05.01 - Raadsvoorstel en -besluit Verordening jeugdhulp 2026
Tekst van het document
Zaaknr:2051200
Jeugdhulp van een jeugdhulpaanbieder mag binnen of buiten de jeugdhulpregio worden ingekocht. Bij jeugdhulp in Nederland houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd toezicht op de kwaliteit. Buiten Nederland heeft de inspectie geen controlebevoegdheid. Het college zal dus terughoudend optreden bij aanvragen voor een pgb die geheel of gedeeltelijk in het buitenland zal worden ingezet. Indien dit niettemin wordt beoordeeld als noodzakelijk gezien de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige, zal de jeugdhulpaanbieder worden gehouden aan het afsprakenkader buitenlands hulpaanbod (vng.nl/publicaties/afsprakenkader-buitenlands-zorgaanbod-jeugd). Een pgb mag niet buiten de Europese Unie worden besteed. Zesde lid Een pgb wordt ingezet om de in de toekenning vastgelegd resultaten te bereiken. Het college heeft de verantwoordelijkheid om in overleg met de budgethouder, budgetbeheerder en pgbjeugdhulpaanbieder de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen te monitoren. Artikel 19.
pgb-vaardigheid
Algemeen Om te kunnen beoordelen of een jeugdige of diens ouders in staat zijn tot het voeren van regie over de eigen ingekochte jeugdhulp is van belang dat zowel vooraf, als tussentijds, op basis van onderzoek wordt beoordeeld of aan de noodzakelijke regievaardigheid wordt voldaan. Eerste lid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.
Voor het vaststellen van de vereiste pgb-vaardigheid wordt mede gebruik gemaakt van de door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) opgestelde ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf) Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten. Tweede lid In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.
66
Zaaknr:2051200
1.
Problematische schuldenproblematiek: problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, of zelf onder bewind staat. Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) wordt gehanteerd “Van problematische schulden is sprake in de situatie waarbij iemand niet meer in staat is om zijn betalingsverplichtingen na te komen, zelfs niet als hij zich maximaal inspant om alles af te lossen. Het gaat vaak om een situatie waarin de schulden zich opstapelen en de aflossingstermijn uit de hand loopt, waardoor hulp van een schuldhulpverleningsinstantie noodzakelijk wordt”.
2.
Ernstige verslavingsproblematiek: ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische exverslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb.
3.
Aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag: wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel de beoogde pgbjeugdhulpaanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.
4.
Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ (70/75 of lager). Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.
5.
Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-jeugdhulpaanbieder. Een aanbod van ZIN past beter in het zorgbelang van de cliënt.
6.
Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.
7.
Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik.
67
Zaaknr:2051200
Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is en doet in relatie tot het pgb. 8.
Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder is onontbeerlijk om als budgethouder of budgetbeheerder werkzaam te kunnen zijn. Een weigering om een VOG aan te vragen, dan wel een ontvangen VOG te overleggen maakt de beoordeling van een PGB-aanvraag onmogelijk. De relatief beperkte kosten van het aanvragen van een VOG (https://www.justis.nl/producten/verklaring-omtrent-het-gedrag) worden door niet aanvaard als reden om geen VOG aan te vragen.
Derde lid Bij de toetsing van de pgb-vaardigheid van pgb-budgethouders en/of een vertegenwoordiger kan eventueel gebruik worden gemaakt van (digitale) vragenlijsten, handleidingen of nadere beoordelingskaders. Het college kan nadere regels stellen aan de wijze waarop deze worden ingezet. Artikel 20.
Onderscheid pgb-jeugdhulpaanbieders
Eerste lid In het eerste lid wordt een onderscheid gemaakt tussen (a) pgb uitgevoerd door een instelling (b) pgb uitgevoerd door een ZZP-er en (c) pgb uitgevoerd door een persoon in het sociaal netwerk. In de Verordening 2018 werden de groepen a en b gezamenlijk aangeduid als “formeel” pgb en groep c als “informeel pgb”. In het kader van deze verordening is overwogen dat eerder gebruikte terminologie onvoldoende helder is en tot misverstanden kan leiden. Zo waren de “formele” bepalingen in de Verordening 2018 wel degelijk van toepassing op het “informele” pgb. De nieuwe terminologie sluit ook beter aan op woordkeuze in de Jeugdwet. Tweede lid Het tweede lid regelt een pgb verzorgd door een andere persoon dan een instelling of een ZZP-er altijd moet worden gezien als hulp in het sociaal netwerk. De beoordeling of er sprake is van een instelling, dan wel een ZZP-er gebeurt aan de hand de inschrijving in het handelsregister en aan de hand van de kwaliteitseisen in artikel 21.
Derde lid De inzet van een pgb door een instelling of een ZZP-er is niet mogelijk wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad: - 1e graad bloedverwant: ouder of kind - 2e graad bloedverwant: grootouder, kleinkind, broer of zus - 1e graad aanverwant: schoonouder of stiefkind - 2e graad aanverwant: schoonbroer, schoonzus, stiefgrootouder of stiefkleinkind Bij uitvoering van een pgb door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van pgb in het sociaal netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als pgb in het sociaal netwerk beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Vierde lid Het Kwaliteitskader Jeugd (skjeugd.nl/wp-content/uploads/2017/01/kwaliteitskader-Jeugd-v2.1.pdf) is van toepassing op zowel zorg in natura als op pgb. Bij een pgb verzorgd door een persoon in het schaal netwerk worden geen eisen worden gesteld aan opleiding en aan professionele supervisie en ondersteuning.
Dit heeft tot gevolg dat een pgb in het sociale netwerk niet kan worden ingezet in situaties waarin op grond van het Kwaliteitskader Jeugd niet mogelijk is, omdat niet aan de voorwaarden van het kwaliteitskader kan worden voldaan.
68
Zaaknr:2051200
Een pgb in het sociaal netwerk kan op grond van deze overweging niet worden ingezet als alternatief voor zorg in natura bij de volgende producten uit de lokale inkoop van de gemeenten Capelle aan den IJssel en Krimpen aan den IJssel: dagbehandeling licht; dagbehandeling zwaar; begeleiding individueel midden; begeleiding individueel zwaar; behandeling Individueel; ambulante gezinsbehandeling; basis GGZ; specialistische GGZ; medicatiecontrole. Een pgb in het sociale netwerk kan evenmin worden ingezet als alternatief voor zorg in natura bij alle arrangementen die door de gemeente Capelle aan den IJssel worden ingekocht in het kader van de Gemeenschappelijke Regeling Jeugdhulp Rijnmond (GRJR). Artikel 21.
Kwaliteitseisen pgb-jeugdhulpaanbieders
Algemeen Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Eerste lid Het eerste lid regelt de algemene kwaliteitseisen voor zowel uitvoerders van een pgb. Deze vloeien rechtstreeks voor uit de wet. Tweede lid Uitvoerders van een pgb, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder a zijn kortweg omschreven instellingen waaraan meerdere zorgverleners zijn verbonden. Uit de ervaring van het college is gebleken dat het veelal gaat om kleinere of middelgrote organisaties. Het college wenst te bevorderen dat de jeugdhulp wordt verleend door organisaties die personeel inzetten van onbesproken gedrag, met de juiste opleiding en certificering. Verder wenst het college te bevorderen dat jeugdhulp wordt verleend door organisaties waarvan eerder gedrag ook op organisatieniveau onweersproken is, die voldoen aan hun verplichtingen inzake belastingen en premies, die beschikken over een kwaliteitsborging en die financieel stabiel zijn en geen excessief hoge winsten maken. Onder excessief hoge winsten wordt verstaan meer dan 8% winst.
Het college wenst verder te voorkomen dat pgb gelden worden besteed bij jeugdhulpaanbieders die recent veroordeeld zijn, dan wel verdachte zijn in een lopend onderzoek naar zorgfraude. De organisatie dient, om dit verder te borgen een Eigen Verklaring af te leggen over de financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid van de ondernemer. Het college hanteert hierbij als model het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Derde lid Uitvoerders van een pgb, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder b zijn kortweg omschreven Zelfstandigen Zonder Personeel (ZZP-er). Het college wenst te bevorderen dat deze jeugdhulp wordt verleend door ZZP-ers van onbesproken gedrag, met de juiste opleiding en certificering. Verder wenst het college te bevorderen dat de ZZP-er voldoet aan zijn of haar verplichtingen inzake belastingen en premies, en beschikt over een kwaliteitsbeschrijving. Het college wil ook bij ZZP-ers voorkomen dat pgb gelden worden besteed bij personen die recent veroordeeld zijn, dan wel verdachte zijn in een lopend onderzoek naar zorgfraude.
69
Zaaknr:2051200
De ZZP-er dient, om dit verder te borgen een Eigen Verklaring af te leggen over de financiële toestand, bekwaamheden en geschiktheid van de ondernemer. Het college hanteert hierbij als model het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Vierde lid Voor een uitvoerder van pgb in het sociaal netwerk, als omschreven in artikel 20, lid 1, onder c geldt slecht één aanvullende eis. De uitvoerder beschikken over een recente Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Omdat het gaat om de zorg voor kwetsbare jeugdigen, is deze voorwaarde ook van toepassing indien de uitvoerder een familielid in de eerste of tweede graad is van de jeugdige. Artikel 22.
Hoogte pgb
Algemeen Op basis van de essentialia-doctrine moet de differentiatie van de tarieven voor de inkoop van hulp met een pgb in de verordening worden geregeld. In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Bij de vaststelling van de hoogte van de tarieven stelt het college zich op het standpunt dat er een balans moet bestaan tussen de eisen die aan een pgb uitvoerder worden gesteld (deze zijn verwoord in artikel 21) en het tarief dat wordt vastgesteld. Daarbij overweegt het college verder dat een pgb niet kan worden aangemerkt als een inkomensvoorziening en moet worden aangewend voor het verzorgen van jeugdhulp zoals in het plan van aanpak is vastgesteld (ECLI:NL:RBMNE:2018:156 en ECLI:NL:RBMNE:2018:156). Het college maakt op grond van deze overwegingen een onderscheid tussen het tarief voor een pgb verzorgd door een instelling (als omschreven in artikel 20, lid 1 onder a), een pgb verzorgd door een ZZP-er (als omschreven in artikel 20, lid 1 onder a), en een pgb in het sociaal netwerk (als omschreven in artikel 20, lid 1, onder c). Eerste lid De tarieven voor hulp verzorgd door een instelling zijn afgeleid van de tarieven zorg in natura.
Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 2 minder (administratieve) eisen aan de jeugdhulpaanbieder worden gesteld dan in de door de gemeenten Capelle aan de IJssel en Krimpen aan de IJssel gezamenlijk georganiseerde inkoop. Het betreft hier verder kleinere organisaties met vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel. Dit geeft aanleiding om het tarief voor formele pgb-hulp verzorgd door een instelling te stellen op 90% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. Met dit percentage is het, gezien de ruime beschikbaarheid van jeugdhulpinstellingen in de regio, mogelijk om een voor de jeugdige en/of de ouders passende ondersteuning in vorm van een pgb te vinden. Tweede lid De tarieven voor hulp verzorgd door een ZZP-er zijn ook afgeleid van de tarieven zorg in natura. Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 3 minder (administratieve) eisen aan de jeugdhulpaanbieder worden gesteld dan in de door de gemeenten Capelle aan de IJssel en Krimpen aan de IJssel gezamenlijk georganiseerde inkoop. De gestelde eisen zijn ook minder dan degene die aan pgb-instellingen worden gesteld. Verder wordt overwogen dat ZZP-ers geen of zeer lage overheadkosten kennen.
Dit geeft aanleiding om het tarief voor pgb-hulp verzorgd door een ZZP-er te stellen op 80% het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. Met dit percentage is het, gezien de ruime beschikbaarheid van jeugdhulp ZZP-ers in de regio, mogelijk om een voor de jeugdige en/of de ouders passende ondersteuning in vorm van een pgb te vinden.
70
Zaaknr:2051200
Derde lid Op de budgethouder rusten de verplichtingen die het Burgerlijk Wetboek en ook andere wetten, zoals de belasting-, arbeidsomstandigheden- en sociale verzekeringswetten aan de budgethouder als werkgever of opdrachtgever stelt. Sinds 1 januari 2018 is de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag onverkort van toepassing op alle overeenkomsten van opdracht die zijn gesloten buiten beroep of bedrijf. Het is dus niet toegestaan om een pgb tarief van minder dan het minimum(uur)loon te hanteren. De gemeente kiest ervoor om bij een pgb in het sociaal netwerk als tarief het minimum(uur)loon toe te passen. Hierbij wordt overwogen dat er in artikel 21, lid 1 en 4, behalve de algemene direct uit de wet voortvloeiende eisen en het kunnen overleggen van een Verklaring Omtrent Gedrag, geen verdere eisen worden gesteld inzake opleiding, ervaring, registratie of kwaliteitsborging. Wij sluiten hierbij aan bij de jurisprudentie (ECLI:NL:RBZWB:2024:4238, ECLI:NL:RBNNE:2024:4405, ECLI:NL:RBOBR:2025:4604) waaruit blijkt dat, ook na een exceptieve toetsing, het hanteren van het minimumloon voor pgb in het sociaal netwerk in overeenstemming is met de Jeugdwet. De jurisprudentie inzake de hoogte van het pgb in de Wmo 2015 is niet van toepassing. In de Jeugdwet is geen bepaling opgenomen die vergelijkbaar is met artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015.
In artikel 2.9, aanhef en onder c, van de Jeugdwet is alleen bepaald dat in de verordening de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld moet worden geregeld. Vierde lid De pgb-tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. Voor de in lid 1 en lid 2 vermelde tarieven is dit gelijk aan het percentage waarmee het in deze artikelen genoemde het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura wordt geïndexeerd. In de gezamenlijk met de gemeente Krimpen aan den IJssel uitgevoerde lokale inkoop is deze index voor 90% gebaseerd op basis van het geprognosticeerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling ("OVA") voor personele kosten van het Centraal Planbureau en gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit en voor 10% op basis van het geprognosticeerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten, van het Centraal Planbureau en gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit. Het in lid 3 vermelde tarief voor pgb in het sociaal netwerk wordt jaarlijks aangepast conform de indexering van het wettelijke minimum(uur)loon. Vijfde en zesde lid Als uit het pgb budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan de genoemde maximale tarieven voor zorg in natura zal worden uitgegaan van dit lagere tarief.
Omdat het, als omschreven bij het derde lid, niet is togestaan om een tarief vast te stellen dat lager is dan het wettelijk minimumloon zal deze omstandigheid bij een pgb in het sociaal netwerk niet kunnen voorkomen. Voor alle duidelijkheid is ook bepaald dat een pgb nooit hoger kan uitvallen dan de goedkoopste vergelijkbare voorziening in natura. Zevende lid De pgb-tarieven worden met het oog op de kenbaarheid vastgesteld door het college in nadere regels. Artikel 23. Uitgesloten van pgb Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 21 opgesomd.
71
Zaaknr:2051200
Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan. 8.
Toelichting Hoofdstuk 6: Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik
Algemeen Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening (Zorg in natura) of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 24. Inlichtingen Eerste lid Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening.
In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Tweede lid Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de wettelijk vertegenwoordiger. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura en van de wettelijk vertegenwoordiger kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelf verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel.
Om die reden worden inspectierapporten bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van de gemeente zal het genoemde overzicht worden bijgehouden. Derde en vierde lid Een pgb-jeugdhulpaanbieder die niet langer aan de in de wet gestelde eisen heeft de verplichting om zelf tijdig en proactief te melden. Er kan dus niet gewacht worden totdat de gemeente hier eventueel om vraagt. Na een dergelijke melding volgt overleg over een herstelplan waarmee binnen een redelijke termijn weer wel aan de eisen kan worden voldaan.
72
Zaaknr:2051200
Artikel 25.
Niet meewerken ouder(s)
Eerste en tweede lid: Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan het noodzakelijke onderzoek naar de noodzaak of de doelmatige inzet van de jeugdhulp. Artikel 26.
Herziening en verlenging
Eerste lid: Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen. Tweede lid: Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken.
Uit de rechtspraak van de CRvB blijkt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen getoetst dient te worden aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (ECLI:NL:CRVB:2024:726). Derde lid Het beleid ten aanzien van de uitvoering van periodiek onderzoek, herziening en verlenging is in verdere ontwikkeling. Ook moet op grond van de ervaring in de afgelopen jaren rekening worden gehouden met verdere ontwikkelingen in de jurisprudentie. Het college kan tegen deze achtergrond nadere regels stellen. Artikel 27.
Intrekking, opschorting en terugvordering
Eerste lid Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.
73
Zaaknr:2051200
Tweede en derde lid: Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen zes maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken. Vierde lid: In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Vijfde lid: In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit.
Middels een opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a); de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is. Van de deze omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz. Zesde lid Op grond van het zesde lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder f. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.
74
Zaaknr:2051200
Artikel 28.
Toezichthouders
Algemeen Op grond van artikel 2.9, onderdeel d, van de wet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ.
Artikel 29.
Controle en onderzoek
Algemeen In dit artikel worden de verschillende typen onderzoek uiteengezet, waaronder het onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob). De onderzoeken kunnen worden ingesteld bij de jeugdhulpaanbieder zelf en/of bij eventuele onderaannemers. Dit heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht- en handhavingsbevoegdheid van het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen wordt een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart zal brengen. Artikel 30.
Rapport toezichthouder over jeugdhulpaanbieder
Algemeen Dit artikel heeft zowel betrekking op rapporten over jeugdhulpaanbieders op basis van pgb als jeugdhulpaanbieder in de vorm van zorg in natura. De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie. In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit. In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen.
Inzake pgb wordt ten aanzien van budgethouders, budgetbeheerders en uitvoerders van een pgb in het sociaal netwerk een zwaar gewicht neergelegd op de privacyregels op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Artikel 31.
Aanwijzing voor jeugdhulpaanbieder of pgb-budgethouder
Algemeen De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet gauw sprake zijn van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen. Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft.
75
Zaaknr:2051200
Artikel 32.
Hersteltermijn
Algemeen De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de jeugdhulpaanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze jeugdhulpaanbieder en de veiligheid van cliënten. Artikel 33.
Cliëntenstop en verscherpt toezicht bij jeugdhulpaanbieder
Algemeen Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of onrechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de jeugdhulpaanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen. In het artikel zijn verschillende vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd. Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren. Artikel 34.
Vervolgonderzoeksrapport
Algemeen Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de jeugdhulpaanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken. Artikel 35.
Handhavingsmaatregelen
Algemeen Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om in het kader van de Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen (ECLI:NL:RBOVE:2021:4771). Om die reden is deze mogelijkheid opgenomen in deze verordening. Artikel 36.
Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling jeugdhulpaanbieder
Algemeen De maatregelen van artikel 33 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de jeugdhulpaanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid. Artikel 37.
Meldpunt en register
Algemeen Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Bij een persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een bepaalde jeugdhulpaanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapport bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van de gemeente zal het genoemde overzicht worden bijgehouden.
76
Zaaknr:2051200
Artikel 38.
Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik
Algemeen Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura (en in vorm van pgb’s) te waarborgen en fraude te voorkomen. In het eerste en tweede lid is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp (eerste lid). Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen (tweede lid). 9.
Hoofdstuk 7.
Afstemming met andere voorzieningen.
In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld. Waar het de afbakening met andere wetgeving betreft, zoals de Wlz, de Zvw en de Wmo 2015, is artikel 1.2, van de wet van toepassing. Als de jeugdige aanspraak kan maken op zorgverlening op grond van één van deze (andere) wetten, dan is de wet niet van toepassing. Als echter i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de wet. Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de wet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wlz, de Zvw, of de Wmo 2015. Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet.
Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet. Artikel 39.
Voorliggende voorzieningen
Eerste en tweede lid Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing. Wel geldt volgens dit artikel dat als meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen én de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet.
Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127). 77
Zaaknr:2051200
Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt. Derde lid Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen wal en schip vallen. Artikel 40.
Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning
Algemeen Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten Het college is streeft ernaar dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen wal en schip vallen. Eerste lid Het eerste lid regelt dat de jeugdhulp moet worden afgestemd op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van andere wetten zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten.
Het gaat hierbij onder meer om: − de Leerplichtwet; − de Participatiewet; − de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; − de Wet inburgering 2021; − de Wet kinderopvang; − de Wet langdurige zorg; − de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; − de Wet passend onderwijs; − de Wet publieke gezondheid; − de Wet tijdelijk huisverbod; − de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en − de Zorgverzekeringswet. Tweede en derde lid Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.
78
Zaaknr:2051200
Vierde lid Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. 10.
Toelichting Hoofdstuk 8: Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit
Artikel 41.
Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
Algemeen Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdhulp door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.
Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en jeugdhulpaanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een jeugdhulpaanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt. 11.
Toelichting bij hoofdstuk 9: Klachten en medezeggenschap
Artikel 42.
Klachtregeling
Eerste lid Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
79
Zaaknr:2051200
Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. Tweede lid Het college heeft de afhandeling van klachten neergelegd bij het CJG. Deze maakt de klachtenprocedure bekend op haar website. Artikel 43.
Betrekken van ingezetenen bij het beleid
Eerste en twee lid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap van de cliënt bij de jeugdhulpaanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de wet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de wet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Derde lid De betrokkenheid van ingezeten bij het beleid is verder uitgewerkt in de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018. De Adviesraad heeft tot taak de gemeenteraad en het college gevraagd en ongevraagd te adviseren over onderwerpen die de ontwikkeling, de uitvoering en de evaluatie van het gemeentelijk beleid op het beleidsveld sociaal domein betreffen. De Adviesraad kan voorstellen doen voor het gemeentelijk beleid op het beleidsveld sociaal domein. 12.
Toelichting Hoofdstuk 10: Slotbepalingen
Artikel 44.
Hardheidsclausule
Eerst en tweede lid Omdat in uitzonderlijke gevallen de gevolgen van vasthouden aan de regels die zijn gesteld in deze verordening onevenredig kunnen zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, is in het eerste lid een hardheidsclausule opgenomen. De tekst van het eerste lid maakt duidelijk, dat het toepassen van de hardheidsclausule alleen zal plaatsvinden als in een concreet geval de omstandigheden van dien aard zijn dat het onverkort toepassen van de verordening de jeugdige of zijn ouders in onevenredige mate schaadt. In de beschikking waarin de hardheidsclausule wordt toegepast, wordt gemotiveerd waarom het college meent dat deze omstandigheden zich voordoen. Artikel 45.
Bijlagen
Eerste lid Op grond van de essentialia-doctrine, zoals deze is uitgewerkt door de CRvB, worden een aantal overzichten die voorheen in de Nadere Regels 2019 waren opgenomen overgeplaatst naar de verordening. Het college heeft de keuze gemaakt om deze overzichten op te nemen in een aantal bijlagen. Met deze aanpak zijn de overzichten voor alle betrokkenen bij de uitvoering van de jeugdwet eenvoudiger te raadplegen en toe te passen. De keuze is gemaakt om de volgende bijlagen in de verordening op te nemen: a. Bijlage 1: Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen; b. Bijlage 2: Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen; c. Bijlage 3.1: Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen; d. Bijlage 3.2: Normenkader vervoer;
80
Zaaknr:2051200
e. Bijlage 4: Normen gebruikelijke zorg voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen; f. Bijlage 5: Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling. Ieder van de bijlagen heeft een eigen toelichting. Tweede lid De bijlagen vormen een integraal en onlosmakelijk onderdeel van de verordening. De bepalingen in de bijlagen hebben een gelijke rechtskracht en rechtswerking als de artikelen in de verordening. Er is geen sprake van een rangorde, of van een ondergeschikt karakter ten opzichte van de artikelen. Artikel 46.
Overgangsrecht, intrekking van de oude verordening
Algemeen Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van: een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is; een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift; terugvordering. Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening. Bij de behandeling van een bezwaarschrift gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van verordening 2026. Het bezwaar mag echter niet leiden tot een slechtere positie van de bezwaarmaker ten opzichte van het primaire besluit (het zogeheten “Reformatio in Peius”). Er kan dus kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) worden afgeweken als heroverweging op grond van de verordening 2018 leidt tot een gunstiger uitkomst. Artikel 47.
Inwerkingtreding en citeertitel
Algemeen De verordening treedt in werking op 1 januari 2026. Vanaf dat moment is de nieuw vastgestelde verordening van toepassing op alle onderwerpen die binnen haar bereik vallen. Dit met uitzondering van het in artikel 46 omschreven overgangsrecht. 13.
Toelichting bijlagen
Bijlage 1:
Overzicht vrij toegankelijke voorzieningen
Algemeen Bijlage 1 bevat een (niet uitputtend) overzicht van de voorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Met vrij beschikbaar wordt bedoeld dat jeugdigen en ouders op eigen initiatief en zonder toegangstoets aan de voorziening deel kunnen. Een van de vrij toegankelijke voorzieningen is de ondersteuning bij relatie en scheiding. Deze ondersteuning heeft een preventief karakter en is gericht op het continueren of herstellen van een veilige gezins- en opvoedsituatie voor de betrokken jeugdigen.
81
Zaaknr:2051200
Bijlage 2:
Overzicht niet vrij toegankelijke voorzieningen
Algemeen Bijlage 2 bevat een (niet uitputtend) overzicht van de voorzieningen die niet vrij toegankelijk zijn Voor deze voorzieningen wordt een procedure doorlopen, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van de verordening. Jeugdhulp in groepsvorm Vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke voorzieningen kunnen zowel in groeps- als individuele vorm worden ingezet. In het raadsbesluit “Tegen de stroom in” is het uitgangspunt gekozen dat jeugdhulp, waar mogelijk in groepsvorm moet worden uitgevoerd. Dit leidt tot kosteneffectieve zorg en biedt tevens de mogelijkheid voor contact tussen jeugdigen in een soortgelijke situatie. Daarbij wordt respectvol omgegaan met de voorkeuren en wensen van de jeugdige en/of de ouders. Bijlage 3.1:
Normenkader niet vrij toegankelijke voorzieningen
Uitwerking Raadsbesluit “Tegen de stroom in” Voor niet vrij toegankelijke voorzieningen worden normen gesteld voor de maximale initiële doorlooptijd, de maximale verlenging en de maximale inzet in aantallen eenheden. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan actielijn 3 van het raadsbesluit “Tegen de stroom in” van 8 juli 2024. De normen zijn zo opgesteld dat deze aansluiten bij het raadsbesluit “Tegen de stroom in”, maar ook uitvoerbaar is in de praktijk van het CJG Maximale doorlooptijd De maximale doorlooptijd voor een in te zetten jeugdhulpproduct stellen we op 12 maanden, met een evaluatie na 9 maanden. Deze kan na een zorgvuldige beoordeling verlengd worden met nog eens maximaal 6 of 12 maanden. Voor begeleiding individueel zwaar is geen verlenging mogelijk. In de initiële doorlooptijd wordt afgeschaald naar begeleiding midden of begeleiding licht. Maximaal aantal eenheden Voor de meerderheid van de producten zijn de aantallen eenheden (dagdelen, uren, minuten) opgesteld op basis van een data-analyse van de toekenningen per product over de periode 20202024. Vervolgens zijn deze normen getoetst aan de uitvoeringspraktijk bij het CJG. Voor de GGZproducten wordt aangesloten bij de landelijke normen. Voor een drietal voorzieningen dat zeer weinig wordt ingezet wordt de inzet bepaald op basis van een individuele afweging.
Normenkader op basis van data-analyse Het normenkader is op een data gedreven wijze opgesteld. De basis hiervoor is de jeugdhulpdata van het CJG over de jaren 2020-2024. De volgende stappen zijn gezet: 1. Data verzamelen. De lokale zorgdata van het CJG vormen de basis voor de analyse. Dit betreft de lokale zorg dat geïndiceerd is door het CJG en wordt geadministreerd middels het Berichtenverkeer. 2. Datastructuren. De data bestaan uit velden van het Berichtenverkeer. De data is beschikbaar gemaakt op het niveau van de periodieke declaratie. De analyse is uitgevoerd op basis van 5 jaar aan periodiek gedeclareerde jeugdhulp. 1 declaratie = 1 regel. Alleen de benodigde data voor het normenkader is gebruikt. Deze data bevatten geen herleidbare cliëntinformatie. 3. Data-analyse. De volgende onderdelen zijn per jeugdhulpvoorziening uitgevoerd: a. De gemiddelde zorguren per dag. Middels een histogram is de opbouw van het aantal cliënten per zorgduur in uren per dag weergegeven. Met behulp van het histogram is een het aantal normuren per dag worden bepaald. b. De gemiddelde zorgdagen per jaar. Ook hiervoor is een histogram gebruikt, wat het aantal cliënten per zorgduur in dagen per jaar weergeeft.
82
Zaaknr:2051200
c.
Vervolgens is de uitkomst van a. en b. met elkaar vermenigvuldigd om te komen tot het aantal normuren per jaar. d. Voor de jeugdhulpvoorzieningen die gebruikelijk uitgedrukt worden in dagdelen of minuten is een omzetting gemaakt op basis van 1 dagdeel = 4 uren; 1 uur = 60 minuten. e. De termijn voor herindicatie is bepaald door de duur in jaren in een staafdiagram weer te geven en daarvan een gemiddelde te berekenen en te corrigeren voor de initiële indicatie. 4. Jeugdhulp wordt in veel gevallen niet voortgezet tijdens de schoolvakanties. In het verleden werd bij ene toekenning qua omvang echter geen onderscheid gemaakt tussen jeugdhulp die als standaard niet doorloopt in de vakanties en de jeugdhulp waarbij het noodzakelijk is dat deze wel doorloopt. De schoolvakanties zijn 12 weken per jaar. De maximum norm voor jeugdhulp die niet hoeft door te lopen in de vakanties is daarom gesteld op 77% (40/52) van de jeugdhulp die wel doorloopt in de vakanties. 5. De jeugdhulp is erop gericht om doelmatig en resultaatgericht te werken naar een situatie waarin de inzet van de jeugdhulpvoorzieningen niet meer noodzakelijk is. Het aantal in te zetten eenheden bij een eventuele verlenging daarom maximaal 80% van het maximum in de initiële periode. Bij een verlenging voor 6 maanden wordt verder rekening gehouden met de kortere periode. 6.
In goed overleg met professionals van het CJG en beleidsmedewerkers van de gemeente is de berekende jaarnorm per product gevalideerd. Normenkader op basis van landelijke GGZ-normen Voor de voorzieningen Basis GGZ en Specialistische GGZ wordt aangesloten bij landelijke GGZnormen. Hierbij is gebruik gemaakt van de richtlijnen Jeugdhulp, richtlijnen jeugd-ggz, het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie en de databank van het NJI. Voor 1 sessie geldt 60 à 75 minuten (behandeltijd, registratie en afstemming). Voorzieningen op Individuele afweging Voor een aantal voorzieningen met een heel klein volume (minder dan 20 per jaar) is het niet mogelijk om een data-analyse uit te voeren. De inzet van deze producten zal plaatsvinden op basis van een individuele afweging. Bijlage 3.2: Normenkader vervoer In artikel 12, lid 3 wordt bepaald dat het vervoer van of naar een jeugdhulplocatie als tot bepaalde grenzen als gebruikelijk moet worden gezien, en dus behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de ouders. In bijlage 3.2 wordt dit geconcretiseerd. Er is geen sprake van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid als de afstand naar de jeugdhulplocatie 6 kilometer of minder is en/of indien het aantal keren halen en brengen per week 2 is of minder. De afstand van 6 kilometer geldt vanaf het startpunt (woonadres of de school) naar de jeugdhulplocatie.