05.01 - Raadsvoorstel -besluit Verordening Woonruimtebemiddeling 2025
Tekst van het document
de woonruimte is gelegen in de in de urgentieverklaring vermelde voorkeursurgentieregio; b. de woonruimte behoort tot een in de urgentieverklaring omschreven woonruimtetype. 3. Indien de urgentieverklaring verleend is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, geldt als de in het vorige lid, onder a, bedoelde voorkeursurgentieregio: a. de urgentieregio Noordoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: i. de urgentieregio Waterweg; ii. de urgentieregio Noord; iii. de urgentieregio Hart van Rotterdam; iv. de urgentieregio Oost; of v. de urgentieregio Noordoever. b. de urgentieregio Zuidoever, indien in de urgentieverklaring één van de volgende urgentieregio’s als voorkeursurgentieregio is opgenomen: i. de urgentieregio Zuidrand; ii. de urgentieregio Voorne-Putten; of iii. de urgentieregio Zuidoever. 4. Zodra de helft van de uitverhuisperiode is verstreken, doet een corporatie de houder van een urgentieverklaring, verleend voor indeling in de in artikel 3.4.7 bedoelde urgentiecategorie, een direct aanbod van woonruimte die gelegen is binnen het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied en voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen woonruimtetype.
20
Zaaknr:1748030
Paragraaf 3.4. De urgentiecategorieën Artikel 3.4.1. Mantelzorg Een woningzoekende die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verleent of ontvangt komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘mantelzorg’ indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de mantelzorg in de drie maanden voorafgaande aan het moment van de aanvraag tenminste acht uur per week is verleend of ontvangen; c. de in onderdeel b bedoelde acht uur mantelzorg per week is verleend gedurende ten minste vier dagen per week, tenzij de medische problematiek zoals Alzheimer, schizofrenie of andere chronische psychische aandoeningen 24 uur per dag nabijheid vereisen en de hulp op onverwachte momenten wordt geboden; d. de mantelzorgsituatie naar verwachting nog minstens één jaar zal voortduren; e. de relatie tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger gebaseerd is op familiebanden of langdurige sociale omgang; f. de mantelzorgontvanger of mantelzorgverlener niet in een intramurale instelling wonen; g. de mantelzorgverlener medisch, fysiek en psychisch in staat is mantelzorg te verlenen; h. het betrekken van een woonruimte in de regio de meest passende manier is om ervoor te zorgen dat de mantelzorgontvanger zelfstandig kan blijven wonen; en i.
de mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger op ten minste vijf kilometer afstand van elkaar wonen of de gemiddelde reistijd tussen mantelzorgverlener en mantelzorgontvanger tenminste een half uur bedraagt. Artikel 3.4.2. Ernstige en chronische medische problematiek 1. Een woningzoekende komt in aanmerking voor indeling in de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de woningzoekende kampt met ernstige en chronische medische problematiek, waarbij de huidige woonsituatie levensontwrichtend is omdat de woningzoekende niet meer in staat is zelfstandig te functioneren in de huidige zelfstandige woonruimte, dan wel de behandeling van het probleem aantoonbaar in hoge mate ongunstig door de woonsituatie in de huidige zelfstandige woonruimte wordt beïnvloed; c. een andere zelfstandige woonruimte een substantieel deel van de oplossing voor het probleem van de woningzoekende vormt; en d.
de woningzoekende met ernstige en chronische problematiek van psychische aard op het moment van aanvraag ten minste twaalf maanden onder behandeling is of is geweest voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg voor geneeskundige geestelijke zorg of instelling voor geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden, of vrijgevestigd psychiater in Nederland. 2. Bij indeling in de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie van een woningzoekende op grond van ernstige en chronische problematiek van psychische aard kan het college van burgemeester en wethouders de voorwaarde opleggen dat de woningzoekende of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt en dat deze zorg aantoonbaar verleend wordt of gaat worden. De voorwaarde wordt dan in de urgentieverklaring vermeld.
21
Zaaknr:1748030
Artikel 3.4.3. Uitstroom naar zelfstandig wonen 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; en b. de woningzoekende tot een van de in het volgende lid genoemde categorieën behoort. 2. Tot de in het vorige lid bedoelde categorieën behoren woningzoekenden: a. aan wie wegens dakloosheid een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang, geboden door een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen instelling, verlaten; b. aan wie wegens huiselijk geweld of mensenhandel een voorziening voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is verleend en deze opvang verlaten; c. die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen voorziening voor beschermd wonen als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlaten; d.
die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen verblijf in een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verlaten waar zij geneeskundige geestelijke zorg ontvingen of woningzoekenden die in verband met geneeskundige zorg als bedoeld in artikel 10, onderdeel g, van de Zorgverzekeringswet in een instelling verbleven in verband met zorg zoals psychiaters en klinisch-psychologen plegen te bieden en deze verlaten; e. die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen accommodatie of gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verlaten; f. die een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen instelling voor forensische zorg als bedoeld in artikel 1.1, onder f, van de Wet forensische zorg verlaten; g. die in een door het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente aangewezen opvangwoning verblijven van het Expertisecentrum Seksualiteit, Sekswerk en Mensenhandel van Stichting Humanitas. 3. Bij de indeling van de in het eerste lid bedoelde urgentiecategorie kan het college van burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden en beperkingen opleggen: a.
de woningzoekende ontvangt begeleiding van een instelling in de regio voor een door het college te bepalen duur, indien dit naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; b. de woningzoekende neemt de woonruimte in gebruik van een zorginstelling, indien dat naar het oordeel van het college nodig is voor het zelfstandig wonen van de woningzoekende; c. de indeling in de urgentiecategorie beperkt zich tot een woonruimte in een gebied met kenmerken die structureel bijdragen aan de deelname van de woningzoekende aan de maatschappij. Deze beperking maakt deel uit van het in het in de urgentieverklaring op te nemen zoekprofiel. 4. De in het vorige lid bedoelde voorwaarden en beperkingen worden in de urgentieverklaring vermeld. 5. Het college van burgemeester en wethouders wijst de in het tweede lid, onder a, c, d, e, f of g bedoelde accommodaties, gesloten accommodaties, voorzieningen en instellingen aan. Het college van burgemeester en wethouders actualiseert het aanwijzingsbesluit jaarlijks.
22
Zaaknr:1748030
Artikel 3.4.4. Onbewoonbaarheid Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘onbewoonbaarheid’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. door aanvrager rechtmatig bewoonde zelfstandige woonruimte naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders feitelijk onbewoonbaar is als gevolg van een calamiteit; en c. de onder b. bedoelde woonruimte niet binnen drie maanden zodanig hersteld kan worden, dat bewoning weer redelijkerwijs mogelijk is. Artikel 3.4.5. Woonlasten 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘woonlasten’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de aanvrager op dit moment een zelfstandige woonruimte bewoont; en c. er zich één of meer van de in het volgende lid genoemde omstandigheden voordoet. 2. De in het vorige lid, onder b, bedoelde omstandigheden zijn: a. de woningzoekende moet voldoen aan een verhuisverplichting die ingevolge de Participatiewet in verband met de hoogte van de woonlasten aan de woningzoekende is opgelegd; b.
de woonlasten van de woningzoekenden zijn naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders onevenredig in relatie tot het inkomen van aanvrager of andere mogelijkheden van aanvrager en diens huishouden om in de woonlasten te voorzien. 3. Indien de in het vorige lid, onder b, genoemde omstandigheid het gevolg is echtscheiding of beëindiging van samenwoning: a. wordt de urgentieverklaring alleen aangevraagd door degene tot wiens huishouden de kinderen met een leeftijd tot 23 jaar behoren of gaan behoren; en b. toont de aanvrager door overlegging van bewijsstukken aan, dat sprake is van een de echtscheiding, beëindiging van samenwoning, of voornemen daartoe. 4. Onder woonlasten als bedoeld in het tweede lid worden verstaan alle kosten die het bewonen van woonruimte met zich meebrengt en die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders rechtstreeks veroorzaakt worden door het in eigendom hebben van woonruimte dan wel het huren van woonruimte. Artikel 3.4.6. Geweld en bedreiging 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘geweld en bedreiging’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; en b. voldaan wordt aan elk van de in het volgende lid genoemde voorwaarden. 2.
Aan de in het vorige lid bedoelde voorwaarden wordt voldaan indien: a. de aanvrager op het moment waarop de urgentieverklaring wordt aangevraagd, rechtmatig een in de regio gelegen zelfstandige woonruimte bewoont; b. ten aanzien van de aanvrager of één of meer leden van diens huishouden sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, ten gevolge waarvan de aanvrager redelijkerwijs niet langer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen; en c. uit een schriftelijke verklaring van de politie blijkt dat de aanvrager in verband met de onder b. bedoelde problematiek om veiligheidsredenen niet meer in de zelfstandige woonruimte kan blijven wonen.
23
Zaaknr:1748030
Artikel 3.4.7. Herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering 1. Een woningzoekende komt voor indeling in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’ in aanmerking indien: a. het college van burgemeester en wethouders de aanvraag om indeling in deze urgentiecategorie niet met toepassing van artikel 3.1.3 afwijst; b. de aanvrager woonachtig is in een woonruimte die door het college van burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid is aangewezen; en c. het aannemelijk is dat de onder b. woonruimte binnen 18 maanden gesloopt of ingrijpend gerenoveerd gaat worden. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan woonruimte aanwijzen die in verband met een mede door het algemene of volkshuisvestelijk belang ingegeven object-, project of gebiedsgerichte aanpak gesloopt of ingrijpend gerenoveerd gaat worden. 3. Indien een urgentieverklaring verleend wordt voor indeling in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’, wordt in de urgentieverklaring de uitverhuisdatum opgenomen. 4. In de urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt ingedeeld in de urgentiecategorie ‘herhuisvesting bij sloop of ingrijpende verbetering’: a.
wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2, eerste lid, onder b, de urgentieregio waarin de te slopen of grijpend te renoveren woonruimte gelegen is, als urgentieregio en zoekgebied vermeld; en b. wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.3, tweede lid, een woonruimtetype opgenomen dat gelijkwaardig is aan de te slopen of ingrijpend te renoveren woonruimte. 5. In dit artikel wordt onder uitverhuisdatum verstaan: de datum waarop de houder van een urgentieverklaring zijn of haar huidige woonruimte gelet op de aanstaande sloop of ingrijpende renovatie uiterlijk verlaten moet hebben. Artikel 3.4.8. Vergunninghouders 1. Een vergunninghouder wordt gelijkgesteld met de houder van een urgentieverklaring vanaf het moment waarop de vergunninghouder ingevolge de in artikel 28 van de wet bedoelde taakstelling gehuisvest dient te worden door een regiogemeente tot het moment waarop de vergunninghouder gehuisvest is. 2. Gedurende de termijn dat een vergunninghouder ingevolge het eerste lid gelijkgesteld is met de houder van een urgentieverklaring, geldt voor de vergunninghouder als zoekgebied de regiogemeente die de vergunninghouder dient te huisvesten. Hoofdstuk 4. Standplaatsen Paragraaf 4.1. Inleidende bepalingen Artikel 4.1.1. Werkingsgebied Dit hoofdstuk is van toepassing op de in de gemeente gerealiseerde en nog te realiseren standplaatsen. Artikel 4.1.2.
Aanvullende begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder wachtlijst: de door het college van burgemeester en wethouders bijgehouden wachtlijst van woningzoekenden die in aanmerking wensen te komen voor een standplaats. Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen Artikel 4.2.1. Aanwijzing vergunningplichtige voorraad De volgende categorie woonruimte is aangewezen als bedoeld in artikel 7 van de wet en mag alleen voor bewoning in gebruik worden genomen of gegeven als daarvoor een huisvestingsvergunning is verleend: standplaatsen.
24
Zaaknr:1748030
Artikel 4.2.2. Verzoek om inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden 1. Eenieder die behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden en voor een standplaats in aanmerking wenst te komen, kan het college van burgemeester en wethouders verzoeken om inschrijving op de wachtlijst voor standplaatszoekenden. 2. Het verzoek wordt gedaan via het aanbodinstrument. Het college van burgemeester en wethouders kan daarvoor een aanvraagformulier vaststellen en in het aanvraagformulier aangeven, welke gegevens en bescheiden bij het verzoek ingediend moeten worden. Artikel 4.2.3. Einde van de inschrijving op de wachtlijst van standplaatszoekenden 1. Een inschrijving op de wachtlijst vervalt als: a. de ingeschreven standplaatszoekende om beëindiging van de inschrijving verzoekt; b. de ingeschreven standplaatszoekende een standplaats in gebruik neemt; c. de ingeschreven standplaatszoekende overlijdt en zijn of haar inschrijving niet met toepassing van het tweede lid overgenomen wordt; of d. de ingeschreven standplaatszoekende niet behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden. 2. Indien de ingeschreven standplaatszoekende overlijdt, wordt zijn of haar inschrijving van rechtswege overgenomen door de geregistreerd partner of echtgenoot of echtgenote van de standplaatszoekende. Artikel 4.2.4.
Verlening van de huisvestingsvergunning voor standplaatsen 1. Indien via het aanbodinstrument is bekendgemaakt dat een standplaats beschikbaar komt voor bewoning, komen alleen aanvragers die op de wachtlijst als standplaatszoekenden zijn ingeschreven, in aanmerking voor een huisvestingsvergunning. 2. Het college van burgemeester en wethouders verleent de huisvestingsvergunning aan de aanvrager die: a. voldoet aan het in artikel 10, tweede lid, van de wet bepaalde; b. behoort tot een in artikel 2.1.2 aangewezen categorie woningzoekenden; en c. voldoet aan de voorrangsregels opgenomen in de Beleidsregels toewijzing woonwagenstandplaatsen Capelle aan den IJssel 2018. Vrijkomende standplaatsen worden toegewezen aan de hand van de voorrangsregels en volgorde opgenomen in deze beleidsregels. 3. De huisvestingsvergunning wordt geweigerd, indien de aanvrager gelet op het eerste en tweede lid niet voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. 4. Het college van burgemeester en wethouders kan de verlening en weigering van huisvestingsvergunningen mandateren. Artikel 4.2.5.
Overgangsbepaling Een inschrijving op de in artikel 2.6.2 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 bedoelde wachtlijst die op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening niet vervallen was, wordt gelijkgesteld met een inschrijving op de in artikel 4.2.2 bedoelde wachtlijst.
Hoofdstuk 5. Overige bepalingen Paragraaf 5.1. Experimenten Artikel 5.1.1. Experimenten 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op woonruimte behorend tot de in artikel 2.1.1, eerste lid, onder a, genoemde categorie. 2. Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze van aanbod en in gebruik geven van woonruimte, die niet in of op grond van deze verordening is geregeld maar wel in een op grond van de Huisvestingswet 2014 vast te stellen verordening geregeld zou kunnen worden. 3. De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van woonruimte. 4. Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar. 25
Zaaknr:1748030
5. De resultaten van een experiment, waaronder in ieder geval de werking en de effecten van het experiment en de uitkomst van de evaluatie ervan worden besproken in regionaal verband en maken deel uit van de evaluatie van de verordening. Artikel 5.1.2. Experimentenovereenkomst 1. Een in artikel 5.1.1 bedoeld experiment wordt georganiseerd door één of meer corporaties in samenwerking met één of meer gemeenten. Zij sluiten daartoe voorafgaand aan de start van het experiment een experimentenovereenkomst, welke ten minste het volgende bevat: a. een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment; b. het toepassingsbereik van het experiment; c. de tijdsduur van het experiment; d. de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur van het experiment; en e. de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd wordt. 2. Voordat het college van burgemeester en wethouders van een regiogemeente waar het experiment plaats zal vinden, besluit tot het aangaan van de experimentenovereenkomst, worden de opzet van het experiment en het concept van de experimentenovereenkomst afgestemd met de colleges van burgemeester en wethouders van de overige regiogemeenten. 3.
Bij zijn besluit inzake het aangaan van de experimentenovereenkomst neemt het college van burgemeester en wethouders de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in acht. Paragraaf 5.2. Registratie, monitoring en afstemming Artikel 5.2.1. Registratie en monitoring van vraag, aanbod en verhuringen van woonruimten van corporaties 1. Corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor de registratie van vraag, aanbod en verhuringen van de onder de werking van hoofdstuk 2 van deze verordening vallende woonruimten van corporaties. 2. Het in artikel 5.2.2 bedoelde overleg bepaalt in welke gegevens en ontwikkelingen, te herleiden uit de in het eerste lid bedoelde registratie, per kalenderjaar door middel van het document "Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam" inzicht wordt geboden. 3. Corporaties en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor de samenstelling van de in lid 2 bedoelde "Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam". De monitor van een kalenderjaar wordt uiterlijk op: a. 1 juni van het daaropvolgende jaar toegezonden aan de corporaties, de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten en het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; en b.
1 juni van het daaropvolgende jaar gepubliceerd op de website van de corporaties of van een door hen aan te wijzen partij of orgaan. Artikel 5.2.2. Overleg naar aanleiding van monitoring Corporaties gezamenlijk en de colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten voeren ten minste éénmaal per kalenderjaar overleg over de in artikel 5.2.1, tweede lid, bedoelde monitor. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland wordt uitgenodigd zich daarbij te laten vertegenwoordigen. Artikel 5.2.3. Registratie en monitoring bij overige woonruimten De colleges van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten dragen gezamenlijk zorg voor: 1. de registratie van vraag, aanbod, verhuringen en verkoop van woonruimten, niet zijnde woonruimte van corporaties, die onder de werking van hoofdstuk 2 van deze verordening vallen; 2. het per kalenderjaar op basis van de onder a. bedoelde registratie opstellen van een monitor, als onderdeel van de in artikel 5.2.1 bedoelde “Monitor woonruimtebemiddeling regio Rotterdam”.
26
Zaaknr:1748030
Artikel 5.2.4. Overleg inzake de woonruimtebemiddeling In aanvulling op het in artikel 5.2.2 bedoelde overleg wordt tenminste éénmaal per kalenderjaar overleg gevoerd over de woonruimtebemiddeling in het lopende kalenderjaar, over actuele thema’s in het kader van de woonruimteverdeling en over eventuele benodigde bijsturing. Paragraaf 5.3. Handhaving Artikel 5.3.1. Bestuurlijke boete 1. Overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8 van de wet kan worden beboet met een bestuurlijke boete. 2. De in het vorige lid bedoelde bestuurlijke boete bedraagt: a. voor overtredingen van het verbod bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de wet € [eerste categorie, per 1 januari 2024 is dat € 515]; b. voor overtredingen van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet € [vierde categorie, per 1 januari 2024 is dat € 25.750]. 3. In afwijking van het vorige lid, onder b, bedraagt de bestuurlijke boete voor een overtreding van het verbod bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet € [vijfde categorie, per 1 januari 2024 is dat € 103.000] indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan een constatering door een toezichthouder van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod. Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen Paragraaf 6.1. Overgangsbepalingen Artikel 6.1.1.
Overgangsbepaling voor aanvragen Indien op het moment waarop deze verordening in werking treedt nog niet besloten is op een aanvraag om een huisvestingsvergunning of een aanvraag om een urgentieverklaring, wordt op die aanvraag beslist overeenkomstig het bepaalde in deze verordening. Artikel 6.1.2. Overgangsbepaling ingeval van bezwaar, beroep of hoger beroep 1. Indien bezwaar is gemaakt, beroep is ingesteld of hoger beroep is ingesteld tegen een besluit dat genomen is met toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024, blijft die verordening van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. 2. Indien bezwaar is gemaakt, beroep is ingesteld of hoger beroep is ingesteld tegen een besluit dat genomen is met toepassing van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020, blijft die verordening van toepassing totdat het besluit onherroepelijk is. Artikel 6.1.3. Overgangsbepalingen voor urgentieverklaringen 1. Urgentieverklaringen die is verleend voorafgaand aan het moment van inwerkingtreding van deze verordening, zijn overeenkomstig dit artikel gelijkgesteld met urgentieverklaringen die zijn afgegeven met toepassing van deze verordening. 2.
Een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een in kolom 1 van de tabel van Bijlage 1 genoemde, in de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 of de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 opgenomen urgentiecategorie, is gelijkgesteld aan een op grond van deze verordening afgegeven urgentieverklaring waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een in kolom 2 van de tabel van Bijlage 1 genoemde urgentiecategorie.
27
Zaaknr:1748030
3. Indien een urgentieverklaring verleend is vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening, geeft de urgentieverklaring de houder ervan in de volgende gevallen geen voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning: a. de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 1 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring heeft de leeftijd van 55 jaar, of een hogere, bij het aanbod van de woonruimte te bepalen leeftijd niet bereikt; b. de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 2 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring is ouder dan, of ouder dan een lagere leeftijd dan die bij het aanbod van de woonruimte bepaald is; c. de aangeboden woonruimte behoort tot de categorie bedoeld in rij 6 van de tabel in artikel 2.2.6, eerste lid, en de houder van de urgentieverklaring beschikt niet over de in artikel 2.2.6, derde lid, bedoelde indicatie. 4. Voor urgentieverklaringen verleend vóór het moment van inwerkingtreding van deze verordening, blijven gedurende een termijn van één jaar na inwerkingtreding van deze verordening de in die urgentieverklaringen overeenkomstig artikel 3.2 van Bijlage I en Bijlage II bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 opgenomen voorkeursurgentieregio’s van kracht. 5.
Na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn worden de in het eerste lid bedoelde urgentieverklaringen aangepast aan de nieuwe indeling. Artikel 6.1.4. Overgangsbepaling voor huisvestingsvergunningen Na inwerkingtreding van deze verordening blijven de onder de eerder geldende regels verstrekte huisvestingsvergunningen van kracht. Paragraaf 6.2. Slotbepalingen Artikel 6.2.1. Intrekking van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 wordt ingetrokken. Artikel 6.2.2. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening wordt aangehaald als Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025. 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die waarop zij is bekendgemaakt. 3. Deze verordening vervalt vier jaar na het tijdstip van haar inwerkingtreding.
Vastgesteld in de openbare vergadering van 14 april 2025 De griffier, de voorzitter,
28
Zaaknr:1748030
Bijlage 1. Overgangsrecht urgentieverklaringen Bijlage bij artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024
Kolom 1 Urgentiecategorieën uit de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 en de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (met verwijzing naar artikel uit die verordeningen) Medische noodzaak (artikel 5.1) Onbewoonbaarheid (artikel 5.2) Woonlasten (artikel 5.3) Geweld en bedreiging (artikel 5.4) Uitstroom uit voorziening voor tijdelijke opvang van personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten (artikel 5.5) Mantelzorg (artikel 5.6) Doorstroming vanuit opvanginstellingen (artikel 5.7) Herhuisvesting in verband met sloop of ingrijpende verbetering (artikel 5.8) Vergunninghouders
Kolom 2 Urgentiecategorieën uit deze verordening (met verwijzing naar artikel uit deze verordening)
Ernstige en chronische medische problematiek (artikel 3.4.2) Onbewoonbaarheid (artikel 3.4.4) Woonlasten (artikel 3.4.5) Geweld en bedreiging (artikel 3.4.6) Uitstroom naar zelfstandig wonen (artikel 3.4.3)
Mantelzorg (artikel 3.4.1) Uitstroom naar zelfstandig wonen (artikel 3.4.3) Herhuisvesting in verband met sloop of ingrijpende verbetering (artikel 3.4.7) Vergunninghouders (artikel 3.4.8)
29
Zaaknr:1748030
Bijlage 2. Toelichting Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 Definitieve versie 6 december, met aanpassing d.d. 11 maart 2025 van toelichting bij artikel 2.3.5. en artikel 3.4.3 Algemene toelichting Regionaal afgestemde regels over woonruimteverdeling Gemeenteraden kunnen op grond van de Huisvestingswet 2014 in een huisvestingsverordening regels instellen over woonruimteverdeling inclusief urgentie (hoofdstuk 2 en 3 van de Huisvestingswet 2014) en wijzigingen in de woonruimtevoorraad (hoofdstuk 4 van de Huisvestingswet 2014). Binnen de regio Rotterdam wordt gewerkt met een regionaal model voor de huisvestingsverordening waarin de regels over woonruimteverdeling opgenomen zijn. De laatste grote actualisatie van de regionale modelverordening heeft in 2020 plaatsgevonden. Op grond van de Huisvestingswet 2014 hebben vastgestelde huisvestingsverordeningen een maximale werkingsduur van vier jaar. Omdat in de regio de behoefte aanwezig was om het regionale huisvestingsverordeningsmodel stevig te herzien (op basis van een gezamenlijke evaluatie) en ‘toekomstproof’ te maken (o.a. met het oog op de aanstaande Wet versterking regie op de volkshuisvesting)], is er in 2024 voor gekozen om de verordening uit 2020 – met enkele kleine verbeteringen – opnieuw vast te stellen.
In 2024 is er vervolgens een nieuw regionaal model opgesteld: de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025. De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 bevat geen regels over wijzigingen in de woonruimtevoorraad (splitsen, samenvoegen, onttrekken, woningvormen, toeristische verhuur, opkoopbescherming). Regiogemeenten kunnen desgewenst zelf deze regels in een additionele huisvestingsverordening opnemen. Vormgeving Het regionale model voor de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 bestaat uit hoofdstukken die op hun beurt zijn onderverdeeld in paragrafen. Deze gelaagdheid is terug te zien in de nummering van de afzonderlijke artikelen: artikel 1.1.1 is het eerste artikel van paragraaf 1 van hoofdstuk 1. Bij de verdeling van onderwerpen over hoofdstukken en paragrafen is zoveel als mogelijk de homogeniteitsregel gehanteerd. Daarbij is ook gekozen voor een opbouw ‘van algemeen naar specifiek’. Daarmee wordt bedoeld, dat zoveel als mogelijk algemene onderwerpen – zoals aanvraag, inhoud van beschikkingen, verlening, weigering, intrekken en wijzigen van beschikkingen – eerder in een hoofdstuk aanbod komen dan meer bijzondere onderwerpen (zoals: de specifieke regels over de afzonderlijke categorieën aangewezen woonruimte of de urgentiegronden).
Centraal in het regionale model staan de hoofdstukken 2 (de huisvestingsvergunning) en 3 (de urgentieverklaring). In de eerste paragraaf van hoofdstuk 2, paragraaf 2.1, worden de delen van de woonruimtevoorraad aangewezen, waarop de huisvestingsvergunningplicht van toepassing is. Verder bevat deze paragraaf algemene regels over het aanvragen van een huisvestingsvergunning en het beslissen op zulke aanvragen. De daaropvolgende paragrafen bevatten specifieke regels voor de afzonderlijke delen van de woonruimtevoorraad: - Paragraaf 2.2 bevat de regels voor sociale huurwoningen van corporaties. Alle regiogemeenten nemen deze paragraaf in hun verordening op. - Paragraaf 2.3 bevat de regels voor nieuw te bouwen sociale koopwoningen. Als gemeenten de huisvestingsvergunningplicht op deze categorie woonruimten toepassen, nemen zij ook deze paragraaf op in hun verordening. - Paragraaf 2.4 bevat de regels over andere sociale huurwoningen dan die van corporaties. Ook hier geldt dat als gemeenten de huisvestingsvergunningplicht op deze categorie woonruimten toepassen, zij ook deze paragraaf op in hun verordening.
30
Zaaknr:1748030
De paragrafen 2.3 en 2.4 lijken sterk op elkaar. Vanuit juridisch-redactioneel perspectief was het goed mogelijk geweest, beide paragrafen samen te voegen tot één paragraaf voor beide categorieën woonruimte. Toch is daar niet voor gekozen: denkbaar is, dat een gemeente slechts één van beide categorieën woonruimte onder de reikwijdte van de huisvestingsvergunningplicht wil brengen. Die gemeente moet dan binnen de paragraaf bepaalde artikelen niet overnemen, met als gevolg dat bijvoorbeeld de nummering van de nog resterende artikelen gewijzigd moet worden. Dat kan dan weer tot gevolg hebben, dat verwijzingen tussen artikelen onderling aangepast moeten worden. Hoofdstuk 3 bevat de regionaal afgestemde regels over urgentieverklaringen. Anders dan hoofdstuk 2 bevat dit hoofdstuk geen onderdelen die een gemeente wel of niet overneemt. De opbouw van het hoofdstuk is, net als bij de andere delen van het regionale model, zoveel conform het uitgangspunt ‘van algemeen naar specifiek’. De eerste paragrafen bevatten de meer algemene, voor elke urgentieverklaring relevante, bepalingen. Het hoofdstuk sluit af met de specifieke urgentiecategorieën (ook wel: urgentiegronden). De noodzaak voor en werking van de woonruimteverdeling De Huisvestingswet 2014 stelt bepaalde eisen aan de mogelijkheden voor gemeenten om de verdeling van huurwoningen te reguleren.
Pas als onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte kunnen worden aangetoond of aannemelijk gemaakt, kan er gereguleerd worden. In dit kader zijn voor elke gemeenten schaarsteonderzoeken uitgevoerd.
De onderzoeken tonen schaarste aan voor de (particuliere) sociale huur en betaalbare koop. Daarnaast is onderzoek gedaan naar schaarste aan inwoners met vitale beroepen en woningen voor deze beroepsgroepen in de regio. Omdat er in deze drie segmenten en voor een aantal specifieke beroepsgroepen schaarste is geconstateerd, hebben we de mogelijkheid extra regels te stellen bij de verdeling van woonruimte.
Ondertussen werken we natuurlijk hard om deze schaarste tegen te gaan en het woningtekort weg te werken. Bijna tweederde van de woningen in het Capelse woningbouwprogramma valt in de categorie ‘betaalbaar’, waarvan 2.000 sociale huurwoningen.
31
Zaaknr:1748030
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemeen Artikel 1.1.1 Dit artikel bevat de voor de hele verordening toepasselijke begripsomschrijvingen. Begrippen waarvan de betekenis in andere wetten – zoals: de Huisvestingswet 2014 of de Algemene wet bestuursrecht – bepaald is, worden hier niet nogmaals omschreven.
Hoofdstuk 2 De huisvestingsvergunning Paragraaf 2.1 Algemeen Deze paragraaf bevat de bepalingen die gelden voor alle op grond van hoofdstuk 2 aan te vragen, te verlenen en te weigeren huisvestingsvergunningen. Artikel 2.1.1 In het eerste lid van dit artikel wijst de gemeenteraad aan, voor welke categorieën woonruimte de huisvestingsvergunningplicht geld. De gemeenteraad maakt bij het in dit artikel aanwijzen van de categorieën woonruimte gebruik van zijn in artikel 7 van de Huisvestingswet 2014 opgenomen bevoegdheid. Het gevolg daarvan is, dat het verboden is om zonder daartoe strekkende huisvestingsvergunning de hier aangewezen woonruimte in gebruik te geven of te nemen. Het eerste lid van artikel 2.1.1 wijst daarom deze woonruimte aan. Het verbod zelf is te vinden in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014. In het tweede lid is aangegeven voor welke soorten woonruimten de in hoofdstuk 2 opgenomen regels niet gelden.
Artikel 2.1.2 In dit artikel zijn de categorieën woningzoekenden aangewezen die in aanmerking komen voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning. Door de aanwijzing van deze categorieën woningzoekenden geeft de gemeenteraad uitvoering aan artikel 10, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014. Als een aanvrager van een huisvestingsvergunning niet behoort tot één van deze categorieën, wordt de huisvestingsvergunning geweigerd. Zie artikel 2.1.4, eerste lid, onder b. Artikel 2.1.3 Dit artikel regelt enkele formele aspecten van de aanvraag om een huisvestingsvergunning. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Huisvestingswet 2014. In het eerste en tweede lid is aangegeven, welke informatie in ieder geval met de aanvraag wordt ingediend. Op grond van het derde lid bedraagt de maximale behandeltermijn voor de beslissing op een aanvraag veertien dagen. Deze termijn kan eenmaal met ten hoogste veertien dagen worden verlengd. Artikel 2.1.4 In dit artikel zijn gronden voor weigering van de huisvestingsvergunning opgenomen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 9 van de Huisvestingswet 2014. Allereerst wordt gewezen op het onderscheid tussen de weigeringsgronden opgenomen in het eerste lid en die in het tweede lid. Als zich een in het eerste lid opgenomen weigeringsgrond voordoet, wordt de huisvestingsvergunning geweigerd.
Dit lid geldt voor alle in artikel 2.1.1 aangewezen categorieën woonruimte
32
Zaaknr:1748030
De in het tweede lid opgenomen weigeringsgrond geldt alleen voor sociale huurwoningen van corporaties. Als deze weigeringsgrond zich voordoet, kan de huisvestingsvergunning geweigerd worden (maar dat hoeft niet). Verder wordt nog gewezen op artikel 15, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014. Ook deze bepaling bevat een grond voor weigering van de huisvestingsvergunning. De verordening bevat geen bepalingen over het intrekken van een huisvestingsvergunning: dit is namelijk geregeld in artikel 18 van de Huisvestingswet 2014. Artikel 2.1.5 Dit artikel behoeft geen toelichting. Paragraaf 2.2 Te huur aanbieden van woonruimte door corporaties Deze paragraaf is van toepassing op sociale huurwoningen van corporaties. Artikel 2.2.1 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 2.2.2 Een corporatie biedt een voor verhuur vrijkomende woning aan via openbaar aanbod of via direct aanbod: - Openbaar aanbod gebeurt door de woning te adverteren op de website van het aanbodinstrument, op dit moment Woonnet Rijnmond. Zie verder artikel 2.2.3. - Bij direct aanbod biedt de corporatie de woning rechtstreeks te huur aan aan een specifieke woningzoekende. Zie verder artikel 2.2.4. Artikel 2.2.3 Het eerste lid van dit artikel verplicht corporaties tot het gezamenlijk voor de gehele regio instellen en in stand houden van het aanbodinstrument.
In het tweede lid is bepaald, dat bij openbaar aanbod woonruimte tenminste drie werkdagen te huur wordt aangeboden via het aanbodinstrument. Dit betreft de in artikel 17 van de wet bedoelde termijn, zie het vijfde lid van artikel 2.2.3. Verder wordt met dit artikel uitvoering gegeven aan artikel 20 van de Huisvestingswet 2014. In het derde lid worden kwalitatieve eisen gesteld aan het aanbodinstrument en de wijze waarop daarmee woonruimte te huur wordt aangeboden. Deze eisen worden gesteld om ervoor te zorgen dat het voor woningzoekenden voldoende duidelijk is, welke woonruimte wordt aangeboden en wat de voorwaarden zijn om voor die woonruimte in aanmerking te komen. Dergelijke duidelijkheid is een belangrijke waarborg voor een goede werking van de in de verordening opgenomen regels. Het vierde lid bepaalt gelet op artikel 11a, 11b en 11c van de Huisvestingswet 2014, dat in bepaalde gevallen de inschrijving van woningzoekenden in het aanbodinstrument niet vervalt. Artikel 2.2.4 In het eerste lid van dit artikel is limitatief opgesomd in welke gevallen een corporatie via direct aanbod – in plaats van via openbaar aanbod – te huur kan aanbieden. Het gaat veelal om categorieën woningzoekenden die gelet op specifieke omstandigheden onvoldoende kans hebben om via openbaar aanbod een geschikte woonruimte te vinden.
Artikel 2.2.5 In dit artikel zijn de regels over door corporaties gezamenlijk vast te stellen bemiddelingsmodellen opgenomen. In een bemiddelingsmodel kan bijvoorbeeld ‘inschrijfduur’ of ‘loting’ als volgordecriterium opgenomen zijn.
33
Zaaknr:1748030
De bemiddelingsmodellen zijn de schakel tussen enerzijds het te huur aanbieden van woonruimte zoals geregeld in deze verordening en anderzijds de wijze waarop corporaties bij het ‘matchen’ van woonruimte en potentiële huurders hun eigen volkshuisvestelijke visie en verhuurbeleid operationaliseren. Corporaties zetten de bemiddelingsmodellen in bij het via openbaar aanbod te huur aanbieden van woonruimte. Zie daarvoor ook artikel 2.2.3, derde lid. Corporaties dragen gezamenlijk zorg voor een evenwichtige inzet van de diverse bemiddelingsmodellen. Het uitgangspunt van de Huisvestingswet 2014 is, dat de gemeenteraad alleen van zijn bevoegdheid om via de huisvestingsverordening in te grijpen in het privaatrechtelijke verhuurtraject en de vrijheid van vestiging, als dat “noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte” (zie artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014). Voor wat betreft de regulering van de sociale huurvoorraad van corporaties heeft de gemeenteraad ervoor gekozen om in de huisvestingsverordening vooral de voorrang van specifieke categorieën woningzoekenden te regelen. Het gaat om: woningzoekenden die aangewezen zijn op categorieën woonruimte met een bepaalde aard, grootte of prijs (zie artikel 11 van de Huisvestingswet 2014).
In de verordening worden deze categorieën woningzoekenden ook wel ‘passendheidsdoelgroepen’ genoemd; woningzoekenden voor wie woonruimte dringend noodzakelijk is (zie artikel 12 van de Huisvestingswet 2014). Dit zijn de urgent woningzoekenden die, als zij aan de in de verordening opgenomen criteria voldoen, in aanmerking kunnen komen voor een urgentieverklaring; woningzoekenden met maatschappelijke of economische gebondenheid en de vitale beroepsgroepen (zie artikel 14 van de Huisvestingswet 2014). In de verordening wordt wel gesproken over de ‘bindingsdoelgroepen’. De voorrang voor deze doelgroepen is geregeld in de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.9 (en hoofdstuk 3, waarin de regels over de urgentieverklaring zijn opgenomen). De bemiddelingsmodellen werken in het verlengde van deze voorrang: Komen meerdere voorrangskandidaten in gelijke mate in aanmerking voor een huisvestingsvergunning voor dezelfde via openbaar aanbod te huur aangeboden woonruimte? Dan wordt op grond van het bemiddelingsmodel bepaald wie van hen als eerste voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Hebben er geen voorrangskandidaten op de aangeboden woonruimte gereageerd? Maar alleen ‘reguliere’ woningzoekende? Ook dan wordt op grond van het bemiddelingsmodel bepaald wie van hen als eerste voor verlening van de huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Zie artikel 2.2.9 lid 3.
Het derde en vierde lid van artikel 2.2.5 bevat regels over transparantie, kenbaarheid en raadpleegbaarheid van de bemiddelingsmodellen (derde lid, onder a), maar ook waarborgen waardoor de bemiddelingsmodellen goed aansluiten op de regels uit de verordening (derde lid, onder b, en vierde lid). Artikel 2.2.6 Bij het te huur aanbieden van woonruimte kan een corporatie ‘labels’ toepassen. Die labels zijn opgenomen in de tabel van het eerste lid van dit artikel. Als een corporatie een label toepast, krijgt een bepaalde categorie woningzoekenden – in de tabel vermeld als ‘passendheidsdoelgroep’ in dezelfde rij het als toegepaste label – voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning. Het gaat hierbij om de in artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 bedoelde voorrang. Deze vorm van voorrang heet ook wel ‘passendheidsvoorrang’. In de laatste regel van de tabel is een nieuwe mogelijkheid gecreëerd doorstroming binnen de regionale corporatievoorraad te bevorderen.
34
Zaaknr:1748030
Artikel 2.2.7 Naast ‘passendheidsvoorrang’ is in dit artikel bepaald dat bepaalde categorieën woningzoekenden ook ‘bindingsvoorrang’ kunnen hebben. Het gaat dan om woningzoekenden die maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan de regio, de gemeente of een deel van de gemeente. Dit artikel is een uitwerking van artikel 14, tweede en vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. Deze voorrang mag ten hoogste bij 50 % van de verleende huisvestingsvergunning toegepast worden. Zie gelet hierop ook artikel 2.1.4, eerste lid, onder f. De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 sluit daarmee aan op het wettelijke maximum zoals opgenomen in de Huisvestingswet 2014. Óf deze ruimte ook daadwerkelijk benut wordt, vloeit voort uit de dwingende regels en mogelijkheden in deze verordening. Artikel 2.2.8 Voorrang voor vitale beroepsgroepen is ook een vorm van ‘bindingsvoorrang’ wanneer een woningzoekende die tot een vitale beroepsgroep behoort, i ook economisch gebonden is aan de gemeente. In het tweede lid van dit artikel zijn de vitale beroepsgroepen aangewezen. Dit artikel is een uitwerking van artikel 14, tweede tot en met vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. Onder ‘vitale beroepen’ worden in de regio Rotterdam docenten in het basis- en secundair onderwijs, onderwijsassistenten, leidsters kinderopvang, verpleegkundigen en verzorgenden en brandweer en politie bedoeld.
Het nut en de noodzaak van het voorrang verlenen aan deze groepen is onderbouwd in het rapport Schaarste in Capelle aan den IJssel. Verhuurders kunnen middels een label aangeven of voorrang wordt verleend aan vitale beroepsgroepen; woningzoekenden uit deze categorie kunnen dan voorrang krijgen op het moment dat zij voldoen aan de eisen (bijvoorbeeld t.a.v. inkomen). Artikel 2.2.9 Op woonruimte die via het aanbodinstrument openbaar wordt aangeboden, reageren doorgaans meerdere woningzoekenden. Daarom regelt dit artikel, in welke volgorde woningzoekenden in aanmerking komen voor verlening van de huisvestingsvergunning: - eerst zijn dat de houders van een passende urgentieverklaring (en van hen als eerste degene bij wie de eerste fase van de urgentie als eerste is verlopen of verloopt); - vervolgens de woningzoekenden met bindingsvoorrang of passendheidsvoorrang; - en tot slot de overige woningzoekenden. Geeft de bovenstaande volgordebepaling geen uitsluitsel, dan doet het door de corporatie gebruikte bemiddelingsmodel dat, zo volgt uit het derde lid.
Het is gelet op het vanuit het doel van de verordening (het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte, zie artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014) niet nodig daar in de verordening meer over te regelen (zie in dit verband wel de in artikel 2.2.5 opgenomen randvoorwaarden voor bemiddelingsmodellen). Verder wordt gewezen op de relatie met artikel 2.1.4 (de weigeringsgronden voor de huisvestingsvergunning). Als op grond van artikel 2.2.9 (of op grond van artikel 15, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014) een bepaalde woningzoekende als eerste in aanmerking komt voor de huisvestingsvergunning (en die woonruimte ook daadwerkelijk wil hebben), levert dat voor alle andere woningzoekenden een weigeringsgrond op. Zie artikel 2.1.4, eerste lid, onder e. De Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 bevat in lid 5 een nieuwe mogelijkheid om bij maximaal 5% aanbod urgentie geen voorrang te laten geven op andere woningzoekenden. Deze mogelijkheid is gecreëerd om corporaties in staat te stellen om in bijzondere woningen of woningen die minder passend zijn voor het huisvesten van urgent woningzoekenden (denk aan nieuwbouwwoningen die soms 9 maanden voor oplevering al worden geadverteerd) de regulier woningzoekende te bedienen.
35
Zaaknr:1748030
Hoofdstuk 3 De urgentieverklaring Paragraaf 3.1 Verlening, weigering, intrekking en wijziging van de urgentieverklaring Een urgentieverklaring is een beschikking, waarmee een woningzoekende ingedeeld wordt in een urgentiecategorie. Vervolgens heeft die woningzoekende in bepaalde gevallen voorrang bij het verlenen van een huisvestingsvergunning. Het moet daarbij wel gaan om woonruimte die valt onder de regels van paragraaf 2.2 van de verordening. Artikel 12 van de Huisvestingswet 2014 is de basis voor de regels over de urgentieverklaring en de voorrang van de houders daarvan. Artikel 3.1.1 De urgentieverklaring wordt verleend en geweigerd door het college van burgemeester en wethouders, zie ook artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014. In verband met het regionale urgentiestelsel bevat dit artikel nog enkele aanvullende regels over in welke gevallen welk college van burgemeester en wethouders bevoegd is om te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring. Artikel 3.1.2 Dit artikel bevat een aantal regels over de aanvraag om een urgentieverklaring. De eerste drie leden beschrijven, waar de aanvraag ingediend moet worden. Het vijfde lid geeft aan, welke informatie bij de aanvraag ingediend moet worden. Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 13, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014.
Corporaties krijgen op basis van de huisvestingsverordening de opdracht om – indien urgent woningzoekenden niet zelf een passende woning kunnen vinden, of het wenselijk is om een direct aanbod te doen – in de ‘tweede fase’ een eenmalige aanbieding via directe bemiddeling te doen. Artikel 3.1.3 Op grond van het eerste lid wordt de urgentieverklaring geweigerd als: - het huishoudinkomen van de aanvrager boven de inkomensgrens ligt (in dat geval kan namelijk ook een huisvestingsvergunning geweigerd worden, zie artikel 2.1.4, tweede lid); of - de aanvrager gelet op de Huisvestingswet 2014 en de verordening niet in aanmerking komt voor indeling in een urgentiecategorie. Het gaat hier vooral om situaties waarin een aanvrager niet voldoet aan de criteria om voor indeling in een urgentiecategorie opgenomen te worden. Zie voor de weigeringsgrond inzake het huishoudinkomen de in het derde lid opgenomen regeling voor bijzondere medische problematiek. Als sprake is van een in het tweede lid genoemde weigeringsgrond, kan de urgentieverklaring geweigerd worden. Bij de redactie van dit artikellid is gestreefd naar een indeling van de weigeringsgronden ‘van algemeen naar specifiek’. Zie de bijlage voor een toelichting voor de in artikel 3.1.3, tweede lid, onder h, opgenomen weigeringsgrond. Artikel 3.1.4 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 3.1.5 Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 3.1.6 Het college van burgemeester en wethouders kan zich bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag laten adviseren. Zie voor advisering ook afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.1.7 Het eerste lid van dit artikel bevat een hardheidsclausule. Voor de toepassing ervan is van belang dat a) weigering van de urgentieverklaring zou leiden tot een schrijnende situatie en, b) sprake is van een bijzondere, bij vaststelling van de verordening onvoorziene, situatie die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor verlening van de urgentieverklaring zou kunnen zijn. 36
Zaaknr:1748030
Het college van burgemeester en wethouders komt een zeer ruimte marge toe bij de beoordeling van de vraag, of van deze omstandigheden inderdaad sprake is. Paragraaf 3.2 Werking en inhoud van de urgentieverklaring Artikel 3.2.1 Dit artikel beschrijft op de werking van de urgentieverklaring. In het tweede lid wordt aangegeven onder welke voorwaarden een urgentieverklaring aan de houder ervan voorrang verleend bij het verlenen van een huisvestingsvergunning. Zie de relatie met de regels in paragraaf 2.2 over het verlenen van de huisvestingsvergunning, en in het bijzonder artikel 2.2.9. In het derde lid is beschreven wanneer de urgentieverklaring vervalt. Artikel 3.2.2 De urgentieverklaring bevat in ieder geval de informatie die nodig is om te bepalen in welke gevallen de houder ervan voorrang heeft bij het verlenen van een huisvestingsvergunning. Het gaat onder meer om het zoekprofiel en de voorkeursurgentieregio. Artikel 3.2.3 Het woonruimtetype, waarover dit artikel regels bevat, maakt onderdeel uit van het in de urgentieverklaring op te nemen zoekprofiel. Het woonruimtetype bevat tenminste de in het derde lid opgesomde elementen. De urgentieverklaring ‘werkt’ alleen bij woonruimten die behoren tot het in de urgentieverklaring, als onderdeel van het zoekprofiel, opgenomen woonruimtetype, zie artikel 3.2.1, tweede lid.
Artikel 3.2.4 Het woonruimtetype bevat ook het aantal slaapkamer: het slaapkamertal. Het slaapkamertal wordt op basis van dit artikel bepaald. Paragraaf 3.3 Zoeken door en bemiddeling van de houder van de urgentieverklaring Artikel 3.3.1 tot en met 3.3.3 De urgentie heeft twee fasen. Fase 1 start bij verlening van de urgentieverklaring en duurt de zes daaropvolgende maanden, zie artikel 1.1.1, onder 6. Vervolgens start fase 2, zie artikel 1.1.1 onder 27. De hoofdregel is, dat de houder van de urgentieverklaring in zowel fase 1 als in fase 2 zelf zoekt naar passende woonruimte, zie artikel 3.3.2. Doet de houder van de urgentieverklaring dat inderdaad, maar lukt het niet om in fase 1 woonruimte te vinden, dan krijgt de houder van de urgentieverklaring in fase 2 via direct aanbod een woonruimte aangeboden. Op deze hoofdregel bestaan een aantal uitzonderingen, zie onder meer artikel 3.3.1. Paragraaf 3.4 De urgentiecategorieën Deze paragraaf bevat de urgentiecategorieën. Elk van de urgentiecategorieën bevat criteria op basis waarvan beoordeeld wordt, of de aanvrager voor indeling in zo’n categorie in aanmerking komt. Met die criteria wordt invulling aan artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014.
Komt een aanvrager van een urgentieverklaring in aanmerking voor indeling in een urgentiecategorie en zijn er geen weigeringsgronden (zie artikel 3.1.3), dan wordt de urgentieverklaring verleend. Bij de bepaling van de urgentiecategorieën in deze verordening is de concept-regeling bij de Wet versterking regie op de volkshuisvesting sterk leidend geweest. Vergunninghouders zijn geen aparte urgentiecategorie maar worden wel gelijkgesteld aan de houders van urgentie. Daarmee kan enerzijds geborgd worden dat aan de nu (nog) bestaande taakstelling vergunninghouders kan worden voldaan, en anderzijds biedt deze bepaling de mogelijkheid om – als deze taakstelling verdwijnt zoals aangekondigd door het huidige kabinet – te voldoen aan een eventueel verbod op voorrang zoals aangekondigd door het kabinet. 37
Zaaknr:1748030
Artikel 3.4.1 De urgentiecategorie ‘mantelzorg’ is mede gelet op artikel 14, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 in de verordening opgenomen. Inhoudelijk anticipeert dit artikel op de in voorbereiding zijnde ‘Regeling versterking regie volkshuisvesting’, een voorgenomen landelijke regeling, samenhangend met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’. Artikel 3.4.2 Ook dit artikel over de urgentiecategorie ‘ernstige en chronische medische problematiek’ anticipeert inhoudelijk op de in voorbereiding zijnde ‘Regeling versterking regie volkshuisvesting’, een voorgenomen landelijke regeling, samenhangend met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’. Artikel 3.4.3 De urgentiecategorie ‘uitstroom naar zelfstandig wonen’ is mede gelet op artikel 14, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 in de verordening opgenomen. Dit geldt specifiek voor de in het tweede lid, onder b bij ‘huiselijk geweld’ bedoelde woningzoekenden. Inhoudelijk anticipeert dit artikel op de in voorbereiding zijnde ‘Regeling versterking regie volkshuisvesting’, een voorgenomen landelijke regeling, samenhangend met het wetsvoorstel ‘Wet versterking regie volkshuisvesting’. In het tweede lid worden zeven categorieën woningzoekenden opgesomd die voor indeling in deze urgentiecategorie in aanmerking komen.
Het gaat om woningzoekenden die (gaan) uitstromen uit een instelling of voorziening. , Bij de in het tweede lid onder a, c, d, e, f of g genoemde voorzieningen en (gesloten en andere) accommodaties wijst het college van burgemeester en wethouders de voorzieningen en accommodaties aan. In de praktijk wijst de gemeente de voorzieningen en accommodaties aan waarmee de gemeente vanwege haar taken in het sociaal domein samenwerkt. Artikel 3.4.4 Woningzoekenden waarvan de woonruimte als gevolg van een calamiteit voor langere tijd onbewoonbaar is, kunnen in aanmerking komen voor indeling in deze urgentiecategorie. De voorwaarden voor indeling in deze urgentiecategorie zijn in het artikel verder uitgewerkt. Artikel 3.4.5 Soms is iemand niet meer in staat om de woonlasten van zijn of haar huidige woning te betalen. Als aan de dit artikel genoemde voorwaarden wordt voldaan, kan een woningzoekende dan ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘woonlasten’. Het artikel heeft een gelaagde structuur: het eerste lid bevat de meer algemene toetsingsgronden en een verwijzing naar de, voor specifieke situaties, in het tweede en derde lid opgenomen toetsingsgronden. In het vierde lid is beschreven wat onder ‘woonlasten’ verstaan wordt.
Artikel 3.4.6 Wanneer er sprake is van ernstig psychisch of fysiek geweld, of bedreiging daarmee, kan een woningzoekende ingedeeld worden in de urgentiecategorie ‘geweld en bedreiging’. Wel moet voldaan zijn aan de in dit artikel genoemde voorwaarden. Artikel 3.4.7 De urgentiecategorie ‘herhuisvesting’ regelt de uitstroom van woningzoekenden uit te slopen of ingrijpend te renoveren woningen naar andere woonruimte. Het gaat niet om elke geval van sloop of ingrijpende renovatie: zie daarvoor het tweede lid.
38
Zaaknr:1748030
Een urgentieverklaring verleend vanwege indeling in deze urgentiecategorie wordt in de praktijk ook wel een ‘herhuisvestingsverklaring’ genoemd. Artikel 3.4.8 Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 12, vierde lid, van de Huisvestingswet 2014. Hoofdstuk 4 Standplaatsen Paragraaf 4.1. Inleidende bepalingen Artikel 4.1.1 Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 4.1.2 Dit artikel bevat één aanvullende begripsomschrijving. Specifiek voor dit hoofdstuk wordt het begrip ‘wachtlijst’ gedefinieerd. Het begrip ‘standplaats’ wordt gedefinieerd in artikel 1 van de Huisvestingswet 2014 en is daarom hier niet nogmaals gedefinieerd. Paragraaf 4.2. De huisvestingsvergunning voor standplaatsen Deze paragraaf bevat voor de huisvestingsvergunning voor standplaatsen. Artikel 4.2.1 In dit artikel wijst de gemeenteraad de huisvestingsvergunningplichtige woonruimte – hier specifiek: standplaatsen – aan. Verder is tot uitdrukking gebracht dat het verbod om zonder daartoe strekkende huisvestingsvergunning de hier aangewezen woonruimte in gebruik te geven of te nemen, in artikel 8 van de Huisvestingswet 2014 staat. Artikel 4.2.2 Woningzoekenden die in aanmerking willen komen voor een standplaats, kunnen bij het college van burgemeester en wethouders verzoeken om ingeschreven te worden op de wachtlijst. Het verzoek wordt gedaan via het aanbodinstrument.
Artikel 4.2.3 Het eerste lid van dit artikel somt op, wanneer een inschrijving op de wachtlijst vervalt. Het tweede lid bevat een regeling ten behoeve van de geregistreerd partner of echtgenoot of echtgenote van een overleden ingeschreven standplaatszoekende. Artikel 4.2.4 Dit artikel beschrijft hoe de volgorde bepaald wordt, waarin woningzoekenden in aanmerking komen voor de huisvestingsvergunning voor een standplaats. Als een standplaats via het aanbodinstrument wordt aangeboden, kunnen gelet op het eerste lid alleen woningzoekenden die ingeschreven zijn op de wachtlijst een huisvestingsvergunning aanvragen. Het tweede lid bevat de algemene gronden voor verlening. Artikel 4.2.5 Ook voordat deze verordening in werking trad, konden woningzoekende zich inschrijven op een wachtlijst van standplaatszoekenden. Die inschrijvingen worden gelijkgesteld met de inschrijvingen die vanaf de inwerkingtreding van deze verordening gedaan worden.
39
Zaaknr:1748030
Hoofdstuk 5 Overige bepalingen Paragraaf 5.1.1. Experimenten De experimentenregeling is overgenomen uit de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024. Artikel 5.1.1 Experimenten kunnen alleen gaan over de voor verhuur bestemde woonruimte van woningcorporaties met een huurprijs tot de liberalisatiegrens. Het doel van een experiment is, om te onderzoeken of woonruimte buiten de huidige kaders van de verordening om, op een andere manier in gebruik gegeven kan worden. Het moet wel gaan om een manier van in gebruik geven die eventueel, gelet op de Huisvestingswet 2014, door aanpassing van de verordening mogelijk gemaakt kan worden. Als extra waarborg is in het derde lid bepaald, dat de experimentele wijze van in gebruik geven ten dienste moet staan aan een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en transparantie verdeling van woonruimte. De maximale experimentduur is twee jaar. Vervolgens wordt een experiment geëvalueerd. Artikel 5.1.2 De corporaties en gemeente(en) die het experiment organiseren, sluiten een experimentenovereenkomst. In het eerste lid is aangegeven, wat daarin geregeld moet zijn. De opzet van het experiment en het concept van de experimentenovereenkomst worden eerst afgestemd met de colleges van burgemeester en wethouders van de andere regiogemeenten.