brengen (zie hoofdstuk 3). Er is daarom niet apart rekening gehouden met het verrekenen van een investeringsbedrag.
4.5
Alternatief hulpaanbod complexe gezinnen
De vraag die bij deze maatregel centraal staat is of deze gezinnen op een andere manier beter en goedkoper geholpen kunnen worden? Hierbij is de uitnodiging om niet alleen te kijken naar het voorzieningenaanbod, maar de professional ook de ruimte te geven om zaken voor de inwoner te realiseren en te bekostigen die buiten het huidige voorzieningenaanbod omgaan. Sommige gezinnen zijn beter geholpen met bijvoorbeeld een wasmachine, een auto, een woning of iets wat minder voor de hand ligt. Het idee van de maatregel is om tien complexe casussen te selecteren – dit hoeven niet per se de duurste te zijn – en op basis van de gezinssituatie te kijken wat er nodig is om deze gezinnen te helpen. Wij hebben begrepen dat middels de Doorbraakmethode van het Instituut voor Publieke Waarde (IPW) deze aanpak eerder in praktijk is gebracht. Het advies is om deze aanpak, vanuit het perspectief van de Wmo, conform onderstaande uitgangspunten te herhalen.
Centrale coördinatie De gezinnen waar deze maatregel op toeziet zijn doorgaans bij verschillende hulpverleners in beeld; ervan uitgaande dat de dienstverlening goed op elkaar is afgestemd, weten de hulpverleners wie wat doet. Wellicht is er ook één regisseur die regie houdt. Deze werkwijze vraagt wat anders en gaat verder dan dat. Deze werkwijze gaat ervan uit dat één persoon verantwoordelijk is voor het gezin en gemandateerd is om keuzes te maken die bijvoorbeeld betrekking hebben op lopende zorgtrajecten. Deze regisseur wordt integraal verantwoordelijk om te onderzoeken of dit gezin gerichter/beter geholpen wordt tegen lagere kosten. Om echt op een andere manier te kunnen kijken, is het advies om dit project uit de reguliere bedrijfsvoering te halen en projectmatig te organiseren, met één gerichte werktitel waarmee iedereen weet wat er wordt bedoeld, bijvoorbeeld ‘de (tien) gezinnen van de toekomst!’. Het advies is dat één of twee professionals met de gezinnen aan de slag gaan en zowel zorginhoudelijk, projectmatig als financieel verantwoordelijkheid afleggen. Hierbij dient ook gekeken te worden of gezinnen vanuit een andere wet (beter) geholpen kunnen worden. Pas wanneer blijkt dat het lukt, is het interessant om de ervaringen en lessen over te brengen naar de reguliere bedrijfsvoering en onderdeel te laten zijn van de werkwijze.
Naar passende en betaalbare Wmo-voorzieningen
22/38
Projectaanpak De regisseurs/consulenten kunnen alleen het verschil maken wanneer ze het mandaat hebben om echt buiten de kaders te denken en te investeren in incidentele of structurele zaken. Dit vraagt niet alleen wat van de competenties van de regisseurs, maar ook wat van de ruimte die hen geboden wordt. Wanneer iemand ruimte geboden wordt, wordt deze nog niet altijd zo ervaren. Is gemeente Capelle bijvoorbeeld bereid om deze regisseurs een pinpas te geven zodat ze ook echt zaken kunnen kopen? Kunnen deze inwoners voorrang krijgen op een woning? Is de gemeente bereid om werkgevers te stimuleren om deze inwoners in dienst te nemen? Met de regisseur voorop vraagt dit om groot mandaat en een brede samenwerking. Uit de interviews is gebleken dat gemeente Capelle op dit moment al een unit Frontlijn heeft die zich bezighoudt met complexe problematiek. Wij hebben in ons onderzoek de werkzaamheden van de unit Frontlijn niet in detail kunnen onderzoeken. Het ligt voor de hand om de projectaanpak af te stemmen met de werkzaamheden van de unit Frontlijn of de werkzaamheden in hun aanpak te integreren.
Financiële effecten In verschillende andere gemeenten is een soortgelijke maatregel doorgevoerd. In die gemeenten bleek een realistische inschatting van de besparing 1à 1,5% van de totale zorgkosten te zijn. Dit lijkt weinig, maar is in feite best veel, omdat cliënten om wie het gaat, meestal gebruikmaken van veel voorzieningen en relatief dure voorzieningen. Tevens is het van belang om op te merken dat 1 à 1,5% een gemiddelde is, gemeten over de totale zorgkosten. De procentuele besparing bij een concrete casus op een concrete voorziening kan een stuk hoger uitvallen. Omdat niet bij alle casussen alle soorten voorzieningen worden ingezet, is de gemiddelde besparing lager. Het bieden van meer regie bij complexe problematiek vergt capaciteit. Bij de doorrekening zijn we ervan uitgegaan dat deze capaciteit gevonden kan worden door de basis op orde te brengen (zie hoofdstuk 3). Er is daarom niet apart rekening gehouden met het verrekenen van een investeringsbedrag.